29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/1
II
(Voorbereidende besluiten)
ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
240e ZITTING — OKTOBER 1986
Advies inzake het door de Commissie van de Europese Gemeenschappen uitgebrachte
vijftiende verslag over het mededingingsbeleid
(86/C 333/01)
De Commissie heeft op 20 juni 1986 besloten, het Economisch en Sociaal Comité om advies
te vragen inzake het door haar uitgebrachte vijftiende verslag over het mededingingsbeleid.
De Afdeling voor industrie, handel, ambacht en dienstverlening, die met de voorbereiding
van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 3 september 1986
goedgekeurd.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens de 240e zitting (vergadering van 23 oktober
1986) de heer Bagliano als algemeen rapporteur aangewezen en het volgende advies uitge-
bracht, dat met ruime meerderheid van stemmen (4 onthoudingen) is goedgekeurd.
Inleiding
Momenteel wordt vrij algemeen ingezien dat het me-
dedingingsbeleid onmisbaar is voor het goed functione-
ren en het stimuleren van de vrije markt, waarbij wel
moet worden gezorgd voor bescherming van de vrijheid
en de rechten van de consument.
Bij de beoordeling van het vijftiende verslag over het
mededingingsbeleid is rekening gehouden met de econo-
mische verschuivingen die thans in de Gemeenschap en
in de wereld kunnen worden waargenomen.
Een actief en realistisch mededingingsbeleid wordt
thans door met name twee factoren bepaald, namelijk
de nieuwe omvang van de markten (internationalise-
ring) en innovatie.
1. De algemene economische context — Internationale
dimensie van de markten en innovatie
1.1. In de huidige context van de door snelle veran-
deringen in elke sector gekenmerkte wereldeconomie
kan het Comité zich vinden in de volgende uitspraak
van de Commissie: „De bevordering van een dynami-
sche, innoverende mededinging zal een beslissende
maatstaf blijven door de toepassing van de artikelen 85
en 86 op concurrentiebeperkingen door onderne-
mingen." (Vijftiende verslag over het mededingings-
beleid — Inleiding, blz. 12).
Dit standpunt moet in elk politiek of bestuurlijk op-
treden ten aanzien van ondernemingen, staten en inter-
nationale organisaties coherent worden ontwikkeld en
toegepast.
1.2. De toenemende internationalisering van de
markten op wereldniveau en de tempoversnelling in
de technologische innovatie hebben ertoe geleid dat
bestaande evenwichten zijn verbroken.
In deze nieuwe, zich zo snel wijzigende omstandigheden
zijn de ondernemingen gedwongen hun strategieën op
korte termijn door middel van herstructurering en ra-
tionalisering, maar vooral met behulp van innovatie,
bij te sturen.
1.3. Wie verantwoordelijk is voor het behoud van
de vrije concurrentie, dient in deze fase van snelle en
ingrijpende overgang, met name in het kader van een
geëigend sociaal beleid, rekening te houden met een
onvermijdelijk en urgent proces van aanpassing van
de ondernemingen en de economische, financiële en
juridische structuren, en bijgevolg een beleid te voeren
dat dit proces stimuleert en vlotter doet verlopen, waar-
bij wel voor de nodige controle en voldoende coördina-
tie moet worden gezorgd.
De nieuwe omvang van de markten en het verschijnsel
innovatie nopen ertoe dat bij de analyse van feiten en
gedragswijzen van rigide modellen wordt afgestapt. De
Commissie dient bij de interpretatie en de toepassing
Nr. C 333/2 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
van de voorschriften vooral criteria te hanteren die
beter bij de huidige context aansluiten.
1.4. In deze context van sterke verschuivingen is de
uiteraard geleidelijke totstandbrenging van de gemeen-
schappelijke markt een essentieel en urgent instrument
van de nieuwe Gemeenschapsstrategie, waarin het me-
dedingingsbeleid in nauwe samenhang met de andere
beleidsvormen van de Gemeenschap een doorslaggeven-
de en actieve rol moet vervullen (zie ook paragraaf 7).
2. Omvang van de markt — Samenwerking tussen
ondernemingen
2.1. Het integratieproces is een noodzakelijk station
voor het doorvoeren van de nodige rationaliserende
maatregelen in het Europese produktieapparaat en voor
het ontplooien van nieuwe initiatieven. De totstand-
brenging van de interne markt is zelfs de noodzakelijke
voorwaarde voor de integratie.
2.2. Het voortbestaan — in enigerlei vorm — van
afgebakende volkshuishoudingen staat het bereiken van
een voldoende mate van effectief concurrentievermogen
in deze tijd in de weg; nationale volkshuishoudingen
kunnen niet langer als maatstaf voor de beoordeling
of het vaststellen van de „relevant market" worden
gehanteerd. De omvang van de Gemeenschap vormt
inmiddels al de minimummaatstaf, maar ook hier mag
de internationale dimensie geen enkel ogenblik uit het
oog worden verloren.
Ook al kan het begrip „een wezenlijk deel" van de
gemeenschappelijke markt — dat in het Verdrag van
Rome wordt vermeld, maar dan als alternatief voor de
gemeenschappelijke markt — vandaag de dag in elk
geval in maar weinig, onbelangrijke gevallen gelden,
moet toch als minimummaatstaf de gemeenschappelijke
markt worden genomen. Overigens kan dit begrip in
nogal wat sectoren niet meer worden gehanteerd, b.v.
wanneer de marktpositie van een onderneming of een
groep ondernemingen moet worden beoordeeld die met
ondernemingen buiten de Gemeenschap concurreert/
concurreren.
2.3. De feitelijke dimensie is de wereld, ofschoon het
economische en handelsgebied van de Gemeenschap de
belangrijkste factor vormt die het concurrentiever-
mogen van de Europese industrie veilig moet stellen.
2.4. Tegen deze achtergrond moet de samenwerking
tussen ondernemingen worden bevorderd.
2.4.1. Bijgevolg kan volledig worden ingestemd met
paragraaf 26 van het vijftiende verslag over het me-
dedingingsbeleid, waarin het volgende wordt onder-
streept :
De Commissie hoopt het tempo van de structurele
wijziging te kunnen versnellen door samenwerking tus-
sen ondernemingen te vergemakkelijken, waarbij de
concurrentie blijft gehandhaafd.".
Het Economisch en Sociaal Comité en het bedrijfsleven
wachten met betrekking tot de samenwerking van het
type „gemeenschappelijke onderneming" („joint ventu-
res") nog op de aangekondigde richtsnoeren, die op het
stuk van rechtszekerheid doeltreffend zullen zijn voor
zover een redelijke oplossing wordt gevonden voor de
problemen van de „relevant market", de referentiepara-
meters en -drempels en een correcte definitie van
„structurele effecten".
2.5. Het al jaren geleden door de Commissie inge-
diende en later nog gewijzigde voorstel over controle
op concentraties is nog niet door de Raad goedgekeurd
omdat hierover nog niet de nodige consensus is bereikt.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft destijds een
uitvoerig advies hierover uitgebracht, waarnaar nog-
maals wordt verwezen (*), en dringt erop aan dat het
voorstel spoedig door de Raad wordt goedgekeurd.
Aangezien de nationale en internationale omstandighe-
den inmiddels zijn gewijzigd, dienen naast de hoofd-
stukken betreffende het toepassingsgebied, de drempels
en parameters en de procedure de bevoegdheden van
de Commissie met betrekking tot de toepassing van
artikel 86 duidelijker te worden vastgelegd, waarbij
moet worden gelet op het feit dat de omstandigheden
tussen de Lid-Staten uiteenlopen.
De gewenste duidelijkheid en rechtszekerheid kunnen
er ook in dit geval alleen maar toe bijdragen dat er een
gunstig klimaat voor ondernemingsinitiatieven in het
zich voltrekkende veranderingsproces wordt gecreëerd.
3. Innovatie
3.1. De internationalisering van de markt gaat ge-
paard met een zich uitbreidende en in tempo toenemen-
de innovatie, die grotendeels wordt aangezwengeld
door de geavanceerde sectoren, maar ook in de z.g.
creatieve sectoren op grote schaal voorkomt en waarvan
het effect ook algemeen in de sector dienstverlening en
bijgevolg in de werkgelegenheidssituatie kan worden
waargenomen.
3.2. Het Comité heeft in zijn advies over het dertien-
de verslag (2) duidelijk betoogd dat het begrip „innova-
tie" in de ruime betekenis moet worden begrepen; zo
vallen hieronder de technologische ontwikkeling van
het produkt (verbetering van de kwaliteit en van de
prestaties) en van het produktieproces (kostenverla-
ging), alsook de ontwikkeling van nieuwe produkten
— eindprodukten of componenten — of niéuwe ma-
terialen.
3.3. Een strategie inzake ontwikkeling van de in-
dustrie en van de dienstverlenende ondernemingen in
de Gemeenschap dient op bevordering van innovatie te
berusten: het vermogen tot scheppen en tot toepassing
van innovatie is vandaag de dag bepalend voor het
succes van ondernemingen in de internationale concur-
rentiestrijd.
(•) PB nr. C 252 van 27. 9. 1982, blz. 15.
(2) PB nr. C 343 van 24. 12. 1984.
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/3
Daarom moet ook het mededingingsbeleid op deze
strategie van de Gemeenschap worden afgestemd en het
innovatieproces stimuleren door een gunstig klimaat
voor investeringen in onderzoek en ontwikkeling te
creëren.
3.4. Het ingewikkelde verschijnsel „innovatie", dat
op verschillende wijzen in alle sectoren binnendringt,
heeft ook betrekking op alle fasen van het produk-
tieproces. Het stimuleren van investeringen in onder-
zoek en ontwikkeling (O & O) — hetgeen ook een
positieve houding impliceert tegenover samenwerking
die onmisbaar is indien het om grote bedragen gaat —
mag echter niet beperkt blijven tot onderzoek in de
aan concurrentie voorafgaande fase, maar moet ook
betrekking hebben op toegepast' onderzoek en zelfs de
industriële toepassing. De innovatie kan aldus in elke
fase van het gehele produktieproces ingrijpen.
Het O &c O-beleid van de Commissie (*), dat met Veror-
dening (EEG) nr. 418/85 reeds een adequaat controle-
en stimuleringsinstrument heeft, moet in elk geval voor
effectieve concurrentie en technische vooruitgang
zorgen.
4. Overheidssteun
4.1. Men dient op realistische wijze in te zien dat de
ontwikkeling, en niet alleen op industrieel gebied, in
alle industrielanden een prioritair onderwerp van het
nationaal economisch-industrieel beleid is geworden.
De problemen met betrekking tot het internationale
concurrentievermogen zijn zo aangescherpt dat deze
ternauwernood meer kunnen worden opgelost door
autonome strategieën en initiatieven van afzonderlijke
ondernemingen. Dit wordt bij voorbeeld ruimschoots
aangetoond door de Europese scheepsbouw, die alle
zeilen heeft bijgezet om weer produktief te worden en
zijn concurrentiepositie op de wereldmarkt te herove-
ren, maar nog steeds steun nodig heeft. Het vooruitzicht
van een zichzelf bedruipende scheepsbouw is echter nog
ver verwijderd (2).
4.2. Concurrentievermogen is niet zonder innovatie
mogelijk en innovatie niet zonder onderzoek en ontwik-
keling. Overheidssteun voor onderzoek en ontwikkeling
en dus voor innovatie is een noodzaak die op realistische
wijze onder ogen moet worden gezien.
4.3. De Commissie heeft een kader voor over-
heidssteun vastgesteld waarin beginselen, criteria en
hypothesen zijn vastgelegd: de communautaire filosofie
op dit gebied is dus bekend. Minder bekend en herken-
baar en zeer moeilijk is evenwel de toepassing hiervan,
aangezien er zoveel verschillende gevallen zijn en de
nationale omstandigheden uiteenlopen.
(!) PB nr. C 206 van 6. 8. 1984.
(2) PB nr. C 189 van 28. 7. 1986 (Advies van het Comité betreffen-
de de doelstellingen van een communautair beleid in de
scheepsbouwsector).
4.4. In dit verband moeten enkele opmerkingen wor-
den gemaakt over de relatieve waarde van algemene
beginselen of criteria in sommige gevallen. Een belang-
rijk element in dit verband is de totale omvang van
de financieringsfaciliteiten en/of steunmaatregelen die
door de nationale regeringen voor O & O worden
gegeven, onafhankelijk van de vraag of deze uitgaven
besteed worden in de industrie, in overheidslaboratoria
of aan universiteiten. Een onderneming heeft direct of
indirect een voorsprong indien haar (nationale) context
wetenschappelijk „rijker" is dan de context waarin
concurrerende ondernemingen in andere Lid-Staten van
de Gemeenschap werken.
Daarom moet het bedrag van de steun aan een onderne-
ming worden beoordeeld tegen de achtergrond van een
specifieke nationale situatie en met de omstandigheden
in de andere Lid-Staten worden vergeleken.
4.5. Het Comité wil de aandacht van de Commissie
echter ook vestigen op een andere discriminerende fac-
tor die het steunbeleid in het kader van een mededin-
gingsbeleid kan vormen.
Het voortduren van de verschillen tussen belasting-
systemen van de Lid-Staten kan de concurrentieverhou-
dingen scheeftrekken, ook al wordt het steunbeleid met
de nodige voorzichtigheid gevoerd.
De vraag of een vorm van overheidssteun te verenigen
is met de regels van het Verdrag, mag namelijk niet
afzonderlijk worden beoordeeld, maar moet in een al-
gemeen verband worden beantwoord, waarbij rekening
wordt gehouden met het belastingsysteem waarmee de
onderneming of de bedrijfstak te maken heeft; hierbij
moet ook worden gelet op concurrerende onderne-
mingen in landen die een lagere belastingdruk kennen
of waar het belastingsysteem in het specifieke geval
anders werkt.
Het is uiteraard niet de bedoeling van het Comité om
het steunbeleid op te schepen met de taak de fiscale
verschillen of andere structurele verschillen tussen de
Lid-Staten te corrigeren.
Het uitblijven ^n harmonisering van de belasting-
systemen, waarmee nog maar nauwelijks vorderingen
zijn gemaakt, maakt niet alleen de uitvoering van een
correct en een rechtvaardig beleid inzake overheidssteun
tot een netelige en moeilijke aangelegenheid, maar ook
de uitvoering van veel andere beleidsvormen van de
Gemeenschap, waaruit allerlei onevenwichtige en
scheefgetrokken situaties voortvloeien, die met een vast-
houdend en vooruitziend mededingingsbeleid zeker niet
kunnen worden opgehjven.
4.6. Het midden- en kleinbedrijf (mkb) verwacht een
reeks specifieke maatregelen waarmee ervoor wordt
gezorgd dat een echte, vrije concurrentie in acht wordt
genomen; deze maatregelen mogen niet beperkt blijven
tot het toestaan van uitzonderingen in het voordeel
van deze bedrijfscategorie, maar moeten een algemeen
beleid tot stand brengen.
Het feit dat onlangs een Lid van de Commissie specifiek
met midden- en kleinbedrijfzaken werd belast, is stellig
een stap in de goede richting, maar het midden- en
kleinbedrijf verlangt dat zo spoedig mogelijk bijzondere
Nr. C 333/4 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
voorschriften het licht zien om een dergelijk algemeen
beleid tot stand te brengen.
4.7. Het Comité ziet in dat de Commissie bij de
uitvoering van een in een coherent mededingingsbeleid
ingepast steunbeleid met een ingewikkelde taak is belast
en hierbij zeer omzichtig te werk moet gaan.
Het Comité vindt dat moet worden weerstaan aan de
verleiding om het probleem door starre automatismen
op te lossen. Daarom kan het zich vinden in de realisti-
sche en pragmatische aanpak van de Commissie, waar-
bij het haar wel adviseert mede met de in deze paragraaf
genoemde factoren rekening te houden.
4.8. Voorzichtigheid is nog meer geboden wanneer
de omstandigheden tussen de Lid-Staten moeten wor-
den vergeleken, omdat het niet altijd eenvoudig is een
volledig of voldoende inzicht in de nationale omstandig-
heden te krijgen.
Zo wordt steun niet slechts door de staat, d.w.z. de
centrale overheid, verstrekt, maar ook door plaatselijke
of gebiedsoverheden, zodat men moeilijker een over-
zicht van de situatie kan krijgen. Het steunbeleid van
lagere overheden is in elk geval op ingewikkelder en
complexere omstandigheden afgestemd. Deze noodzaak
tot voorzichtigheid betekent niet dat het probleem moet
worden veronachtzaamd of, nog erger, onderschat. De
Commissie doet er goed aan te trachten, een inventaris
van deze steunmaatregelen op te maken. De officiële
resultaten van eventuele onderzoeken zullen echter als
gevolg van de trage administratieve molen later achter-
haald blijken. Daarnaast dient de Commissie het hui-
dige en consequente beleid inzake nationale en regionale
steunmaatregelen met aandacht te volgen met het doel
het eigen steunbeleid (incl. gebruikmaking van de Ge-
meenschapsfondsen) bij te stellen en op een ander spoor
te zetten.
4.9. Een betere, d.w.z. tijdige en correcte informatie
en een grotere oplettendheid zijn daarom noodzakelijk
om inzicht te krijgen in de echte context waarin enigerlei
vorm van steun wordt gegeven.
Het is niet eenvoudig een theoretische definitie van het
begrip „overheidssteun" te geven en het is evenmin
gemakkelijk een toereikende casuïstiek of enigerlei con-
trolerooster uit te werken. Om een voorbeeld te geven:
als een onderneming meer overheidsopdrachten ont-
vangt dan een andere onderneming, dan is reeds een
potentiële factor voor distorsie gegeven.
Bovendien is het in sommige gevallen vreemd dat voor
steun in aanmerking komende ondernemingen waarvan
de activiteit niet betrekking heeft op^de handel in de
Gemeenschap, automatisch van controle zijn uitgeslo-
ten. Deze ondernemingen kunnen immers leveren aan
ondernemingen die een krachtige exportactiviteit in de
richting van de Gemeenschap ontwikkelen.
Een pragmatische aanpak en correcte en tijdige infor-
matie kunnen een referentiekader vervolmaken en han-
teerbaar maken dat alle betrokkenen, staten en onder-
nemingen op adequate wijze herinnert aan de criteria
en de opvatting van de Commissie met betrekking tot
de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag.
In zijn advies inzake het dertiende verslag over het
mededingingsbeleid (*) heeft het Comité de wens uitge-
sproken dat „de Commissie aandachtig nagaat of be-
hoefte bestaat aan een of meer verordeningen van de
Raad waarmee het bereiken van de noodzakelijke con-
sensus van de Lid-Staten ten aanzien van correcte toe-
passing van de in de artikelen 92 en 93 neergelegde
basisbegrippen wordt bevorderd.".
5. Openbare bedrijven — Staatsmonopolies
5.1. Onvoorwaardelijke uitbreiding van de „Trans-
parantierichtlijn" tot alle door openbare onderne-
mingen bestreken sectoren zou ervoor moeten zorgen
dat de Commissie althans over de nodige inlichtingen
en beoordelingselementen komt te beschikken.
Het Comité ziet in dat de Commissie op weerstand bij
de Lid-Staten stuit, maar hoopt dat niettemin bevredi-
gende resultaten kunnen worden bereikt, met name
indien de Commissie zelf bekendmaakt welke verant-
woordelijkheid de regeringen op dit gebied dragen.
5.2. Ten aanzien van de nationale monopolies zijn
de moeilijkheden nog groter, met name bij z.g. „fiscale"
monopolies.
De nauwe samenhang met de inkomstenstructuur en
zodoende met de nationale begroting draagt ertoe bij
dat fiscale monopolies in feite moeilijk af te schaffen
zijn.
De Commissie dient in elk geval te worden aangemoe-
digd in haar streven om ten minste de omvang van
dergelijke staatsmonopolies en de invloed hiervan op
het handelsverkeer te beperken. Het Comité wijst er
echter nogmaals op dat de kern van het probleem
moet worden gezocht in de ontoereikende mate van
harmonisering van de belastingsystemen in de Gemeen-
schap. Het hoopt dat een algemene aanpak van de
problematiek ertoe bijdraagt dat nieuwe en realistische
voorstellen het licht zien. Nationale monopolies dienen
zich in elk geval marktconform op te stellen.
6. Bijzondere sectoren — Lucht- en zeevervoer
6.1. De mededingingsvoorschriften hebben betrek-
king op alle sectoren van produktie en dienstverlening
in de privaatrechtelijke en in de publiekrechtelijke sfeer.
Het streven van de Commissie om de voorschriften
inzake vrije concurrentie te doen naleven, heeft reeds
positieve resultaten opgeleverd en moet worden aange-
moedigd.
(!) PB nr. C 343 van 24. 12. 1984, blz. 5, par. 12 c).
29. 12. 86 Publikatieblad van de
6.2. In de sector luchtvervoer werd de taak van de
Commissie bemoeilijkt doordat de problematiek inge-
wikkeld is en er een wereldomvattende geconsolideerde
structuur bestaat.
Deze sector wordt wel eens omschreven als een mi-
crokosmos van „anti-concurrentieel" gedrag en het ge-
drag van de Lid-Staten zal er ook niet toe bijdragen dat
een oplossing voor het grijpen ligt.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft in september
1985 advies uitgebracht inzake Memorandum nr. 2 over
de burgerluchtvaart, waarin de problematiek van de
burgerluchtvaart evenwel in zijn geheel wordt behan-
deld.
Eens te meer moet het Comité betreuren dat er met
betrekking tot het luchtvervoer bij de Raad een patstand
is ontstaan of dat de Raad het probleem steeds maar
voor zich uitschuift.
Sinds het recente arrest van het Hof van Justitie kan de
strategie van de Commissie niet langer worden ge-
blokkeerd of genegeerd. Dit arrest zou zelfs een initiatief
op wetgevend terrein moeten stimuleren, waarop al
lang wordt gewacht en dat althans op het stuk van de
tarieven ook voor de consument waarneembare effecten
heeft. Hierbij dient uiteraard geleidelijk tewerk te wor-
den gegaan gezien de talrijke kanten die aan de zaak
zitten.
6.3. Met betrekking tot zeevervoer bevestigt het
Comité het advies dat het dienaangaande heeft uitge-
bracht (1). Het hoopt dat ook op dit terrein door de
Raad snelle vorderingen zullen worden gemaakt. Hier-
van mag vooral een gunstige invloed op de interne
markt worden verwacht.
7. Samenhang met andere beleidsvormen van de
Gemeenschap
7.1. Het mededingingsbeleid dient evenals alle an-
dere beleidsvormen, zoals het sociale beleid, het han-
delsbeleid, het fiscale beleid en het vervoerbeleid, alsook
het algemene beleid inzake bescherming van de consu-
ment, in overeenstemming met de doelstellingen van
het Verdrag te worden ontwikkeld.
Het tekort schieten van harmonisering en coördinatie
staat de totstandbrenging van een dynamisch en inno-
verend mededingingsbeleid in sterke mate in de weg.
7.2. In de Europese Akte wordt gesproken van har-
monisering van een sociale ruimte en het Comité hoopt
dat deze inderdaad op het hoogste niveau tot stand
komt; juist vanuit deze algemene politieke invalshoek
moet een doeltreffend mededingings-,,beleid" ook met
eventuele, door uiteenlopende situaties op sociaal ge-
bied veroorzaakte distorsies rekening houden en zeker
geen nieuwe onevenwichtigheden in het leven roepen.
Dit moet niet alleen het geval zijn binnen de Gemeen-
schap, waar de Commissie doeltreffender kan optreden,
maar ook in de betrekkingen met derde landen.
(') PBnr. C 344 van 31. 12. 1985.
Europese Gemeenschappen Nr. C 333/5
7.3. Ook een Gemeenschapsbeleid inzake harmoni-
sering van de belastingsystemen, dat zich thans nog
maar in het beginstadium bevindt, vormt een door-
slaggevende factor voor een doeltreffend mededingings-
beleid.
De concurrentiedistorsies die worden veroorzaakt door
uiteenlopende belastingen en belastingstructuren in de
Lid-Staten, alsook door bepaalde nationale maatregelen
die te „vriendelijk" zijn voor ondernemingen of produk-
tie-activiteiten in buiten de normale douanewetgeving
vallende gebieden, kunnen niet worden opgeheven zon-
der een krachtiger optreden van de Commissie zowel
in het kader van haar bevoegdheden als uit hoofde van
haar initiatiefrecht en -verantwoordelijkheid.
7.3.1. Thans zijn er nog echte grenzen tussen de Lid-
Staten. De concurrentiedistorsies die in grensgebieden
worden veroorzaakt door het feit dat de tarieven van
accijnzen en de BTW uiteenlopen, zijn een concreet en
sprekend voorbeeld. Deze omstandigheden zijn vooral
van invloed op het midden- en kleinbedrijf.
7.3.2. In het Witboek wórdt weliswaar gesproken
van een geleidelijke onderlinge aanpassing van de ac-
cijnzen doordat nog maar een geringe brandbreedte
wordt toegelaten; het voorstel inzake „standstill" met
betrekking tot de BTW gaat in dezelfde richting. Een
echt harmoniseringsbeleid waarmee concurrentiedistor-
sies worden uitgeschakeld dan wel teruggebracht, moet
echter invloed kunnen uitoefenen op de structuur van
de nationale begrotingen en op de relaties tussen de
verschillende soorten belastingen. Alleen op die manier
kan een mededingingsbeleid zijn controlerende en
stimulerende functie doeltreffend vervullen.
7.4. De voordelen die voortvloeien uit een mededin-
gingsbeleid dat de vrije handel en de vrije keuze van de
consument waarborgt, zullen voelbaar zijn en toenemen
indien ook het beleid inzake consumentenbescherming
nauw aan de andere beleidsvormen van de Gemeen-
schap wordt gekoppeld.
7.5. Het Comité hoopt dat de Commissie zich bij de
uitvoering van het mededingingsbeleid, steeds wanneer
vertragingen, onzekerheden of tekortkomingen op an-
dere beleidsgebieden de tott ^brenging van een ef-
fectieve, niet vervalste concurrentie in de weg staan, op
haar algemene verantwoordelijkheid voor het Gemeen-
schapsbeleid zal beroepen. Deze vorm van concurrentie
is immers voorwaarde voor effectieve economische inte-
gratie en aldus voor een duurzaam concurrentiever-
mogen van de Gemeenschap in de wereld.
8. Procedure en rechtszekerheid
8.1. Het Comité constateert dat de procedures aan-
merkelijk zijn verbeterd wat betreft de tijd die zij in
beslag nemen, en de rechten voor de betrokken partijen.
8.2. Zonder meer kan worden ingestemd met het
voorstel tot invoering van het systeem van „checks en
balances" om de rechten van de verdediging beter te
waarborgen.
Nr. C 333/6 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
8.3. Ook wordt ingestemd met een decentralisering
met betrekking tot de toepassing van de artikelen 85 en
86 naar de nationale rechters toe. Voor dit doel is het
zonder meer nuttig dat de voorlichting wordt verbeterd
en geïntensiveerd.
Er dient evenwel bijzondere aandacht te worden besteed
aan de diverse interne omstandigheden in de Lid-Staten
om te vermijden dat de concurrentievoorschriften in de
praktijk niet uniform en niet altijd even doeltreffend
worden toegepast (zoals de Commissie zelf terecht
vreest: paragraaf 41 van het vijftiende verslag).
Tegenover de voordelen van snelle afhandeling van de
zaak en van de mogelijkheid tot vergoeding van geleden
schade op nationaal niveau mogen niet nadelen van
latere discriminatie en distorsies staan.
8.4. Het Comité stelt ook met voldoening vast dat de
Commissie, wellicht mede beïnvloed door het positieve
advies van het Comité, vaker gebruik maakt van het
instrument van kennisgevingen en richtsnoeren om haar
eigen gedragslijn bekend te maken en ondernemingen
en Lid-Staten aldus een referentiekader te bieden dat
stellig tot grotere duidelijkheid en ook rechtszekerheid
bijdraagt.
9. Mededingingsbeleid — Functie en middelen
9.1. Het mededingingsbeleid vervult een essentiële
functie in de opbouw van de Gemeenschap en heeft
onmiddellijke en rechtstreekse gevolgen voor het gedrag
en de keuzes van ondernemingen en nationale regerin-
gen. In dit vlak dient de Commissie een studie voor te
bereiden om de verschillende beleidsmaatregelen van de
Lid-Staten met betrekking tot mededinging ten opzichte
van elkaar te beoordelen. Hieruit kunnen dan de
elementen worden gehaald die nodig zijn om de tot-
standkoming van de interne markt te bevorderen.
De toepassing van de artikelen 85 en 86, alsook van de
artikelen 92 en 93, vereist permanente activiteiten als
analyses, beoordelingen en interventies, die ook betrek-
king hebben op zeer complexe „zaken" en dikwijls van
grotere omvang zijn dan de taken en functies die uit
andere communautaire beleidsvormen voortvloeien.
9.2. Het Comité heeft er in het verleden al op gewe-
zen dat de staf van het Directoraat-generaal Concurren-
tie dient te worden versterkt. De ervaring bevestigt nu
dat het aantal gekwalificeerde medewerkers en ook de
materiële voorzieningen van dit directoraat-generaal
dringend dienen te worden uitgebreid om het in staat
te stellen, zijn taken die grote verantwoordelijkheid en
hoge kwaliteit vereisen, doeltreffend te vervullen.
De sociaal-economische kringen die in het Comité zijn
vertegenwoordigd, zijn goed op de hoogte van de inge-
wikkelde structuur en het delicate karakter van de
situaties die moeten worden onderzocht, gecontroleerd
of bevorderd, en beseffen heel goed welk menselijk en
materieel potentieel hiervoor vereist is.
Het Comité hoopt dan ook dat aan deze met nadruk
herhaalde dringende noodzaak, die overigens ook in
voorstellen van het Europese Parlement terug te vinden
is, uiteindelijk recht wordt gedaan en dat de nodige
voorzieningen met spoed worden goedgekeurd.
10. Betrekkingen met internationale organisaties
10.1. Men kan niet stilzwijgend voorbijgaan aan de
toenemende betekenis van actieve deelneming van de
Gemeenschap aan werkzaamheden van internationale
organisaties, met name organisaties die zich bewegen
op terreinen die overeenkomstig het Verdrag van Rome
ook door Gemeenschapsbeleid worden bestreken.
10.2. In dit verband moet worden beseft dat een
grotere mate van integratie en van samenhang in de
Gemeenschap ertoe zal leiden dat de aanwezigheid van
de Europese Gemeenschap in internationale forums
haar meer gewicht zal verlenen en dat haar optreden
bijgevolg doeltreffender zal worden.
10.3. Tijdens de nieuwe GATT-onderhandelingen (J)
zal de Europese Gemeenschap in de gelegenheid zijn,
haar gewicht als belangrijke internationale handelspart-
ner in de schaal te leggen. De beginselen van het Verdrag
van Rome en de legitieme belangen van de consumenten
in de Gemeenschap moeten door middel van we-
derkerigheids- en/of vrijwaringsclausules niet slechts
worden onderstreept, maar in de praktijk ook in re-
gelgeving hun neerslag vinden.
Conclusies
Het Comité geeft met nadruk uiting aan zijn waardering
voor het jaarverslag dat de Commissie over het me-
dedingingsbeleid uitbrengt.
Dit periodiek verslag heeft groot nut (niet alleen voor
de deskundigen op dit gebied); het biedt ook de moge-
1
lijkheid elk jaar na te gaan welke vorderingen zijn
gemaakt met betrekking tot de vrije handel in de Ge-
meenschap, die van essentiële betekenis is voor de eco-
nomische en sociale integratie en aanhoudende toe-
neming van het concurrentievermogen.
Het advies staat dit jaar in het teken van de tendens tot
tempoversnelling van de verschuivingen in het gehele
sociaal-economische bestel en besteedt met name aan-
dacht aan de volgende twee stuwende factoren: de
grotere omvang van de markt en innovatie.
(*) PBnr. C 207 van 18. 8. 1986.
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/7
Het mededingingsbeleid van de Gemeenschap zal het uitdaging van onze tijd betekenen, hierin worden verdis-
pleit winnen voor zover deze beide factoren, die „de" conteerd.
Gedaan te Brussel, 23 oktober 1986.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Alfons MARGOT
Advies inzake het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 77/143/
EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de
technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens (*)
(86/C 333/02)
De Raad heeft op 20 mei 1986 besloten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 75 van
het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Economisch en
Sociaal Comité om advies te vragen inzake bovengenoemd voorstel.
De Afdeling voor vervoer- en communicatiewezen, die met de voorbereiding van de desbetref-
fende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 10 september 1986 goedgekeurd.
Rapporteur was de heer Corell Ayora, die mondeling verslag heeft uitgebracht.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 240e zitting (vergadering van 23 oktober
1986) (algemeen rapporteur: de heer Corell Ayora — artikel 18 van het Reglement van Orde)
het volgende advies uitgebracht, dat met algemene stemmen is goedgekeurd.
1. Algemene opmerkingen
1.1. Het Comité gaat akkoord met de doelstellingen
van het richtlijnvoorstel, dat in de eerste plaats tot doel
heeft de veiligheid in het wegverkeer te vergroten, maar
ook zou kunnen bijdragen tot
— bescherming van het milieu door middel van een
beperking van het lawaai en vermindering van uit-
laatgassen (vermindering van de emissies van kool-
monoxiden, koolwaterstoffen en stikstofoxiden);
— brandstofbesparing, creëren van nieuwe arbeids-
plaatsen, grotere beschikbaarheid van de voertuigen
alsmede betere voorlichting van de eigenaars en
fabrikanten van voertuigen.
1.2. Aangezien onderhavig voorstel een op onderlin-
ge aanpassing van de wettelijke voorschriften gerichte
maatregel is, zal voorts hiermee worden bijgedragen tot
opheffing van de onderlinge verschillen tussen de Lid-
Staten en nadien tot uniformering van de in de Gemeen-
schap geldende regels in een zo cruciale sector als de
verkeersveiligheid.
1.3. In dit verband zij erop gewezen dat de achter-
stand en lacunes op het gebied van de technische keuring
van voertuigen in een aantal Lid-Staten aanzienlijk zijn,
hetgeen buitengewoon ernstige consequenties voor de
verkeersveiligheid met zich brengt. Deze situatie is nog
verslechterd door de zeer aanzienlijke toeneming van
het aantal wegvoertuigen tijdens de jongste jaren. Het
Comité betreurt in dit verband dat de Instellingen van
de Gemeenschap, en in de eerste plaats de Raad, waar
het de invoering van communautaire wettelijke voor-
schriften met betrekking tot de technische keuring van
voertuigen beneden 3,5 ton betreft, zo lang niets hebben
ondernomen.
1.4. Men dient echter wel te beseffen dat uitbreiding
van de technische keuring tot personenauto's en be-
drijfsvoertuigen beneden 3,5 ton slechts één van de
aspecten van de verkeersveiligheid is. Pas als ook op zo
kort mogelijke termijn maatregelen op andere gebieden
zijn genomen — zoals het Comité reeds in zijn advies
over het Europees Jaar voor de Verkeersveiligheid
(1986) (2) heeft bepleit — zal de verkeersveiligheid aan-
merkelijk kunnen worden verbeterd. Er wordt dan ook
met smart naar de voorstellen van de Commissie uitge-
zien.
(!) PB nr. C 133 van 31. 5. 1986, blz. 3. (2) PB nr. C 101 van 28. 4. 1986, blz. 8.
Full & Egal Universal Law Academy