Avis juridique important
80/1213/EEG: Advies van de Commissie van 10 december 1980 aan de Franse Regering inzake een ontwerp van decreet tot wijziging van decreet nr. 49-1473 van 14 november 1949 betreffende de coördinatie en harmonisatie van het vervoer per spoor en over de weg
Publicatieblad Nr. L 369 van 31/12/1980 blz. 0038 - 0039
ADVIES VAN DE COMMISSIE van 10 december 1980 aan de Franse Regering inzake een ontwerp van decreet tot wijziging van decreet nr. 49-1473 van 14 november 1949 betreffende de coördinatie en harmonisatie van het vervoer per spoor en over de weg (80/1213/EEG)
Overeenkomstig artikel 1 van de beschikking van de Raad van 21 maart 1962 houdende vaststelling van een procedure voor het voorafgaande onderzoek en overleg omtrent bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke door de Lid-Staten op het gebied van het vervoer worden overwogen (1), gewijzigd bij Beschikking 73/402/EEG van de Raad van 22 november 1973 (2), heeft de Franse Regering de Commissie bij een brief van 8 oktober 1980 van haar Permanente Vertegenwoordiging bij de Europese Gemeenschappen de tekst toegezonden van een ontwerp van decreet tot wijziging van het decreet nr. 49-1473 van 14 november 1949 betreffende de coördinatie en harmonisatie van het vervoer per spoor en over de weg.
De brief van de Permanente Vertegenwoordiging van Frankrijk is op 14 oktober 1980 door de Commissie ontvangen en is, overeenkomstig artikel 1 van de beschikking van 21 maart 1962, ter kennis gebracht van de andere Lid-Staten.
Uit hoofde van artikel 2, lid 1, van de beschikking van 21 maart 1962 brengt de Commissie het volgende advies uit: 1. De Commissie constateert dat de overwogen maatregelen in hoofdzaak gericht zijn op: - een grotere vrijheid voor bepaald binnenlands personenvervoer over de weg, meer in het bijzonder voor bepaald vervoer met een sociaal karakter, voor bepaald georganiseerd vervoer zonder rechtstreekse betaling aan de vervoerder door de reiziger, alsook voor vervoer tegen vergoeding met per zitplaats verhuurde voertuigen ingericht tot het vervoer van ten hoogste 9 personen, de bestuurder inbegrepen;
- een deconcentratie van de bevoegdheden van de overheid, die het mogelijk maakt beslissingen te nemen op het overheidsniveau dat zo dicht mogelijk gelegen is bij het niveau waarop zich de problemen voordoen;
- een grotere flexibiliteit bij het goederenvervoer, waar verplichte tarieven niet langer regel zouden zijn en uitzondering zouden worden;
- een nieuw kader voor de betrekkingen tussen de staat en de beroepsorganisatie van expediteurs en die van verhuurders van voertuigen voor goederenvervoer over de weg, dat die organisaties in staat stelt hun bevoegdheden doelmatiger uit te oefenen.
2. De Commissie stelt met voldoening vast dat de overwogen maatregelen in de richting gaan van de doelstellingen van het gemeenschappelijk vervoerbeleid, meer bepaald van die welke de Commissie in haar mededelingen van 1973 en 1975 aan de Raad heeft aanbevolen. Zij kan dan ook alleen maar een gunstig advies uitbrengen over die maatregelen, met name over de versoepeling van de toepassing van verplichte tarieven voor het goederenvervoer over de weg.
3. Ten aanzien van de in het ontwerp van decreet beoogde definities van geregeld vervoer en ongeregeld vervoer zou het wenselijk zijn dat de Franse Regering bij deze gelegenheid haar definities op één lijn zou brengen met die welke op het niveau van de Gemeenschap voor het internationale personenvervoer over de weg tussen de Lid-Staten zijn vastgesteld bij Verordening nr. 117/66/EEG (3), met het oog op het vergemakkelijken van de vrijheid van vestiging.
De Commissie heeft deze wens reeds geuit in haar advies van 20 februari 1973 (4) aan de Franse Regering. In dit advies heeft zij erop gewezen dat het nuttig zou zijn de nationale definitie te wijzigen ten einde op het niveau van de Gemeenschap tot een harmonisatie van de definities voor het personenvervoer over de weg te komen.
4. Met betrekking tot het door de minister van Verkeer op te stellen exploitatiereglement voor geregeld vervoer verzoekt de Commissie de Franse Regering haar te zijner tijd de tekst daarvan toe te zenden. Deze tekst is voor haar van belang omdat zij immers, krachtens artikel 5, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 517/72 van de Raad van 28 februari 1972 betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke regels voor het geregeld vervoer en de bijzondere vormen van geregeld vervoer met autobussen tussen de Lid-Staten (5), bij de Raad een voorstel voor een model van exploitatiereglement voor laatstgenoemd vervoer moet indienen.
5. De Commissie achtte het niet noodzakelijk het initiatief te nemen tot het houden van een (1) PB nr. 23 van 3.4.1962, blz. 720/62. (2) PB nr. L 347 van 27.12.1973, blz. 48. (3) PB nr. 147 van 9.8.1966, blz. 2688/66. (4) PB nr. L 235 van 23.8.1973, blz. 17. (5) PB nr. L 67 van 20.3.1972, blz. 19. informatievergadering met de vertegenwoordigers van de Franse Regering of tot overleg met de andere Lid-Staten als bedoeld in artikel 2, lid 3, van de beschikking van 21 maart 1962.
6. De Commissie stelt de andere Lid-Staten in kennis van dit advies.
Gedaan te Brussel, 10 december 1980.
Voor de Commissie
Richard BURKE
Lid van de Commissie
Top