31. 12. 82 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . C 3 4 6 / 5
2. De Gemeenschap heeft op dit terrein reeds drie
onderzoekprogramma's ten uitvoer gelegd, nl. de pro-
gramma's voor de tijdvakken 1973 - 1975, 1976 - 1978
(2,7 miljoen RE) en 1 9 7 9 - 1 9 8 2 ( 1 0 , 3 miljoen RE). De
Commissie stelt nu een vierde programma voor, dat deze
keer een periode van vijf jaar zal bestrijken en een bedrag
van 34,7 miljoen Ecu zal vergen. Het Comité acht deze
uitbreiding van het programma, gezien de tot dusverre
bereikte resultaten, de betekenis en de omvang van de
problemen, noodzakelijk en gegrond en stemt dan ook
met het voorgestelde programma in.
Bijzondere opmerkingen
3 . Het stemt tot voldoening dat de Commissie met
zoveel woorden aangeeft, met dit programma niet de
nationale en andere internationale activiteiten op dit
gebied te willen vervangen of deze concurrentie te willen
aandoen, maar de problemen die voor de Europese
Gemeenschap bijzonder belangrijk zijn, complementair
te willen behandelen en voor samenhang te willen
zorgen.
4. Het Comité stelt met instemming vast dat de
resultaten bij met name anorganische referentiemateria-
len thans zeer goed vastliggen. Bij organische referentie-
materialen, waaraan in het vervolg intensiever dient te
worden gewerkt, zijn de problemen mogelijk complexer,
zodat nauwe contacten met de praktijk van groot belang
zullen zijn.
5. Het Comité heeft in zijn advies (') inzake het meest
recente O & O-programma (1979 - 1982) voor hetzelf-
de onderwerp gewezen op de noodzaak van een overkoe-
pelend informatief programma (3): „Volgens hem (het
comité) is het van essentieel belang, aan de waardevolle
onderzoekwerkzaamheden die worden verricht, bekend-
heid te geven door middel van een overkoepelend infor-
matief programma over de beschikbare materialen, zodat
een maximum aan praktisch profijt uit de werkzaamhe-
den van de Gemeenschap kan worden getrokken" (§ 4) .
Het Comité betreurt dat juist op dit punt veel te weinig is
gedaan en aldus de met communautaire gelden opge-
bouwde diensten en mogelijkheden niet kunnen worden
geëxploiteerd. Het onderstreept nogmaals de noodzaak
van zo'n informatie-programma en vraagt de Commissie
na te gaan of dit manco niet kan worden ondervangen
door versterking van de GCO-ondersteuning van het
programma, dat twee jaar geleden drastisch werd inge-
krompen.
6. Het Comité oordeelt positief over het voornemen
van de Commissie, het programma na drie jaar door het
bevoegde RCPB te laten doorlichten en eventueel aan te
passen, en het wijst erop dat het van groot belang is, bij de
nieuwe formulering van het programma het standpunt
van de gebruikers in aanmerking te nemen.
'ï PBnr. C 128 van 21. 5. 1979.
Gedaan te Brussel, 24 november 1982.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Francois CEYRAC
Advies inzake een voorstel voor een verordening (EEG) van de Raad tot wijziging
van Verordening (EEG) nr. 3 1 6 4 / 7 6 betreffende het communautair contingent voor het
goederenvervoer over de weg tussen de Lid-Staten, alsmede van Verordening (EEG)
nr. 2 9 6 4 / 7 9
De tekst waarop de adviesaanvrage betrekking heeft is bekendgemaakt in het Publikatieblad
van de Europese Gemeenschappen nr. C 247 van 21 september 1982, blz. 4.
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN H E T ADVIES
O p 24 september 1982 heeft de Raad besloten het Economisch en Sociaal Comité overeen-
komstig de bepalingen van artikel 75 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap over bovengenoemd voorstel te raadplegen.
Nr. C 3 4 6 / 6 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 3 1 . 12. 82
B. ADVIES VAN H E T E C O N O M I S C H EN SOCIAAL C O M I T É
Het Economisch en Sociaal Comité heeft beraadslaagd over zijn advies inzake voornoemd
onderwerp tijdens zijn op 24 en 25 november 1982 te Brussel gehouden 202e zitting.
Dit advies luidt als volgt:
HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap, in het bijzonder arti-
kel 7 5 ,
Gezien het op 24 september 1982 door de Raad genomen
besluit, hem over genoemd onderwerp te raadplegen,
Gezien Verordening (EEG) nr. 3 1 6 4 / 7 6 van de Raad van
16 december 1976 inzake het communautair contingent
voor het goederenvervoer over de weg tussen de Lid-Sta-
ten ( ') , laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr.
6 6 3 / 8 2 van de Raad van 22 maart 1982 (2),
Gezien zijn adviezen over dit onderwerp, met name zijn
advies van 26 november 1981 (3),
Gezien het op 19 oktober 1982 door zijn Voorzitter
genomen besluit, de Afdeling voor vervoer- en commu-
nicatiewezen te belasten met het opstellen van een advies
over dit onderwerp (artikel 22 van het Reglement van
Orde) ,
Gezien de voorbereidende werkzaamheden van de heer
Morselli, rapporteur, en van de heren Binnenbruck en
Schneider, co-rapporteurs,
Gezien het advies dat voornoemde Afdeling op
10 november 1982 tijdens haar 146e vergadering heeft
opgesteld,
Gezien het door de heer Morselli mondeling uitgebrachte
verslag,
Gezien de beraadslagingen tijdens zijn 202e zitting van
24 en 25 november 1982 (vergadering van 24 novem-
ber),
Overwegende dat de invoering van een gemeenschappe-
lijk vervoerbeleid onder meer betekent dat gemeenschap-
pelijke voorschriften worden opgesteld die gelden voor
het goederenvervoer over de weg tussen de Lid-Staten.
Overwegende dat deze voorschriften zodanig moeten zijn
dat zij bijdragen tot de verwezenlijking van een gemeen-
schappelijke vervoermarkt,
Overwegende dat het stelsel van communautaire vergun-
ningen voor het goederenvervoer over de weg tussen de
Lid-Staten het de vervoerders in de Lid-Staten mogelijk
moet maken, op voet van gelijkheid toegang tot deze
markt te krijgen,
Overwegende dat bij Verordening (EEG) nr. 2 9 6 4 / 7 9
maximaal 1 0 % van het aantal communautaire vergun-
ningen is omgezet in vergunningen van korte duur , die
30 dagen geldig zijn,
Overwegende dat deze verordening per 31 december
1982 haar rechtskracht verliest,
Overwegende dat sedert 1 april 1981 krachtens Verorde-
ning (EEG) nr. 6 6 3 / 8 2 het communautaire contingent
4 038 vergunningen telt en dat krachtens Verordening
(EEG) nr. 3 1 6 4 / 7 6 „de eventuele vergroting van de
omvang van het communautaire contingent en de toewij-
zing aan de Lid-Staten van de daaruit resulterende extra
vergunningen ( . . . ) vóór 30 november van elk jaar door
de Raad op voorstel van de Commissie (worden) vastge-
steld" en dat deze verordening van kracht blijft zolang de
Raad geen besluit neemt over een voorstel tot herziening
van omvang en /of verdeling van het contingent,
BRENGT VOLGEND ADVIES UIT,
dat met 92 stemmen vóór, 30 stemmen tegen, bij
3 onthoudingen is goedgekeurd.
Het Comité kan vooralsnog niet instemmen met het
voorstel van de Commissie tot uitbreiding van het
communautair contingent met 189 vergunningen, in
totaal een uitbreiding met 4 , 3 % plus 15 vergunningen
voor vier Lid-Staten die in de periferie van de Gemeen-
schap zijn gelegen. De Afdeling motiveert haar standpunt
als volgt:
1. De afgelopen jaren hebben de door de Commissie
krachtens artikel 3 van voornoemde Verordening (EEG)
nr. 3 1 6 4 / 7 6 ingediende voorstellen tot verhoging van het
communautair contingent aanleiding gegeven tot me-
ningsverschillen binnen de Raad; hiervoor kon slechts via
hoofdzakelijk politieke compromissen een oplossing wor-
den gevonden.
Ook binnen het Comité zijn bij de behandeling van het
vorige voorstel van de Commissie uiteenlopende stand-
punten naar voren gebracht.
2. Hoewel de Commissie toen reeds getracht had, te
komen tot een methode waarbij op evenwichtige wijze
met alle belangen rekening kon worden gehouden, had-
den het Comité noch de Raad voldoende tijd om deze
methode en de criteria daarvoor uitvoerig te behande-
len.
(') PB nr. L 357 van 29. 12. 1976, blz. 1.
(2) PB nr. L 78 van 24. 3. 1982, blz. 2.
(3) PB nr. C 348 van 31. 12. 1981, blz. 38.
3 . Het Comité stelt vast dat de Commissie in haar
toelichting op het voorstel zelf ook wijst op het gebrek aan
31. 12. 82 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 346/7
nemen besluiten betreffende het communautair contin-
gent.
5. Het Comité is dan ook van mening dat de Raad zich
in het huidige stadium dient te beperken tot verlenging
van Verordening (EEG) nr. 2964/79 betreffende vergun-
ningen voor korte tijd, welke op 31 december 1982
afloopt, en pas een definitieve beslissing neemt ten
aanzien van deze contingenten na - begin 1983 - kennis
te hebben genomen van het nieuwe voorstel van de
Commissie en na het advies over deze materie te hebben
ingewonnen van het Economisch en Sociaal Comité, dat
deze kwestie dan opnieuw in behandeling zal nemen.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Francois CEYRAC
BIJLAGE
bij het advies van het Economisch en Sociaal Comité
Onderstaand overeenkomstig het Reglement van Orde ingediend wijzigingsvoorstel tijdens de beraadsla-
gingen verworpen:
Bladzijde 2, eerste alinea
De tekst „De Afdeling motiveert haar standpunt als volgt:" in zijn geheel te schrappen.
Bladzijde 3, paragraaf 5
Deze paragraaf door de volgende tekst te vervangen:
„5. Met het oog op het voorgaande is het Comité dan ook van mening dat de Raad in eerste instantie
haast moet zetten achter de verlenging van de op 31 december a.s. aflopende Verordening (EEG)
nr. 2964/79 inzake vergunningen van korte duur, daar hierover nog vóór het einde van het jaar een
beslissing moet worden genomen.
6. Met het voorstel van de Commissie om het bij de Verordeningen (EEG) nr. 3164/76 en (EEG)
nr. 663/82 vastgestelde aantal communautaire vergunningen met 189 vergunningen op te trekken,
heeft het Comité om de volgende redenen echter meer moeite.
Bij wege van Verordening (EEG) nr. 663/82 van 22 maart 1982 heeft de Raad het communautair
contingent per 1 april 1982 voor het laatst verhoogd. Daarbij heeft hij het Commissievoorstel qua
datum en aantal genegeerd; hieruit blijkt dus duidelijk dat er bij de Raad meningsverschillen waren. In
verband met deze nog altijd ongewijzigde situatie heeft de Commissie voor begin 1983 een nieuw
verordeningsvoorstel aangekondigd waarmee zij een nieuwe methode voor de berekening van het
communautair contingent wil voorstellen. Met het oog daarop beschouwt de Commissie haar
onderhavige voorstel tot optrekking van het communautair contingent voor 1983 als overgangsmaat-
Tegel, hoewel zij hiervoor nog de oude berekeningsmethoden heeft toegepast.
Daarom is het Comité nog eenmaal bereid, ook op dit punt met het Commissievoorstel in te stemmen,
met dien verstande echter dat de Commissie zich er op het niveau van de Raad toe verplicht, het
tijd voor een uitvoerig onderzoek naar een adequate
methode; het betreurt te moeten vaststellen dat de
Commissie daartoe zelf ook bijdraagt door pas in sep-
tember 1982 te komen met een voorstel tot wijziging van
voornoemde verordeningen.
4. Daarom behoeft het geen verbazing te wekken dat
de Commissie haar voorstel beschouwt als een overgangs-
voorstel dat uitsluitend voor 1983 geldt, en dat zij begin
1983 met een nieuw initiatief wil komen om uiteindelijk
toch een permanente methode te kunnen vaststellen die
als basis moet dienen voor de ieder jaar door de Raad te
Gedaan te Brussel, 24 november 1982.
Nr. C 3 4 6 / 8 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 3 1 . 12. 82
aangekondigde, hierboven al genoemde nieuwe voorstel vóór medio 1983 bij de Raad en het Comité in
te dienen. De nieuwe berekeningsmethode moet recht doen aan de belangen van alle betrokkenen en op
objectieve criteria zijn gebaseerd.".
Motivering
Zie boven.
Uitslag van de stemming
Vóór: 43, tegen: 71, onthoudingen: 14.
Advies inzake een voorstel voor een verordening (EEG) van de Raad tot wijziging van
Verordening (EEG) nr. 3 5 5 / 7 7 inzake een gemeenschappelijke actie ter verbetering van de
voorwaarden inzake verwerking en afzet van landbouwprodukten
De tekst waarop de adviesaanvrage betrekking heelt is bekendgemaakt in het Publikatieblad
van de Europese Gemeenschappen nr. C 147 van 11 juni 1982, blz. 7.
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN H E T ADVIES
Op 7 juni 1982 heeft de Raad besloten het Economisch en Sociaal Comité overeen-
komstig de bepalingen van artikel 43 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap over bovengenoemd voorstel te raadplegen.
B. ADVIES VAN H E T E C O N O M I S C H EN SOCIAAL C O M I T É
Het Economisch en Sociaal Comité heeft beraadslaagd over zijn advies inzake voornoemd
onderwerp tijdens zijn op 24 en 25 november 1982 te Brussel gehouden 202e zitting.
Dit advies luidt als volgt:
HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ, BRENGT VOLGEND ADVIES UIT,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap, met name artikel 4 3 ,
Gezien de adviesaanvrage van de Raad van 7 juni 1982
met betrekking tot het voorstel voor een verordening
(EEG) van de Raad tot wijziging van Verordening (EEG)
nr. 3 5 5 / 7 7 inzake een gemeenschappelijke actie ter
verbetering van de voorwaarden inzake verwerking en
afzet van landbouwprodukten,
Gezien het besluit van zijn Bureau d.d. 29 juni 1982, de
Afdeling voor de landbouw met de voorbereiding van zijn
desbetreffende werkzaamheden te belasten,
Gezien het advies dat genoemde Afdeling tijdens haar op
4 november 1982 gehouden 238e vergadering heeft
opgesteld,
Gezien het mondelinge verslag van de heer Wiek, rappor-
teur,
Gezien de beraadslagingen tijdens zijn op 24 en 25
november 1982 gehouden 202e zitting (vergadering van
24 november),
dat met vrijwel algemene stemmen (5 onthoudingen)
werd goedgekeurd.
I. Algemene opmerkingen
1. Het marktstructuurbeleid van de Gemeenschap
vormt, sedert hiermee in het jaar 1964 een begin werd
gemaakt, een belangrijke aanvulling op het landbouw-
structuurbeleid. Het bleek een doeltreffend instrument
van het gemeenschappelijk landbouwbeleid te zijn, en
heeft een belangrijke bijdrage geleverd tot de verbetering
van de be- en verwerking en /of de afzet van landbouw-
produkten, alsmede tot de verbetering van de kwaliteit
der levensmiddelen in het belang van de consumenten.
2. Voorts heeft het marktstructuurbeleid in wezenlij-
ke mate bijgedragen tot de aanpassing van de marktpres-
tatie aan het gewijzigde consumptiepatroon, waardoor de
steunverlening voor agrarische produkten in het markt-
stadium belangrijk kon worden verminderd. Gezien de
ook in de toekomst noodzakelijke structurele aanpassin-
gen dient deze gemeenschappelijke maatregel na 1982,
Full & Egal Universal Law Academy