Nr. C 3 4 6 / 2 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 3 1 . 12. 82
2. Het Comité merkt echter op dat in het voorstel voor
een verordening alleen ernstige ethische bezwaren wor-
den genoemd. Het wijst erop dat het afslachten van
volwassen zeehonden problemen kan opleveren voor het
voortbestaan van de soort en voor het handhaven van een
gezond ecologisch evenwicht. Deze aspecten moeten nog
verder worden onderzocht.
3. Het spijt het Comité dat de contacten tussen de
Gemeenschap en de betrokken landen niet tot een
akkoord geleid hebben over een verbod op het afmaken
van jonge zeehonden - hetgeen niet hetzelfde is als de
gecontroleerde jacht erop. Het geeft toe dat de Commissie
geen andere mogelijkheid overblijft dan een verbod op
invoer voor commerciële doeleinden voor te stellen; door
het beperken van de afzetmogelijkheden zou de belang-
stelling voor de jacht moeten verminderen.
4. Het Comité stelt bovendien vast dat het voorstel
voor een verordening, dat geïnspireerd is op de regels van
het gemeenschappelijk handelsbeleid, niet echt doeltref-
fend zal kunnen zijn. Het dringt er bij de Commissie op
aan, de onderhandelingen met Noorwegen en Canada
voort te zetten om tot een goede oplossing van dit
probleem te komen. Indien het in het verordeningsvoor-
stel opgenomen invoerverbod niet voldoende is om het
doden van zeehondenbaby's te beperken, dient de Com-
missie op internationaal niveau soortgelijke initiatieven
aan te moedigen ten einde tot een tijdelijk of eventueel een
totaal verbod op het doden van zeehonden te komen.
Gedaan te Brussel, 24 november 1982.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Francois CEYRAC
Advies inzake een voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn
7 0 / 2 2 0 / E E G inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met
betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door uitlaatgassen van motoren met
elektrische ontsteking in motorvoertuigen
De tekst waarop de adviesaanvrage betrekking heeft, is nog niet bekendgemaakt in het
Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN H E T ADVIES
Op 27 april 1982 heeft de Raad besloten het Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig de
bepalingen van artikel 100 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische
Gemeenschap over bovengenoemd voorstel te raadplegen.
B. ADVIES VAN H E T E C O N O M I S C H EN SOCIAAL C O M I T É
Het Economisch en Sociaal Comité heeft beraadslaagd over zijn advies inzake voornoemd
onderwerp tijdens zijn op 24 en 25 november 1982 te Brussel gehouden 202e zitting.
Dit advies luidt als volgt:
HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap, met name artikel 100,
Gezien het verzoek van de Raad van 27 april 1982 om
advies inzake het voorstel voor een richtlijn van de Raad
tot wijziging van Richtlijn 7 0 / 2 2 0 / E E G inzake de
onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten
met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreini-
ging door uitlaatgassen van motoren met elektrische
ontsteking in motorvoertuigen,
Gezien het besluit van zijn Bureau d.d. 27 april 1982, de
Afdeling voor milieu, volksgezondheid en consumptie
met het opstellen van een advies ter zake te belasten,
Gezien het advies van het Comité inzake het ontwerp-
actieprogramma van de Europese Gemeenschappen ter
bescherming van het milieu ( 1 9 8 2 - 1986) van 27 mei
1982 (»),
Gezien de beraadslagingen tijdens de 71e vergadering van
de Afdeling voor milieu, volksgezondheid en consumptie
van 11 november 1982,
Gezien het door de rapporteur , de heer von der Decken,
voorgelegde rapport ,
Gezien de beraadslagingen tijdens zijn 202e zitting van
24 en 25 november 1982 (vergadering van 24 novem-
ber),
PB nr. C 205 van 9. 8. 1982, blz. 28.
31. 12. 82 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 346/3
BRENGT VOLGEND ADVIES UIT,
dat met algemene stemmen is goedgekeurd.
I. Algemene opmerkingen
1. Het Comité heeft waardering voor het streven van
de Commissie om de door uitlaatgassen van motorvoer-
tuigen veroorzaakte luchtverontreiniging te verminderen.
Deze uitlaatgassen vormen in feite een der belangrijkste
oorzaken van luchtverontreiniging in stadsgebieden, en
kunnen te zamen met andere factoren bijdragen tot de
vorming van zogenaamde fotochemische „smog".
Aangezien stadsgebieden worden gekenmerkt door een
grote bevolkingsdichtheid en de verkeersdichtheid er nog
een stijgende lijn vertoont, waardoor de verontreiniging
zich tot nieuwe gebieden uitbreidt, is het Comité het met
de Commissie eens dat er, ter bescherming van volksge-
zondheid en milieu, snel en doeltreffend op dit terrein
moet worden opgetreden.
De te nemen maatregelen worden vergemakkelijkt door
de in de communautaire automobielindustrie gemaakte
vooruitgang en het feit dat er in bepaalde concurrerende
derde landen al strenge normen van kracht zijn.
2. Het Comité onderstreept dat het voor een vermin-
dering van de door automotoren veroorzaakte luchtver-
ontreiniging nodig is dat er naast de specifieke maatrege-
len betreffende uitlaatgassen ook nog andere maatregelen
worden genomen.
Het wijst er met name op dat een vermindering van dit
type verontreiniging mede kan worden bewerkstelligd
door behoorlijke stadsplanningsvoorschriften en bepalin-
gen betreffende de verkeersveiligheid; met name wordt
hier gedacht aan een verbetering van de periodieke
keuring van motorvoertuigen, welke verplicht zou moe-
ten worden gemaakt. Bovendien verzoekt het Comité de
Commissie na te gaan, welke gevolgen eventuele belas-
tingfaciliteiten zouden kunnen hebben voor vervaardi-
ging en gebruik van schonere motor/brandstofcombina-
ties.
3. Het Comité neemt nota van het feit dat het volgens
de Commissie absoluut noodzakelijk is, naast de werk-
zaamheden ter invoering van een algemene regeling op dit
gebied, spoedmaatregelen te treffen om te bereiken dat
voor voertuigen met benzinemotoren de uitworp van
koolmonoxide (CO) met 23 % en die van onverbrande
koolwaterstoffen (HC) en stikstofoxide (NOx) te zamen
(afhankelijk van de gewichtscategorie) met 20 a 30 % ten
opzichte van de bij Richtlijn 78/665/EEG vastgestelde
grenswaarden wordt verminderd en dat deze zelfde
limieten ook voor voertuigen met dieselmotoren en lichte
bestel- en vrachtauto's (categorie M\ en Nj) komen te
gelden.
In elk geval meent het Comité dat de in 1981 door de
Commissie goedgekeurde globale benadering zo spoedig
mogelijk toepassing moet vinden. In het kader van deze
benadering kan dan het vraagstuk»van de loodhoudende
benzine, zoals in een aantal niet tot de Gemeenschap
behorende landen reeds is gebeurd, worden aangepakt
om te bereiken dat de reeds in deze landen toegepaste
technieken ter vermindering van emissies van schadelijke
gassen ook in de Gemeenschap kunnen worden inge-
voerd.
4. Het Comité wijst nog eens op zijn recente uitspraak
in het advies over het derde milieuprogramma (par. 4.9)
dat „de luchtverontreiniging door motorvoertuigen nog
lang niet doeltreffend genoeg wordt bestreden. Zijns
inziens zouden autofabrikanten in de Gemeenschap zich
nog veel meer moeten inspannen om schonere motoren te
bouwen en zouden zij de technologische ontwikkelingen
op dit terrein op de voet moeten blijven volgen" (').
In dit verband zou het Comité gaarne zien dat alle
Lid-Staten hun research op het gebied van alternatieve
brandstoffen intensiveren, niet alleen om de energieba-
lans van de Gemeenschap te verbeteren, maar ook om de
luchtverontreiniging terug te dringen. Dit onderzoek zou
beter in communautair verband moeten worden gecoör-
dineerd en zou tot onderdeel van COST-actie 304 kunnen
worden gemaakt (COST: Europese samenwerking op het
vlak van wetenschappelijk en technisch onderzoek).
5. De automobielindustrie in de Gemeenschap erkent
dat, als gevolg van de voorgestelde maatregelen, de
produktiekosten voor benzinemotoren met gemiddeld
minder dan 3 % en het brandstofverbruik met niet meer
dan 5% zullen stijgen.
II. Bijzondere opmerkingen
1. Het verheugt het Comité dat de Gemeenschap de
reeds in de Verenigde Staten, Japan en Zweden gebruikte
bemonsterings- en analysemethodes heeft overgeno-
men.
2. Het Comité gaat ermee akkoord dat het voorstel tot
wijziging van Richtlijn 70/220/EEG van de Raad ook op
lichte voertuigen met dieselmotoren van toepassing
wordt, maar verzoekt de Commissie ook een richtlijn op
te stellen voor uitlaatgassen van dieselvoertuigen met een
gewicht van meer dan 3 500 kg, alsmede van zware, door
dieselmotoren aangedreven bouwmachines.
3. Volgens deskundigen uit de Lid-Staten zullen de
door de Commissie voorgestelde data voor de toepassing
van de onderhavige richtlijn kunnen worden aangehou-
den, zonder dat de nationale overheden of de automo-
bielfabrikanten hierbij voor onoverkomelijke moeilijkhe-
den zullen worden gesteld. Het Comité stemt met de
(],
Nr. C 3 4 6 / 4 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 3 1 . 12. 82
voorgestelde data in, hoewel het een kortere termijn
wenselijker acht.
4. Wat de bijlage betreft, neemt het Comité nota van
het feit dat de hierin vervatte technische voorschriften
Gedaan te Brussel, 24 november 1982.
Dit advies luidt als volgt:
HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap, in het bijzonder de artikelen
235 en 198,
Gezien de op 6 juli 1982 gedateerde adviesaanvrage van
de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake het
voorstel voor een vijfjarenprogramma voor onderzoek en
ontwikkeling op het gebied van de toegepaste metrologie
en referentiematerialen - Niet-nucleaire indirecte actie
( 1 9 8 3 - 1 9 8 7 ) 0 ,
Gezien het op 19 augustus 1982 door zijn Voorzitter
genomen besluit, de Afdeling voor energie en nucleaire
vraagstukken met de voorbereiding van een advies inzake
dit onderwerp te belasten,
Gezien het communautaire programma voor dit taakge-
bied over het tijdvak 1979 - 1982 (2) en het advies van het
Comité dienaangaande (3),
Gezien het evaluatierapport van 1981 inzake het pro-
gramma voor referentiematerialen en toegepaste metro-
logie (4),
(») PB nr. C 18-7 van 22. 7. 1982, blz. 8.
(2) PB nr. L 258 van 13. 10. 1979.
(3) PB nr. C 128 van 21. 5. 1979.
(«) EUR 7811.
overeenstemmen met de normen van de Economische
Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (reeks
wijzigingen 04 van reglement 15) en meent het dat deze,
gezien de huidige stand van de technische kennis, als de
best mogelijke oplossing moeten worden aangemerkt.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Fran^ois CEYRAC
Gezien het advies dat tijdens de op 5 november 1982
gehouden 75e vergadering door voornoemde Afdeling
werd opgesteld.
Gezien het door de rapporteur, de heer von der Decken,
mondeling uitgebrachte verslag,
Gezien de beraadslagingen tijdens de op 24 en 25
november 1982 gehouden 202e zitting (vergadering van
24 november),
BRENGT VOLGEND ADVIES UIT,
dat met algemene stemmen is goedgekeurd.
1. Het Comité heeft al vaker een positief advies over
O &C O-programma's inzake dit onderwerp uitgebracht.
Het wil eens te meer wijzen op de betekenis van
referentiematerialen en -methoden, alsook van de toege-
paste metrologie voor talrijke economische en sociale
activiteiten. Voor industrie, handel, gezondheidszorg,
milieubescherming, landbouw e. d. is een toenemende
harmonisering op dit terrein van uitermate groot belang.
Afwijkingen bij meetmethoden en -resultaten kunnen
o.m. grote handelsbelemmeringen veroorzaken en ver-
hinderen dat de richtlijnen van de Gemeenschap correct
ten uitvoer worden gelegd.
Advies inzake een voorstel voor een vijfjarenprogramma voor onderzoek en ontwikkeling op
het gebied van de toegepaste metrologie en referentiematerialen - Niet-nucleaire indirecte
actie ( 1 9 8 3 - 1 9 8 7 )
De tekst waarop de adviesaanvrage betrekking heeft is bekendgemaakt in het Publikatieblad
van de Europese Gemeenschappen nr. C 187 van 22 juli 1982, blz. 8.
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN H E T ADVIES
Op 6 juli 1982 heeft de Raad besloten het Economisch en Sociaal Comité overeen-
komstig de bepalingen van artikel 235 en 198 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap over bovengenoemd voorstel te raadplegen.
B. ADVIES VAN H E T E C O N O M I S C H EN SOCIAAL C O M I T É
Het Economisch en Sociaal Comité heeft beraadslaagd over zijn advies inzake voornoemd
onderwerp tijdens zijn op 24 en 25 november 1982 te Brussel gehouden 202e zitting.
Full & Egal Universal Law Academy