Nr. C 341/38 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12. 83
BIJLAGE
bij het advies van het Economisch en Sociaal Comité
Verworpen wijzigingsvoorstellen
Onderstaand wijzigingsvoorstel, dat in overeenstemming met het Reglement van Orde werd inge-
diend, is tijdens de beraadslagingen door het Comité verworpen:
Paragraaf 4.5
Aan de laatste alinea de volgende passage toevoegen*
„Ook moet rekening worden gehouden met de belangen van gebruikers en leveranciers, in
het bijzonder van software voor computers.".
Uitslag van de stemming
Vóór: 24; tegen: 35; onthoudingen: 11.
Advies inzake een voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de prijsvorming
voor het goederenvervoer over de weg tussen de Lid-Staten
De tekst waarop de adviesaanvrage betrekking heeft is bekendgemaakt in het Publika-
tieblad van de Europese Gemeenschappen nr. C 265 van 9 oktober 1982, blz. 5.
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN HET ADVIES
Op 5 oktober 1982 heeft de Raad besloten het Economisch en Sociaal Comité over-
eenkomstig de bepalingen van artikel 75 van het Verdrag tot oprichting van de Euro-
pese Economische Gemeenschap over bovengenoemd voorstel te raadplegen.
B. ADVIES VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
Het Economisch en Sociaal Comité heeft beraadslaagd over zijn advies inzake voor-
noemd onderwerp tijdens zijn op 28 en 29 september 1983 te Brussel gehouden 210e
zitting.
Dit advies luidt als volgt:
HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap, in het bijzonder arti-
kel 75,
Gezien de van 5 oktober 1982 daterende adviesaan-
vrage van de Raad met betrekking tot het voorstel
voor een verordening van de Raad betreffende de
prijsvorming voor het goederenvervoer over de weg
tussen de Lid-Staten ('),
(') PB nr. C 265 van 9. 10. 1982, blz. 5.
Gezien het besluit van zijn Bureau d. d. 13 oktober
1982, de Afdeling voor vervoer en communicatiewe-
zen te belasten met het opstellen van een advies en
een rapport inzake deze materie (artikel 22 van het
Reglement van Orde),
Gezien het advies dat bovengenoemde Afdeling tij-
dens haar 151e vergadering d. d. 14 september 1983
heeft opgesteld,
Gezien het rapport dat de heer Bos, rapporteur,
heeft ingediend,
19. 12. 83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/39
Gezien de beraadslagingen tijdens zijn 210e zitting
d. d. 28 en 29 september 1983 (vergadering van 29
september),
Overwegende het volgende:
1. In artikel 21 van Verordening (EEG) nr.
2831/77 van de Raad van 12 december 1977
betreffende de prijsvorming voor het goederen-
vervoer over de weg tussen de Lid-Staten en de
vervoervoorwaarden (•) is bepaald dat de Raad
uiterlijk op 31 december 1982 een beslissing
neemt over de toekomstige regeling op dit
gebied; tevens is in artikel 21 bepaald dat de
geldigheidsduur van deze verordening uiterlijk
op 31 december 1983 afloopt.
2. Tijdens zijn zitting van 7 juni 1983 heeft de
Raad inmiddels „zonder vooruit te lopen op het
advies van het Economisch en Sociaal Comité"
een beslissing genomen. Krachtens deze beslis-
sing zal het toekomstige stelsel van prijsvorming
voor het goederenvervoer over de weg tussen de
Lid-Staten in beginsel een stelsel van referentie-
tarieven zijn, waarbij de mogelijkheid bestaat
op bilaterale of multilaterale basis margetarie-
ven vast te stellen.
3. Aangezien het Economisch en Sociaal Comité
niet officieel op de hoogte is gesteld van de.
details van het overleg in de Raad, kan het uit-
sluitend over onderhavig voorstel van de Com-
missie een oordeel uitspreken,
BRENGT VOLGEND ADVIES UIT,
dat met 41 stemmen vóór en 13 stemmen tegen, bij 8
onthoudingen is goedgekeurd.
1. Geharmoniseerd kader voor de vrachtprijsvorming
Het Comité juicht het voornemen van de Europese
Commissie om te komen tot een geharmoniseerd
kader voor de vrachtprijsvorming in het wegvervoer
tussen de Lid-Staten toe.
Een dergelijk kader zou een van de pijlers kunnen
zijn van een gemeenschappelijk vervoerbeleid dat in
hoofdzaak gericht zou moeten zijn op het creëren
van een uniforme, respectievelijk gemeenschappe-
lijke binnenmarkt op vervoergebied. De voorwaar-
den voor een werkelijk effect sorterend EG-vervoer-
beleid zijn thans echter nog niet aanwezig. Daarom
dient het voorstel van de Commissie ook uitsluitend
als stap op weg naar een gemeenschappelijk ver-
voerbeleid en als bijdrage tot de totstandkoming
van een dergelijk beleid te worden beschouwd.
(') PB nr. L 334 van 24. 12. 1977, blz. 22.
Men mag echter verwachten dat de ontwikkeling
van een EG-stelsel voor de prijsvorming in het weg-
vervoer een uitstralingseffect op de integratie zal
hebben en de noodzaak tot wederzijds overleg sti-
mulerend zal werken.
Het Comité stelt uitdrukkelijk vast dat door een
gemeenschappelijk kader voor de prijsvorming de
noodzaak tot harmonisatie van de concurrentiever-
houdingen in het wegvervoer niet geringer wordt of
zelfs verdwijnt. Juist het tegendeel is het geval, nl.
dat als logisch uitvloeisel daarvan de harmonisatie
van de concurrentieverhoudingen nog meer moet
worden gestimuleerd.
2. Betekenis van het „gemeenschappelijk kader voor
de vrachtprijsvorming"
Wegens het zeer uiteenlopende vervoerbeleid dat
thans door de tien Lid-Staten afzonderlijk wordt
gevoerd, is het zeer moeilijk ten aanzien van
bedoeld „kader" op één noemer te komen. Dit hoeft
echter volgens het Comité niet automatisch in te
houden dat het voorstel van de Commissie in de
praktijk geen betekenis kan hebben als stap op weg
naar een gemeenschappelijk vervoerbeleid op een
onderdeel van dit beleid, en als referentiekader voor
de prijsvorming dienen van dit kader concrete effec-
ten uit te gaan.
3. Wenselijkheid van ten minste bilaterale vaststel-
ling
Vooropgesteld dat met deze verordening beoogd
wordt, een van de pijlers voor een gemeenschappe-
lijke vervoermarkt tot stand te brengen, moeten de
tarieven ten minste bilateraal tussen de Lid-Staten
worden vastgesteld. Unilateraal vastgestelde tarie-
ven kunnen immers niet alleen gebruikt worden om
de nationale exportbelangen kunstmatig te bevorde-
ren, maar houden bovendien in dat er voor het inko-
mend vervoer in een Lid-Staat geen eigen referentie-
tarieven bestaan.
Voor de buitenlandse vervoerder, die goederen uit
land „y" meeneemt, biedt het referentietarief van
land „y" onvoldoende houvast, aangezien dit tarief
niet op zijn eigen bedrijfssituatie is afgestemd. Het
Comité verwijst in dit verband naar artikel 78 van
het EEG-Verdrag, waarin is bepaald dat met de eco-
nomische toestand van de vervoerondernemers reke-
ning moet worden gehouden. Het vervoer tussen
twee Lid-Staten — zowel heen- als terugrit — vormt
namelijk een vervoermarkt, zij het met accentver-
schillen naar nationaliteit. In dit verband speelt het
probleem van de kostenverschillen per land en de
valutaschommelingen een bijzondere rol ten aan-
zien van rendabiliteit en liquiditeit van de onderne-
mingen.
Nr. C 341/40 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12. 83
Het probleem van de kostenverschillen en liquidi-
teitseisen wordt echter door unilateraal vastgestelde
tarieven niet opgelost, doch slechts geïgnoreerd.
Bilateraal overeen te komen tarieven stellen deze
problemen direct aan de orde en vereisen vooraf-
gaande oplossing daarvan.
4. Referentietarieven en verplichte tarieven: Twee-
slachtigheid of één basisuitgangspunt
Het valt niet te ontkennen dat in bepaalde landen
het vervoerbeleid vooralsnog tot verplichte tarieven
noopt. Niet-bindende adviestarieven worden nau-
welijks toegelaten.
Hoewel een meerderheid van het Comité de voor-
keur geeft aan het stelsel van referentietarieven, is
ook binnen het Comité een minderheid vóór ver-
plichte tarieven. Deze minderheid vertegenwoordigt
met name sommige grote landen met een aanzien-
lijk transitovervoer.
a) Tussenweg
Het Comité wijst erop dat er nog een tussenweg is
tussen niet-bindende adviestarieven en verplichte
tarieven. In dit verband wordt onderkend dat stabi-
lisering van de situatie op de vrachtenmarkt voor
het functioneren van de markt van praktisch belang
is. Deze tussenweg houdt in dat een bodem in de
markt wordt gelegd, waarbij hetzij permanent, hetzij
onder bepaalde omstandigheden, vrachtprijzen
beneden een bepaald niveau moeten worden
gemeld en de vervoerder moet aantonen dat deze
prijzen bedrijfseconomisch verantwoord zijn.
b) Uniforme berekeningsmethode
Voorts stelt het Comité vast dat onder de gegeven
omstandigheden een stelsel van niet-bindende
adviestarieven dan wel een stelsel van verplichte
tarieven niet haalbaar lijkt voor alle vervoerrelaties
tussen de Lid-Staten. Er zijn zelfs landenrelaties
waarvoor het vaststellen van een tarief weinig zin
zou hebben. Toch behoeven deze structurele aspec-
ten niet ertoe te leiden dat men er daarom maar
vanaf ziet.
Ondanks het tegenstrijdige karakter van de twee
tariefsystemen hoeft dit volgens het Comité echter
niet te betekenen dat met twee totaal verschillende
stelsels wordt gewerkt. Elk tariefsysteem moet
immers op kosten (geënt op continuïteit van de
bedrijfstak) en marktverhoudingen zijn gebaseerd.
Dit geldt zowel voor een stelsel van adviestarieven
als voor een verplicht tarief. Uitgaande van kosten-
en marktverhoudingen kan zowel een referentieta-
rief als een verplicht margetarief worden afgeleid.
Waar het evenwel op aankomt is dat bij alle soorten
bilateraal vastgestelde tarieven dezelfde berekenings-
methode wordt toegepast, zodat op basis van deze
methode ook verplichte minimum-, gemiddelde of
maximumtarieven kunnen worden afgeleid.
Hierdoor wordt in elk geval in belangrijke mate
voorkomen dat het kader voor de prijsvorming in
het EG-wegvervoer een tweeslachtig karakter krijgt.
Slechts qua vorm en toepassingsmodaliteiten zou er
nog een verschil zijn dat echter niet tegen het sys-
teem zou indruisen, wanneer het referentietarief
onder de gegeven omstandigheden en op bepaalde
landenrelaties niet met meer dan „x" % wordt
onder- of overschreden., In elk geval zijn de uit-
gangspunten voor de prijsvorming bij dezelfde bere-
keningsmethode uniform.
c) Toezicht op de tarieven
Ten aanzien van de verplichte tarieven dient vol-
gens het Comité op een bijzonder aspect te worden
ingegaan, nl. het toezicht op de tarieven. Verplichte
tarieven kunnen namelijk slechts functioneren, wan-
neer op bilateraal vastgestelde tarieven door de twee
betrokken Lid-Staten ook toezicht wordt uitgeoe-
fend. Dit is uitsluitend te verwachten indien het
daartoe vereiste apparaat aanwezig is*- Voorts moe-
ten, indien dit bedrijfseconomisch verantwoord is,
onder bepaalde voorwaarden buiten het verplichte
tarief liggende bijzondere overeenkomsten of tarie-
ven kunnen worden afgesloten.
5. Vaststelling van de tarieven
a) Referentietarieven
Referentietarieven dienen zodanig te worden vastge-
steld dat de aanbevolen vrachtprijzen leiden tot
continu beschikbare vervoerdiensten. Er zijn vol-
doende voorbeelden uit de praktijk om dit beginsel
te verwezenlijken. In dit verband is het ook ter wille
van een stabiel marktevenwicht mogelijk, ineffen-
ciency op de vervoeraanbodszijde door adequate
maatregelen uit te sluiten. Zo nodig kunnen ook
voorschriften worden uitgevaardigd, indien hieraan
tot dusver krachtens de wet niets kon worden
gedaan.
De tarifïcatie dient gebaseerd te zijn op de kostprijs
van de vervoerprestaties. In dat geval is de kostprijs
gebaseerd op een „normale Jbeladingsgraad" van de
vervoercapaciteit en naleving van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen en in het bijzonder
van de voorschriften van sociale aard. Voorts dient
het referentietarief een marge voor niet te voorziene,
respectievelijk niet kwantificeerbare kosten te
omvatten, welke op basis van ervaringscijfers en
gegevens uit de vervoerbedrijven kan worden vast-
gesteld.
19. 12.83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/41
De kostprijs kan in een algemene, gemakkelijk te
begrijpen vorm worden gepubliceerd en gerelateerd
aan de „normale vervoerprestaties" van een voer-
tuig, casu quo bedrijf.
b) Verplichte tarieven
Het voorstel van de Commissie, de verplichte tarie-
ven op basis van variabele kosten vast te stellen, is
niet operationeel te maken. Op korte termijn
bestaan de variabele kosten uit de puur kilometerge-
bonden kosten die slechts een uiterst beperkt deel
van de kosten uitmaken en derhalve voor de ver-
voeronderneming geen verstrekkende praktische
betekenis hebben.
Naarmate men de tijdhorizon verlegt, zijn alle kos-
ten variabel; in dat geval dekt het begrip „variabele
kosten" alle kosten. Daarom zou het zinvol zijn, de
marge(s) bij een verplicht tarief te baseren op de
spreiding in kosten als gevolg van verschillen in
benutting van de verkeersprestaties (marktverhou-
dingen). Men kan dan vaststellen, in welke mate
vrachtprijzen beneden een bepaald percentage van
het referentietarief op bedrijfseconomische gronden
gerechtvaardigd zijn. Vervoerders die uit hoofde van
de situatie op hun markt beneden het gemiddelde
kostprijsniveau kunnen vervoeren, krijgen daarvoor
ruimte. Daartoe zijn evenwel bijzonder bindende
regelingen vereist, ten einde misbruik van verplichte
tarieven (oneerlijke concurrentie) uit te sluiten.
Bij het eerder genoemde systeem van een bodem in
de markt kan deze benadering als uitgangspositie
een belangrijke rol spelen bij de stabilisering van de
situatie op de vrachtenmarkt. Tegelijkertijd kan bij
deze benadering de eenheid van berekening in stand
worden gehouden (tarieven op basis van continuï-
teit en marktverhoudingen).
De vraag op welke afstand ten opzichte van het
gepubliceerde referentietarief het minimum, respec-
Gedaan te Brussel, 29 september 1983.
tievelijk de bodem in de markt gelegd moet worden,
kan het Comité thans niet beantwoorden. De risico's
van te hoge minima en marktverstorende effecten
daarvan moeten worden afgewogen tegen het gevaar
dat een minimum, respectievelijk bodem in de
markt die ver beneden de gemiddelde kosten ligt,
ertoe leidt dat het kader voor de prijsvorming een
ongerijmd geheel wordt.
6. Procedures bij vaststelling en termijnen
Ten aanzien van de procedures bij vaststelling van
de tarieven acht het Comité het noodzakelijk dat de
betrokken overheden verantwoordelijk zijn voor de
totstandkoming van de tarieven, op voorstel van de
vervoerders en na raadpleging van de expeditie- en
opslagsector. Zonder vaststelling door de overheden
sorteert het tarief nauwelijks effect of komt het wel-
licht niet tot stand. Evenmin is het in dit geval zeker
dat verladers en tussenpersonen een redelijke winst
maken.
Hoewel op formele gronden betrokkenheid van
werknemers in het beroepsgoederenvervoer over de
weg bij de tariefvaststelling kan worden afgewezen
(werknemers in de expeditie- en opslagsector wor-
den niet in het overleg betrokken), heeft het Comité
geen overwegende bezwaren tegen raadpleging van
werknemersvertegenwoordigers. De wijze waarop
dit geregeld dient te worden, dient nader te worden
uitgewerkt, waarbij echter de totale periode totdat
het voorgestelde systeem wordt ingevoerd, niet mag
worden verlengd.
Wat de in het voorstel opgenomen termijnen in de
procedures betreft, is het Comité van mening dat
deze ten opzichte van de huidige verordening een
wezenlijke verbetering betekenen. Tarieven geba-
seerd op kosten- en marktverhoudingen kunnen per
definitie alleen bestaan, wanneer wijzigingen in kos-
ten- en marktverhoudingen op redelijk korte termijn
in de tarieven tot uitdrukking worden gebracht.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Fran^ois CEYRAC
Nr. C 341/42 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12.83
BIJLAGE
bij het advies van het Economisch en Sociaal Comité
Verworpen wijzigingsvoorstellen
Onderstaande wijzigingsvoorstellen die overeenkomstig het Reglement van Orde zijn ingediend,
zijn tijdens de discussie door het Comité verworpen:
Paragraaf 4, sub a) Tussenweg
„Deze paragraaf te schrappen.".
Toelichting
Het belangrijkste standpunt in het advies is vervat in de voorgaande paragraaf, nl.: „een meerder-
heid de voorkeur geeft aan het stelsel van referentietarieven . . ." . De in paragraaf 4, sub a), voor-
gestelde tussenweg zou voor de vervoerondernemingen te veel administratieve rompslomp met
zich kunnen brengen, wanneer bij elk transport een calculatie kan worden verlangd waaruit
blijkt dat de vervoerprijs „bedrijfseconomisch verantwoord" is. Bijgevolg zou deze tussenweg een
meer protectionistisch effect kunnen hebben dan verplichte tarieven.
Uitslag stemming
Vóór: 25; tegen: 27; onthoudingen: 2.
Paragraaf 5, sub b)
Vóór paragraaf 6 de volgende tekst in te voegen:
„De kosten van verwerving en afhandeling maken deel uit van de in artikel 12 van het voor-
stel voor een verordening van de Raad genoemde variabele kosten. Daarom zou, hetzij in dit
artikel, hetzij in een afzonderlijk artikel, het volgende moeten worden gepreciseerd:
„Er geldt een speciaal tarief voor transporten die via een expediteur worden verricht. Van de
minimumprijs wordt een percentage afgetrokken dat overeenkomt met de prijs van de dien-
sten die door de expediteur zijn verleend in plaats van door de vervoerder.".".
Toelichting
Het bijzondere kenmerk van de marktorganisatie voor het goederenvervoer over de weg is dat bij
het merendeel van de transporten binnen de Gemeenschap zowel klantenwerving, vrachtacquisi-
tie, administratieve dienstverlening van commerciële aard als het geven van voorschotten en het
dragen van het risico dat vorderingen niet te realiseren zijn, door tussenpersonen in het vervoer
plaatsvindt.
Daarom dienen in deze verordening bepalingen te worden opgenomen op grond waarvan de
diensten die zijn verleend door deze belangrijke sector, welke bijdraagt tot coördinatie van het
wegvervoer in de Gemeenschap, door de vervoerondernemers worden betaald. De vervoeronder-
nemers dragen immers een gedeelte van hun taken over aan de tussenpersonen in het vervoer; het
is dan ook logisch dat krachtens deze verordening de vervoerondernemers de mogelijkheid wordt
geboden, een gedeelte van de vervoerprijs aan de tussenpersoon terug te geven, zelfs al is dit
gedeelte gebaseerd op het voor de gebruikers van vervoerdiensten geldende minimumtarief.
Zowel de facto als de jure neemt de expediteur (een term waarmee specifiek een tussenpersoon in
het wegvervoer wordt bedoeld) het transport op eigen naam en voor eigen risico op zich en wordt
de daadwerkelijke vervoerder met de uitvoering van dit transport belast. De vervoerder brengt de
expediteur de volgens de marktprijs of het tarief bepaalde kosten van het door hem verrichte
transport in rekening onder aftrek van provisie (loon van de tussenpersoon). De tussenpersoon
zelf brengt de klant een op de normale vrije of gereglementeerde prijs gebaseerd bedrag in reke-
ning.
Uitslag stemming
Vóór: 21; tegen: 26; onthoudingen: 10.
Full & Egal Universal Law Academy