19. 12. 83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/3
BRENGT VOLGEND ADVIES UIT,
dat met algemene stemmen is goedgekeurd.
Het Comité stemt in met het voorstel van de Com-
missie, doch merkt hierover het volgende op:
1. Algemene opmerking
1.1. Het Comité constateert tot zijn voldoening dat
de Commissie in de derde overweging er de nadruk
op legt dat ook in de landbouwsector werktuigen
zodanig moeten worden ontworpen en gecon-
strueerd dat ongevallen worden voorkomen. Dit is
in overeenstemming met datgene waarop het
Comité heeft aangedrongen in zijn advies van 6 juli
1983 inzake een ander richtlijnvoorstel betreffende
kantelbeveiligingen van „wijngaardtrekkers" (•).
2. Bijzondere opmerkingen
Artikel 1, lid 2
2.1. Het Comité vestigt de aandacht van de Com-
missie erop dat voor sommige categorieën trekkers
(') PB nr. C 286 van 26. 10. 1983, blz. 2.
(wijngaard-, portaaltrekkers, enz.) met betrekking tot
aftakassen en beschermkappen bijzondere voor-
schriften moeten worden uitgewerkt wegens het bij-
zondere karakter van deze categorieën trekkers.
2.2. Het Comité dringt er bijgevolg op aan, artikel
1, lid 2, zodanig te formuleren dat hiermee rekening
wordt gehouden door te bepalen dat deze trekkers
niet onder het toepassingsgebied van onderhavige
richtlijn vallen of door bijlage I daarvan, tabellen 5
en 6, te wijzigen, of deze toepassing te beperken tot
de in de Richtlijnen 77/536/EEG en 79/622/EEG
bedoelde „gewone" trekkers.
Artikel 4, lid 1
Het Comité zou graag zien dat de datum 1 oktober
1984 wordt geschrapt en dat de Lid-Staten vanaf de
datum waarop de richtlijn door de Raad wordt aan-
genomen achttien maanden de tijd krijgen om aan
deze richtlijn te voldoen.
Bijlagen
Voorts maakt het Comité een aantal technische
opmerkingen die in het rapport van de Afdeling zijn
opgenomen (doe. CES 649/83).
Gedaan te Brussel, 28 september 1983.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Francs CEYRAC
Advies inzake een experimenteel programma betreffende de vervoersinfrastructuur
(Mededeling van de Commissie aan de Raad)
De tekst waarop de adviesaanvrage betrekking heeft is nog niet bekendgemaakt in het
Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN HET ADVIES
Op 23 december 1982 heeft de Raad besloten het Economisch en Sociaal Comité over-
eenkomstig de bepalingen van artikel 198, eerste alinea, tweede zin, van het Verdrag
tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap over bovengenoemd voor-
stel te raadplegen.
B. ADVIES VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
Het Economisch en Sociaal Comité heeft beraadslaagd over zijn advies inzake voor-
noemd onderwerp tijdens zijn op 28 en 29 september 1983 te Brussel gehouden 210e
zitting.
Dit advies luidt als volgt:
Nr. C 341/4 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12. 83
HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ,
Gezien artikel 198, eerste alinea, tweede zin, van het
Verdrag tot oprichting van de Europese Economi-
sche Gemeenschap,
Gezien de adviesaanvrage van de Raad d. d.
23 december 1982 met betrekking tot het experimen-
teel programma betreffende de vervoersinfrastruc-
tuur (Mededeling van de Commissie aan de Raad),
Gezien het besluit van zijn Bureau d. d. 28 januari
1983 de Afdeling voor vervoer- en communicatiewe-
zen met het opstellen van een advies ter zake te
belasten,
Gezien het advies dat deze Afdeling tijdens haar
151e vergadering d. d. 14 september 1983 heeft
opgesteld,
Gezien het rapport dat de heer Plank, rapporteur,
heeft ingediend,
Gezien de beraadslagingen tijdens zijn 210e zitting
d. d. 28 en 29 september 1983 (vergadering van
28 september),
Gezien zijn adviezen die het tot dusver over de
infrastructuurproblematiek heeft uitgebracht en met
name over het Voorstel voor een verordening betref-
fende het verlenen van bijstand voor projecten van
communautair belang op het gebied van de ver-
voersinfrastructuur ('), Advies inzake de rol van de
Gemeenschap bij de ontwikkeling van de vervoers-
infrastructuur (Memorandum van de Commis-
sie — Knelpuntenverslag) (2), alsmede over het
Voorstel voor een verordening van de Raad inzake
een beperkte actie op het gebied van de vervoersin-
frastructuur (3),
Gezien Verordening (EEG) nr. 3600/82 van de
Raad van 30 december 1982 inzake een beperkte
actie op het gebied van de vervoersinfrastructuur (4),
Overwegende het volgende:
1. Het belang van een communautair infrastruc-
tuurbeleid wordt sinds vele jaren door alle
Gemeenschapsinstellingen en in het bijzonder
door de Raad regelmatig en nadrukkelijk onder-
streept.
2. Het onderwerp staat op de agenda van elke zit-
ting van de Raad van Europese ministers van
(') PB nr. C 56 van 7. 3. 1977, blz. 83 en nr. C 300 van
18. 11. 1980, blz. 1.
(2) PBnr. C 138 van 9. 6. 1981, blz. 61.
(3) PB nr. C 296 van 12. 11. 1982, blz. 5.
(4) PB nr. L 376 van 31. 12. 1982, blz. 10.
Verkeer, maar wordt vervolgens telkens weer
opzij gelegd, en door de Commissie steeds weer
te belasten met nieuwe onderzoeken en het
opstellen van rapporten gaat zeer veel tijd verlo-
ren die zinvoller had kunnen worden besteed.
3. De aanhoudende ontoereikendheid van de
financiële middelen werkt in alle Lid-Staten
remmend op de aanleg van wegen en versterkt
het toch al complexe karakter van de wisselwer-
• king tussen de verschillende beheer- en finan-
cieringsinstanties (overheid, regio's, gemeenten,
speciale organen, nationale ondernemingen,
enz.). Met name als gevolg van de afnemende
belangstelling van de overheid is het gebrek aan
middelen nog nijpender geworden.
4. Uitbreiding en modernisering van de vervoers-
infrastructuur zullen om die reden in de toe-
komst nauw zijn verbonden met de politieke
bereidheid bij de Lid-Staten en bij de Raad om
bij voorkeur financiële middelen ten behoeve
van investeringen uit te trekken; dit zou op
doeltreffende wijze kunnen worden onder-
steund met behulp van nieuwe financierings-
structuren, en met name door middel van een
geëigend financieel communautair instrument
(Infrafonds),
BRENGT VOLGEND ADVIES UIT,
dat met algemene stemmen is goedgekeurd.
1. Algemene opmerkingen
1.1. Sedert 5 juli 1976 is de Raad in het bezit van
het Voorstel voor een verordening betreffende het
verlenen van bijstand voor projecten van commu-
nautair belang op het gebied van de vervoersinfra-
structuur (5).
Op 4 maart 1980 heeft de Commissie een wijziging
op dit voorstel (6) ingediend, ten einde ook aan weg-
projecten van communautair belang op het grondge-
bied van een derde land financiële steun te kunnen
verlenen.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft destijds
over deze twee voorstellen een positief advies uitge-
bracht (7).
1.2. Sedert het indienen van deze voorstellen heeft
de Raad tot dusver slechts één enkel concreet
besluit inzake deze materie genomen, door namelijk
op 30 december 1982 bij de reeds genoemde Veror-
dening (EEG) nr. 3600/82 een beperkte actie op het
(5) PB nr. C 207 van 2. 9. 1976, blz. 9.
(6) PB nr. C 89 van 10. 4. 1980, blz. 4.
(7) P B nr. C 56 van 7. 3. 1977, blz. 83 en nr. C 300 van
18. 11. 1980, blz. 1.
19. 12. 83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/5
gebied van de vervoersinfrastructuur goed te keuren,
waarvoor een bedrag van 10 miljoen Ecu is uitge-
trokken.
Voor 1983 bestaan plannen om nog 15 miljoen Ecu
voor een beperkte actie ter beschikking te stellen,
doch het hiervoor vereiste juridische instrumenta-
rium ontbreekt nog. De Raad heeft namelijk tijdens
zijn zitting van 7 juni 1983 andermaal over het van
1976 daterende voorstel van de Commissie slechts
van gedachten gewisseld en een begin gemaakt met
de keuze van de projecten die voor financiering uit
hoofde van de begroting voor 1983 in aanmerking
zouden komen. De Raad richtte evenwel een drin-
gend verzoek aan de Commissie om ten spoedigste
een voorstel voor een verordening in te dienen
betreffende een beperkte actie op het gebied van de
vervoersinfrastructuur uit hoofde van de begroting
voor 1983.
1.3. De Commissie heeft inmiddels aan dit verzoek
voldaan, waarbij evenwel tussen de Raad en haar
verschil van mening bestaat over de vraag, hoelang
een dergelijke verordening dient te gelden; terwijl
de Commissie van oordeel is dat maatregelen op het
gebied van de infrastructuur een periode van ver-
scheidene jaren dienen te bestrijken, denkt de Raad
tot dusver kennelijk uitsluitend aan een programma
voor één jaar. Het Comité is over deze kwestie
afzonderlijk geraadpleegd en zal in een ander docu-
ment zijn standpunt ten aanzien hiervan bepalen.
Het Comité stemt in beginsel in met een experimen-
teel programma ter evaluatie van de mogelijke voor-
delen van een communautair fonds voor uitbreiding
van de vervoersinfrastructuur in de Gemeenschap.
Dit is in overeenstemming met de adviezen die het
reeds over dit onderwerp heeft uitgebracht. Zo heeft
het in bovengenoemd advies inzake het Memoran-
dum van 1979 het volgende verklaard: „Het Comité
legt er de nadruk op dat het onderzoek van de door
de Lid-Staten ingediende projecten het voordeel
heeft dat de projecten worden getoetst en op hun
waarde worden beoordeeld". Ook in zijn advies van
28 oktober 1982 (*) inzake het „Gemeenschappelijk
vervoerbeleid van de jaren tachtig heeft het Comité
veel aandacht besteed aan de infrastructuurproble-
men en -investeringen.
1.4. Naar het oordeel van het Comité is het meer
dan tijd dat een begin wordt gemaakt met een
EG-vervoersinfrastructuurbeleid; want wil men een
gemeenschappelijke binnenmarkt en bijgevolg ook
een gemeenschappelijke vervoermarkt tot stand
brengen, dan moeten er op elkaar afgestemde ver-
voernetten zijn: de technische en economische
omvang van de netten, overslagcapaciteiten en ver-
bindingen tussen de netten — haven/rail- en
haven/wegoverslag — en de douaneposten aan de
grenzen moeten zodanig zijn dat het verkeer over
(i) PB nr. C 326 van 13. 12. 1982, blz. 9.
korte en lange afstand soepel kan worden afgewik-
keld. Daarom betreurt het Comité dat niet eerder
een begin kon worden gemaakt met het voeren van
een samenhangend infrastructuurbeleid dat aansluit
bij zijn algemene standpunt ten aanzien van deze
materie zoals dit is verwoord in zijn advies van
28 oktober 1982.
1.5. Het Comité stemt daarom in en steunt met
nadruk de pogingen en initiatieven van de Commis-
sie die op verwezenlijking van de in de voorgaande
omschreven situatie zijn gericht.
Het Comité is zonder meer van oordeel dat het
belang van de Gemeenschap bij de verwezenlijking
van een Europese vervoersinfrastructuur ook zijn
neerslag dient te vinden in een geregelde financiële
bijstand van de Gemeenschap. Dit geldt ook voor
transitoverbindingen via het grondgebied van derde
landen, voor zover zij de verbinding vormen tussen
belangrijke concentratiegebieden of te ontwikkelen
regio's van de Gemeenschap.
1.6. Uitgaande van deze overwegingen constateert
het Comité dat
— het opstellen van een experimenteel programma
op het gebied van de vervoersinfrastructuur een
belangrijke stap in de goede richting vormt en
— het uittrekken van een bedrag van 15 miljoen
Ecu op de begroting voor 1983 (art. 781 van de
begroting) weliswaar van uiterst geringe beteke-
nis is, doch het effect daarvan als signaal niet
mag worden onderschat.
1.7. Het Comité doet een dringend beroep op de
Raad om
— ten minste de genoemde bedragen nog voor
1983 ter beschikking te stellen en
— voorts akkoord te gaan met een financieringsin-
strument voor een periode van verscheidene
jaren alsmede in te stemmen met een experi-
menteel programma,
ten einde zodoende eindelijk een stap dichter te
komen bij de vervulling van zijn taak, nl. totstand-
brenging van een gemeenschappelijke Europese ver-
voersinfrastructuur.
2. Bijzondere opmerkingen
2.1. Richtsnoeren voor de evaluatie van uit commu-
nautair oogpunt belangrijke infrastructuurpro-
jecten
2.1.1. Het Comité is het met de Commissie eens
dat de door de Lid-Staten aangemelde projecten
voor het experimenteel programma niet zonder meer
in het programma kunnen worden opgenomen,
Nr. C 341/6 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12. 83
maar „op nationaal niveau aan de hand van degelijke
sociaal-economische criteria moeten worden
gerechtvaardigd" en bovendien van communautair
belang moeten zijn. Dit is alleen al op grond van de
beperkte, beschikbare financiële middelen noodza-
kelijk.
2.1.2. In het verslag van de Commissie aan de
Raad betreffende communautaire bijstand voor ver-
voersinfrastructuurprojecten: evaluatie van het
„gemeenschappelijk belang" bij de besluitvorming
van 16 september 1981, wordt een aantal alterna-
tieve criteria genoemd om te bepalen of al dan niet
van een knelpunt sprake is dan wel criteria om vast
te stellen of iets uit het oogpunt van de globale
maatschappelijke kosten rendabel is, aan welke cri-
teria een project moet voldoen wil het voor finan-
ciële steun van de Gemeenschap in aanmerking
komen. Deze criteria zijn overgenomen uit artikel 1
van het in punt 1.1 genoemde voorstel van de Com-
missie dat van 1976 dateert; deze criteria zijn op
zich evenwel ontoereikend.
2.1.3. Ten einde te kunnen nagaan
— of de voordelen die verwezenlijking van een pro-
ject oplevert ten opzichte van de hieraan ver-
bonden nadelen — met name het te investeren
bedrag — groter zijn en
— welke mate van prioriteit moet worden gehecht
aan elk project dat aan bovengenoemd crite-
rium voldoet,
dient evenwel nog een aantal aspecten in aanmer-
king te worden genomen die voor de te nemen
besluiten van belang zijn. Op deze punten is de
Commissie in onderstaande documenten ingegaan:
„Financiële bijstand van de Gemeenschap voor
infrastructuurprojecten op het gebied van het ver-
voer: evaluatie van het „gemeenschappelijk belang"
bij de besluitvorming" (doe. van 16 september 1981),
in het bijzonder blz. 13, en „Verslag van de Com-
missie aan de Raad: Het communautair belang van
investeringen in de vervoersinfrastructuur. Een toet-
sing van de beoordelingsmethodiek" (doe. van
7 december 1982), in het bijzonder bijlage 2, blz. 36
e.v.
Deze uiteenzettingen heeft het Comité in aanmer-
king genomen bij het opstellen van de vragenlijst,
die als bijlage bij dit advies is gevoegd.
2.1.4. In deze vragenlijst wordt uitdrukkelijk
onderscheid gemaakt tussen
— decongestie van het verkeer in concentratiege-
bieden of op de verbindingen tussen deze gebie-
den en
— verbetering van de regionale ontwikkeling van
regio's met een ontwikkelingsachterstand uit het
oogpunt van structuur en niveau.
Het Comité is namelijk van oordeel dat een derge-
lijk onderscheid van eminent belang is voor het
vaststellen van de mate van prioriteit van projecten
uit communautair oogpunt.
Bij de vaststelling van hun betekenis voor het ver-
keer zal het belang van projecten in Europese con-
centratiegebieden, doordat hierdoor bestaand knel-
punten worden opgeheven, in veel gevallen direct
worden ingezien. Daarnaast mag evenwel niet over
het hoofd worden gezien dat projecten die in hoofd-
zaak gericht zijn op verbetering van de verbindingen
van regio's met een ontwikkelingsachterstand, de
structurele ontwikkeling van deze regio's aanzienlijk
kunnen bevorderen en zodoende tevens kunnen lei-
den tot decongestie van het verkeer in concentratie-
gebieden.
Verondersteld mag worden dat het feit dat het eerste
gedeelte van het experimenteel programma geen
projecten op het gebied van de zeevaart, zeehavens
of het luchtverkeer bevat, te wijten is aan veronacht-
zaming van dit belangrijke onderscheid.
2.1.5. Daarom stelt het Comité de Commissie
voor, de in het voorgaande vermelde vragenlijst in
aanmerking te nemen bij de beantwoording van de
vraag,
— welke projecten uiteindelijk in het eerste
gedeelte van dit experimenteel programma wor-
den opgenomen en
— welke projecten met behulp van de nog voor
1983 ter beschikking te stellen begrotingsgelden
dienen te worden gestimuleerd.
PaS wanneer het Comité over de uitkomsten van de
analyse van de afzonderlijke projecten beschikt —
b.v. op basis van genoemde vragenlijst —, kan het
beoordelen, welke afzonderlijke projecten in ver-
band met hun uitgesproken communautaire belang
voor financiële bijstand in aanmerking komen.
2.2. Evaluatieprocedure
2.2.1. Doel van deze evaluatieprocedure is het
belang voor de gehele samenleving van de afzonder-
lijke uitkomsten van de analyse van het project
(b. v. op basis van de in bijlage 1 opgenomen vra-
genlijst) ten opzichte van elkaar te beoordelen.
2.2.2. Dit wordt bepaald in het kader van op de
Gemeenschap afgestemde kosten/baten-analyses
aan de hand van achtergrondinformatie over econo-
mische, sociale en bevolkingsstructuur van de
regio's van de Gemeenschap waarop de projecten
zijn gericht door het opstellen van een analyse van
en een prognose betreffende de effecten op het
gebied van het vervoer en op overige gebieden.
19. 12. 83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/7
De effecten van het project worden
— in fysische meeteenheden vertaald en uitgedrukt
(kwantitatief raster) en
— op hun communautair belang beoordeeld (kwa-
litatief raster).
2.2.3. Het lijkt twijfelachtig of een evaluatie in
valutaeenheden van alle aan de hand van de criteria
bepaalde effecten mogelijk is, zoals in het document
van de Commissie (1981) is bedoeld. In veel opzich-
ten zou dit ook uit theoretisch oogpunt niet verant-
woord zijn. Volgens deskundigen dient in dat geval
de voorkeur te worden gegeven aan een in punten
uitgedrukte evaluatie en een weging van het belang
uit communautair-politiek oogpunt. Volgens het
Comité zou de Commissie dienen over te gaan tot
herziening van haar van 16 september 1981 daterend
document betreffende de „Evaluatie van het „com-
munautair belang" bij de besluitvorming" en moe-
ten denken aan een multi-criteria-analyse, zoals b. v.
in bijlage 2 van bovengenoemd document is
beschreven.
2.2.4. In elk geval moet het Economisch en Sociaal
Comité bij de evaluatie en bepaling van het commu-
nautair belang van de infrastructuurprojecten wor-
den ingeschakeld.
3. Financiering van EG-infrastructuurprojecten
3.1. Ter beschikking stellen van financieringsmidde-
len door de Gemeenschap
3.1.1. De Commissie gaat in haar veronderstellin-
gen van het volgende uit:
— de EG-begrotingsmiddelen voor door de
Gemeenschap te verlenen bijstand voor infra-
structuurprojecten zullen de komende drie jaar
ca. 300 miljoen Ecu belopen en
— de gemiddelde bijstand per project maakt maxi-
maal 20 % van de totale kosten uit.
Op basis hiervan heeft de Commissie berekend dat
de totale kosten van het te financieren experimen-
teel programma 1 Vi miljard Ecu bedragen. Bedenkt
men evenwel dat in werkelijkheid op de begroting
voor 1982 en voor 1983 een bedrag van 10 miljoen,
respectievelijk 15 miljoen Ecu is uitgetrokken, dan
kan hieruit worden geconcludeerd dat de door de
Gedaan te Brussel, 28 september 1983.
Gemeenschap te verlenen financiële bijstand voor
een periode van drie jaar slechts ten hoogste 50 mil-
joen Ecu bedraagt, hetgeen volgens bovengenoemde
regels overeenkomt met een totaal bedrag van
slechts 250 miljoen Ecu, welk resultaat ook uit het
oogpunt van de door infrastructuurinvesteringen
geschapen werkgelegenheid als uiterst teleurstellend
dient te worden beschouwd.
3.1.2. Wil de Gemeenschap werkelijk krachtdadig
streven naar versnelde uitvoering van infrastructuur-
projecten van communautair belang, dan moet de te
verlenen financiële bijstand
— voldoende zijn en
— qua periode een bepaalde continuïteit te zien
geven.'
In dit verband zou kunnen worden gedacht aan
meerjarenprogramma's en een percentage te verle-
nen financiële bijstand, dat qua grootte van de
omvang van het communautair belang zou dienen
af te hangen, dus boven de 20 % zou kunnen liggen.
3.2. Bijeenbrengen van financieringsmiddelen
Het Comité wijst erop dat.de Regering van een Lid-
staat met het oog op de Europese Raad in Stuttgart
een vervoersmemorandum heeft opgesteld, waarin
het vraagstuk van de financiering van infrastruc-
tuurprojecten door de Gemeenschap en via de
EG-begroting opnieuw aan de orde is gesteld.
Volgens het Comité moet het mogelijk zijn dat de
Gemeenschap op uiteenlopende wijze financiële bij-
stand voor infrastructuurprojecten verleent, ten
einde aldus het bijeenbrengen van aanzienlijke
bedragen te vergemakkelijken.
Behalve verlening van investeringssubsidies uit
EG-begrotingsmiddelen zouden ook rentesubsidies
en aflossingsgaranties (borgstellingen) voor op de
kapitaalmarkt opgenomen gelden moeten worden
gegeven alsmede bij projecten die voor de regionale
ontwikkeling van groot belang zijn, de mogelijkheid
moet worden gecreëerd om een beroep te doen op
financiële bijstand van het EFRO.
Voorts zou moeten worden nagegaan, in hoeverre
een fonds zou kunnen worden opgericht waarvan de
middelen afkomstig zouden zijn uit de opbrengsten
in de Lid-Staten van de heffingen op het gebruik
van de infrastructuur.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Fran
Nr. C 341/8 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12. 83
BIJLAGE
bij het advies van het Economisch en Sociaal Comité
Vragen ter identificatie van het communautair belang van geselecteerde
vervoersinfrastructuurprojecten in de Europese Gemeenschap
1. Benaming van het project.
2. Is het project hoofdzakelijk gericht op
a) decongestie van het verkeer in concentratiegebieden;
b) verbetering van de ontwikkeling van regio's met een ontwikkelingsachterstand?
3. Omvang van het project qua
a) oppervlakte;
b) aantal rijstroken of overige belangrijke traceringsonderdelen en
c) bedrag van de investering.
4. Omschrijving van de economische uitgangspositie van het project qua
a) grootte van de bevolking in de betrokken regio's;
b) binnenlands produkt van de betrokken regio's;
c) verkeersverbindingen tussen de betrokken regio's;
d) handelsverbindingen tussen de betrokken regio's.
5. Effecten van het project op verkeersgebied uit het oogpunt van
a) verbetering van de verbindingen van centra of concentratiegebieden onderling of met
hun achterland, afzetmarkten of recreatiegebieden:
— vermindering van de reistijd per rit;
— te verwachten aantal ritten in het reizigers- en goederenverkeer;
— vermindering van de reis- of transportkosten;
b) effect op de kansen op ongevallen;
c) effect op andere trajecten of takken van vervoer.
6. Effecten op belastinggebied uitgaande van
a) te verwachten grootte en samenstelling van het investeringsbedrag (zie tevens punt 3,
subc));
b) geplande financiering;
c) te verwachten omvang van de lopende exploitatie- en onderhoudskosten.
7. Economische effecten uitgaande van
a) de te verwachten mate waarin de economische situatie in de betrokken regio's zich zal
wijzigen (regionaal binnenlands produkt);
b) het aantal arbeidsplaatsen in de bouwfase en in de fase waarin van de infrastructuur-
voorziening gebruik kan worden gemaakt.
8. Regionale effecten uitgaande van
a) de te verwachten verbetering van structuur en peil van de regionale ontwikkeling van
minder ontwikkelde regio's;
19. 12. 83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/9
b) te verwachten decongestie van concentratiegebieden of hun onderlinge verbindingen.
9. Effecten op milieugebied uitgaande van het te verwachten geringere milieubederf (lawaai,
uitlaatgassen, beslaglegging op grond) in
a) concentratiegebieden;
b) recreatiegebieden.
10. Effecten op het energieverbruik uitgaande van de te verwachten daling van de hoeveelheid
gebruikte energie per eenheid vervoerprestatie, in het bijzonder van schaarse energiesoorten
(aardolie).
11. Effecten op sociaal gebied door verbetering van de arbeidsvoorwaarden van in de vervoer-
sector werkzame personen.
12. Opsplitsing van de globale effecten op
a) het binnenland respectievelijk het binnenlands verkeer;
b) de Gemeenschap respectievelijk het grensoverschrijdend verkeer.
Voor zover mogelijk dienen de antwoorden op de afzonderlijke vragen door middel van
tabellen te worden toegelicht.
13. Is bij het project een kosten/baten-onderzoek (kosten/baten-analyse, kosten/efficiency-
analyse, multidimensionale effectanalyse e. d.) verricht, en wat zijn eventueel de uitkom-
sten daarvan?
Advies inzake een voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van een
onderzoekprogramma uit te voeren door het Gemeenschappelijk Centrum voor
Onderzoek voor de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en voor de Europese
Economische Gemeenschap
De tekst waarop de adviesaanvrage betrekking heeft is bekendgemaakt in het Publika-
tieblad van de Europese Gemeenschappen nr. C 225 van 23 augustus 1983, blz. 7.
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN HET ADVIES
Op 24 juni 1983 heeft de Raad besloten het Economisch en Sociaal Comité overeen-
komstig de bepalingen van artikel 7 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap voor Atoomenergie en van artikel 235 van het Verdrag tot oprichting
van de Europese Economische Gemeenschap over bovengenoemd voorstel te raadple-
gen.
B. ADVIES VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
Het Economisch en Sociaal Comité heeft beraadslaagd over zijn advies inzake voor-
noemd onderwerp tijdens zijn op 28 en 29 september 1983 te Brussel gehouden 210e
zitting.
Dit advies luidt als volgt:
HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap voor Atoomenergie, in het bijzon-
der artikel 7, en het Verdrag tot oprichting van de
Europese Economische Gemeenschap, in het bij-
zonder artikel 235,
van de Raad van de Europese Gemeenschappen
inzake het voorstel voor een besluit van de Raad tot
vaststelling van een onderzoekprogramma uit te
voeren door het Gemeenschappelijk Centrum voor
Onderzoek voor de Europese Gemeenschap voor
Atoomenergie en voor de Europese Economische
Gemeenschap (1984-1987) (>),
Gezien de op 1 juli 1983 gedateerde adviesaanvrage (') PB nr. C 225 van 23. 8. 1983.
Full & Egal Universal Law Academy