19. 12. 83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/33
5.4. Wat het onderzoek aangaande het door de
ondernemingen gevoerde prijsbeleid betreft is het
betreurenswaardig dat dit alleen heeft plaatsgevon-
den op het gebied van boeken en automobielen. Dit
onderzoek is onontbeerlijk en zou in de toekomst
allereerst moeten plaatsvinden op het gebied van
verzekeringen, farmaceutische produkten, banken
— met name leningen aan ondernemingen (rente-
voet en selectiecriteria) —, energie en bouwmateria-
len.
Het economisch kader van het Mededingingsbeleid
6.1. Door de vermindering van de percentages van
het gemeenschappelijk buitentarief is het belang van
de douanerechten afgenomen en staat de Gemeen-
schap open voor internationale concurrentie. Onder-
zoek buiten de EEG heeft uitgewezen dat bepaalde
overheidssteun van de Lid-Staten gelijk kan worden
gesteld met dumpingacties, te meer daar de noodza-
kelijke doorzichtigheid ervoor zorgt dat dergelijke
steunmaatregelen in derde landen bekend zijn.
6.2. De Gemeenschap heeft dus enerzijds te
maken met concurrentie van landen met een hoge
graad van technologische ontwikkeling (Verenigde
Staten, Japan) op het gebied van nieuwe industrie-
produkten, en anderzijds met de mededinging van
ontwikkelingslanden wat arbeidsintensieve indus-
trieprodukten betreft (textiel, schoenen).
nationale concurrentie het hoofd te bieden schijnt
het raadzaam het volgende aan te bevelen:
— een gemeenschappelijk industriebeleid, of
indien dit niet te verwezenlijken is, een commu-
nautaire strategie die aangepast is aan de ont-
wikkeling van de internationale arbeidsverde-
ling;
— selectie van sectoren die de communautaire
export zouden kunnen bevorderen en toeken-
ning van een groot deel van de financiële steun
aan deze sectoren;
— eventueel beroep op de in het Verdrag van
Rome bedoelde vrijwaringsmaatregelen indien
dit in het belang is van het communautaire han-
delsbeleid, waarbij rekening dient te worden
gehouden met sectoren die de concurrentie op
wereldniveau aankunnen, met nieuwe technolo-
gieën en met beschikbare financiële middelen;
in het bijzonder dient zo spoedig mogelijk te
worden ingestemd met het nieuwe, eindelijk
door de Commissie voorgestelde instrument ter
verdediging tegen de oneerlijke handelspraktij-
ken van de derde landen, en dient dit op een
consequente en vastberaden wijze te worden
ingezet. In bedoelde praktijken komt dikwijls
een eenzijdig ingevoerd protectionisme tot
uiting, dat in strijd is met en een schending
betekent van de communautaire en internatio-
nale overeenkomsten.
6.3. De eerste twee decennia van het bestaan van
de EEG werden gekenmerkt door liberalisme op het
industriële vlak en „planning" in de landbouw
(GLB). De ontwikkeling van de economische situa-
tie sedert enkele jaren wijzigt deze uitgangspunten,
en om de Gemeenschap in staat te stellen de inter-
6.4. Voorts zou de concrete toepassing door de
Lid-Staten van de onlangs door de Raad goedge-
keurde richtlijn op het gebied van technische nor-
men en voorschriften een belangrijke bijdrage leve-
ren tot het reguleren van de concurrentie binnen de
Gemeenschap.
Gedaan te Brussel, 29 september 1983.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Francs CEYRAC
Advies inzake een voorstel voor een besluit van de Raad tot goedkeuring van het eerste
Europese strategische programma voor onderzoek en ontwikkeling op het gebied van de
informatietechnologie (ESPRIT)
De tekst waarop de adviesaanvrage betrekking heeft is nog niet bekendgemaakt in het
Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN HET ADVIES
Op 17 juni 1983 heeft de Raad besloten het Economisch en Sociaal Comité overeen-
komstig de bepalingen van artikel 198 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap over bovengenoemd voorstel te raadplegen.
Nr. C 341/34 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12. 83
B. ADVIES VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
Het Economisch en Sociaal Comité heeft beraadslaagd over zijn advies inzake voor-
noemd onderwerp tijdens zijn op 28 en 29 september 1983 te Brussel gehouden 210e
zitting.
Dit advies luidt als volgt:
HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap, in het bijzonder artikel
198,
Gezien het op 24 juni 1983 gedateerde verzoek van
de Raad van de Europese Gemeenschappen om
advies inzake het voorstel voor een besluit van de
Raad tot goedkeuring van het eerste Europese stra-
tegische programma voor onderzoek en ontwikke-
ling op het gebied van de informatietechnologie
(ESPRIT),
Gezien het op 5 juli 1983 door zijn Bureau genomen
besluit, de Afdeling voor industrie, handel, ambacht
en dienstverlening met het opstellen van een advies
over dit onderwerp te belasten,
Gezien het op 7 september 1983 door deze Afdeling
opgestelde advies,
Gezien het door de rapporteur, de heer Nierhaus,
ingediende rapport,
Gezien de beraadslagingen tijdens de op 28 en 29
september 1983 gehouden 210e zitting (vergadering
van 29 september),
BRENGT VOLGEND ADVIES UIT,
dat met meerderheid van stemmen (1 onthouding)
werd goedgekeurd.
1. Inleiding
1.1. Het Comité is ingenomen met dit voorstel van
de Commissie voor een programma voor onderzoek
en ontwikkeling op het gebied van informatietech-
nieken, dat in het bijzonder op de volgende vijf
gebieden geconcentreerd is: micro-elektronika, com-
puter-geïntegreerde fabricage, software-technologie,
geavanceerde informatieverwerking en geautomati-
seerde kantoorsystemen.
Het Comité wijst erop dat ook de conclusies waar-
toe de Europese Raad van 21 en 22 maart en van 17
t/m 19 juni 1983 met betrekking tot de informatie-
en communicatietechnologie is gekomen, in
dezelfde richting gaan.
1.2. In onderhavig advies zijn ook de documenten
COM(82) 287 (mededeling van de Commissie aan
de Raad over ESPRIT) en COM(82) 486 en 737
(grondslagen voor ESPRIT: de testfase) (') in aan-
merking genomen.
2. Doelstelling
2.1. De ontwikkeling en de verbreiding van infor-
matietechnologie hebben met name in de afgelopen
jaren in de wereld een enorme vlucht genomen. De
informatietechnologie wordt gekenmerkt door een
sterk dynamisme, wat tot gevolg heeft dat nieuwe
onderzoeks- en ontwikkelingsresultaten in een
steeds sneller tempo worden omgezet in marktrijpe
produkten, die daarna weer even snel technologisch
verouderen wanneer zij niet op basis van nieuwe
onderzoeksbevindingen voortdurend verder worden
ontwikkeld.
Koplopers op dit gebied zijn tegenwoordig de eco-
nomieën van de Verenigde Staten, Japan en — op
enige afstand — de EG. Laatstgenoemde kan haar
positie alleen behouden en verbeteren wanneer zij
zowel in nationaal als in Gemeenschapsverband alle
zeilen bijzet ten einde onderzoek en ontwikkeling
op dit gebied te bevorderen en de resultaten in
marktrijpe produkten om te zetten.
Juist in verband met deze sleutelbetekenis van de
informatietechnologie voor de algemene economi-
sche en technologische ontwikkeling heeft het
Comité grote waardering voor het plan van de Com-
missie en stemt het met het voorgestelde programma
in.
Het is het daarbij eenstemmig eens met het beginsel
dat de ontwikkeling en de toepassing van informa-
tietechnologieën een zichtbare bijdrage dienen te
leveren tot de oplossing van de economische en de
werkgelegenheidsproblemen waarvoor de Lid-Sta-
ten zich thans geplaatst zien. Alle bedrijfstakken
ondergaan immers de invloed van de informatie-
technologie, zoals de industrie voor gereedschaps-
machines in de Lid-Staten, die haar positie als
belangrijkste producent ter wereld slechts kan hand-
haven door het uitstippelen van een positieve strate-
gie die haar de mogelijkheid biedt, gelijke tred met
de ontwikkeling in de elektronika te houden.
(') Het advies dienaangaande werd in november 1982
door het Comité goedgekeurd (PB nr. C 346 van 31. 12.
1982, blz. 13).
19. 12. 83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/35
Het Comité stemt met het programma in, maar beseft
wel dat de ontwikkeling van de informatietechnolo-
gie belangrijke gevolgen voor alle terreinen van de
menselijke samenleving heeft. Deze technologie
biedt grote mogelijkheden voor de toekomst van het
bedrijfsleven en op sociaal-cultureel gebied, maar
bergt ook risico's in zich als gevolg van ongewenste
politieke en economische ontwikkelingen. De ver-
dere invoering van informatietechnologieën zal ech-
ter grotendeels onafhankelijk van de positie van de
Europese industrie in deze bedrijfstak verlopen.
Slaagt de Europese industrie erin, in sterkere mate
de technologische ontwikkelingen mee te bepalen,
dan kunnen volgens het Comité de risico's wel eens
minder groot zijn en, indien de gevolgen in een
vroeg stadium worden onderkend, de toepassingen
op de bijzondere behoeften van de mensen in
Europa met hun culturele eigenheid worden afge-
stemd.
2.2. Het Comité beschouwt vooral de coördinatie
en de bevordering van het onderzoek, zoals in het
ESPRIT-programma voorgenomen, als een eerste
zinvol aanknopingspunt voor stimulerende maatre-
gelen van de Gemeenschap, omdat
— dit gebied de beste kansen biedt om op langere
termijn de technologische achterstand ten
opzichte van de Verenigde Staten en Japan in te
lopen;
— de intracommunautaire concurrentie door het
nemen van dergelijke EG-stimuleringsmaatrege-
len in feite niet wordt aangetast, wat gunstige
gevolgen heeft voor de samenwerking tussen de
deelnemende ondernemingen;
— daarmee de ontwikkeling van een Europees nor-
mensysteem op basis van eigen technologische
onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden
op dit gebied wordt bevorderd;
— de noodzakelijke financiële middelen voor het
totale ontwikkelings- en onderzoeksgebied van
ESPRIT niet door afzonderlijke ondernemingen
en regeringen, maar alleeen te zamen met de
Gemeenschap kunnen worden opgebracht, te
meer daar dergelijke niet rechtstreeks exploiteer-
bare onderzoekswerkzaamheden een aanzienlijk
economisch risico in zich dragen.
Aangezien het de bedoeling is regeringen, industrie,
hogescholen en andere researchinstellingen, vak-
bonden en belanghebbende kringen in Europa over
de nationale grenzen heen, intensief te laten samen-
werken, kan ESPRIT ook in de richting gaan van
het politieke doel, de volkshuishoudingen in de
Gemeenschap in sterkere mate samen te smelten.
2.3. Het Comité gaat ervan uit dat bij de uitvoe-
ring van het programma reeds in de testfase vormen
van Europese samenwerking tussen de nationale
overheden, de onderzoeks- en ontwikkelingscentra
van het bedrijfsleven en de hogescholen en weten-
schappelijke instellingen over de nationale grenzen
heen worden ontwikkeld, beproefd en uiteindelijk
worden geconsolideerd, zodat op lange termijn de
technologische voorwaarden voor het concurrentie-
vermogen van de Gemeenschap in de wereldecono-
mie wordt verbeterd.
Het Comité is het daarom eens met de uitspraak van
de Commissie dat ESPRIT zich niet tot het geven
van financiële stimulansen ten behoeve van een
onderzoeksprogramma mag beperken, maar een
zorgvuldig en selectief georiënteerd programma met
specifieke doelstellingen dient te zijn, dat garant
moet staan voor een efficiënte, verantwoorde en
doorzichtige tenuitvoerlegging.
Hoewel binnen de onderzoeksgebieden van
ESPRIT geen prioriteiten worden aangegeven, die-
nen onderzoeksprojecten inzake technische alterna-
tieven en oplossingen die op de bedrijfsstructuren
en -organisatie zijn afgestemd en het scholingspeil
bevorderen, van bijzondere betekenis te zijn.
3. Uitvoering
3.1. De ambitieuze doelstellingen die de Commis-
sie met dit ESPRIT-programma nastreeft, vereisen
dat adequate financiële middelen voor het onder-
zoek zelf en voor personeel worden uitgetrokken.
Het Comité gaat ervan uit dat de voor 1983 aange-
vraagde 11,5 miljoen Ecu voor de testfase slechts
een eerste aanzet vormen voor de in totaal uit te
trekken middelen. Aangezien de Amerikaanse en
Japanse inspanning voor stimulering en ontwikke-
ling van informatietechnieken in de miljarden loopt,
en Europese regeringen en ondernemingen over
soms aanzienlijke stimuleringsprogramma's beschik-
ken, dienen voor ESPRIT vergelijkbare middelen te
worden uitgetrokken indien men een „kritische
massa" wil bereiken waarbij daadwerkelijk kwalita-
tieve technologische vooruitgang op gang wordt
gebracht.
Het voorgestelde bedrag van 1 500 miljoen Ecu voor
de eerste fase van vijf jaar, waarvan de Gemeen-
schap 50% zal moeten dragen, vormt volgens het
Comité ten opzichte van het ambitieuze doel van
ESPRIT, nl. „het technologisch inhalen en zelfs
voorbijstreven van internationale concurrenten bin-
nen een periode van tien jaar", wel de beneden-
grens. Worden de middelen evenwel op bijzonder
geavanceerde werkzaamheden geconcentreerd en de
projecten zorgvuldig geselecteerd, dan kan met de
voorgestelde middelen echt wel een impuls in de
gewenste richting en de Europese informatie-indus-
trie nieuw zelfvertrouwen worden gegeven.
3.2. Het stemt het Comité tot voldoening dat niet
slechts complexe strategische projecten waarbij
vooral grote industriële ondernemingen betrokken
Nr. C 341/36 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12. 83
zullen zijn (type A), worden bevorderd, maar ook
interessante op zichzelf staande projecten van gerin-
gere omvang (type B). Deze laatste lenen zich goed
voor deelneming van middelgrote bedrijven, univer-
siteiten en andere onderzoekscentra, alsook van
individuele personen.
In dit verband is het gewenst dat in bijzondere
gevallen middelgrote bedrijven die bij projecten
betrokken zijn, procentueel meer steun ontvangen.
3.3. Het Comité hoopt dat de Commissie de stel-
ling kan onderschrijven dat slechts lange-termijnfi-
nanciering, die zolang duurt totdat de doelstellingen
van het ESPRIT-programma zijn bereikt, doch ten
minste voor de komende tien jaar geldt, tot het
nagestreefde succes kan leiden en dat de financiële
risico's voor de deelnemende ondernemingen en
onderzoeksinstellingen dan te overzien zijn.
Het stemt daarom met nadruk in met het voorstel,
dit programma in eerste instantie een periode van
vijfjaar te laten bestrijken. Het gaat ervan uit dat de
Raad te gelegener tijd gebruik zal maken van de
mogelijkheid, het programma met vijf jaar te verlen-
gen, zoals in artikel 6 van het voorstel voor een
besluit is bepaald.
Het Comité spreekt de hoop uit dat de doelstellin-
gen van de voorgenomen ESPRIT-projecten niet
stranden op de te nauwe grenzen die jaarlijks bij de
EG-begrotingsbeslissingen voor de onderzoeks- en
ontwikkelingsmiddelen worden vastgelegd.
3.4. Ten einde het programma op lange termijn te
laten slagen, acht het Comité het bijzonder noodza-
kelijk dat alle afzonderlijke projecten van ESPRIT
op een strategisch doel worden gericht en daartoe
op elkaar worden afgestemd en verstrengeld. Vooral
dienen daarbij, voor zover mogelijk, ook de proef-
projecten te worden betrokken. Tevens moet er
daarbij rekening mee worden gehouden dat via deze
samenwerking en coördinatie de innovatievoor-
sprong van Japan en de Verenigde Staten zou kun-
nen worden ingelopen. De daarvoor benodigde
coördinatiecomités, informatiesystemen en mecha-
nismen voor de lange-termijnplanning dienen, voor
zover nog onbestaand, in het leven te worden
geroepen. Met name moet er daarbij ook voor wor-
den gezorgd dat deze projecten aansluiten bij stimu-
leringsplannen van nationale regeringen en andere
nationale onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten,
ten einde doeltreffender en gerichter van de midde-
len gebruik te maken. Ook zinvolle samenwerking
tussen speur- en ontwikkelingswerkzaamheden bij
industrie, hogescholen en wetenschappelijke instel-
lingen moet in het kader van het project worden
bevorderd. Hierbij dienen ook de ergonomie en de
sociale wetenschappen te worden betrokken.
Het Comité stemt daarom in met de voorgestelde
advies- en coördinatiemechanismen, in het bijzonder
met de instelling van een bestuurs- en coördinatie-
comité en het voorgestelde overleg met de industrie.
In de op te richten wetenschappelijke adviesorga-
nen dienen ook deskundigen op het gebied van
ergonomie en sociale wetenschappen zitting te heb-
ben.
Wil men de afzonderlijke projecten van ESPRIT
efficiënt kunnen coördineren en de stand van de
werkzaamheden steeds kunnen bijhouden, dan is
volgens het Comité het voorgestelde projectmanage-
ment, zowel qua personeelsstructuur als qua aantal
medewerkers noodzakelijk.
3.5. Het Comité gaat ervan uit dat de stimulerende
projecten geconcentreerd worden op Europese
ondernemingen en wetenschappelijke instellingen.
Het doel — namelijk het inlopen van de technologi-
sche achterstand ten opzichte van de Verenigde Sta-
ten en Japan — kan in gevaar komen wanneer niet-
communautaire concerns via Europese dochteron-
dernemingen in het bezit komen van onderzoeksbe-
vindingen voordat produkten marktrijp zijn. Deze
onderzoeksresultaten dienen dan ook bij voorrang
ter beschikking te worden gesteld van de bij de
ESPRIT-projecten betrokken bedrijven.
3.6. Het is een goede zaak dat ESPRIT betrekking
heeft op enkele grote toepassingsgebieden van de
informatietechnologie, zoals computergestuurde
produktie, informatieverwerking, kantoorautomati-
sering, enzovoort. Hoewel de mening dat het voor-
naamste doel van ESPRIT de uitbouw van de Euro-
pese industrie voor computers en programmatuur
dient te zijn, moet worden onderschreven, kan voor
het welslagen van het programma niet worden inge-
staan indien de bedrijven en instanties die deze
technologie later gaan toepassen, niet bij de ontwik-
keling hiervan worden betrokken. Het Comité advi-
seert dan ook, er alles aan te doen om de gebruikers
van deze technologie, nl. de producenten van kan-
toormachines, rechtstreeks bij de onderzoeksprojec-
ten te betrekken.
4. Bijzondere probleemgebieden
4.1. De informatietechnologie is niet alleen in eco-
nomisch opzicht een technologie van doorslagge-
vende betekenis. Ook de sociale gevolgen ervan zijn
ingrijpend en zullen de leefomstandigheden van
individu en samenleving duurzaam veranderen,
doordat deze technologie de produktiviteit van de
industrie en vooral ook van allerlei omringende sec-
toren (toepassing van informatietechnologie in de
maatschappelijke dienstverlening, de gezondheids-
zorg, bij de overheid, in het onderwijs, enz.) ver-
hoogt. Nu al worden de positieve en negatieve
effecten hiervan duidelijk op de aard en inhoud van
het werk, op de arbeidsmarkt in haar geheel —
zowel in kwalitatief als in kwantitatief opzicht —,
alsook op het onderwijsstelsel. Onderzoek en ont-
19. 12.83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/37
wikkeling op dit gebied mogen dus niet alleen
gericht zijn op economische en technologische doel-
stellingen, maar moeten veeleer — zowel qua doel
als qua effect — gericht zijn op de maatschappelijke
gevolgen ervan.
4.2. Het Comité gaat ervan uit dat de Commissie
corrigerende maatregelen achter de hand heeft om
een te eenzijdige economisch en technologisch
gerichte benadering en evaluatie van onderzoeks- en
ontwikkelingsprojecten te voorkomen. Daarmee zou
de kans worden geboden om in nauwe samenhang
met bepaalde technologische ontwikkelingen de
beleidsmakers al in een vroeg stadium aanwijzingen te
geven voor noodzakelijke veranderingen in de
sociale kadervoorwaarden, met name op het gebied
van het arbeidsmarkt- en het scholingsbeleid.
Anders is het gevaar aanwezig dat de sociale gevol-
gen van zeer specifieke onderzoeks- en ontwikke-
lingsbevindingen te laat worden onderkend en
derhalve tot conflicten leiden.
Het Comité verwacht dat de Commissie in het bij-
zonder bij de samenstelling van de advies- en over-
legorganen met dit aspect rekening houdt.
4.3. Het Comité ziet het gevaar dat scholing en bij-
scholing van de noodzakelijke vakmensen in kwan-
titatief en vooral in kwalitatief opzicht geen gelijke
tred houden met de snelle vooruitgang op het
gebied van de geavanceerde technologieën. Daarom
moet de opleiding van een volgende generatie
wetenschapsmensen zoveel mogelijk in het strategi-
sche concept worden opgenomen. Naast de indus-
triële onderzoeksactiviteiten dienen derhalve ook
hogescholen en wetenschappelijke instellingen bij
de stimuleringsprojecten te worden betrokken.
Deze zienswijze dient als nog een criterium voor de
evaluatie van de projecten te worden beschouwd en
eventueel ook een hoger steunpercentage te recht-
vaardigen.
4.4. Bepaalde technologische ontwikkelingen lei-
den bijna gedwongen tot veranderingen in de nood-
zakelijke kwalificaties van de beroepsbevolking. Zo
zullen b. v. ontwikkelingen op het gebied van soft-
ware-engineering de behoefte aan programmeurs
zowel in kwalitatieve als in kwantitatieve zin wijzi-
gen. Hetzelfde geldt — in nog sterkere mate — op
het gebied van kantoorwerkzaamheden als gevolg
Gedaan te Brussel, 29 september 1983.
van automatisering. Het Comité verwacht dat naast
de technologische onderzoeks- en ontwikkelings-
werkzaamheden ook het onderzoek naar deze effec-
ten in het strategische programma wordt opgeno-
men.
Indien reeds bij het begin van de ontwikkelings-
werkzaamheden, in het bijzonder op de al bijna
marktrijpe gebieden „kantoorsystemen" en „compu-
ter-geïntegreerde fabricage", met deze gevolgen
rekening wordt gehouden, dan kan vooral de waar-
schijnlijkheid van kostbare ongewenste ontwikkelin-
gen worden teruggedrongen die zich kunnen voor-
doen doordat produkten maatschappelijk niet aan-
vaardbaar blijken. Het Comité is het op dit punt
geheel eens met de opvatting van de Commissie dat
het zinloos zou zijn, intensieve O & O-werkzaamhe-
den inzake de koppeling mens-machine te beginnen
zonder een onderzoek in te stellen naar de verdere
invloed hiervan op het individu (b. v. scholing,
gevoel van eigenwaarde), de werkomgeving (b. v.
aantal arbeidsplaatsen, kwaliteit van het werk) en de
maatschappij (b. v. gevolgen voor het onderwijsstel-
sel en de democratische wilsvorming) (').
4.5. Met name de al bijna marktrijpe onderdelen
van het ESPRIT-programma, nl. fabricagetechnie-
ken en kantoorautomatisering, hebben onmiddellijke
gevolgen voor aantal en inhoud van de arbeids-
plaatsen. Het Comité dringt er daarom op aan dat
bij de uitvoering van de diverse projecten en bij de
evaluatie van de resultaten al in een vroeg stadium
vertegenwoordigers van werkgevers en vakbonden
worden betrokken, zodat naast de technologische
aspecten de gevolgen voor de beroepsbevolking
evenzeer onderzocht en beoordeeld kunnen worden.
Zo zouden van mogelijke sociale conflicten bij de
invoering van nieuwe technieken de scherpe kanten
kunnen worden weggenomen door de sociale part-
ners tijdig in te schakelen.
4.6. Samenvattend acht het Comité het ESPRIT-
programma met zijn effecten op de toekomstige eco-
nomische structuren en de concurrentiepositie van
de Gemeenschap als een van de belangrijkste onder-
zoeks- en ontwikkelingsprojecten van de Gemeen-
schap en het gaat ervan uit dat uiterlijk begin 1984
een aanvang wordt gemaakt met de hoofdfase van
het programma.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Francois CEYRAC
C1) Document COM(83) 258 def., blz. 38.
Nr. C 341/38 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12. 83
BIJLAGE
bij het advies van het Economisch en Sociaal Comité
Verworpen wijzigingsvoorstellen
Onderstaand wijzigingsvoorstel, dat in overeenstemming met het Reglement van Orde werd inge-
diend, is tijdens de beraadslagingen door het Comité verworpen:
Paragraaf 4.5
Aan de laatste alinea de volgende passage toevoegen*
„Ook moet rekening worden gehouden met de belangen van gebruikers en leveranciers, in
het bijzonder van software voor computers.".
Uitslag van de stemming
Vóór: 24; tegen: 35; onthoudingen: 11.
Advies inzake een voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de prijsvorming
voor het goederenvervoer over de weg tussen de Lid-Staten
De tekst waarop de adviesaanvrage betrekking heeft is bekendgemaakt in het Publika-
tieblad van de Europese Gemeenschappen nr. C 265 van 9 oktober 1982, blz. 5.
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN HET ADVIES
Op 5 oktober 1982 heeft de Raad besloten het Economisch en Sociaal Comité over-
eenkomstig de bepalingen van artikel 75 van het Verdrag tot oprichting van de Euro-
pese Economische Gemeenschap over bovengenoemd voorstel te raadplegen.
B. ADVIES VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
Het Economisch en Sociaal Comité heeft beraadslaagd over zijn advies inzake voor-
noemd onderwerp tijdens zijn op 28 en 29 september 1983 te Brussel gehouden 210e
zitting.
Dit advies luidt als volgt:
HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap, in het bijzonder arti-
kel 75,
Gezien de van 5 oktober 1982 daterende adviesaan-
vrage van de Raad met betrekking tot het voorstel
voor een verordening van de Raad betreffende de
prijsvorming voor het goederenvervoer over de weg
tussen de Lid-Staten ('),
(') PB nr. C 265 van 9. 10. 1982, blz. 5.
Gezien het besluit van zijn Bureau d. d. 13 oktober
1982, de Afdeling voor vervoer en communicatiewe-
zen te belasten met het opstellen van een advies en
een rapport inzake deze materie (artikel 22 van het
Reglement van Orde),
Gezien het advies dat bovengenoemde Afdeling tij-
dens haar 151e vergadering d. d. 14 september 1983
heeft opgesteld,
Gezien het rapport dat de heer Bos, rapporteur,
heeft ingediend,
Full & Egal Universal Law Academy