19. 12. 83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/51
voeren dat gericht is op werkverschaffing, via een aanbeveling kunnen verzoeken, voor zover
hun begrotingsruimte dit toelaat, werkzoekenden aan te trekken voor de verwezenlijking van
dergelijke programma's, mits bestaande arbeidsplaatsen daardoor niet in gevaar worden
gebracht (b.v. aparte inzameling van oud papier e. d., aanleg, herstel en onderhoud van
groenstroken, parken, speelplaatsen, natuur- en landschapsbeschermingsgebieden, herstel
van de natuurlijke loop van beken en rivieren, maatregelen om land weer in cultuur te bren-
gen, verrichten van planmatige en grootschalige metingen van de concentratie schadelijke
stoffen in lucht, water en bodem, verzorging van hulpbehoevenden, monumentenzorg,
enz.).".
Motivering
Het lijkt zinvol door het formuleren van concrete doelstellingen voor de verbetering van het leef-
milieu en de kwaliteit van het bestaan het particuliere bedrijfsleven en overheidsinstanties op
weg te helpen.
Uitslag van de stemming:
Stemmen vóór: 3; tegen: 36; onthoudingen: 7.
Advies inzake een mededeling van de Commissie aan de Raad over de structuren en
procedures van het gemeenschappelijk beleid op het gebied van de wetenschap en de
technologie, waarin opgenomen ontwerp-besluiten van de Raad inzake:
I. de besluitvormingsstructuren en -procedures op het gebied van wetenschap en
technologie
II. de structuren en procedures voor het beheer en de coördinatie van de communautaire
onderzoeks-, ontwikkelings- en demonstratiewerkzaamheden
De tekst waarop de adviesaanvrage betrekking heeft is bekendgemaakt in het Publika-
tieblad van de Europese Gemeenschappen nr. C 113 van 27 april 1983, blz. 4 en 5.
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN HET ADVIES
Op 7 april 1983 heeft de Raad besloten het Economisch en Sociaal Comité overeen-
komstig de bepalingen van artikel 198 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap over bovengenoemd voorstel te raadplegen.
B. ADVIES VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
Het Economisch en Sociaal Comité heeft beraadslaagd over zijn advies inzake voor-
noemd onderwerp tijdens zijn op 28 en 29 september 1983 te Brussel gehouden 210e
zitting.
Dit advies luidt als volgt:
HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap, in het bijzonder arti-
kel 198,
Gezien de op 7 april 1983 gedateerde adviesaan-
vrage van de Raad van de Europese Gemeenschap-
pen inzake de ontwerp-besluiten van de Raad
inzake:
I. de besluitvormingsstructuren en -procedures op
het gebied van wetenschap en technologie;
II. de structuren en procedures voor het beheer en
de coördinatie van de communautaire onder-
Nr. C 341/52 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12. 83
zoeks-, ontwikkelings- en demonstratiewerk-
zaamheden ('),
Gezien het op 26 april 1983 door zijn Bureau geno-
men besluit, de Afdeling voor energie en nucleaire
vraagstukken met het opstellen van een advies dien-
aangaande te belasten,
Gezien het advies dat tijdens de 82e vergadering op
9 september 1983 door deze Afdeling werd opge-
steld,
Gezien het mondeling verslag van de rapporteur, de
heer de Normann,
Gezien de beraadslagingen tijdens de op 28 en
29 september 1983 gehouden 210e zitting (vergade-
ring van 29 september),
BRENGT VOLGEND ADVIES UIT,
dat met algemene stemmen werd goedgekeurd.
1. Het Comité stemt in grote lijnen in met de voor-
stellen van de Commissie en met name met:
— de oprichting van een Hoog Comité voor weten-
schaps- en technologiebeleid (HCST);
— de oprichting van raadgevende en beheerscomi-
tés (CGC's);
— de afschaffing van het Comité voor Weten-
schappelijk en Technisch Onderzoek (CREST),
de sectorcomités en de horizontale comités,
welke in bijlage 3 van het ontwerp-besluit van
de Raad worden vermeld.
Het Comité erkent dat geen enkel structureel en pro-
ceduremechanisme volmaakt kan zijn. Uiteindelijk
zal het welslagen afhankelijk zijn van het vermogen
van de Commissie om te selecteren en te besturen
en van de politieke bereidheid van de Raad, hieraan
zijn steun te geven.
Hoewel het Comité dus in hoofdlijnen met de voor-
stellen instemt, wenst het evenwel enkele algemene
opmerkingen te maken, aan te geven aan de hand
van welke maatstaven het tot dit advies is gekomen,
en vervolgens enkele bijzondere opmerkingen aan
de voorstellen te wijden. Deze bijzondere opmerkin-
gen hebben betrekking op een aantal onduidelijkhe-
den en hiaten die volgens het Comité nog dienen te
worden recht getrokken.
2. Algemene opmerkingen
2.1. Het Comité is ermee ingenomen dat de Com-
missie de bestaande besluitvormingsmechanismen
(') PBnr.C 113 van 27.4. 1983.
met betrekking tot de wetenschappelijke en techni-
sche activiteiten in het algemeen (via het kaderpro-
gramma) en tot afzonderlijke actieprogramma's voor
sectorresearch aan een onderzoek onderwerpt.
2.2. Het Comité acht dit het juiste moment om aan
dergelijke veranderingen te denken gezien de
nieuwe O & O-strategie voor de jaren tachtig en de
nieuwe aanpak inzake onderzoek en ontwikkeling
van de Gemeenschap, die in het voorgestelde kader-
programma voor de jaren 1984-1987 is neergelegd.
2.3. Het Comité is het ermee eens dat de bestaande
mechanismen functioneren, door de betrokkenen
worden begrepen en hebben geleid tot een efficiënt
netwerk van contacten op wetenschappelijk niveau
tussen de Commissie en de Lid-Staten en tussen de
Lid-Staten onderling.
2.4. De belangrijkste nadelen van de bestaande
mechanismen zijn het gevolg van het feit dat er
naast een starre en complexe organisatie van comi-
tés op het niveau van de Commissie ook nog een
dergelijk mechanisme op het niveau van Coreper
bestaat. In het algemeen neemt de besluitvorming
inzake researchactiviteiten vanaf de conceptfase tot
de uiteindelijke goedkeuring veel meer tijd in beslag
dan nodig is.
3. Criteria voor beoordeling van de voorgestelde ver-
anderingen in de structuren en de procedures
De Commissie heeft grote veranderingen voorge-
steld die uiterst grondig dienen te worden bestu-
deerd voordat hierover een beslissing wordt geno-
men. Het Comité is van mening dat de voorgestelde
veranderingen moeten worden beoordeeld aan de
hand van de volgende criteria:
3.1. Het O & O-budget van de Gemeenschap moet
op efficiënte wijze worden besteed aan goed voorbe-
reide projecten; O & O van de Gemeenschap moe-
ten competent worden beheerd, op gezette tijden
aan een onderzoek worden onderworpen en gestopt
indien activiteiten niet efficiënt genoeg worden
geacht.
3.2. Het werk moet bij voltooiing worden beoor-
deeld en de bevindingen van deze evaluatie moeten
bij het vaststellen van verdere programma's en bij
herijking van lopende activiteiten worden gebruikt.
3.3. De procedures moeten de nationale regerin-
gen, de industrie, de werknemers en andere belan-
gengroepen voldoende gelegenheid geven, tijdig
hun standpunten over het vaststellen van O &
O-doelstellingen en over het formuleren van het
kaderprogramma en de belangrijkste actie-
programma's voor onderzoek kenbaar te maken. In
het bijzonder dient de industrie te worden geraad-
19. 12.83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/53
pleegd die de uiteindelijke produkten op de markt
zal brengen.
3.4. De Lid-Staten moeten over voldoende moge-
lijkheden beschikken om invloed uit te oefenen op
de voorstellen voordat deze door de Commissie
worden vastgesteld. Zo kan ervoor worden gezorgd
dat nationale programma's voor research en natio-
nale bestedingen mede in aanmerking worden geno-
men.
3.5. De Lid-Staten dienen in grote lijnen op de
hoogte te worden gesteld van de voortgang die bij
de belangrijkste actieprogramma's voor onderzoek
is gemaakt.
3.6. De nieuwe procedures mogen het efficiënt
functioneren van het bestaande wetenschappelijk
netwerk dat in de Gemeenschap is opgebouwd, niet
beletten.
3.7. De procedures moeten van dien aard zijn dat
de Lid-Staten duidelijkheid hebben over het gezag
en de vereiste deskundigheid van hun vertegen-
woordigers in de comités.
3.8. De nieuwe procedures moeten doorzichtig,
begrijpelijk en ondubbelzinnig zijn en elkaar zo wei-
nig mogelijk overlappen: elk comité moet een dui-
delijk afgebakende opdracht, bevoegdheid en ver-
antwoordelijkheid hebben en grijze zones moeten
zoveel mogelijk worden vermeden.
3.9. De Commissie moet een flexibel beleid goed-
keuren met een mechanisme voor wijziging van pro-
cedures die na een proefperiode niet voldoen.
4. Bijzondere opmerkingen
In het licht van deze criteria en verantwoordelijkhe-
den wil het Comité de volgende bijzondere opmer-
kingen naar voren brengen:
4.1. Relatie met het nationaal onderzoeksbeleid:
Het Comité ziet in dat het kaderprogramma de richt-
snoeren voor een grote en toenemende financiële
inspanning van de Gemeenschap aangeeft. Het
dringt er bij de Commissie op aan, er alles aan te
doen om
— ervoor te zorgen dat de Lid-Staten in een vroeg
stadium op de hoogte worden gesteld van
mogelijke wijzigingen in de financiële verplich-
tingen;
— een nauwere relatie tot stand te brengen tussen
het beleid van de Gemeenschap en de door de
Lid-Staten genomen maatregelen, zodat de
structuren en procedures met betrekking tot
W & T-onderzoek zo nodig onderling kunnen
worden afgestemd.
4.2. Vaststelling van bevoegdheden:
Het Comité dringt er op aan dat de specifieke
bevoegdheden van de CGC's en het HCST ten
opzichte van de Commissie en de Raad nauwkeurig
worden vastgelegd. Zijns inziens moet een bepaalde
financiële grens worden vastgesteld waaronder de
Commissie in overeenstemming met het kaderpro-
gramma en het jaarlijkse huishoudelijk budget de
uitgaven onafhankelijk mag vaststellen.
4.3. Ad ontwerp-besluit van de Raad inzake de
besluitvormingsstructuren en -procedures op het
gebied van wetenschap en technologie (Hoog
Comité voor wetenschaps- en technologiebeleid
— HCST):
Het Comité is van mening dat bepaalde aspecten
van het HCST nadere toelichting behoeven.
4.3.1. Het HCST dient zo te zijn samengesteld dat
het Coreper bereid is, diens advies ter harte te
nemen en niet langer zijn bestaande onderzoeks-
groep in te schakelen. Aldus zou het HCST de
bestaande twee comités, nl. het CREST en het sub-
comité van het Coreper, kunnen gaan vervangen.
4.3.2. Op het eerste gezicht lijkt het roteren van het
voorzitterschap van het HCST in navolging van het
voorzitterschap van de Raad niet in het belang van
de noodzakelijke continuïteit van O & O te zijn. Bij
nader inzien komt het Comité tot de slotsom dat dit
voorstel vooralsnog realistisch is.
4.3.3. De taken en bevoegdheden van het HCST
dienen nauwkeurig te worden afgebakend zodat het
Coreper een uitvoerig advies over de aspecten van
wetenschaps- en technologiebeleid, de financiële
aspecten en de specifieke technische inhoud van de
voorstellen met betrekking tot het kaderprogramma
en de actieprogramma's voor onderzoek kan worden
voorgelegd. In artikel 2 dienen zijn opdracht, taken
en bevoegdheden nauwkeuriger te worden omschre-
ven.
4.3.4. Zonder deze duidelijkheid zullen de Lid-Sta-
ten moeilijkheden ondervinden bij het benoemen
van vertegenwoordigers van het vereiste kaliber en
bij het aanbrengen van de nodige wijzigingen in hun
eigen mechanismen (art. 3)
4.3.5. Een bepaalde band tussen HCST, Commis-
sie en CGC's is noodzakelijk. De Commissie dient
zich verder te bezinnen op enigerlei formele band
als alternatief voor het ontwikkelen van informele
betrekkingen naarmate de nieuwe structuren uitrij-
pen.
Nr. C 341/54 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12. 83
4.3.6. Het HCST dient een nauwkeuriger omschre-
ven functie te hebben bij het beoordelen van de met
de uitvoering van het kaderprogramma gemaakte
voortgang.
4.3.7. De relatie tussen het HCST en het Adviesor-
gaan van het GCO voor zowel directe als gesubsi-
dieerde programma's dient nauwkeurig te worden
bepaald.
4.3.8. Het concurrentievermogen van de industrie
zal gemakkelijker kunnen worden verbeterd indien
een niet uit regeringskringen afkomstig lid uit elke
Lid-Staat in het HCST zitting krijgt, met name waar
het gaat om het kaderprogramma en wellicht ook bij
andere aangelegenheden.
4.3.9. Met betrekking tot artikel 5 wordt opgemerkt
dat
— richtsnoeren voor het reglement dienen te wor-
den vastgesteld zodat ook voorstellen in behan-
deling kunnen worden genomen waarover geen
eenstemmigheid kan worden bereikt;
— moet worden gedacht aan versterking van de
bevoegdheid van het HCST met betrekking tot
strategische beoordeling en evaluatie, zo nodig
door een onafhankelijk team;
— het HCST een specifieke bevoegdheid moet
worden verleend tot het controleren van de
informatiestroom die nodig is om zijn verant-
woordelijkheid inzake evaluatie en taxatie te
kunnen uitoefenen.
4.4. Ad ontwerp-besluit van de Raad inzake de
structuren en procedures voor het beheer en de
coördinatie van de communautaire onderzoeks-,
ontwikkelings- en demonstratieactiviteiten
(Beheers- en adviescomités — CGC's):
Het Comité is van mening dat bepaalde aspecten
van de CGC's nader dienen te worden bezien en
verduidelijkt.
4.4.1. De taken en bevoegdheden van de CGC's
dienen in het ontwerp-besluit van de Raad nauw-
keuriger te worden omschreven.
4.4.2. In artikel 2 blijkt teveel nadruk te worden
gelegd op de adviestaak van de CGC's op aanvraag
van de Commissie en onvoldoende op een duidelijk
omschreven meer permanente verantwoordelijkheid.
Het doel van de CGC's is immers, de Commissie
een diepgaande en degelijke visie te verstrekken die
deel zal uitmaken van het dossier dat de Commissie
aan het HCST en de Raad voorlegt. De CGC's kun-
nen zich niet van deze taak kwijten als de Commis-
sie bepaalt wanneer zij dienen te worden ingescha-
keld.
4.4.3. De Commissie dient verder na te denken
over de structuur van bijzondere CGC's voor FAST
en andere horizontale programma's.
4.4.4. Het voorgestelde aantal CGC's, waarmee het
huidige aantal adviescomités zou worden beperkt,
vereist dat de vertegenwoordigers van de Lid-Staten
een zeer grote sector van wetenschappelijk onder-
zoek moeten bestrijken. Dit zou in strijd zijn met
een grondige behandeling van de voorstellen van de
Commissie waarvoor de bestaande raadgevende
comités voor programmabeheer (RCPB) zorgen. Dit
zou dan weer leiden tot vermindering van de
invloed die Lid-Staten kunnen uitoefenen op het
opzetten en het uitvoeren van O & O-programma's.
De in de mededeling van de Commissie opgenomen
en in de bijlage geëxpliciteerde lijst van CGC's
dient zodanig te worden gewijzigd dat meer onder-
zoek inzake leef- en werkomstandigheden wordt
verricht.
Het Comité dringt erop aan dat de Commissie
wordt verzocht, de Lid-Staten eventueel toe te staan
ten minste een van de drie naar de CGC's afgevaar-
digde vertegenwoordigers te variëren in functie van
de agenda van een bepaalde vergadering. Het dringt
er ook op aan dat de vertegenwoordigers zich kun-
nen laten vergezellen door deskundigen die welis-
waar niet aan het beraad zouden mogen deelnemen,
maar tijdens de vergaderingen wel inlichtingen zou-
den kunnen verschaffen. Aldus zou zowel voor con-
tinuïteit als voor diepgaande advisering worden
gezorgd.
4.4.5. Het Comité vindt dat de Commissie ook de
samenstelling van de comités nog eens aan een
onderzoek zou moeten onderwerpen (art. 3):
— sommige Lid-Staten geven er wellicht voorkeur
aan, hun vertegenwoordigers in overleg met de
Commissie zelf te benoemen (zie par. 4.4.4,
tweede alinea);
— er moet voor worden gezorgd dat het bedrijfsle-
ven op dit niveau voldoende zeggenschap
krijgt; niet alle vertegenwoordigers dienen werk-
nemers van de overheden van de Lid-Staten te
zijn. Eén vertegenwoordiger per Lid-Staat moet
uit het bedrijfsleven afkomstig zijn. Hiermee
wordt toegewerkt naar een belangrijk doel van
O & O in de Gemeenschap, nl. dat de weten-
schappelijke en technische strategie duidelijk op
praktische innovatie toegesneden moet zijn;
— er moet ook voor worden gezorgd dat de werk-
nemers op dit niveau in voldoende mate worden
vertegenwoordigd omdat hun werk- en ook leef-
omstandigheden hierdoor direct en indirect wor-
den beïnvloed. Het Comité dringt erop aan, een
bevredigend raadplegingsmechanisme in de
nieuwe procedures op te nemen.
19. 12. 83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/55
4.4.6. De Commissie dient te worden verzocht, de
procedures die in de CGC's moeten worden goedge-
keurd, duidelijker aan te geven. Zou dit achterwege
blijven, dan zullen de werkwijzen tussen de CGC's
al spoedig gaan uiteenlopen.
De visies van de CGC's dienen te worden opgeno-
men in het dossier dat de Commissie aan het HCST
zal voorleggen; daarom moet worden gezorgd voor
enige uniformiteit in de grondregels van het functio-
neren, al was het maar om HCST en Raad te helpen,
het gehalte van hun adviezen te beoordelen.
4.4.7. Hoewel de procedure voor evaluatie van
O & O-programma's los staat van de CGC-proce-
dure, stelt het Comité de Commissie voor, deze
informatiestromen zodanig te organiseren dat de
CGC's hiervan in hun adviezen over nieuwe actie-
programma's voor onderzoek gebruik kunnen
maken.
4.4.8. Het Comité stemt in met het voorstel van de
Commissie om een verbinding tot stand te brengen
tussen de CGC's en andere adviescomités als
CODEST en CORDI.
Gedaan te Brussel, 29 september 1983.
4.5. Evaluatie van de bevindingen:
Het Comité is van oordeel dat een effectieve proce-
dure voor de evaluatie van O & O-resultaten essen-
tieel is. Het heeft begrepen dat deze evaluatie zal
worden verzorgd door de Commissie, waarbij deze
gebruik maakt van onafhankelijke deskundigen en
het Parlement en de Rekenkamer zal inschakelen.
Het denkt daarbij aan de ontwerp-resolutie van de
Raad inzake bevordering van de toepassing van de
resultaten van door de Gemeenschap gesubsidieerde
O & O-activiteiten (COM(83) 18 def. en COM(83)
526 def.).
De Commissie dient ervoor te zorgen dat de proce-
dures voor beoordeling van de voortgang en de eva-
luatie van afgesloten werkzaamheden als grondslag
voor verdere actieprogramma's nauwkeurig, effi-
ciënt en snel dienen te zijn.
Met name de resultaten van de beoordeling en de
evaluatie moeten in standaardformaat worden
gepresenteerd als deel van voorstellen voor het
voortzetten van bestaande programma's of voor het
opzetten van nieuwe hiermee samenhangende pro-
gramma's. Deze informatie is nodig in het vroegste
stadium van de besluitvorming, dat wil zeggen op
CGC-niveau.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Francs CEYRAC
Full & Egal Universal Law Academy