19. 12.83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/27
resultaten van het programma dan het bedrijfs-
leven buiten de EG?
Kan in de met universiteiten en researchinstel-
lingen te sluiten contracten een clausule worden
opgenomen om te zorgen voor een gedegen
spreiding van de onderzoeksbevindingen?
3. Bijzondere opmerkingen over de bijlage
Researchactiviteiten
Punt 1.1
Punt 1.3
Het Comité vindt dat dit punt in meer algemene
bewoordingen moet worden geformuleerd, omdat
de Gemeenschap hier een onderzoeksprogramma
financiert waarbij in het bijzonder eenvoudige agra-
rische produkten worden getransformeerd in suiker
en zetmeel, waarvan toch al een overschot in de
Gemeenschap bestaat, terwijl andere produkten als
oliën en vetten in hoogwaardiger vorm ontbreken en
moeten worden ingevoerd. Men dient hier daarom
een programma op te stellen waarbij ook andere
agrarische natuurprodukten in dergelijke hoogwaar-
diger produkten worden omgezet.
Het Comité stemt in met het voorstel om de tweede
generatie bioreactortechnologie tot de farmaceuti-
sche en de fijnchemische industrie uit te breiden.
Dit is het enige geval waarin het wetenschappelijke
terrein van de eerste fase van het programma wordt
uitgebreid. Het motief hiervoor is dat hier sprake is
van een aantal doorbraken en het bedrijfsleven
grote belangstelling heeft getoond. Deze uitbreiding
vormt daarom een logische ontwikkeling.
Punt 1.4
Het Comité stelt vast dat het tweede programma
overal de nadruk legt op landbouw. Het wijst op het
belang van biomoleculaire engineering voor de
industrie en voor de landbouw en zou daarom aan
het eind van de eerste zin de woorden „en de indus-
trie" willen toevoegen.
Gedaan te Brussel, 28 september 1983.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Francs CEYRAC
Advies inzake een voorstel voor een besluit van de Raad houdende vaststelling van een
programma voor onderzoek en ontwikkeling op het gebied van niet-nucleaire energie
(1983-1987)
De tekst waarop de adviesaanvrage betrekking heeft is bekendgemaakt in het Publika-
tieblad van de Europese Gemeenschappen nr. C 218 van 13 augustus 1983, blz. 4.
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN HET ADVIES
Op 6 juli 1983 heeft de Raad besloten het Economisch en Sociaal Comité overeen-
komstig de bepalingen van artikel 198 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap over bovengenoemd voorstel te raadplegen.
B. ADVIES VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
Het Economisch en Sociaal Comité heeft beraadslaagd over zijn advies inzake voor-
noemd onderwerp tijdens zijn op 28 en 29 september 1983 te Brussel gehouden 210e
zitting.
Dit advies luidt als volgt:
Nr. C 341/28 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19.12.83
HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap, in het bijzonder arti-
kel 198,
Gezien de op 6 juli 1983 gedateerde adviesaanvrage
van de Raad van de Europese Gemeenschappen
inzake het voorstel voor een besluit van de Raad
houdende vaststelling van een programma voor
onderzoek en ontwikkeling op het gebied van niet-
nucleaire energie (1983-1987) (•),
Gezien het op 28 september 1983 door hem geno-
men besluit, de heer Roseingrave tot algemeen rap-
porteur te benoemen,
Gezien het mondeling verslag van de heer Rosein-
grave, algemeen rapporteur,
Gezien de beraadslagingen tijdens de op 28 en
29 september 1983 gehouden 210e zitting (vergade-
ring van 28 september),
BRENGT VOLGEND ADVIES UIT,
dat met ruime meerderheid van stemmen (twee ont-
houdingen) werd goedgekeurd.
1. Algemene opmerkingen
1.1. Het Economisch en Sociaal Comité stemt in
met dit voorstel voor een O & O-programma op het
gebied van niet-nucleaire energie (1983-1987). Ter-
wijl wordt gestreefd naar voortzetting van de ont-
wikkeling van O & O op niet-nucleair gebied, wordt
in het programma tevens voorgesteld over te gaan
op belangrijker maar ook kostbaarder proefprojec-
ten, en tevens het werkterrein uit te breiden door
omvangrijke activiteiten op te zetten op gebieden
die voorheen alleen onder het inmiddels vrijwel
afgelopen programma van de EGKS vielen, nl.
vaste brandstoffen en nieuwe energiedragers.
1.2. Het Comité is het eens met de motivering die
voor dit ontwerp-programma wordt gegeven. Het
vestigt de aandacht speciaal op de volgende doel-
stellingen: adequate energievoorziening en toepas-
sing van technologieën waarmee in de behoeften
van regionale ontwikkeling in de Gemeenschap kan
worden voorzien.
1.3. Het stemt tot voldoening dat het voorstel aan-
sluit bij de strekking en de prioriteiten van het
kaderprogramma voor wetenschappelijke en techni-
sche werkzaamheden van de Gemeenschap (1984-
(') PBnr. C 218 van 13. 8. 1983, blz. 4.
1987), dat met algemene stemmen door het Econo-
misch en Sociaal Comité werd goedgekeurd (2). Het
Comité is ook ingenomen met het feit dat het voor-
stel in overeenstemming is met de doelstellingen
van het kaderprogramma, in het bijzonder de verbe-
tering van het beheer van energiebronnen.
1.4. De in het financieringsplan van het voorstel
aangegeven totale bedragen (226 miljoen Ecu voor
alternatieve energie en 192 miljoen Ecu voor ratio-
neel energiegebruik) blijven onder de in het kader-
programma aangegeven budgetdoelstellingen van
310 miljoen Ecu, respectievelijk 520 miljoen Ecu, die
als noodzakelijk werden beschouwd om de noodza-
kelijke efficiëntiedrempel op communautair niveau
voor bevordering van het industriële concurrentie-
vermogen, de produktiviteit in de landbouw en
essentiële hulpverlening aan ontwikkelingslanden te
bereiken.
Het Comité stemt daarom met het voorstel in, maar
wil hierbij wel het volgende aantekenen:
2. Bijzondere opmerkingen
2.1. Volgens het Comité hadden in het voorstel een
kort historisch overzicht en een samenvatting van de
meest recente programma's moeten zijn opgenomen.
Terwijl drie van de deelprogramma's nieuw of vrij-
wel nieuw zijn, wordt aan de resterende, door de
Raad vastgestelde zeven deelprogramma's al ver-
scheidene jaren gewerkt. Daarom zou een korte
situatieschets naast de beoordeling van de Commis-
sie van de reeds bereikte resultaten ter ondersteu-
ning van de argumenten die zij voor voortzetting
van de werkzaamheden aanvoert, op zijn plaats zijn
geweest.
2.2. Met de voorgestelde verdubbeling van de voor
O & O op het gebied van niet-nucleaire energie uit
te trekken bedragen zouden de uitgaven op dit
gebied een significant deel op het totale research-
budget van de Gemeenschap gaan opeisen. Het is,
met name in het licht van de huidige begrotings-
moeilijkheden van de Gemeenschap, daarom van
het grootste belang, dat elk onderdeel van de deel-
programma's nauwkeurig wordt doorgelicht om
ervoor te zorgen dat alleen werkzaamheden worden
aangevat waar een redelijke kans van slagen bestaat
en de resultaten een gedegen bijdrage tot de verwe-
zenlijking van de energiedoelstellingen van de
Gemeenschap zullen leveren.
2.3. De prioriteit en de toewijzing van middelen
voor elk project binnen de deelprogramma's blijven
zaken die de Commissie dient te beoordelen. Het
Comité stelt vast dat de context en de omvang van
de deelprogramma's tijdens de uitvoeringsfase zorg-
vuldig en permanent zullen worden geëvalueerd.
O PB nr. C 211 van 8. 8. 1983, blz. 28.
19. 12. 83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/29
2.4. Het besluit tot stopzetting van de werkzaam-
heden aan een bepaald researchproject valt dikwijls
niet mee. Het Comité vindt het daarom bemoedi-
gend dat de Commissie besloten heeft, de werk-
zaamheden inzake de produktie en het gebruik van
waterstof af te breken nu zij met voldoening kan
vaststellen dat op dit lange-termijngebied vol-
doende inzicht is vergaard.
2.5. Het Comité beseft de belangrijke rol die in het
voorstel aan fotovoltaïsche elektriciteitsproduktie
wordt toegewezen, de belangrijke kansen voor com-
merciële haalbaarheid en de potentiële mogelijkhe-
den voor industriële vervaardiging van installaties
voor de omzetting van zonne-energie; daarom vindt
het Comité dat nog een groter deel van de middelen
van het deelprogramma voor zonne-energie voor
fotovoltaïsche omzetting had kunnen worden uitge-
trokken.
2.6. Het Comité stelt vast dat er volgens de Com-
missie geen sprake is van overlapping tussen het
deelprogramma voor biomassa en het onderzoeks-
programma voor de landbouw. Het deelprogramma
is gericht op het gebruik van biomassa, niet op de
produktie hiervan.
2.7. Het Comité vraagt zich af of het wel verstan-
dig is nog verder te gaan met geavanceerde windtur-
bines met een vermogen van een aantal megawatt,
omdat elders het succes van deze machines mini-
maal is gebleken. Het zou beter zijn, meer subsidie
te geven voor verbetering van kleine en middelgrote
machines waarmee in Europa al goede resultaten
zijn bereikt.
2.8. Het Comité meent dat een speciale inspan-
ning moet worden gedaan voor het opleiden van
technici op het gebied van aardwarmte.
2.9. Het Comité stelt helaas vast dat golfenergie in
de deelprogramma's ontbreekt. Op dit gebied van
energieproduktie dient de Commissie de rol van de
Gemeenschap met betrekking tot ontwikkeling op
middellange en lange termijn zorgvuldig te overwe-
gen, omdat het veelbelovend is ondanks het feit dat
de grote investeringskosten in de beginjaren de ont-
wikkeling in de weg kunnen staan. Het Comité
beveelt de Commissie aan, een deelprogramma voor
Gedaan te Brussel, 28 september 1983.
golfenergie nog eens in overweging te nemen wan-
neer het actieprogramma voor research in de tweede
helft van 1985 moet worden herijkt.
2.10. Het Comité herhaalt het standpunt dat het in
zijn advies over de rol van steenkool (mei 1982) (')
heeft ingenomen, nl. dat ongetwijfeld behoefte
bestaat aan verder onderzoek betreffende de funda-
mentele beginselen en processen bij de vloeibaar-
making en vergassing van vaste brandstoffen. Daar-
bij heeft het er ook op gewezen dat de vooruitzich-
ten voor een rendabele omzetting van vaste in
vloeibare en gasvormige brandstoffen zeer onzeker
blijven.
2.11. Het Comité stelt vast dat het feit dat wette-
lijke, sociale en milieufactoren het doordringen van
alternatieve energievormen op de markt in de weg
kunnen staan, in het kaderprogramma duidelijk
wordt onderkend. In het onderhavige voorstel komt
dit inzicht niet tot uiting. Het Comité benadrukt in
overeenstemming met eerdere adviezen over derge-
lijke onderwerpen dat moet worden gelet op de
sociaal-culturele omgeving waarin nieuwe technolo-
gieën worden ingevoerd, om te bereiken dat nieuwe
technieken volledig ingang vinden.
2.12. Het Comité adviseert de Commissie, bij de
uitvoering van de deelprogramma's eveneens goed
te letten op plaatselijke bijzonderheden wat de ont-
wikkeling van de verschillende technologieën
betreft en de ontwikkeling van de nodige plaatse-
lijke infrastructuurherzieningen te bevorderen, zodat
plaatselijke energiebronnen met name in de directe
omgeving kunnen worden gebruikt.
2.13. Het is enigszins te betwijfelen of één CGC
wel voor het beheer van het gehele programma zal
kunnen zorgen zoals de vroegere RCPB's zouden
hebben gedaan. Het zou wel eens kunnen zijn dat
sub-CGC's moeten worden ingesteld.
2.14. Het Comité neemt kennis van de voorstellen
van de Commissie voor verspreiding van informatie
over de resultaten van het programma. Het heeft bij-
zondere waardering voor het voorstel inzake onaf-
hankelijke evaluatie van de voortgang en de resulta-
ten van het programma.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Fran?ois CEYRAC
(') PB nr. C 205 van 9. 8. 1982, blz. 3.
Full & Egal Universal Law Academy