Nr. C 341/18 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12. 83
Advies inzake een ontwerp voor een verordening (EEG) van de Commissie betreffende de
toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klanten
serviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen
De tekst waarop de adviesaanvrage betrekking heeft is bekendgemaakt in het Publika-
tieblad van de Europese Gemeenschappen nr. C 165 van 24 juni 1983.
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN HET ADVIES
Overeenkomstig artikel 20, derde alinea, van zijn Reglement van Orde en in het kader
van het opstellen van het advies inzake het Elfde Verslag over het mededingingsbeleid
van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, heeft het Comité een vervolg-
advies over bovengenoemd onderwerp opgesteld.
B. ADVIES VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
Het Economisch en Sociaal Comité heeft beraadslaagd over zijn advies inzake voor-
noemd onderwerp tijdens zijn op 28 en 29 september 1983 te Brussel gehouden 210e
zitting.
Dit advies luidt als volgt:
HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ,
Gezien artikel 20, derde alinea, van zijn Reglement
van Orde,
Gezien het besluit van zijn Bureau d. d. 27 oktober
1982, en in het kader van het opstellen van het
advies inzake het Elfde Verslag over het mededin-
gingsbeleid, advies uit te brengen over het ontwerp
voor een verordening (EEG) van de Commissie
betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van
het Verdrag op groepen afzet- en klantenservice-
overeenkomsten inzake motorvoertuigen, de Afde-
ling voor industrie, handel, ambacht en dienstverle-
ning te belasten met het opstellen van een advies en
een rapport inzake deze materie,
Gezien het advies dat bovengenoemde Afdeling tij-
dens haar vergadering van 7 september 1983 heeft
opgesteld,
Gezien het rapport dat is opgesteld door de heer
Eelsen, rapporteur,
Gezien de beraadslagingen tijdens zijn 210e zitting
d. d. 28 en 29 september 1983 (vergadering van
28 september),
BRENGT VOLGEND ADVIES UIT,
dat met meerderheid van stemmen, 7 stemmen
tegen, bij 6 onthoudingen is goedgekeurd.
Het Comité stemt in met het voornemen van de
Commissie om voor de stelsels van verticale afzet in
de automobielsector vrijstelling te verlenen van het
algemene verbod in artikel 85, lid 1, van het EEG-
Verdrag overeenkomstig de in lid 3 van bedoeld arti-
kel en Verordening nr. 19/65/EEG vastgelegde
voorwaarden.
In dit verband dringt het Comité erop aan dat het
verordeningsvoorstel van de Commissie wordt her-
zien en duidelijker wordt geformuleerd, en dat daar-
bij met de volgende voorstellen en opmerkingen
rekening wordt gehouden.
1. Algemene opmerkingen
1.1. Het Comité constateert dat dank zij de stelsels
van verticale verkoop van auto's:
— een rationele afzet van de produkten van auto-
fabrikanten mogelijk is met inachtneming van
de fundamentele concurrentieregels;
— de dealers op optimale wijze de verplichtingen
kunnen nakomen die zij ten opzichte van hun
klanten hebben, en de mogelijkheid zouden
moeten hebben om te voldoen aan de finan-
ciële, economische en sociale verplichtingen die
zij in het kader van hun activiteiten aangaan;
— ertoe wordt bijgedragen dat de technische vei-
ligheid van het voertuigenpark op een hoog peil
blijft, doordat de klant gebruik kan maken van:
19. 12.83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/19
a) een servicenet;
b) personeel van de dealer dat met medewer-
king van de dealer en in samenwerking met
de autofabrikant is opgeleid en op gezette
tijden wordt bijgeschoold of zelfs wordt her-
schoold;
c) geëigend materieel en onderdelen zodat in
alle Lid-Staten van de Gemeenschap onder-
houdsbeurten en reparaties kunnen worden
verricht, ongeacht de Lid-Staat waarin de
auto is gekocht.
Naar het oordel van het Comité dient er evenwel
voor te worden gezorgd dat bij dit verkoopstelsel
alle punten van het door de Commissie uitgewerkte
concurrentiebeleid in acht worden genomen.
1.2. Het lijkt niet gewenst bij verordening een stan-
daardovereenkomst voor te schrijven voor de wijze
waarop de betrekkingen tussen autofabrikanten en
dealers zijn geregeld. Dit lijkt ook niet het voorne-
men van de Commissie te zijn. Daarom dienen vol-
gens het Comité in deze ontwerp-verordening uit-
sluitend enkele fundamentele beginselen inzake de
betrekkingen tussen fabrikant en dealer te worden
gedefinieerd en moet voldoende ruimte worden
geboden om gebruik te kunnen maken van de con-
tractuele vrijheid in het kader van een werkelijk
overleg.
Het Comité heeft trouwens reeds in een ander ver-
band (') zijn standpunt ten aanzien van deze mate-
rie bepaald en is van oordeel dat de Commissie
voorzichtigheid dient te betrachten bij het vaststel-
len van specifieke verordeningen voor bepaalde
bedrijfstakken.
1.3. Voorts merkt het Comité op dat de tekst van
de ontwerp-verordening, waarvan de vorm vergele-
ken met het voorontwerp voor een verordening een
aanmerkelijke verbetering inhoudt, nog kan worden
vereenvoudigd.
2. Bijzondere opmerkingen
2.1. In de onderhavige tekst wordt van twee over-
wegingen uitgegaan, nl. dat:
— de verkoopnetten (dealers) ten opzichte van de
autofabrikanten in een enigszins zwakke positie
verkeren en misbruik ten opzichte van deze dea-
lers mogelijk is;
— het afzetstelsel tot compartimentering van de
verschillende markten binnen de Gemeenschap
zou kunnen leiden.
(') Advies inzake het Tiende Verslag over het mededin-
gingsbeleid (PB nr. C 112 van 3. 5. 1982).
Deze overwegingen zijn niet altijd in overeenstem-
ming met de praktijk en houden in dat de intensiteit
van de concurrentie in de Gemeenschap tussen de
verschillende automerken wordt onderschat, met
name bij modellenassortimenten die bij de consu-
ment het meest in trek zijn. Niettemin moet worden
gezorgd voor een evenwichtige verhouding tussen
wederzijdse rechten en plichten van de partijen in
het belang van de concurrentie en van de consu-
ment.
2.2. Artikel 3, punt 9, sub b), van het ontwerp voor
een verordening mag niet leiden tot toelating van
niet-erkende wederverkopers, aangezien anders hier-
door feitelijk het grondbeginsel van de alleenver-
koop wordt ondermijnd.
2.3. Naar het oordeel van het Comité dient de
Commissie de markt voor auto-onderdelen diep-
gaander te bestuderen, om niet vooruit te lopen op
de vraag of de bepalingen aangaande de onderdelen
in overeenstemming zijn met de in artikel 85, lid 3,
van het Verdrag genoemde voorwaarden. Voorals-
nog heeft het Comité bezwaar tegen het in de veror-
dening insluiten van de levering van onderdelen.
Het Comité stelt zich op het standpunt dat bescher-
ming van de belangen van de consument, met name
op het gebied van beschikbaarheid, prijs, kwaliteit
en waarborg van deze onderdelen absoluut noodza-
kelijk is.
2.4. In artikel 5, lid 6, is bepaald dat de autofabri-
kant verplicht is, elke dealer in de Gemeenschap
zijn volledig assortiment modellen te leveren. Deze
verplichting is in de praktijk onmogelijk na te leven;
hiermee wordt in de regel voorbijgegaan aan de eco-
nomische en commerciële realiteit omdat, afgezien
van de uiteenlopende structuur van de vraag in de
verschillende Lid-Staten, de Gemeenschap er tot
dusver niet in is geslaagd alle verschillen op het
gebied van techniek en belastingen tussen de Lid-
Staten weg te werken. Niettemin moeten de consu-
menten overal in de Gemeenschap een auto kunnen
bestellen die voldoet aan de voorschriften die van
kracht zijn in het land waar het voertuig wordt gere-
gistreerd op voorwaarde dat dit voertuig in het des-
betreffende land wordt verkocht.
2.5. Met betrekking tot artikel 7, dat neerkomt op
schorsing van de alleenverkoopclausule ingeval de
prijsverschillen (excl. belasting) tussen twee markten
in de Gemeenschap gedurende een periode van
meer dan een half jaar meer dan 12 % bedragen,
constateert het Comité dat:
— er inderdaad aanzienlijke prijsverschillen zijn
die qua tijdstip en plaats in de Gemeenschap
variëren, hetgeen te betreuren is;
— dat deze situatie in belangrijke mate te wijten is
aan de nog niet voltooide integratie van de
Nr. C 341/20 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19.12.83
Gemeenschap, in het bijzonder op fiscaal en
monetair gebied, en aan de in sommige Lid-Sta-
ten van kracht zijnde prijsbewaking, hetgeen de
Commissie trouwens erkent, aangezien in het
ontwerp voor een verordening is bepaald dat
niet tot vergelijkingen van prijzen wordt overge-
gaan in Lid-Staten waarin het toezicht op de
prijsvorming of de belastingen op motorvoertui-
gen bijzonder stringent, respectievelijk hoog
zijn;
consumenten zich in elk geval tot de dealers van
hun keuze kunnen wenden;
vermelding in het ontwerp voor een verordening
van het maximaal toegestane prijsverschil in de
eerste plaats beschouwd moet worden als een te
realiseren taakstelling, zonder automatisch hier-
aan verbonden juridische consequenties. Naar-
mate de integratie van de Gemeenschap verder
zal zijn gevorderd, zal dit doel des te makkelij-
ker kunnen worden verwezenlijkt.
Gedaan te Brussel, 28 september 1983.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Francois CEYRAC
BIJLAGE
bij het advies van het Economisch en Sociaal Comité
Verworpen wijzigingsvoorstel
Onderstaand wijzigingsvoorstel dat is opgesteld op basis van het advies van de Afdeling en over-
eenkomstig de bepalingen van het Reglement van Orde is ingediend, is tijdens de discussie ver-
worpen :
Paragraaf 2.5
De als volgt luidende tekst na het laatste gedachtenstreepje te schrappen:
„— vermelding in het ontwerp voor een verordening van het maximaal toegestane prijsver-
schil in de eerste plaats beschouwd moet worden als een te realiseren taakstelling, zon-
der automatisch hieraan verbonden juridische consequenties. Naarmate de integratie
van de Gemeenschap verder zal zijn gevorderd, zal dit doel des te makkelijker kunnen
worden verwezenlijkt.".
Toelichting
Het aangeven van een doelstelling zonder dat dit juridische consequenties heeft, houdt slechts in
dat hierdoor de ontevredenheid van de consument in het Verenigd Koninkrijk over de autofabri-
kanten alleen maar toeneemt. De automobielindustrie in het Verenigd Koninkrijk vraagt name-
lijk prijzen die wel 40 % hoger liggen dan in België, terwijl op geen enkele wijze is verhinderd dat
de automobielindustrie op de markt van het Verenigd Koninkrijk aanmerkelijk hogere prijzen
verlangde dan in andere landen. Dit heeft niets met integratie van de Gemeenschap te maken, er
worden niet dezelfde klachten tegen andere sectoren geuit, en de automobielindustrie ondervindt
nauwelijks gevolgen van het gebrek aan integratie; door dit gebrek aan integratie en het recht van
alleenverkoop krijgt de automobielindustrie de gelegenheid hogere prijzen te verlangen, welke
gelegenheid andere sectoren niet hebben.
Uitslag stemming
Vóór: 26; tegen: 64; onthoudingen: 17.
Full & Egal Universal Law Academy