Nr. C 341/30 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12. 83
Advies inzake het Twaalfde Verslag over het mededingingsbeleid van de Commissie van
de Europese Gemeenschappen
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN HET ADVIES
Op 11 mei 1983 heeft de Commissie besloten het Economisch en Sociaal Comité over-
eenkomstig de bepalingen van artikel 198 van het Verdrag tot oprichting van de Euro-
pese Economische Gemeenschap over bovengenoemd verslag te raadplegen.
B. ADVIES VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
Het Economisch en Sociaal Comité heeft beraadslaagd over zijn advies inzake voor-
noemd onderwerp tijdens zijn op 28 en 29 september 1983 te Brussel gehouden 210e
zitting.
Dit advies luidt als volgt:
HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap, met name artikel 198,
Gezien de adviesaanvrage van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen d. d. 11 mei 1983 betref-
fende het Twaalfde Verslag over het mededingings-
beleid,
Gezien het besluit van zijn voorzitter van 8 juni
1983 de Afdeling voor industrie, handel, ambacht en
dienstverlening met het opstellen van een advies
betreffende het Twaalfde Verslag over het mededin-
gingsbeleid te belasten,
Gezien het advies dat voornoemde Afdeling op
7 september 1983 heeft opgesteld,
Gezien zijn initiatiefadvies inzake het „Mededin-
gingsbeleid van de Gemeenschap tegen de achter-
grond van de sociaal-economische situatie van het
ogenblik" van 30 april 1981 ('),
Gezien zijn adviezen inzake het Tiende en het Elfde
Verslag over het mededingingsbeleid van 24 februari
1982 (2) en van 28 oktober 1982 (3),
Gezien het mondelinge verslag van de heer Mour-
gues, rapporteur,
Gezien de beraadslagingen tijdens zijn 210e zitting
van 28 en 29 september 1983 (vergadering van
29 september),
(•) PB nr. C 322 van 10. 12. 1981, blz. 3.
(2) PB nr. C 112 van 3. 5,1982, blz. 23.
(3) PB nr. C 326 van 13. 12. 1982, blz. 6.
BRENGT VOLGEND ADVIES UIT,
dat met algemene stemmen (twee onthoudingen) is
goedgekeurd.
1.1. Het Comité wenst in de eerste plaats te onder-
strepen dat het Twaalfde Verslag over het mededin-
gingsbeleid een bewijs is van de waakzaamheid van
de Commissie wat de toepassing van het derde deel,
hoofdstuk 1, titel I, van het Verdrag van Rome
betreft. Evenals de Commissie legt het Comité er de
nadruk op dat het in een economisch gezien moei-
lijke periode meer dan ooit noodzakelijk is voor het
behoud van mechanismen te zorgen die een onver-
valste concurrentie waarborgen; het constateert ove-
rigens dat de sectoren die het meest openstaan voor
concurrentie ook het best zijn opgewassen tegen de
huidige economische moeilijkheden.
1.2. Het bestaan van onvervalste concurrentie, die
het concurrentievermogen van de ondernemingen
stimuleert, vormt een fundamenteel beginsel van de
markteconomie, en de Commissie dient er in het
kader van het Verdrag op toe te zien dat dit wordt
toegepast; de jurisprudentie van het Hof van Justi-
tie, die wordt doorgegeven door de rechtbanken in
de Lid-Staten, geeft bij elke uitspraak op dit gebied
blijk van eerbiediging van de communautaire wetge-
ving.
1.3. Daar, zoals in het verslag wordt gesteld, de
versterking van de gemeenschappelijke markt nog
door allerlei hinderpalen (nog afgezien van het
uiteenlopende economische beleid van de verschil-
lende Lid-Staten) wordt vertraagd, is het noodzake-
lijk dat de concurrentiemechanismen doeltreffend
functioneren, hoewel ook weer niet zodanig dat zij
de problemen rond de prijsvorming kunnen oplos-
19. 12.83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/31
sen die door de belastingpolitiek, het monetair
beleid, het sociaal beleid, enzovoort van de Lid-Sta-
ten ontstaan daar waar nog geen communautaire
harmonisatie tot stand is gebracht.
1.4. Er dient daarom gestreefd te worden naar har-
monie tussen versterking van de concurrentie en
versterking van de gemeenschappelijke markt, als-
mede naar verbetering van de economische struc-
tuur.
Het Comité vestigt in het bijzonder de aandacht van
de Commissie op het nauwe verband tussen de ten-
uitvoerlegging van het mededingingsbeleid en de zo
noodzakelijke ontwikkeling van de Europese indus-
triële capaciteit. De opening van de Europese
markt vereist dat een industrie wordt gestimuleerd
die aan deze concurrentie het hoofd kan bieden en
haar plaats op de wereldmarkt kan handhaven. Ver-
sterking van de industriële samenwerking tussen
Europese ondernemingen dient derhalve te worden
gestimuleerd door reglementering van de mededin-
ging, waarvoor de criteria bijgevolg dienen te wor-
den versoepeld en verruimd.
De aanpassing van de industriële structuren in de
Gemeenschap vereist dat de artikelen 85 en 86 van
het Verdrag van Rome zodanig worden geïnterpre-
teerd dat rekening wordt gehouden met de huidige
economische situatie en met de noodzaak om in het
kader van het communautaire mededingingsbeleid
in te spelen op de nieuwe concurrentieverhoudingen
in de wereld.
1.5. Een flexibel en gecoördineerd mededingings-
beleid, ondersteund door richtsnoeren en aanwijzin-
gen zoals het Comité duidelijk heeft gesteld in zijn
initiatiefadvies van april 1981 en in zijn advies over
het Elfde Verslag (oktober 1982) — waarin het
Comité in paragraaf 2.5 de Commissie ertoe aan-
spoorde haar standpunt niet alleen in de jaarversla-
gen mede te delen, maar zich ook met kortere tus-
senpozen uit te spreken, met name via de in onbruik
geraakte maar opnieuw in te voeren gewoonte om
mededelingen over bepaalde onderwerpen op te
stellen —, vormt een veel doeltreffender en even-
wichtiger instrument dan een eenvoudig systeem
van „verboden en afwijkingen", dat star of eenzijdig
is, aangezien het betrekking heeft op speciale geval-
len die slechts eenmaal voorkomen.
1.6. Hoewel het verslag geen diepgaande analyse
kan bevatten van de interdependentie van het mede-
dingingsbeleid en het nationale of communautaire
beleid op andere gebieden, dient te worden aange-
drongen op hun coördinatie en harmonisering in
een samenhangend en met het communautaire han-
delsbeleid overeenstemmend kader. (In dit verband
zij verwezen naar het economische, sociale en
monetaire beleid tegen de achtergrond van de dra-
matische groei van het werkloosheidscijfer, vooral
waar het de jongeren betreft.)
De procedurele regels
2.1. Het Comité neemt met voldoening kennis van
het feit dat de Commissie haar werkzaamheden met
betrekking tot de administratieve procedure voortzet
en begroet de verhoging van de waarde van de toe-
gepaste instrumenten (administratieve brieven, idem
met bekendmaking, informatieve nota raadadvi-
seur-auditeur). De resultaten van deze maatregelen
zullen samenvattend worden opgenomen in het der-
tiende verslag. In het desbetreffende advies van het
Comité zal op de intussen opgedane ervaring wor-
den ingegaan.
2.2. Het spreekt vanzelf dat op procedureel gebied
moet worden gestreefd naar initiatieven die gericht
zijn op een — de concurrentie overigens bevorde-
rende — bespoediging der procedures en op vereen-
voudiging ervan, en dergelijke initiatieven moeten
worden aangemoedigd.
2.3. In dit verband lijkt het wenselijk:
— de aanklagers (benadeelde ondernemingen
en/of importeurs, consumentenverenigingen,
vakverenigingen) aan te bevelen zich tot de
overheidsdiensten en/of de rechterlijke macht
van de Lid-Staten te wenden;
— de Commissie, het Hof van Justitie en de natio-
nale rechtbanken om voorrang te verzoeken
voor dossiers en kwesties die in moeilijkheden
verkerende sectoren betreffen.
2.4. Wanneer het daarentegen gaat om de bepalin-
gen van lid 3 van artikel 85 en om overheidsbedrij-
ven en particuliere ondernemingen die steun van de
nationale, regionale of plaatselijke overheden en
van publiekrechtelijke rechtspersonen krijgen,
behoort het tot de taak van de Commissie doorzich-
tigheid van de genomen maatregelen te eisen en
zich overeenkomstig op te stellen.
2.5. In het algemeen spreekt het Comité de wens
uit dat de Commissie in haar jaarverslag over het
mededingingsbeleid eveneens verslag uitbrengt van
de besluiten met betrekking tot de toepassing van
het communautaire mededingingsrecht door de
nationale rechtbanken. Ook acht het Comité het
wenselijk dat de Commissie bovendien bijdraagt tot
een betere kennis van de juridische instanties die op
nationaal niveau voor particulieren (ondernemin-
gen, werknemers, consumenten, enz.) toegankelijk
zijn wanneer er sprake is van schending van het
communautaire concurrentierecht. Indien noodza-
kelijk zou de Commissie voorstellen kunnen doen
met betrekking tot de daadwerkelijke en geharmoni-
seerde toepassing van het communautaire concur-
rentierecht door de nationale rechtbanken in alle
Lid-Staten.
Nr. C 341/32 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12. 83
Nationaal en regionaal beleid — overheidssteun
3.1. De nationale wetgevingen nemen voor een
groot deel de doelstellingen van de communautaire
activiteiten over wat het toezicht op de concurrentie
op de regionale en nationale markten betreft.
3.2. De wetsteksten en bestuursrechtelijke voor-
schriften dienen de geest van de communautaire
bepalingen trouw te zijn en steeds aan een nauw-
keurig en kritisch onderzoek door de Commissie te
worden onderworpen. Er zij in dit verband aan her-
innerd dat het Hof van Justitie in verschillende
arresten de rechtstreekse toepasbaarheid van de in
artikel 92 vastgelegde verbodsbepalingen in het
nationale recht heeft vastgesteld, zodat de voorrang
van het communautair recht op het nationaal recht
nu wel definitief vaststaat.
3.3. De toegekende overheidssteun, die aanvanke-
lijk werd gerechtvaardigd door ernstige conjunctu-
rele crisissituaties, neemt zowel qua omvang als qua
aantal subsidies of gesubsidieerde leningen sterk
toe. Het Comité uit zijn bezorgdheid over deze toe-
name, aangezien is vastgesteld dat conjuncturele
steunmaatregelen maar al te vaak omslaan in steun
ten behoeve van de structuur en gedurende een
lange periode worden toegekend, waardoor bij de
ondernemingen een subsidiementaliteit ontstaat.
Onder deze omstandigheden is het Comité van
mening dat de Commissie een nog doeltreffender
mededingingsbeleid kan voeren wanneer de toe-
stemming voor of het verbod van overheidssteun
gericht zijn op verbetering van het communautaire
concurrentievermogen in zijn geheel, en op de ver-
sterking van de innovatiekracht en de onderzoeks-
mogelijkheden van de Europese ondernemingen,
waarbij op een realistische manier rekening dient te
worden gehouden met evoluties in de internationale
arbeidsverdeling. Wat dit betreft is het noodzakelijk:
— zich te verzetten tegen elke wedloop op het
gebied van toekenning van overheidssteun;
— deze steun te verbieden indien hij een zelfde
effect sorteert als protectionistische maatregelen
en de economische problemen slechts van de
éne Lid-Staat naar de andere worden verscho-
ven;
— gunstig te reageren op steunmaatregelen ten
behoeve van de ontwikkeling van basisonder-
zoek en toegepast onderzoek indien zij techni-
sche herstructureringen of het creëren van
nieuwe produkten bevorderen of van invloed
zijn op een gunstige ontwikkeling van de export
naar landen buiten de Gemeenschap.
3.4. Een vergelijkende analyse van de steunmaat-
regelen zou gemakkelijker tot stand komen indien
de Commissie een studie zou maken van een even-
tueel communautaire code van door de landelijke,
regionale en plaatselijke overheden toegekende
steun, die wat de criteria en de evaluatie betreft ver-
gelijkbaar is.
De lopende activiteiten
4.1. De gebruikmaking van octrooilicenties speelt
een niet te verwaarlozen rol in de concurrentie. Het
Comité neemt akte van de op handen zijnde indie-
ning van een voorstel voor een verordening over dit
onderwerp. De sector farmaceutische produkten zou
bij voorbeeld vanuit dit oogpunt kunnen worden
geanalyseerd.
4.2. De aanhoudende structurele crises in bepaalde
industriesectoren — met name die welke een oligo-
poliepositie bezitten — onderstrepen de dringende
noodzaak van doelgerichte voorschriften en contro-
lebepalingen. Wat dit betreft betreurt het Comité dat
er aan zijn advies tot nu toe geen gehoor is gegeven
(zie het advies betreffende „De controle op concen-
traties", PB nr. C 252 van 27. 9. 1982).
4.3. Ten slotte dient eraan te worden herinnerd dat
de doeltreffendheid van het mededingingsbeleid
zou worden vergroot door de vaststelling van een
statuut voor een Europese Naamloze Vennootschap
en voor de Europese Groepering tot Samenwerking,
die in staat zou zijn op Europees niveau bij te dra-
gen tot de gewenste samenwerking van de kleine en
middelgrote ondernemingen, met inbegrip van de
ondernemingen die volgens het coöperatiemodel
werken.
De ontwikkeling van concentraties, van de mededin-
ging en van het concurrentievermogen
5.1. Het Comité stelt met voldoening vast dat de
Commissie een nieuwe methode toepast bij haar
analyses: de sectoren worden niet meer per afzon-
derlijke Lid-Staat behandeld, maar globaal in alle
Lid-Staten samen bestudeerd. Deze nieuwe methode
dient ondanks de nog uit de weg te ruimen moeilijk-
heden krachtig te worden aangemoedigd, indien
nodig door inschakeling van op dit gebied gespecia-
liseerde instituten en van universiteiten.
5.2. In dit verband wijst het Comité erop dat zo
betrouwbaar mogelijke statistische gegevens dienen
te worden bijeengebracht waarmee onder toepassing
van strikt wetenschappelijke methoden vergelijkin-
gen op communautair niveau kunnen worden opge-
steld.
5.3. De bestudeerde sectoren moeten in hun geheel
worden behandeld, waarbij zij opgemerkt dat pro-
duktie en dienstverlening in deze sectoren vandaag
de dag ongeveer gelijk is verdeeld.
19. 12. 83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/33
5.4. Wat het onderzoek aangaande het door de
ondernemingen gevoerde prijsbeleid betreft is het
betreurenswaardig dat dit alleen heeft plaatsgevon-
den op het gebied van boeken en automobielen. Dit
onderzoek is onontbeerlijk en zou in de toekomst
allereerst moeten plaatsvinden op het gebied van
verzekeringen, farmaceutische produkten, banken
— met name leningen aan ondernemingen (rente-
voet en selectiecriteria) —, energie en bouwmateria-
len.
Het economisch kader van het Mededingingsbeleid
6.1. Door de vermindering van de percentages van
het gemeenschappelijk buitentarief is het belang van
de douanerechten afgenomen en staat de Gemeen-
schap open voor internationale concurrentie. Onder-
zoek buiten de EEG heeft uitgewezen dat bepaalde
overheidssteun van de Lid-Staten gelijk kan worden
gesteld met dumpingacties, te meer daar de noodza-
kelijke doorzichtigheid ervoor zorgt dat dergelijke
steunmaatregelen in derde landen bekend zijn.
6.2. De Gemeenschap heeft dus enerzijds te
maken met concurrentie van landen met een hoge
graad van technologische ontwikkeling (Verenigde
Staten, Japan) op het gebied van nieuwe industrie-
produkten, en anderzijds met de mededinging van
ontwikkelingslanden wat arbeidsintensieve indus-
trieprodukten betreft (textiel, schoenen).
nationale concurrentie het hoofd te bieden schijnt
het raadzaam het volgende aan te bevelen:
— een gemeenschappelijk industriebeleid, of
indien dit niet te verwezenlijken is, een commu-
nautaire strategie die aangepast is aan de ont-
wikkeling van de internationale arbeidsverde-
ling;
— selectie van sectoren die de communautaire
export zouden kunnen bevorderen en toeken-
ning van een groot deel van de financiële steun
aan deze sectoren;
— eventueel beroep op de in het Verdrag van
Rome bedoelde vrijwaringsmaatregelen indien
dit in het belang is van het communautaire han-
delsbeleid, waarbij rekening dient te worden
gehouden met sectoren die de concurrentie op
wereldniveau aankunnen, met nieuwe technolo-
gieën en met beschikbare financiële middelen;
in het bijzonder dient zo spoedig mogelijk te
worden ingestemd met het nieuwe, eindelijk
door de Commissie voorgestelde instrument ter
verdediging tegen de oneerlijke handelspraktij-
ken van de derde landen, en dient dit op een
consequente en vastberaden wijze te worden
ingezet. In bedoelde praktijken komt dikwijls
een eenzijdig ingevoerd protectionisme tot
uiting, dat in strijd is met en een schending
betekent van de communautaire en internatio-
nale overeenkomsten.
6.3. De eerste twee decennia van het bestaan van
de EEG werden gekenmerkt door liberalisme op het
industriële vlak en „planning" in de landbouw
(GLB). De ontwikkeling van de economische situa-
tie sedert enkele jaren wijzigt deze uitgangspunten,
en om de Gemeenschap in staat te stellen de inter-
6.4. Voorts zou de concrete toepassing door de
Lid-Staten van de onlangs door de Raad goedge-
keurde richtlijn op het gebied van technische nor-
men en voorschriften een belangrijke bijdrage leve-
ren tot het reguleren van de concurrentie binnen de
Gemeenschap.
Gedaan te Brussel, 29 september 1983.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Francs CEYRAC
Advies inzake een voorstel voor een besluit van de Raad tot goedkeuring van het eerste
Europese strategische programma voor onderzoek en ontwikkeling op het gebied van de
informatietechnologie (ESPRIT)
De tekst waarop de adviesaanvrage betrekking heeft is nog niet bekendgemaakt in het
Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN HET ADVIES
Op 17 juni 1983 heeft de Raad besloten het Economisch en Sociaal Comité overeen-
komstig de bepalingen van artikel 198 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap over bovengenoemd voorstel te raadplegen.
Full & Egal Universal Law Academy