19.12.83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/25
Advies inzake een voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van de tweede
fase (januari 1984-maart 1986) van het meerjarenprogramma van de Europese
Economische Gemeenschap voor onderzoek en opleiding op het gebied van de
biomoleculaire engineering
De tekst waarop de adviesaanvrage betrekking heeft is bekendgemaakt in het Publika-
tieblad van de Europese Gemeenschappen nr. C 180 van 7 juli 1983, blz. 10.
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN HET ADVIES
Op 29 juni 1983 heeft de Raad besloten het Economisch en Sociaal Comité overeen-
komstig de bepalingen van artikel 198 van het Verdrag tot oprichting van de'Europese
Economische Gemeenschap over bovengenoemd voorstel te raadplegen.
B. ADVIES VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
Het Economisch en Sociaal Comité heeft beraadslaagd over zijn advies inzake voor-
noemd onderwerp tijdens zijn op 28 en 29 september 1983 te Brussel gehouden 210e
zitting.
Dit advies luidt als volgt:
HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap, in het bijzonder arti-
kel 198,
Gezien de op 29 juni 1983 gedateerde adviesaan-
vrage van de Raad van de Europese Gemeenschap-
pen inzake het voorstel voor een besluit van de
Raad tot vaststelling van de tweede fase (januari
1984 — maart 1986) van het meerjarenprogramma van
de Europese Economische Gemeenschap voor
onderzoek en opleiding op het gebied van de bio-
moleculaire engineering ('),
Gezien het op 28 september 1983 door hem geno-
men besluit, de heer Low als algemeen rapporteur
aan te wijzen,
Gezien het mondelinge verslag van de heer Low,
Gezien de beraadslagingen tijdens de op 28 en
29 september 1983 gehouden 210e zitting (vergade-
ring van 28 september),
BRENGT VOLGEND ADVIES UIT,
dat met algemene stemmen werd goedgekeurd.
1. Het Economisch en Sociaal Comité stemt in
met dit voorstel voor een meerjarenprogramma voor
(') PB nr. C 180 van 7. 7. 1983, blz. 10.
onderzoek op het gebied van biomoleculaire engi-
neering (januari 1984 — maart 1986) dat de tweede
fase vormt van een in december 1981 door de Raad
vastgesteld programma dat in april 1982 van start is
gegaan. Dit programma heeft betrekking op zowel
onderzoek als opleiding. Het Comité stemt in met
het doel van het onderzoeksprogramma, nl. het
inschakelen van Europese wetenschapskringen en
de Europese industrie om gezamenlijk specifieke
„bottlenecks" met betrekking tot biotechnologische
ontwikkelingen uit de weg te ruimen ten einde de
grote technologische achterstand ten opzichte van
landen als de Verenigde Staten en Japan te kunnen
overbruggen. Het Comité beschouwt het onderdeel
„opleiding" als een uiterst belangrijke bijdrage om
wetenschapsmensen in staat te stellen, de noodzake-
lijke kennis voor multidisciplinair onderzoek te ver-
werven en de overdracht van informatie tussen
openbare en particuliere ondernemingen te bevorde-
ren.
Het Comité kan daarom met het voorstel instem-
men, waarbij het wel een aantal algemene en speci-
fieke kanttekeningen wil plaatsen.
2. Algemene opmerkingen
2.1. Het programma is beperkt tot de landbouw en
de agrovoedingsindustrie, behalve wat de oplei-
dingsactiviteiten betreft, die op het gehele gebied
van biomoleculaire engineering betrekking hebben.
Voor deze fase is een bedrag van slechts 7 miljoen
Ecu uitgetrokken. In de eerste fase van het pro-
gramma is de behoefte aan dit programma op over-
Nr. C 341/26 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19.12.83
tuigende wijze aangetoond. De tijd dié is verlopen
sinds de eerste fase van het programma van start
ging, en de omvang van de onderzoeksinspanning
(„kritische massa") waren volgens de Commissie
echter niet voldoende om in een van de onderzoeks-
sectoren de gewenste resultaten te behalen. Gezien
de beperkte middelen die ter beschikking staan,
stemt het Comité daarom in met de aanpak van de
Commissie, die er de voorkeur aan geeft, de werk-
zaamheden inzake reeds gelanceerde projecten te
intensiveren boven het opzetten van activiteiten op
andere gebieden van biomoleculaire engineering.
2.2. Biomoleculaire engineering is één van de
gebieden waaraan de Gemeenschap in haar onder-
zoekstrategie hoge prioriteit dient te geven. Volgens
het Comité dienen de algemene onderzoeksuitgaven
te worden opgevoerd. Het betreurt dat de Gemeen-
schap op de begroting niet meer geld voor deze
gebieden ter beschikking stelt. Gezien de begrotings-
moeilijkheden van de Gemeenschap moet men zich
evenwel afvragen of niet meer middelen zouden
moeten worden uitgetrokken voor biomoleculaire
engineering door deze aan andere onderzoekspro-
gramma's te onttrekken. Volgens het besluit van de
Raad van december 1981 zijn er zes onderzoeksge-
bieden, waarvan enkele, voornamelijk als gevolg
van een gebrek aan middelen, onvoldoende aan-
dacht hebben gekregen. Mocht voor biomoleculaire
engineering meer geld ter beschikking komen, dan
dienen andere gebieden, zoals b.v. menselijke
geneeskunde, zo spoedig mogelijk in het programma
te worden opgenomen.
2.3. Het voorstel van de Commissie berust op prio-
riteiten die na het Raadsbesluit van december 1981
werden vastgesteld. Niettemin adviseert het Comité
een lijst van prioriteiten voor toekomstige pro-
gramma's op te stellen.
Momenteel wordt geen evaluatie van de resultaten
van het programma door onafhankelijke deskundi-
gen overwogen. Het Comité is van mening dat een
dergelijke evaluatie noodzakelijk is.
2.4. In de eerste fase van het programma was er
geen bepaling omtrent flexibiliteit (een fonds voor
onvoorziene omstandigheden) en dat is in het
onderhavige voorstel evenmin het geval. Alle door
het bedrijfsleven uitgevoerde researchprojecten ken-
nen een flexibiliteitsmarge, welke noodzakelijk is
om nieuwe, onverwachte ontdekkingen te kunnen
exploiteren. Het Comité vindt dat hiervoor ten min-
ste 5 % van het budget zou moeten worden gereser-
veerd.
2.5. Het Comité stemt in met de in het voorge-
stelde programma opgenomen bepalingen inzake
opleiding en vindt zelfs dat de voor opleiding uitge-
trokken middelen kunnen worden verhoogd. In het
bijzonder vestigt het de aandacht op het feit dat
opleiding een rol kan spelen bij de verbetering van
de uitwisseling van informatie tussen de Europese
researchcentra.
2.6. Het Comité stelt vast dat in het programma
slechts een beperkt aantal gezamenlijke activiteiten
is opgenomen hoewel er geen belangrijke reden
schijnt te zijn om een dergelijke aanpak af te wijzen.
Het gelooft dat de Gemeenschap op gebieden als
databanken of risicoanalyse met behulp van geza-
menlijke activiteiten onderzoek kan bundelen en
daardoor geld zou kunnen vrijmaken om meer werk
via gesubsidieerde programma's te financieren. Een
toeneming van de gezamenlijke activiteiten mag
niet leiden tot een vermindering van een toch al zeer
beperkt budget.
2.7. Het Comité stelt vast dat de in het programma
genoemde onderzoeksactiviteiten nogal op de mid-
dellange en de lange termijn zijn gericht. Het zou
echter de aandacht willen vestigen op de noodzaak
van bepaalde werkzaamheden op korte termijn om
het concurrentievermogen van de Europese indus-
trie te verbeteren. In dit verband zijn de werkzaam-
heden inzake vaccins en hormonen van enorme
betekenis doordat bepaalde concrete resultaten via
het programma kunnen worden bereikt.
2.8. Zoals hierboven al is opgemerkt, is het con-
crete doel van het programma op middellange en
lange termijn het leveren van een bijdrage tot het
algemeen onderzoek inzake biomoleculaire enginee-
ring en het overbruggen van de technologische ach-
terstand van de Gemeenschap ten opzichte van
andere landen als de Verenigde Staten en Japan.
Het Comité stelt vast dat de onderhavige voorstellen
geen duidelijke aanwijzingen geven over de vraag
hoe de bevindingen van het via dit programma uit te
voeren en door de Gemeenschap te financieren
onderzoek zullen worden geëxploiteerd. Het dringt
aan op een duidelijk beleid inzake octrooien en
licenties. Het Comité kan daarom alleen maar
instemmen met de mededeling van de Commissie
over bevordering van de toepassing van de resulta-
ten van door de Gemeenschap gesteund O & O,
waarover het Comité een afzonderlijk advies zal uit-
brengen. In dit stadium wil het slechts opmerken
dat een beleid inzake octrooien en licenties ten min-
ste de volgende vragen dient te beantwoorden:
— Zal een deel van de inkomsten uit dergelijke
patenten en licenties beschikbaar komen voor
financiering van verdere research op dit gebied?
— Moet niet worden nagegaan hoe kon worden
gezorgd voor een terugvloeien van de middelen
van de Gemeenschap door deelneming in de
commerciële exploitatie van de onderzoeksre-
sultaten?
— Hoe kan ervoor worden gezorgd dat het
bedrijfsleven in de EG meer profiteert van de
19. 12.83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/27
resultaten van het programma dan het bedrijfs-
leven buiten de EG?
Kan in de met universiteiten en researchinstel-
lingen te sluiten contracten een clausule worden
opgenomen om te zorgen voor een gedegen
spreiding van de onderzoeksbevindingen?
3. Bijzondere opmerkingen over de bijlage
Researchactiviteiten
Punt 1.1
Punt 1.3
Het Comité vindt dat dit punt in meer algemene
bewoordingen moet worden geformuleerd, omdat
de Gemeenschap hier een onderzoeksprogramma
financiert waarbij in het bijzonder eenvoudige agra-
rische produkten worden getransformeerd in suiker
en zetmeel, waarvan toch al een overschot in de
Gemeenschap bestaat, terwijl andere produkten als
oliën en vetten in hoogwaardiger vorm ontbreken en
moeten worden ingevoerd. Men dient hier daarom
een programma op te stellen waarbij ook andere
agrarische natuurprodukten in dergelijke hoogwaar-
diger produkten worden omgezet.
Het Comité stemt in met het voorstel om de tweede
generatie bioreactortechnologie tot de farmaceuti-
sche en de fijnchemische industrie uit te breiden.
Dit is het enige geval waarin het wetenschappelijke
terrein van de eerste fase van het programma wordt
uitgebreid. Het motief hiervoor is dat hier sprake is
van een aantal doorbraken en het bedrijfsleven
grote belangstelling heeft getoond. Deze uitbreiding
vormt daarom een logische ontwikkeling.
Punt 1.4
Het Comité stelt vast dat het tweede programma
overal de nadruk legt op landbouw. Het wijst op het
belang van biomoleculaire engineering voor de
industrie en voor de landbouw en zou daarom aan
het eind van de eerste zin de woorden „en de indus-
trie" willen toevoegen.
Gedaan te Brussel, 28 september 1983.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Francs CEYRAC
Advies inzake een voorstel voor een besluit van de Raad houdende vaststelling van een
programma voor onderzoek en ontwikkeling op het gebied van niet-nucleaire energie
(1983-1987)
De tekst waarop de adviesaanvrage betrekking heeft is bekendgemaakt in het Publika-
tieblad van de Europese Gemeenschappen nr. C 218 van 13 augustus 1983, blz. 4.
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN HET ADVIES
Op 6 juli 1983 heeft de Raad besloten het Economisch en Sociaal Comité overeen-
komstig de bepalingen van artikel 198 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap over bovengenoemd voorstel te raadplegen.
B. ADVIES VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
Het Economisch en Sociaal Comité heeft beraadslaagd over zijn advies inzake voor-
noemd onderwerp tijdens zijn op 28 en 29 september 1983 te Brussel gehouden 210e
zitting.
Dit advies luidt als volgt:
Full & Egal Universal Law Academy