Zaak T‑369/08
European Wire Rope Importers Association (EWRIA) e.a.
tegen
Europese Commissie
„Dumping – Invoer van ijzeren of stalen kabels uit China, India, Zuid-Afrika, Oekraïne en Rusland – Weigering om tot gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek van ingesteld antidumpingrecht over te gaan”
Samenvatting van het arrest
1. Beroep tot nietigverklaring – Handelingen waartegen beroep kan worden ingesteld – Begrip – Handelingen die bindende rechtsgevolgen sorteren – Brief van Commissie waarbij zij weigering meedeelt over te gaan tot gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek van antidumpingmaatregel
(Art. 230 EG; verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 11, leden 3 en 6)
2. Procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c)
3. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Procedure van gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek van antidumpingmaatregel
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 11, lid 3)
4. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Procedure van gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek van antidumpingmaatregel
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 11, lid 3, en 21, lid 1)
5. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Antwoord van Commissie op verzoeken om voorafgaand technisch advies dat geen beslissing vormt – Schending van beginsel van gewettigd vertrouwen – Geen
(Verordening nr. 384/96 van de Raad)
1. Om te bepalen of een brief van de Commissie die antwoordt op een verzoek om gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek krachtens artikel 11, lid 3, van verordening nr. 384/96 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, een beschikking vormt in de zin van artikel 230 EG, moet worden nagegaan of de Commissie, gelet op de inhoud van de handeling, de bedoeling van deze instelling en de context waarin de handeling tot stand is gekomen, met die handeling een definitief standpunt heeft ingenomen ten aanzien van het verzoek om een nieuw onderzoek.
Wanneer de brief waarbij de Commissie de verzoeker meedeelt dat de door hem verstrekte inlichtingen niet de conclusie kunnen wettigen dat een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek moet worden geopend, volgt op een brief van de verzoeker waarmee hij de Commissie meedeelt dat hij niet de bedoeling heeft het verzoek om een nieuw onderzoek aan te vullen, omdat dit verzoek voldoende bewijsmateriaal bevat, is duidelijk een beslissing over dit verzoek genomen.
In tegenstelling tot de situatie waarin de Commissie, na raadpleging van het raadgevend comité op grond van artikel 11, lid 6, van verordening nr. 384/96, besluit een tussentijds nieuw onderzoek in te stellen, vormt de weigering om bij gebrek aan voldoende bewijs een dergelijk nieuw onderzoek te openen namelijk geen voorafgaande of voorbereidende maatregel, aangezien zij niet wordt gevolgd door enige andere handeling waartegen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld.
Hierbij is het niet van belang dat de verzoeker de Commissie nog aanvullende informatie kan verstrekken die aanleiding zou kunnen zijn om haar standpunt te herzien. Het verstrekken van deze informatie staat los van het feit dat het eerste verzoek om een nieuw onderzoek reeds is afgewezen. De aard van deze beslissing kan voorts niet worden betwist op de enkele grond dat deze beoordeling door een dienst van de Commissie is gegeven, en niet door de Commissie zelf. Zij roept immers rechtsgevolgen in het leven die de belangen van de verzoeker kunnen aantasten, en vormt dus een handeling waartegen krachtens artikel 230 EG kan worden opgekomen.
(cf. punten 34‑38, 40, 42‑43)
2. Volgens artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet elk inleidend verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Deze uiteenzetting dient zo duidelijk en precies te zijn, dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen op het beroep, eventueel zonder bijkomende informatie. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de essentiële feitelijke en juridische gronden van het beroep – althans summier, maar coherent en begrijpelijk – uit het verzoekschrift zelf blijken.
Dienaangaande kan het verzoekschrift op specifieke punten worden gestaafd en aangevuld met verwijzingen naar bepaalde passages in bijgevoegde stukken, maar een algemene verwijzing naar andere schrifturen, ook al zijn die bij het verzoekschrift gevoegd, kan in dat verband geen alternatief zijn voor de vermelding van de essentiële bestanddelen van het juridische betoog in het verzoekschrift. Bovendien is het niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen op te sporen en te identificeren die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen, daar de bijlagen slechts een bewijs- en hulpfunctie hebben. Het verzoekschrift moet bijgevolg duidelijk aangeven, op welk middel het beroep precies is gebaseerd, zodat een loutere abstracte vermelding ervan niet aan de vereisten van het Reglement voor de procesvoering voldoet.
(cf. punten 48‑49)
3. De instellingen beschikken op het gebied van beschermende handelsmaatregelen over een ruime beoordelingsvrijheid wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken. Hetzelfde geldt voor de complexe technische beoordelingen van de instellingen van de Unie.
De Commissie beschikt derhalve over een ruime beoordelingsvrijheid bij de beslissing, in het kader van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 384/96 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, of handhaving van antidumpingmaatregelen noodzakelijk is en of een verzoek om een tussentijds nieuw onderzoek voldoende bewijsmateriaal bevat voor een dergelijk nieuw onderzoek.
Op dit gebied is het toezicht van de Unierechter op de beoordelingen van de instellingen er dus toe beperkt na te gaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid.
Wat een wijziging van omstandigheden betreft die kan rechtvaardigen dat een bepaald product van de definitie van het betrokken product wordt uitgesloten bij de beoordeling door de Commissie van een verzoek om een tussentijds nieuw onderzoek van een antidumpingrecht dat overeenkomstig artikel 11, lid 3, van verordening nr. 384/96 is ingevoerd, wordt in deze verordening niet gepreciseerd, hoe het product of het assortiment producten ten aanzien waarvan een dumpingonderzoek kan worden ingesteld, moet worden omschreven, en evenmin wordt daarin een scherpe indeling van het product vereist. Die beoordelingsbevoegdheid moet per geval worden uitgeoefend met inachtneming van alle relevante feiten. Wat de definitie van het betrokken product betreft, kunnen de instellingen rekening houden met verschillende factoren, zoals de fysische, technische en chemische kenmerken van de producten, het gebruik ervan, de onderlinge verwisselbaarheid, de perceptie ervan door de consument, de distributiekanalen, het fabricageprocedé, de productiekosten en de kwaliteit. De definitie van een betrokken product kan weliswaar overeenkomen met een classificatie zoals deze is opgenomen in een gemeenschappelijke norm, maar de definitie van het betrokken product waarop antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, kan hoe dan ook niet afhankelijk zijn van een dergelijke classificatie.
De bewering dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door een tussentijds nieuw onderzoek te weigeren, dient dan ook gebaseerd te zijn op argumenten die ertoe strekken aan te tonen dat de Commissie bij haar beoordeling van de opening van een nieuw onderzoek de haars inziens relevante factoren onjuist heeft beoordeeld of rekening had moeten houden met andere, meer relevante factoren die in het kader van het nieuwe onderzoek tot de uitsluiting van dit product van de definitie van het betrokken product hadden moeten leiden.
(cf. punten 77‑79, 81‑83, 87, 93)
4. Uit artikel 21, lid 1, tweede en derde zin, van verordening nr. 384/96 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap volgt dat de instellingen het recht hebben bepaalde antidumpingmaatregelen niet toe te passen, ook al is voldaan aan de andere voorwaarden voor het opleggen van een antidumpingrecht, zoals dumping, schade en causaal verband, wanneer zij van mening zijn dat toepassing van deze maatregelen niet in het belang van de Gemeenschap is. In het geval van een geleidelijke verdwijning van de communautaire productie van producten waarop antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, is de beoordeling van het belang van de Gemeenschap binnen het kader van een tussentijds nieuw onderzoek volgens artikel 11, lid 3, van de basisverordening een punt dat verband houdt met de vraag naar de noodzaak van handhaving van de betrokken antidumpingmaatregelen.
(cf. punt 107)
5. Het beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen strekt zich uit tot eenieder die zich in een situatie bevindt waaruit blijkt dat het bestuur van de Unie, door hem nauwkeurige, onvoorwaardelijke en concordante toezeggingen te hebben gedaan die van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstig zijn, gegronde verwachtingen bij hem heeft gewekt. Die toezeggingen moeten evenwel in overeenstemming zijn met de toepasselijke bepalingen en normen, aangezien toezeggingen die geen rekening houden met deze bepalingen, bij de betrokkene geen gewettigd vertrouwen kunnen wekken.
In het kader van de beoordeling door de Commissie van een verzoek om een tussentijds nieuw onderzoek van een antidumpingrecht krachtens verordening nr. 384/96 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap kan het antwoord van de Commissie op verzoeken om voorafgaand technisch advies geen nauwkeurige, onvoorwaardelijke en concordante toezeggingen vormen, dat er een tussentijds nieuw onderzoek zou worden geopend. Een dergelijk antwoord vormt geen formele of informele beslissing van haar, omdat de analyse van de zaak eerst kan plaatsvinden op basis van de argumentatie en het reële bewijs in een officieel ingediend verzoek, en dus in geen geval enig gewettigd vertrouwen kan hebben gewekt, dat er een tussentijds nieuw onderzoek zou worden geopend. Er zijn namelijk geen nauwkeurige, onvoorwaardelijke en concordante toezeggingen, dat er een tussentijds nieuw onderzoek zou worden geopend, wanneer de Commissie bepaalde gegevens meedeelde, duidelijk belangstelling toonde voor een herdefinitie van de omvang van de betrokken antidumpingmaatregelen of zij de argumenten van de verzoeker bij dergelijke contacten vooraf als veelbelovend had bestempeld.
(cf. punten 139, 141‑143)
ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
17 december 2010 (*)
„Dumping – Invoer van ijzeren of stalen kabels uit China, India, Zuid-Afrika, Oekraïne en Rusland – Weigering om tot gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek van ingesteld antidumpingrecht over te gaan”
In zaak T‑369/08,
European Wire Rope Importers Association (EWRIA), te Hemer (Duitsland),
Câbleries namuroises SA, te Namen (België),
Ropenhagen A/S, te Vallensbaek Strand (Denemarken),
ESH Eisen- und Stahlhandelsgesellschaft mbH, te Kaarst (Duitsland),
Heko Industrieerzeugnisse GmbH, te Hemer,
Interkabel Internationale Seil- und Kabel-Handels GmbH, te Solms (Duitsland),
Jose Casañ Colomar, SA, te Valencia (Spanje),
Denwire Ltd, te Dudley (Verenigd Koninkrijk),
vertegenwoordigd door T. Lieber, advocaat,
verzoeksters,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Clyne en H. van Vliet als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 4 juli 2008 houdende afwijzing van het verzoek van verzoeksters om een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek van de antidumpingmaatregelen die op de invoer van ijzeren of stalen kabels van toepassing zijn,
wijst
HET GERECHT (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: E. Martins Ribeiro (rapporteur), kamerpresident, S. Papasavvas en A. Dittrich, rechters,
griffier: K. Pocheć, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 maart 2010,
het navolgende
Arrest
Toepasselijke bepalingen
A – Antidumpingbasisverordening
1 De basisregeling inzake antidumping bestaat uit verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1; hierna: „basisverordening”) [vervangen door verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343, blz. 51, rectificatie in PB 2010, L 7, blz. 22)]. Artikel 1, leden 1, 2 en 4, van de basisverordening (thans artikel 1, leden 1, 2 en 4, van verordening nr. 1225/2009) bepaalt:
„1. Een antidumpingrecht kan worden toegepast op ieder product ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, wanneer het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen daarvan schade veroorzaakt.
2. Ten aanzien van een product wordt geacht dumping plaats te vinden indien de prijs van dit product bij uitvoer naar de Gemeenschap lager is dan een vergelijkbare prijs die in het kader van normale handelstransacties voor het soortgelijke product voor het land van uitvoer is vastgesteld.
[...]
4. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder ‚soortgelijk product’ verstaan een product dat identiek is, dat wil zeggen in ieder opzicht gelijk aan het betrokken product of, bij gebrek aan een dergelijk product, een ander product dat, hoewel het niet in ieder opzicht gelijk is, kenmerken bezit die grote overeenkomst vertonen met die van het betrokken product.”
2 Artikel 3, leden 1 en 2, van de basisverordening (thans artikel 3, leden 1 en 2, van verordening nr. 1225/2009) preciseert:
„1. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder ‚schade’, tenzij anders bepaald, verstaan aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de Gemeenschap, dreiging van aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de Gemeenschap of aanmerkelijke vertraging van de vestiging van een dergelijke bedrijfstak en wordt dit begrip overeenkomstig de bepalingen van dit artikel uitgelegd.
2. De vaststelling van schade is gebaseerd op positief bewijsmateriaal en houdt een objectief onderzoek in van a) de omvang van de invoer met dumping en de gevolgen daarvan voor de prijzen van soortgelijke producten in de Gemeenschap, en b) de gevolgen van deze invoer voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.”
3 Artikel 5, leden 7 en 9, van de basisverordening (thans artikel 5, leden 7 en 9, van verordening nr. 1225/2009) bepaalt:
„7. Bij het besluit om al dan niet een onderzoek te openen wordt het bewijsmateriaal ten aanzien van dumping en schade terzelfder tijd in overweging genomen. Een klacht wordt afgewezen wanneer er onvoldoende bewijs van dumping of schade is om voortzetting van de procedure te rechtvaardigen.
[...]
9. Wanneer na overleg blijkt dat er voldoende bewijsmateriaal is om de inleiding van een procedure te rechtvaardigen, gaat de Commissie binnen 45 dagen na indiening van de klacht daartoe over en maakt zij dit in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend. Wanneer onvoldoende bewijsmateriaal is ingediend, wordt de klager, na overleg, daarvan in kennis gesteld binnen 45 dagen na de datum waarop de klacht bij de Commissie is ingediend.”
4 Artikel 11, leden 2, 3, 5 en 6, van de basisverordening (thans artikel 11, leden 2, 3, 5 en 6, van verordening nr. 1225/2009) bepaalt:
„2. Een definitieve antidumpingmaatregel vervalt vijf jaar nadat hij is ingesteld of vijf jaar na de datum van beëindiging van het meest recente nieuwe onderzoek dat zowel op de dumping als op de schade betrekking heeft gehad, tenzij bij een nieuw onderzoek wordt vastgesteld, dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot een voortzetting of herhaling van dumping en schade zal leiden. [...]
3. De noodzaak tot handhaving van maatregelen kan eveneens worden onderzocht, [...] op voorwaarde dat sedert de instelling van de definitieve maatregel een redelijke termijn van ten minste één jaar is verstreken, op verzoek van een exporteur, een importeur of de producenten van de Gemeenschap, dat is gestaafd met voldoende bewijs van de noodzaak van een dergelijk tussentijds nieuw onderzoek.
Een tussentijds nieuw onderzoek wordt geopend wanneer het verzoek daartoe voldoende bewijs bevat dat handhaving van de maatregel niet langer noodzakelijk is om een einde te maken aan de dumping en/of dat het onwaarschijnlijk is dat de schade zal blijven bestaan of zich opnieuw zal voordoen indien de maatregel wordt ingetrokken of gewijzigd, dan wel dat de bestaande maatregel niet of niet langer toereikend is om de dumping en de daaruit voortvloeiende schade tegen te gaan.
Bij een overeenkomstig dit lid uitgevoerd onderzoek kan de Commissie onder meer nagaan, of de omstandigheden met betrekking tot dumping en schade ingrijpend zijn gewijzigd, dan wel of met de bestaande maatregelen het beoogde resultaat, namelijk het wegnemen van de eerder overeenkomstig artikel 3 vastgestelde schade, wordt bereikt. Dienaangaande wordt bij de definitieve vaststelling rekening gehouden met al het relevante, naar behoren gestaafde bewijsmateriaal.
[...]
5. De bepalingen van deze verordening betreffende procedures en onderzoeken, met uitzondering van die welke betrekking hebben op termijnen, zijn van toepassing op alle nieuwe onderzoeken uit hoofde van de leden 2, 3 en 4. Deze onderzoeken worden zo snel mogelijk uitgevoerd en dienen normaal binnen twaalf maanden na de opening ervan te zijn voltooid.
6. Nieuwe onderzoeken uit hoofde van dit artikel worden door de Commissie geopend na raadpleging van het raadgevend comité. Wanneer deze onderzoeken daartoe aanleiding geven, worden de maatregelen overeenkomstig lid 2 ingetrokken of gehandhaafd, dan wel overeenkomstig de leden 3 en 4 ingetrokken, gehandhaafd of gewijzigd door de Instelling van de Gemeenschap die ze heeft ingevoerd. [...]”
5 Artikel 21, lid 1, van de basisverordening (thans artikel 21, lid 1, van verordening nr. 1225/2009) bepaalt:
„De vaststelling, of het belang van de Gemeenschap ingrijpen noodzakelijk maakt, is gebaseerd op een beoordeling van alle onderscheiden belangen van alle betrokkenen, waaronder de binnenlandse producenten, de gebruikers en de consumenten. Een vaststelling op grond van dit artikel wordt slechts gedaan indien alle partijen de gelegenheid hebben gehad hun standpunt overeenkomstig lid 2 kenbaar te maken. Bij dit onderzoek wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de noodzaak de handel verstorende gevolgen van schade veroorzakende dumping weg te nemen en een daadwerkelijke mededinging te herstellen. Maatregelen die op basis van de geconstateerde dumping en schade zijn vastgesteld, mogen niet worden toegepast indien [...] de autoriteiten op grond van de overgelegde gegevens tot de duidelijke conclusie kunnen komen, dat toepassing van deze maatregelen niet in het belang van de Gemeenschap is.”
B – De antidumpingmaatregelen betreffende de invoer van ijzeren of stalen kabels
1. De antidumpingmaatregelen betreffende de invoer van stalen kabels uit China, India, Zuid-Afrika en Oekraïne
6 Op basis van twee klachten die het Liaison Committee of European Union Wire Rope Industries (hierna: „EWRIS”) in april en in juni 1998 heeft ingediend, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen op 20 mei 1998 antidumpingprocedures ingeleid met betrekking tot de invoer van stalen kabels in de Gemeenschap. Bij verordening (EG) nr. 362/1999 van 18 februari 1999 heeft zij een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van stalen kabels uit de Volksrepubliek China, India, Mexico, Zuid-Afrika en Oekraïne ingesteld en de door bepaalde exporteurs in Hongarije en Polen aangeboden verbintenissen aanvaard (PB L 45, blz. 8). Punt 7 van de considerans van die verordening omschrijft het betrokken product als volgt: „stalen kabels (gesloten kabels daaronder begrepen), met uitzondering van roestvrijstalen kabels, met een maximale afmeting der dwarsdoorsnede van meer dan 3 mm”.
7 Op 12 augustus 1999 heeft de Raad verordening (EG) nr. 1796/1999 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van stalen kabels uit de Volksrepubliek China, Hongarije, India, Mexico, Polen, Zuid-Afrika en Oekraïne, tot definitieve inning van het op deze invoer ingestelde voorlopige antidumpingrecht en tot beëindiging van de antidumpingprocedure in verband met deze invoer uit de Republiek Korea vastgesteld (PB L 217, blz. 1). In punt 4 van de considerans van die verordening wordt de omschrijving van het betrokken product uit punt 7 van de considerans van verordening nr. 362/1999 herhaald.
8 In aansluiting op het bericht van 13 november 2003 over het naderend vervallen van in het bijzonder de bij verordening nr. 1796/1999 opgelegde antidumpingmaatregelen (PB C 272, blz. 2) heeft de Commissie op 17 mei 2004 een door EWRIS op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening ingediend verzoek om een nieuw onderzoek ontvangen. Op 17 augustus 2004 heeft de Commissie de inleiding van een herzieningsprocedure wegens het vervallen van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van stalen kabels uit de Volksrepubliek China, India, Zuid-Afrika en Oekraïne bekendgemaakt (PB C 207, blz. 2).
9 Op 8 november 2005 heeft de Raad verordening (EG) nr. 1858/2005 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van stalen kabels uit de Volksrepubliek China, India, Zuid-Afrika en Oekraïne naar aanleiding van een herzieningsonderzoek op grond van artikel 11, lid 2, van [de basisverordening] vastgesteld (PB L 299, blz. 1). In punt 18 van de considerans van die verordening wordt de omschrijving van het betrokken product uit punt 4 van de considerans van verordening nr. 1796/1999 herhaald.
2. De antidumpingmaatregelen betreffende de invoer van ijzeren of stalen kabels uit Rusland
10 Op basis van een klacht van EWRIS van maart 2000 heeft de Commissie op 5 mei 2000 antidumpingprocedures met betrekking tot de invoer in de Gemeenschap van ijzeren of stalen kabels ingeleid. Bij verordening (EG) nr. 230/2001 van 2 februari 2001 heeft de Commissie een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren en stalen kabels uit Rusland, Thailand, Tsjechië en Turkije ingesteld en de door bepaalde exporteurs in Tsjechië en Turkije aangeboden verbintenissen aanvaard (PB L 34, blz. 4). Punt 9 van de considerans van die verordening omschrijft het betrokken product als „ijzeren of stalen kabels, gesloten kabels daaronder begrepen, met uitzondering van roestvrijstalen kabels, met een grootste afmeting der dwarsdoorsnede van meer dan 3 mm, al dan niet voorzien van hulpstukken (fittings)”.
11 Op 2 augustus 2001 heeft de Raad verordening (EG) nr. 1601/2001 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels uit de Republiek Tsjechië, Rusland, Thailand en Turkije vastgesteld (PB L 211, blz. 1). In punt 8 van de considerans van die verordening wordt de omschrijving van het betrokken product uit punt 9 van de considerans van verordening nr. 230/2001 herhaald.
12 In aansluiting op het bericht van 29 oktober 2005 over het naderende vervallen van in het bijzonder de bij verordening nr. 1601/2001 opgelegde antidumpingmaatregelen (PB C 270, blz. 38) heeft de Commissie op 28 april 2006 een door EWRIS op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening ingediend verzoek om een nieuw onderzoek ontvangen. Op 3 augustus 2006 heeft de Commissie de inleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van bepaalde soorten ijzeren en stalen kabels uit Rusland, Thailand en Turkije en van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van bepaalde soorten ijzeren en stalen kabels uit Turkije bekendgemaakt (PB C 181, blz. 15).
13 Op 30 oktober 2007 heeft de Raad verordening (EG) nr. 1279/2007 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels van oorsprong uit de Russische Federatie en tot intrekking van de antidumpingmaatregelen met betrekking tot bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels van oorsprong uit Thailand en Turkije vastgesteld (PB L 285, blz. 1). In punt 32 van de considerans van die verordening wordt het betrokken product onder verwijzing naar de omschrijving in punt 8 van de considerans van verordening nr. 1601/2001 gedefinieerd als volgt: „ijzeren of stalen kabels (gesloten kabels daaronder begrepen), met uitzondering van roestvrij stalen kabels, met een grootste dwarsdoorsnede van meer dan 3 mm, al dan niet voorzien van hulpstukken (fittings)”.
Voorgeschiedenis van het geding
14 De European Wire Rope Importers Association (EWRIA), een van de verzoekende partijen in de onderhavige zaak, is een vereniging die is opgericht ter behartiging van de collectieve belangen van Europese ondernemingen die stalen kabels invoeren en verhandelen. De andere verzoekende partijen in de onderhavige zaak zijn leden van EWRIA. Dit zijn vennootschappen naar het recht van België (Câbleries namuroises SA), Denemarken (Ropenhagen A/S), Duitsland (ESH Eisen- und Stahlhandelsgesellschaft mbH, Heko Industrieerzeugnisse GmbH, Interkabel Internationale Seil- und Kabel-Handels GmbH), Spanje (Jose Casañ Colomar, SA) en het Verenigd Koninkrijk (Denwire Ltd).
15 Op 12 juni 2007 heeft EWRIA, namens de andere verzoekende partijen en enkele andere ondernemingen, de Commissie krachtens artikel 11, lid 3, van de basisverordening verzocht om een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek naar de antidumpingmaatregelen die bij verordening nr. 1858/2005 waren ingesteld voor de invoer van stalen kabels uit China, India, Zuid-Afrika en Oekraïne, en naar de maatregelen die bij verordening nr. 1601/2001, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 564/2005 van de Raad van 8 april 2005 (PB L 97, blz. 1), waren ingesteld voor de invoer van ijzeren of stalen kabels uit Tsjechië, Rusland, Thailand en Turkije (hierna: „verzoek om een nieuw onderzoek”).
16 Het verzoek om een nieuw onderzoek had tot doel opnieuw vast te stellen welke producten onder de werkingssfeer van de betrokken antidumpingmaatregelen vallen, te weten kabels van ijzer en van staal (hierna gezamenlijk aangeduid als „stalen kabels”). Volgens EWRIA is de situatie sinds de invoering van de eerste antidumpingmaatregelen aanzienlijk gewijzigd en zou een aanpassing van de definitie van het betrokken product om de volgende redenen dan ook gerechtvaardigd zijn:
– de definitie van het betrokken product in de antidumpingmaatregelen is in strijd met de communautaire normen voor staaldraad (EN 10264) en staalkabels (EN 12385), waarin officieel onderscheid wordt gemaakt tussen kabels voor algemene en voor specifieke toepassingen;
– de huidige marktdeelnemers beschouwen kabels voor algemene en voor specifieke toepassingen niet meer als één product, maar als twee afzonderlijke producten;
– sinds de invoering van de antidumpingmaatregelen is de productie van kabels voor algemene toepassingen marginaal geworden, omdat de producenten van stalen kabels in de Gemeenschap heden ten dage hoofdzakelijk kabels voor specifieke toepassingen vervaardigen;
– de omstandigheden op de communautaire markt voor stalen kabels zijn gewijzigd, omdat er geen significante concurrentie meer is tussen kabels voor algemene en voor specifieke toepassingen, en omdat de invoer van kabels voor algemene toepassingen niet schadelijk meer is voor de producenten van stalen kabels in de Gemeenschap.
17 In het verzoek om een nieuw onderzoek stelde EWRIA voor de definitie van het betrokken product in twee delen te splitsen, de ene betrekking hebbend op kabels voor algemene toepassingen en de andere op kabels voor veeleisende of specifieke toepassingen. De antidumpingmaatregelen zouden van toepassing moeten blijven op kabels voor specifieke toepassingen, maar de kabels voor algemene toepassingen zouden niet langer moeten vallen onder de werkingssfeer van deze maatregelen.
18 In vervolg op een bijeenkomst met EWRIA heeft de Commissie EWRIA bij brief van 8 april 2008 het volgende laten weten:
„Zoals besproken op de bijeenkomst van 8 april, begrijpen wij dat u uw opmerkingen van 12 juni 2007 wilt aanvullen met bewijsmateriaal voor schade en/of dumping.
Wij zien uw aanvullende informatie tegemoet en staan geheel tot uw beschikking voor het beantwoorden van alle verdere vragen die u in dit verband mocht hebben.”
19 Bij brief van 30 april 2008 heeft EWRIA de Commissie als volgt geantwoord:
„Wij verwijzen in deze zaak naar ons gesprek van 8 april 2008 en naar uw brief van diezelfde datum.
Wat ons verzoek van 12 juni 2007 om een tussentijds nieuw onderzoek betreft, delen wij u mee dat wij deze opmerkingen niet zullen aanvullen. Wij zijn van mening dat het verzoek voldoende bewijsmateriaal bevat voor ‚gewijzigde omstandigheden’ ten aanzien van de definitie van de betrokken producten sinds de vaststelling van de eerste antidumpingverordening betreffende de invoer van stalen kabels in 1999. Bovendien is het verzoek reeds uitgebreid besproken met de heer [P.‑C.] en mevrouw [C.‑N.], die ons hebben laten weten dat naar hun mening de kansen op een tussentijds nieuw onderzoek naar de definitie van als stalen kabels aangeduide producten ‚gunstig’ waren.
Wij verzoeken u dan ook ons verzoek toe te wijzen en onmiddellijk een tussentijds nieuw onderzoek te openen naar de definitie van als stalen kabels aangeduide producten. Wij wijzen u er evenwel op dat wanneer u besluit ons verzoek af te wijzen, tegen deze beslissing beroep kan worden ingesteld bij de rechter.”
20 Bij brief van 4 juli 2008 (hierna: „litigieuze brief”) heeft de Commissie EWRIA het volgende laten weten:
„Ik verwijs naar de verschillende contacten die u met mijn team en met mij hebt gehad ten aanzien van de vraag of het mogelijk is een gedeeltelijk nieuw onderzoek te openen naar de hierboven genoemde maatregelen met betrekking tot stalen kabels, teneinde kabels voor algemene toepassingen uit te sluiten van de definitie van de betrokken producten.
Uit uw brief van 30 april blijkt dat u niet van plan bent, naast de gegevens en bewijzen die u voor die datum hebt gepresenteerd, aanvullend bewijs over te leggen voor uw verzoek met betrekking tot de productomschrijving.
Het spijt ons u te moeten meedelen dat op grond van de gegevens die u tot nu toe hebt verstrekt, niet kan worden geconcludeerd dat een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek moet worden geopend om kabels voor algemene toepassingen uit te sluiten van de definitie van de betrokken producten. De voornaamste reden hiervoor is het ontbreken van voldoende bewijs dat de twee soorten producten waarop de maatregelen betrekking hebben, kabels voor algemene en voor specifieke toepassingen, niet dezelfde fysische, technische en chemische basiskenmerken hebben.
Uw opmerkingen zijn gebaseerd op een aantal aspecten, in casu smeermiddelen, kunststof intercalaire draden, rotatiegraden en bepaalde kenmerken van draden, waardoor er verschillende soorten stalen kabels zouden kunnen worden onderscheiden. Dit is echter niet toereikend, omdat alle kabels dezelfde fysische, technische en chemische basiskenmerken hebben.
Stalen kabels bestaan in hoofdzaak uit drie bestanddelen: de staaldraden die de strengen vormen, de strengen die rond de kern gedraaid zijn en de kern zelf. De vormgeving van deze bestanddelen verschilt naargelang van de fysische vereisten voor de beoogde toepassing ervan. In dit verband dient allereerst te worden opgemerkt dat er weliswaar vele soorten stalen kabels met bepaalde fysische en technische verschillen bestaan, maar dat al deze kabels dezelfde fysische basiskenmerken (de kabels zijn gevormd uit strengen staaldraad die rond een kern gedraaid zijn) en dezelfde technische basiskenmerken (iedere kabel heeft een bepaald aantal draden per streng, een bepaald aantal strengen per kabel, een bepaalde diameter en een bepaalde structuur) hebben. Hoewel producten in het top‑ en het basissegment niet onderling verwisselbaar zijn, zijn producten in aangrenzende segmenten dit wel. Hieruit concluderen wij dan ook dat de verschillende groepen stalen kabels elkaar in zekere mate overlappen en beconcurreren. Daar komt nog bij dat de producten, zelfs binnen een en dezelfde groep, voor verschillende toepassingen bestemd kunnen zijn.
Bovendien lijkt het erop dat in bepaalde verwante groepen de standaard stalen kabels concurreren met de specifieke stalen kabels, omdat zij voor dezelfde doeleinden kunnen worden gebruikt en dientengevolge onderling verwisselbaar zijn.
Het spreekt voor zich dat het u te allen tijde vrijstaat ons eventuele nieuwe informatie te verstrekken die naar uw mening aanleiding zou moeten zijn om dit standpunt te herzien.
Wij staan geheel tot uw beschikking voor het beantwoorden van alle verdere vragen die u in dit verband mocht hebben.”
Procesverloop en conclusies van partijen
21 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 september 2008, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.
22 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
– het beroep ontvankelijk te verklaren;
– de beschikking van de Commissie van 4 juli 2008, waarin zij hun verzoek om een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek naar de antidumpingmaatregelen op stalen kabels in te stellen teneinde de reikwijdte van de maatregelen aan te passen en de kabels voor algemene toepassingen uit te sluiten van de definitie van het betrokken product, heeft afgewezen, nietig te verklaren;
– de Commissie te gelasten een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek naar de antidumpingmaatregelen op de invoer van stalen kabels te openen teneinde de reikwijdte van de maatregelen aan te passen en kabels voor algemene toepassingen uit te sluiten van de definitie van het betrokken product;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
23 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair, ongegrond te verklaren;
– verzoeksters te verwijzen in de kosten.
24 Partijen zijn ter terechtzitting van 18 maart 2010 gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht.
In rechte
A – Ontvankelijkheid
1. Ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 4 juli 2008 om geen gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek naar de antidumpingmaatregelen op stalen kabels te openen
a) Argumenten van partijen
25 De Commissie stelt dat deze vordering niet-ontvankelijk is. De litigieuze brief is geen beschikking in de zin van artikel 230 EG, aangezien de brief geen definitieve rechtsgevolgen voor verzoeksters sorteert. Anders dan de brief die in de zaak die leidde tot het arrest van het Hof van 17 juli 2008, Athinaïki Techniki/Commissie (C‑521/06 P, Jurispr. blz. I‑5829), als beschikking is aangemerkt, beoogde de litigieuze brief niet de rechtspositie van de verzoeksters aanmerkelijk te wijzigen.
26 In de eerste plaats merkt de Commissie, onder verwijzing naar de formulering van de litigieuze brief, op dat deze geen „definitieve en onherroepelijke weigering” vormt van een tussentijds nieuw onderzoek. De litigieuze brief gaf het standpunt van de diensten weer „op grond van de informatie die tot nu toe [was] verstrekt”. Het hoofd van de eenheid en zijn team waren voorshands van mening geweest dat verzoeksters nog niet voldoende bewijsmateriaal hadden verstrekt om een tussentijds nieuw onderzoek te rechtvaardigen, maar zij hadden niet de bedoeling een nieuw onderzoek volledig uit te sluiten. In de litigieuze brief was expliciet de mogelijkheid opengelaten dat EWRIA nieuwe informatie kon aanleveren die de Commissie ervan zou overtuigen dat een nieuw tussentijds onderzoek diende te worden ingesteld. Dienaangaande benadrukt de Commissie dat zij in de onderhavige zaak het dossier nog niet afgesloten heeft. Om deze reden is de litigieuze brief haars inziens niet te vergelijken met de brief die in het arrest Athinaïki Techniki/Commissie, aangehaald in punt 25, als beschikking is gekwalificeerd; hij zou eerder lijken op de daarvoor verstuurde brief, waarin werd onderstreept dat de verzoekende partij in die zaak aanvullende informatie kon verstrekken. Wanneer de verzoeksters in de onderhavige zaak een andere brief hadden gestuurd, waarin zij hun verzoek om een nieuw onderzoek en de redenen waarom zij van mening waren dat de Commissie haar standpunt zou moeten herzien nog verder hadden toegelicht, zou zij dit inderdaad hebben gedaan, zonder dat verzoeksters een nieuw verzoek hadden hoeven indienen.
27 In de tweede plaats stelt de Commissie, onder verwijzing naar de identiteit van de auteur van de litigieuze brief, dat deze brief, in de zin van de beschikking van het Gerecht van 14 mei 2009, US Steel Košice/Commissie (T‑22/07, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 42), slechts een brief van haar diensten is, en niet van haarzelf. Het hoofd van de eenheid dat de brief had ondertekend, verwees naar verschillende contacten die verzoeksters hadden gehad „met [zijn] team en [hem]zelf”, terwijl in de rest van de tekst de voornaamwoorden „wij” en „ons” waren gebruikt ter aanduiding van het betreffende hoofd en zijn team. Dit alles wijst erop dat de litigieuze brief geen beschikking is in de zin van artikel 230 EG.
28 In tegenstelling tot de omstandigheden van de zaak waarin de beschikking van het Gerecht van 4 mei 1998, BEUC/Commissie (T‑84/97, Jurispr. blz. II‑795, punt 48), is gegeven, vormt de litigieuze brief dan ook geen „duidelijke en definitieve beoordeling” van het verzoek om een nieuw onderzoek.
29 Verzoeksters zijn van mening dat de litigieuze brief op grond van de in het arrest Athinaïki Techniki/Commissie (aangehaald in punt 25) gegeven criteria een beschikking is in de zin van artikel 230 EG.
b) Beoordeling door het Gerecht
30 Allereerst dient te worden opgemerkt dat blijkens het verzoekschrift het beroep strekt tot nietigverklaring van „de beschikking van de Commissie van 4 juli 2008, waarin zij het verzoek van verzoeksters om een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek naar de antidumpingmaatregelen op stalen kabels in te stellen teneinde de reikwijdte van de maatregelen aan te passen en de kabels voor algemene toepassingen uit te sluiten van de definitie van het betrokken product, heeft afgewezen” (hierna: „bestreden handeling”).
31 Volgens vaste rechtspraak staat beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG open tegen alle handelingen van de instellingen, ongeacht hun aard of vorm, die beogen bindende rechtsgevolgen in het leven te roepen welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (zie arresten Hof van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, Jurispr. blz. 2639, punt 9; 6 april 2000, Spanje/Commissie, C‑443/97, Jurispr. blz. I‑2415, punt 27, en 12 september 2006, Reynolds Tobacco e.a./Commissie, C‑131/03 P, Jurispr. blz. I‑7795, punt 54, en arrest Athinaïki Techniki/Commissie, aangehaald in punt 25, punt 29).
32 Uit vaste rechtspraak inzake de ontvankelijkheid van beroepen tot nietigverklaring volgt eveneens dat voor de kwalificatie van de bestreden handelingen moet worden gekeken naar hun wezenlijke inhoud alsmede naar de bedoeling van de auteurs ervan. In dit verband vormen maatregelen die het standpunt van de Commissie definitief vastleggen na afloop van een administratieve procedure en die beogen bindende rechtsgevolgen in het leven te roepen welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten, met uitsluiting van tussentijdse maatregelen die de voorbereiding van de eindbeschikking tot doel hebben en die niet dergelijke gevolgen hebben, in beginsel handelingen waartegen kan worden opgekomen (zie arrest IBM/Commissie, aangehaald in punt 31, punten 9 en 10; arresten Hof van 16 juni 1994, SFEI e.a./Commissie, C‑39/93 P, Jurispr. blz. I‑2681, punten 27‑33, en 22 juni 2000, Nederland/Commissie, C‑147/96, Jurispr. blz. I‑4723, punten 26 en 27; arrest Athinaïki Techniki/Commissie, aangehaald in punt 25, punt 42, en arrest van 26 januari 2010, Internationaler Hilfsfonds/Commissie, C‑362/08 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 52).
33 Daarentegen is de vorm waarin een handeling of besluit is gegoten, in principe van geen belang voor de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring (zie in die zin arrest IBM/Commissie, aangehaald in punt 31, punt 9; arrest Hof van 7 juli 2005, Le Pen/Parlement, C‑208/03 P, Jurispr. blz. I‑6051, punt 46, en arrest Athinaïki Techniki/Commissie, aangehaald in punt 25, punt 43). Indien dit anders zou zijn, zou de Commissie zich met een enkele inbreuk op dergelijke vormvereisten aan het toezicht van de gemeenschapsrechter kunnen onttrekken. Uit de rechtspraak volgt dat aangezien de Europese Unie een rechtsgemeenschap is, in die zin dat de instellingen niet ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met het Verdrag, de procesregels voor beroepen die voor de Unierechter worden ingesteld, zo veel mogelijk aldus moeten worden uitgelegd dat zij kunnen worden toegepast op een wijze die bijdraagt tot de verwezenlijking van het doel, een daadwerkelijke rechterlijke bescherming te waarborgen van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen (arrest Athinaïki Techniki/Commissie, aangehaald in punt 25, punten 44 en 45; zie in die zin ook arresten van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677, punten 38 en 39, en 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad, C‑229/05 P, Jurispr. blz. I‑439, punt 109).
34 Hieruit volgt dat, om te bepalen of de bestreden handeling een „beschikking” vormt in de zin van artikel 230 EG, moet worden nagegaan of de Commissie, gelet op de inhoud van de handeling, de bedoeling van deze instelling en de context waarin de handeling tot stand is gekomen (zie in die zin arrest Internationaler Hilfsfonds/Commissie, aangehaald in punt 32, punt 58), met die handeling een definitief standpunt heeft ingenomen ten aanzien van het verzoek om een nieuw onderzoek.
35 Allereerst moet worden vastgesteld dat de litigieuze brief volgt op de brief van EWRIA van 30 april 2008, waarin EWRIA de Commissie ervan op de hoogte heeft gesteld dat zij niet de bedoeling had het verzoek om een nieuw onderzoek aan te vullen, omdat dit verzoek voldoende bewijsmateriaal bevatte, en dat zij voornemens was om, wanneer het verzoek zou worden afgewezen, beroep bij de Unierechter in te stellen. Vervolgens blijkt uit de bewoordingen van de litigieuze brief – „[h]et spijt [ons] u te moeten meedelen dat op grond van de gegevens die u tot nu toe hebt verstrekt, niet kan worden geconcludeerd dat een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek moet worden geopend” – dat de Commissie had besloten het verzoek om een nieuw onderzoek niet in te willigen. Zij heeft in dit verband eveneens aangegeven waarom zij had besloten geen nieuw onderzoek te openen: „De voornaamste reden hiervoor is het ontbreken van voldoende bewijs dat de twee soorten producten waarop de maatregelen betrekking hebben, kabels voor algemene en voor specifieke toepassingen, niet dezelfde fysische, technische en chemische basiskenmerken hebben.” Tot slot heeft de Commissie aan het einde van de litigieuze brief weliswaar verklaard dat het verzoeksters te allen tijde vrijstond nieuwe informatie te verstrekken die aanleiding zou kunnen zijn „om dit standpunt te herzien”, maar haar was duidelijk te kennen gegeven dat het verzoek om een nieuw onderzoek definitief was en niet zou worden aangevuld met enig nader bewijs.
36 Gelet op het voorgaande is het duidelijk dat op dit verzoek is beslist en dat, wanneer er nieuwe informatie verstrekt zou worden, opnieuw een beslissing kon worden gegeven, waarin deze informatie zou worden meegenomen.
37 Bovendien zij eraan herinnerd dat volgens artikel 11, lid 3, tweede alinea, van de basisverordening (thans artikel 11, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1225/2009) een tussentijds nieuw onderzoek wordt geopend wanneer het verzoek daartoe voldoende bewijs bevat dat handhaving van de maatregel niet langer noodzakelijk is om een einde te maken aan de dumping en/of dat het onwaarschijnlijk is dat de schade zal blijven bestaan of zich opnieuw zal voordoen indien de maatregel wordt ingetrokken of gewijzigd, dan wel dat de bestaande maatregel niet of niet langer toereikend is om de dumping en de daaruit voortvloeiende schade tegen te gaan. In tegenstelling tot de situatie waarin de Commissie, na raadpleging van het raadgevend comité op grond van artikel 11, lid 6, van de basisverordening, besluit een tussentijds nieuw onderzoek in te stellen (zie in die zin beschikkingen Gerecht van 14 maart 1996, Dysan Magnetics en Review Magnetics/Commissie, T‑134/95, Jurispr. blz. II‑181, punt 23, en 25 mei 1998, Broome & Wellington/Commissie, T‑267/97, Jurispr. blz. II‑2191, punt 29), vormt de weigering om bij gebrek aan voldoende bewijs een dergelijk nieuw onderzoek te openen geen voorafgaande of voorbereidende maatregel, aangezien zij niet wordt gevolgd door enige andere handeling waartegen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld (zie in die zin arresten SFEI e.a./Commissie, aangehaald in punt 32, punt 28, en Athinaïki Techniki/Commissie, aangehaald in punt 25, punt 54).
38 Hierbij is het niet van belang dat verzoeksters de Commissie nog aanvullende informatie kunnen verstrekken die aanleiding zou kunnen zijn om haar standpunt te herzien (zie in die zin arrest Athinaïki Techniki/Commissie, aangehaald in punt 25, punt 55).
39 Het is juist dat, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft gesteld, op het verzoek om een nieuw onderzoek geen formele beschikking is gegeven. Daar echter in artikel 5, lid 7, van de basisverordening, dat volgens artikel 11, lid 5, van deze verordening eveneens van toepassing is op tussentijdse herzieningen, is bepaald dat een verzoek tot het openen van een onderzoek wordt afgewezen wanneer er onvoldoende bewijs van dumping of schade is om voortzetting van de procedure te rechtvaardigen, en in artikel 5, lid 9, van deze verordening wordt verklaard dat „[w]anneer onvoldoende bewijsmateriaal is ingediend, de klager, na overleg, daarvan in kennis [wordt] gesteld”, dient te worden vastgesteld dat de Commissie verzoeksters met de litigieuze brief op de hoogte heeft gesteld van haar beslissing het verzoek om een nieuw onderzoek af te wijzen.
40 Gelet op de overwegingen in punt 35 hierboven en op het feit dat de Commissie heeft besloten geen gevolg te geven aan het verzoek om een nieuw onderzoek, moet worden vastgesteld dat, indien verzoeksters op een later moment aanvullende informatie zouden hebben verstrekt, dit voor de Commissie in voorkomend geval aanleiding zou zijn geweest opnieuw te beslissen over de vraag of het voorliggende bewijs een reden zou zijn een tussentijds nieuw onderzoek te openen, en bij die beslissing rekening te houden met deze nieuwe informatie. Het verstrekken van deze informatie staat evenwel los van het feit dat het eerste verzoek om een nieuw onderzoek reeds was afgewezen (zie in die zin arrest Athinaïki Techniki/Commissie, aangehaald in punt 25, punt 57).
41 Hieruit volgt dat de bestreden handeling, in het licht van zowel haar inhoud als de context waarin zij tot stand is gekomen en de bedoeling van de Commissie, een definitieve weigering van de Commissie vormt om een tussentijds gedeeltelijk nieuw onderzoek in te stellen. De bestreden handeling moet dus worden aangemerkt als beschikking in de zin van artikel 230 EG.
42 De aard van deze beslissing kan niet worden betwist op de enkele grond dat deze beoordeling door een dienst van de Commissie is gegeven, en niet door de Commissie zelf (zie in die zin arrest Gerecht van 18 mei 1994, BEUC en NCC/Commissie, T‑37/92, Jurispr. blz. II‑285, punt 38, en arrest BEUC/Commissie, aangehaald in punt 28, punt 48).
43 Nu bij deze beslissing het verzoek is afgewezen om in het kader van een tussentijdse herzieningsprocedure zoals bedoeld in artikel 11, lid 3, van de basisverordening een onderzoek in te stellen om te bepalen of het wegens een vermeende wijziging van de omstandigheden noodzakelijk was de betrokken antidumpingmaatregelen te handhaven, heeft zij rechtsgevolgen in het leven geroepen die de belangen van de verzoekende partijen kunnen aantasten, en vormt zij een handeling waartegen krachtens artikel 230 EG kan worden opgekomen.
2. Ontvankelijkheid van de vordering, de Commissie te gelasten een tussentijds gedeeltelijk nieuw onderzoek in te stellen
a) Argumenten van partijen
44 De Commissie stelt dat deze vordering niet-ontvankelijk is. Gezien artikel 233 EG en de rechtspraak is het Gerecht niet bevoegd om haar bevelen te geven ten aanzien van de wijze waarop zij een nietigverklaringsarrest moet uitvoeren.
b) Beoordeling door het Gerecht
45 Er zij aan herinnerd dat de Unierechter in het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG enkel bevoegd is de rechtmatigheid van de bestreden handeling te toetsen, en dat volgens vaste rechtspraak het Gerecht in de uitoefening van zijn bevoegdheden geen bevelen tot de instellingen van de Unie kan richten of zich in hun plaats kan stellen (arresten Hof van 5 juli 1995, Parlement/Raad, C‑21/94, Jurispr. blz. I‑1827, punt 33, en 8 juli 1999, DSM/Commissie, C‑5/93 P, Jurispr. blz. I‑4695, punt 36; arrest Gerecht van 24 februari 2000, ADT Projekt/Commissie, T‑145/98, Jurispr. blz. II‑387, punt 83). In geval van nietigverklaring van de bestreden handeling is het aan de betrokken instelling om overeenkomstig artikel 233 EG de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het nietigverklaringsarrest (arrest Hof van 24 juni 1986, AKZO Chemie en AKZO Chemie UK/Commissie, 53/85, Jurispr. blz. 1965, punt 23, en arrest ADT Projekt/Commissie, reeds aangehaald, punt 84).
46 De vordering van verzoeksters, ertoe strekkende dat het Gerecht de Commissie zou gelasten een tussentijds gedeeltelijk nieuw onderzoek in te stellen, moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
3. Ontvankelijkheid van de door verzoeksters aangevoerde middelen
a) Argumenten van partijen
47 Met betrekking tot het eerste middel stelt de Commissie dat verzoeksters in het verzoekschrift niet zozeer hun argumenten uiteenzetten, als wel in hoofdzaak verwijzen naar hun stellingen in het verzoek om een nieuw onderzoek. De Commissie concludeert dat het eerste middel alsook de andere door verzoeksters aangevoerde middelen, die dezelfde gebreken vertonen, bijgevolg niet-ontvankelijk zijn, omdat zij niet in het verzoekschrift zelf zijn voorgesteld.
b) Beoordeling door het Gerecht
48 Volgens artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet elk inleidend verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Deze uiteenzetting dient zo duidelijk en precies te zijn, dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen op het beroep, eventueel zonder bijkomende informatie. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de essentiële feitelijke en juridische gronden van het beroep – althans summier, maar coherent en begrijpelijk – uit het verzoekschrift zelf blijken (zie arrest Gerecht van 3 februari 2005, Chiquita Brands e.a./Commissie, T‑19/01, Jurispr. blz. II‑315, punt 64 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Weliswaar kan het verzoekschrift op specifieke punten worden gestaafd en aangevuld met verwijzingen naar bepaalde passages in bijgevoegde stukken, maar een algemene verwijzing naar andere schrifturen, ook al zijn die bij het verzoekschrift gevoegd, kan in dat verband geen alternatief zijn voor de vermelding van de essentiële bestanddelen van het juridische betoog in het verzoekschrift (arresten Gerecht van 14 december 2005, Honeywell/Commissie, T‑209/01, Jurispr. blz. II‑5527, punt 57, en 17 september 2007, Microsoft/Commissie, T‑201/04, Jurispr. blz. II‑3601, punt 94). Bovendien is het niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen op te sporen en te identificeren die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen, daar de bijlagen slechts een bewijs‑ en hulpfunctie hebben (arresten Gerecht van 7 november 1997, Cipeke/Commissie, T‑84/96, Jurispr. blz. II‑2081, punt 34, en 21 maart 2002, Joynson/Commissie, T‑231/99, Jurispr. blz. II‑2085, punt 154, en arrest Honeywell/Commissie, reeds aangehaald, punt 57). Het verzoekschrift moet bijgevolg duidelijk aangeven, op welk middel het beroep precies is gebaseerd, zodat een loutere abstracte vermelding ervan niet aan de vereisten van het Reglement voor de procesvoering voldoet (arresten Gerecht van 12 januari 1995, Viho/Commissie, T‑102/92, Jurispr. blz. II‑17, punt 68, en 22 november 2006, Italië/Commissie, T‑282/04, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 60).
50 Vastgesteld moet worden dat de door verzoeksters aangevoerde middelen aan de hierboven genoemde eisen voldoen.
51 In de eerste plaats blijkt uit het verzoekschrift zonder twijfel uitdrukkelijk dat het onderhavige beroep strekt tot vaststelling van een schending van de artikelen 1, lid 4, 11, lid 3 en 21 van de basisverordening, bestaande in de weigering van de Commissie een tussentijds nieuw onderzoek in te stellen naar de betrokken antidumpingmaatregelen. Het beroep strekt eveneens tot vaststelling van een schending van het vertrouwensbeginsel door de Commissie.
52 In de tweede plaats hebben verzoeksters, ook al verwijzen zij bij ieder middel in ruime mate naar het bij hun verzoekschrift gevoegde verzoek om een nieuw onderzoek, in hun verzoekschrift eveneens hun belangrijkste argumenten ter ondersteuning van hun beroep uiteengezet. Ten aanzien van het eerste middel, betreffende wijzigingen in de omstandigheden met betrekking tot de definitie van de producten, de productie in de Gemeenschap en de schade, stellen verzoeksters in de punten 28 tot en met 35 van het verzoekschrift eerst dat de oorspronkelijke definitie van het product achterhaald is door gewijzigde omstandigheden in verband met bepaalde technische en technologische ontwikkelingen. Vervolgens geven zij in de punten 36 tot en met 41 van het verzoekschrift aan dat in de Gemeenschap de productie van kabels voor algemene toepassingen sterk is teruggelopen of al is stopgezet. Tot slot stellen zij in de punten 42 tot en met 45 dat het nogal onwaarschijnlijk zou zijn dat de schade bleef bestaan of zich opnieuw zou voordoen indien de invoer van een bepaalde subcategorie kabels voor algemene toepassingen werd uitgesloten van de werkingssfeer van de maatregelen. Ten aanzien van het tweede middel, dat klaagt over schending van het vertrouwensbeginsel, bespreken verzoeksters in de punten 12 tot en met 15 en 46 tot en met 50 van het verzoekschrift de omstandigheden die bij hen het gewettigd vertrouwen zouden hebben gewekt dat er een tussentijds nieuw onderzoek naar de betrokken antidumpingmaatregelen zou worden geopend. Ten aanzien van het derde middel beargumenteren verzoeksters in de punten 51 tot en met 55 van het verzoekschrift waarom de Commissie artikel 1, lid 4, van de basisverordening zou hebben geschonden door uit te gaan van een te ruime definitie van het betrokken product.
53 De door verzoeksters in het verzoekschrift gegeven uiteenzetting van hun argumenten stelt derhalve de Commissie in staat om verweer te voeren, en het Gerecht om zijn controle uit te oefenen. De klacht van de Commissie dat de door verzoeksters aangevoerde middelen niet-ontvankelijk zouden zijn, dient derhalve te worden afgewezen.
B – Ten gronde
54 Ter onderbouwing van hun beroep voeren verzoeksters drie middelen aan, te weten, ten eerste schending van de artikelen 11, lid 3, en 21 van de basisverordening, ten tweede schending van het vertrouwensbeginsel en ten derde een kennelijke beoordelingsfout en schending van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.
1. Het eerste middel: schending van de artikelen 11, lid 3, en 21 van de basisverordening
55 Verzoeksters stellen dat de Commissie de artikelen 11, lid 3, en 21 van de basisverordening heeft geschonden door te weigeren een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek naar de betrokken antidumpingmaatregelen te openen terwijl zij daartoe verplicht was, nu het verzoek om een nieuw onderzoek voldoende bewijsmateriaal bevatte van de gewijzigde omstandigheden met betrekking tot de definitie van de producten, de productie in de Gemeenschap en de schade.
56 Dit middel bestaat uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel stelt dat de oorspronkelijke productdefinitie achterhaald is door gewijzigde omstandigheden in verband met bepaalde technische en technologische ontwikkelingen. Het tweede onderdeel voert aan dat de productie van kabels voor algemene toepassingen in de Gemeenschap sterk is teruggelopen of al is stopgezet. Het derde onderdeel tot slot betoogt dat het nogal onwaarschijnlijk is dat de schade zal blijven bestaan of zich opnieuw zal voordoen indien de invoer van een bepaalde subcategorie kabels voor algemene toepassingen werd uitgesloten van de werkingssfeer van de maatregelen.
a) Het eerste onderdeel: wijziging van omstandigheden in verband met de definitie van het betrokken product
Argumenten van partijen
57 Onder verwijzing naar de beschikkingspraktijk van de Commissie stellen verzoeksters dat de wijziging van omstandigheden die een tussentijds nieuw onderzoek rechtvaardigt, niet alleen betrekking kan hebben op dumping en/of schade, maar ook op de definitie van het betrokken product. In dit verband stellen zij een wijziging van omstandigheden met betrekking tot stalen kabels, die rechtvaardigde dat de definitie van het betrokken product in de antidumpingmaatregelen werd aangepast.
58 De Commissie beschikt weliswaar over een ruime beoordelingsbevoegdheid waar het de omschrijving van de betrokken producten betreft in het kader van de handelspolitieke beschermingsmaatregelen. Toch had zij op de voet van artikel 11, lid 3, van de basisverordening een tussentijds nieuw onderzoek moeten openen, omdat hun verzoek voldoende bewijsmateriaal bevatte van de wijziging in de technische en economische omstandigheden ten aanzien van het betrokken product. De door de Commissie genoemde arresten die haar ruime beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot handelspolitieke beschermingsmaatregelen bevestigen (arresten Gerecht van 25 september 1997, Shanghai Bicycle/Raad, T‑170/94, Jurispr. blz. II‑1383, punten 61‑71, en 17 december 2008, HEG en Graphite India/Raad, T‑462/04, Jurispr. blz. II‑3685, punt 68), zouden niet relevant zijn voor de uitkomst van de onderhavige zaak, omdat zij betrekking hebben op de nietigverklaring van een antidumpingmaatregel zelf en niet op de beslissing geen tussentijds nieuw onderzoek te openen.
59 Volgens verzoeksters is het openen van een tussentijds nieuw onderzoek niet alleen noodzakelijk wanneer een aanpassing van de bestaande maatregelen onvermijdelijk is, maar ook wanneer er voldoende bewijsmateriaal wordt overgelegd voor een wijziging van bepaalde technische en economische omstandigheden ten aanzien van het betrokken product en een aanpassing van de bestaande maatregelen gegeven deze wijzigingen noodzakelijk kan blijken.
60 Gezien het bewijs dat zij ter ondersteuning van hun verzoek hadden overgelegd, had de Commissie ten minste een tussentijds nieuw onderzoek in gang moeten zetten om te kunnen beslissen over een eventuele aanpassing van de definitie van het betrokken product. De Commissie heeft echter, in strijd met artikel 11, lid 3, van de basisverordening, zonder ook maar over te gaan tot een tussentijds nieuw onderzoek, besloten dat een aanpassing van die definitie niet noodzakelijk was.
61 Zo hadden verzoeksters in hun verzoek om een nieuw onderzoek aangetoond dat de productdefinitie wat stalen kabels betreft was gewijzigd sinds het instellen van de antidumpingmaatregelen op deze kabels.
62 In de eerste plaats was het onderscheid tussen kabels voor algemene en voor specifieke toepassingen op 12 november 2001 door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) bekrachtigd in de Europese norm EN 12385. De kabels voor algemene toepassingen bestemd „voor algemene hijsdoeleinden” waren samengevoegd in deel 4 van deze norm, terwijl de kabels voor specifieke toepassingen waren ingedeeld in de delen 5 tot en met 10 van deze norm. Het CEN heeft dit onderscheid in 2002 bevestigd in de norm EN 10264, met betrekking tot vereisten voor staaldraad voor kabels, waarin het onderscheid maakt tussen „draad [...] voor kabels voor algemene toepassingen” in deel 2 van deze norm en „draad [...] voor kabels voor toepassingen met zware belastingen” in deel 3 van deze norm.
63 In dit verband heeft de Commissie in verordening (EG) nr. 1742/2000 van 4 augustus 2000 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van polyethyleentereftalaat (PET) uit India, Indonesië, Maleisië, de Republiek Korea, Taiwan en Thailand (PB L 199, blz. 48) het grote belang van het criterium van de normalisatie voor de definitie van het betrokken product bevestigd.
64 Volgens verzoeksters vereist de wijziging in de normalisatie dat de reikwijdte van de betrokken antidumpingmaatregelen wordt aangepast en er een onderscheid wordt gemaakt tussen kabels voor algemene en voor specifieke toepassingen. De Commissie had dan ook moeten overgaan tot een uitgebreider onderzoek hiernaar in het kader van een tussentijds nieuw onderzoek, in het bijzonder met betrekking tot de specifieke en uitgebreide voorbeelden die zij in hun verzoek hadden gegeven. De Commissie heeft deze voorbeelden echter niet in haar overwegingen meegenomen, maar eenvoudigweg verwezen naar haar gebruikelijke redenering, dat alle stalen kabels dezelfde fysische, technische en chemische basiskenmerken hebben en in hoofdzaak uit drie onderdelen bestaan: de staaldraad die de strengen vormen, de strengen die rond de kern gedraaid zijn en de kern zelf. Deze simplistische redenering heeft geen enkel verband met de huidige technische realiteit die wordt weerspiegeld door de complexe en omvangrijke omschrijvingen in de normen EN 12385 en EN 10264. Bovendien kan de definitie van het betrokken product niet worden verfijnd, omdat alle stalen kabels – vanwege de technische vereisten – uit de drie hierboven genoemde onderdelen bestaan. De Commissie heeft dan ook een kennelijke beoordelingsfout gemaakt en artikel 11, lid 3, van de basisverordening geschonden door geen rekening te houden met de in de bovenbedoelde normen bekrachtigde wijzigingen en door te weigeren over te gaan tot een tussentijds nieuw onderzoek.
65 In de tweede plaats voeren verzoeksters aan dat zij in het verzoek om een nieuw onderzoek bewijs hebben aangeleverd voor een wijziging in de perceptie van de markt. Op de markt van staalkabels wordt thans, in tegenstelling tot wat vroeger gebruikelijk was, onderscheid gemaakt tussen kabels voor algemene en voor specifieke toepassingen.
66 Ten eerste hebben zij aangetoond dat de producenten van de Gemeenschap op hun websites, in hun reclame-uitingen en in hun catalogi onderscheid maken tussen deze soorten kabels. Deze producenten benadrukken dat zij in staat zijn kabels voor specifieke toepassingen op maat te produceren.
67 Ten tweede hebben verzoeksters in hun verzoek om een tussentijds nieuw onderzoek aangetoond dat kabels voor specifieke toepassingen verschillen van kabels voor algemene toepassingen door hun fysische en technische kenmerken. Het argument van de Commissie inzake de basiskenmerken van stalen kabels kan derhalve de stelling van verzoeksters dat kabels voor algemene en voor specifieke toepassingen volgens de perceptie van de markt worden beschouwd als verschillende producten, niet weerleggen.
68 Om te beginnen bestaan kabels voor specifieke toepassingen niet alleen uit de drie basisbestanddelen van de kabels voor algemene toepassingen, maar ook uit extra bestanddelen (zoals plastic „inserts” en/of plastic laagjes, extra opvulstrengen, speciale smeermiddelen en verdichte strengen), waardoor ze kunnen worden gebruikt voor toepassingen met zware belastingen en met strenge veiligheidseisen.
69 Verder hebben de strengen van kabels voor specifieke toepassingen een bijzondere behandeling ondergaan waardoor deze kabels, naast een grotere elasticiteit, met name een hogere breuk‑ en slijtvastheid, een beter corrosiebestendigheid hebben dan kabels voor algemene toepassingen.
70 Bovendien hebben kabels voor specifieke toepassingen een uitzonderlijke draaiweerstand, die beduidend hoger is dan die van kabels voor algemene toepassingen, waardoor ze kunnen worden gebruikt voor bijzondere eindtoepassingen.
71 Tot slot worden kabels voor specifieke toepassingen verkocht tegen duidelijk hogere prijzen dan kabels voor algemene toepassingen van hetzelfde soort.
72 Verzoeksters onderstrepen dat zij in het verzoek om een nieuw onderzoek hebben aangetoond dat er een duidelijke scheidslijn is tussen kabels voor algemene en voor specifieke toepassingen, en wel door middel van een matrix waarmee de verschillen tussen deze kabels zichtbaar worden gemaakt aan de hand van de fysische en technische kenmerken en de eindtoepassingen ervan, en die kan dienen als richtsnoer voor de herdefinitie van de reikwijdte van de betrokken maatregelen.
73 In het licht van deze matrix is het onbegrijpelijk dat de Commissie weigert onderscheid te maken tussen kabels voor algemene en voor specifieke toepassingen. Dit kan slechts worden verklaard door haar vrees voor „onvoorzienbare gevolgen”, waarop de vertegenwoordigers van de Commissie tijdens de vergadering van 8 april 2008 hebben gewezen in geval van uitsluiting van kabels voor algemene toepassingen van de werkingssfeer van de antidumpingmaatregelen, wat een nieuw onderzoek naar alle van kracht zijnde antidumpingmaatregelen voor stalen kabels noodzakelijk zou maken. Deze vrees kan echter niet rechtvaardigen dat een verouderde definitie van het betrokken product wordt gehandhaafd, die niet meer overeenkomt met de technische en economische marktomstandigheden.
74 Verzoeksters onderstrepen eveneens dat in verordening (EG) nr. 2537/1999 van de Raad van 29 november 1999 tot wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2861/93, (EG) nr. 2199/94, (EG) nr. 663/96 en (EG) nr. 1821/98 betreffende de instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van bepaalde magneetschijven (3,5"-microschijven) van oorsprong uit Japan, Taiwan, de Volksrepubliek China, Hongkong, de Republiek Korea, Maleisië, Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Indonesië, en van verordening (EG) nr. 1335/1999 tot wederinstelling van het definitieve antidumpingrecht op de invoer van bepaalde magneetschijven (3,5"-microschijven) uit Indonesië die door PT Betadiskindo Binatama worden geproduceerd en naar de Gemeenschap uitgevoerd (PB L 307, blz. 1) is gesteld dat een verzoek om een nieuw onderzoek dat strekt tot uitsluiting van een product van de werkingssfeer van de antidumpingmaatregelen gerechtvaardigd is wanneer het relevante product en het betrokken product duidelijk verschillen vertonen wat betreft de fysische en technische kenmerken, het eindgebruik en de prijs. In het verzoek om een nieuw onderzoek hebben verzoeksters voldoende bewijs overgelegd van het feit dat de bovengenoemde criteria zijn vervuld, zodat de Commissie gehouden was een tussentijds nieuw onderzoek te openen ter aanpassing van de werkingssfeer van de antidumpingmaatregelen op stalen kabels. Dat zij deze verplichting niet is nagekomen, betekent een kennelijke beoordelingsfout en een schending van artikel 11, lid 3, van de basisverordening.
75 Volgens de Commissie snijden de argumenten van verzoeksters geen hout.
Beoordeling door het Gerecht
76 Verzoeksters stellen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt en artikel 11, lid 3, van de basisverordening heeft geschonden door een tussentijds nieuw onderzoek gericht op wijziging van de definitie van het betrokken product te weigeren.
77 Vooraf zij eraan herinnerd dat de instellingen op het gebied van beschermende handelsmaatregelen over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken (arrest Hof van 27 september 2007, Ikea Wholesale, C‑351/04, Jurispr. blz. I‑7723, punt 40, en arrest Gerecht van 8 juli 2008, Huvis/Raad, T‑221/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 38). Hetzelfde geldt voor de complexe technische beoordelingen van de instellingen van de Unie (zie in die zin arrest Hof van 21 november 1991, Technische Universität München, C‑269/90, Jurispr. blz. I‑5469, punt 13; zie in die zin ook arrest Microsoft/Commissie, aangehaald in punt 49, punten 88 en 89).
78 Tevens dient opgemerkt te worden dat volgens de vaste rechtspraak op dit gebied het toezicht van de Unierechter op de beoordelingen van de instellingen ertoe is beperkt na te gaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie arresten Gerecht van 28 oktober 2004, Shanghai Teraoka Electronic/Raad, T‑35/01, Jurispr. blz. II‑3663, punten 48 en 49 en de aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2006, Moser Baer India/Raad, T‑300/03, Jurispr. blz. II‑3911, punt 28 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
79 Gelet op de in punt 77 hierboven genoemde rechtspraak beschikt de Commissie derhalve over een ruime beoordelingsvrijheid bij de beslissing in het kader van artikel 11, lid 3, van de basisverordening of handhaving van antidumpingmaatregelen noodzakelijk is en of een verzoek om een tussentijds nieuw onderzoek voldoende bewijsmateriaal bevat voor een dergelijk nieuw onderzoek.
80 In het licht van deze overwegingen dient te worden onderzocht of de Commissie, gelet op de bewijzen in het verzoek om een nieuw onderzoek, een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek naar de betrokken antidumpingmaatregelen te weigeren.
81 Met betrekking tot het argument inzake een wijziging van omstandigheden wat de definitie van het betrokken product betreft, stelt het Gerecht vast dat in de basisverordening niet wordt gepreciseerd, hoe het product of het assortiment producten ten aanzien waarvan een dumpingonderzoek kan worden ingesteld, moet worden omschreven, en evenmin wordt daarin een scherpe indeling van het product vereist (zie in die zin arrest Shanghai Bicycle/Raad, aangehaald in punt 58, punt 61).
82 Wat betreft de definitie van het betrokken product kunnen de instellingen rekening houden met verschillende factoren, zoals de fysische, technische en chemische kenmerken van de producten, hun gebruik, onderlinge verwisselbaarheid, de perceptie ervan door de consument, de distributiekanalen, het fabricageprocedé, de productiekosten en de kwaliteit [zie in die zin arrest Gerecht van 4 maart 2010, Brosmann Footwear (HK) e.a./Raad, T‑401/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 131].
83 Ten aanzien van de wijziging van omstandigheden die rechtvaardigt dat een bepaald product wordt uitgesloten van de definitie van het betrokken product, dient de bewering dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek te weigeren, dan ook gebaseerd te zijn op argumenten die ertoe strekken aan te tonen dat de Commissie bij haar beoordeling van de opening van een nieuw onderzoek de haars inziens relevante factoren onjuist heeft beoordeeld of rekening had moeten houden met andere, meer relevante factoren die in het kader van het nieuwe onderzoek tot de uitsluiting van dit product van de definitie van het betrokken product zouden hebben moeten leiden [zie in die zin arrest Brosmann Footwear (HK) e.a./Raad, aangehaald in punt 82, punt 132].
84 In de bestreden handeling heeft de Commissie vastgesteld dat geen tussentijds nieuw onderzoek kon worden geopend om kabels voor algemene toepassingen uit te sluiten van de definitie van de betrokken producten, met name omdat het verzoek om een nieuw onderzoek niet voldoende bewijs bevatte om te kunnen vaststellen dat deze twee soorten kabels niet dezelfde fysische, technische en chemische basiskenmerken hebben.
85 Zoals verzoeksters hebben bevestigd ter terechtzitting, betwisten zij niet de relevantie van het criterium van de fysische, technische en chemische basiskenmerken voor de definitie van het betrokken product, maar zijn zij van mening dat eveneens rekening moet worden gehouden met andere, meer relevante factoren, waaronder de vaststelling van gemeenschappelijke normen, het eindgebruik en de prijs van de producten.
86 In de eerste plaats baseren verzoeksters zich op het door het CEN in de normen EN 12385 en EN 10264 gehanteerde onderscheid tussen kabels voor algemene en voor specifieke toepassingen, waarbij zij de Commissie verwijten in afwijking van haar vroegere praktijk geen rekening te hebben gehouden met het criterium van normalisatie, dat zeer relevant is voor de definitie van de betrokken producten.
87 Ten aanzien van deze normen dient te worden opgemerkt dat de norm EN 12385 de veiligheidsvoorschriften beschrijft die gelden bij de vervaardiging en het testen van stalen kabels, terwijl de norm EN 10264 de toleranties bij de afmetingen, de mechanische eigenschappen, de vereisten voor de chemische samenstelling van de staaldraden en de voorwaarden waaraan de eventuele bekleding van de kabeldraden moet voldoen, beschrijft. Ook al worden in deze normen voor bepaalde categorieën kabels voor specifieke toepassingen bijzondere eisen gesteld, het bestaan van dergelijke eisen kan niet reeds het bewijs leveren dat kabels voor algemene en voor specifieke toepassingen ten aanzien van de antidumpingmaatregelen niet een en hetzelfde „betrokken product” zijn. Enerzijds bevat iedere norm, buiten de omschrijving van de bijzondere eisen voor bepaalde soorten specifieke kabels, een gemeenschappelijke inleiding die geldt voor alle stalen kabels, zowel die voor algemene als die voor specifieke toepassingen. Anderzijds sluiten de verschillende in deze normen opgesomde soorten stalen kabels elkaar niet uit, wat inhoudt dat kabels die voldoen aan de eisen van de ene categorie eveneens kunnen voldoen aan de eisen van andere categorieën. Hoe dan ook, ook al heeft de Commissie ter terechtzitting bevestigd dat de definitie van een betrokken product in bepaalde gevallen overeen kan komen met een classificatie zoals deze is opgenomen in een gemeenschappelijke norm, de definitie van het betrokken product waarop antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, kan niet afhankelijk zijn van een dergelijke classificatie.
88 In tegenstelling tot wat verzoeksters aanvoeren, kan niet worden gesproken van een duidelijke scheidslijn tussen deze verschillende groepen, ook al kunnen de verschillende soorten stalen kabels in groepen worden onderverdeeld op grond van extra bestanddelen en naar eindtoepassingen. Zoals de Commissie terecht heeft verklaard ter terechtzitting, bestaat er geen objectief criterium waarmee tijdens de invoer of verkoop in de Gemeenschap kan worden bepaald voor welke toepassingen de verschillende soorten kabels bestemd zijn of wat hun eindtoepassing is. Immers, zelfs binnen een en dezelfde groep kunnen de producten bestemd zijn voor verschillende toepassingen. Bovendien, ook al zijn de stalen kabels aan de beide uitersten van het assortiment niet onderling verwisselbaar, verzoeksters betwisten niet dat stalen kabels voor algemene en voor specifieke toepassingen van bepaalde verwante groepen kunnen worden gebruikt voor dezelfde doeleinden en dus onderling verwisselbaar zijn. In dit opzicht bestaat er tussen de verschillende groepen stalen kabels een zekere overlap en een zekere mate van concurrentie (zie in die zin arresten Hof van 10 maart 1992, Canon/Raad, C‑171/87, Jurispr. blz. I‑1237, punten 48‑52; Ricoh/Raad, C‑174/87, Jurispr. blz. I‑1335, punten 35‑40, en Sharp Corporation/Raad, C‑179/87, Jurispr. blz. I‑1635, punten 25‑30).
89 In ieder geval biedt verordening nr. 1742/2000, waarop verzoeksters zich beroepen, geen steun aan hun argument dat de vaststelling van gemeenschappelijke normen door het CEN voor de Commissie een zeer relevant criterium vormde voor de definitie van het betrokken product. Dienaangaande volstaat de vaststelling dat de Commissie zich in deze verordening slechts marginaal baseert op het bestaan van gemeenschappelijke technische normen bij de definitie van het betrokken product. Zo was het onderscheid tussen de beide soorten polyethyleentereftalaat bepaald door de viscositeitscoëfficiënt van deze producten en was de betrokken norm in deze verordening alleen gebruikt als een van de meetinstrumenten voor de viscositeitstests. Wat er ook zij van de relevantie van de beoordelingen in verordening nr. 1742/2000 voor de beslechting van het onderhavige geding, dient te worden vastgesteld dat het argument van verzoeksters berust op een onjuiste lezing van die verordening en derhalve moet worden afgewezen.
90 In de tweede plaats voeren verzoeksters, waar het gaat om een wijziging in de perceptie van de markt, in feite twee argumenten aan.
91 Ten eerste stellen zij dat de producenten van de Gemeenschap in hun catalogi, op hun websites en in hun reclame-uitingen onderscheid maken tussen deze twee soorten kabels. Deze voorbeelden tonen echter niet aan dat er een duidelijke scheidslijn kan worden getrokken tussen kabels voor algemene en voor specifieke toepassingen, maar eerder dat de producenten van de Gemeenschap een compleet assortiment van verschillende soorten stalen kabels aanbieden. In ieder geval kan een beperkt aantal fragmenten van catalogi, websites en reclame-uitingen van enkele producenten van de Gemeenschap niet de conclusie ter discussie stellen, dat de verschillende soorten kabels dezelfde fysische, technische en chemische basiskenmerken hebben, elkaar in zekere mate overlappen en beconcurreren.
92 Ten tweede stellen verzoeksters dat de kabelsoorten zijn te onderscheiden op basis van extra bestanddelen (zoals strengen, plastic inserts, smeermiddelen), een bijzondere behandeling (tot een vijfhoekige of elliptische vorm verdichte strengen), een uitzonderlijk hoge draaiweerstand, een hogere prijs van kabels voor specifieke toepassingen of een bijzonder gebruiksdoel van kabels voor specifieke toepassingen. Met deze voorbeelden kan de conclusie van verzoeksters dat er een duidelijke scheidslijn kan worden getrokken tussen kabels voor algemene en voor specifieke toepassingen echter niet worden gestaafd. Enerzijds zijn, zoals uiteengezet in punt 88 hierboven, hoewel er een breed scala aan stalen kabels bestaat wanneer wordt uitgegaan van de criteria extra bestanddelen en bijzonder gebruiksdoel, de door verzoeksters aangevoerde factoren niet voldoende om de conclusie van de Commissie ter discussie te stellen dat stalen kabels van verwante groepen onderling verwisselbaar zijn, elkaar in zekere mate overlappen en beconcurreren. Anderzijds moet worden vastgesteld dat geen bepaling van de basisverordening de instellingen ertoe verplicht eenzelfde product verschillend te behandelen naargelang de verschillende toepassingen ervan (zie in die zin arrest Gerecht van 29 januari 1998, Sinochem/Raad, T‑97/95, Jurispr. blz. II‑85, punt 53).
93 Dienaangaande kan het argument van verzoeksters inzake de eerdere praktijk van de instellingen evenmin worden aanvaard. Zoals hierboven in de punten 77 tot en met 79 is uiteengezet, is het immers aan de instellingen, in het kader van hun beoordelingsvrijheid in een tussentijds nieuw onderzoek volgens artikel 11, lid 3, van de basisverordening te onderzoeken of het noodzakelijk is de antidumpingmaatregelen te handhaven. Die beoordelingsbevoegdheid moet per geval worden uitgeoefend met inachtneming van alle relevante feiten (zie in die zin arrest Hof van 14 maart 1990, Gestetner Holdings/Raad en Commissie, C‑156/87, Jurispr. blz. I‑781, punt 43). De beoordelingen in verordening nr. 2537/1999 ondersteunen in ieder geval niet het standpunt van verzoeksters, dat een nieuw onderzoek met het oog op uitsluiting van kabels voor algemene toepassingen van de betrokken antidumpingmaatregelen gerechtvaardigd is omdat uit het onderzoek dat heeft geleid tot de uitsluiting van microschijven met grote capaciteit bij deze verordening, duidelijk was gebleken dat er in termen van fysische en technische kenmerken een duidelijk onderscheid bestond tussen de twee betrokken producten. In tegenstelling tot wat verzoeksters beweren, volgt uit verordening nr. 2537/1999 niet dat de instellingen het eindgebruik en de prijs van deze producten als bepalende factoren hadden beschouwd. Zo komt het eindgebruik in de conclusie van het onderzoek alleen ter sprake in punt 27 van de considerans van verordening nr. 2537/1999, waarin de Raad stelt dat „[...] het punt van het eindgebruik op zich niet toereikend is om tot de slotsom te komen dat gewone microschijven [en microschijven met grote capaciteit] één enkel product vormen”, terwijl over de prijsverschillen tussen deze twee producten in deze conclusie niets wordt gezegd.
94 Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat de door verzoeksters aangevoerde argumenten met betrekking tot de wijziging van de technische normen van het CEN of de vermeende wijziging in de perceptie van de markt niet kunnen aantonen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te weigeren een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek naar de betreffende antidumpingmaatregelen te openen in het licht van het door verzoeksters aangevoerde bewijs voor een wijziging van omstandigheden wat de definitie van het betrokken product betreft.
95 Hieruit volgt dat het eerste onderdeel van het eerste middel moet worden afgewezen.
b) Het tweede onderdeel: wijziging van omstandigheden in verband met de productie van kabels voor algemene toepassingen in de Gemeenschap
Argumenten van partijen
96 Onder verwijzing naar verordening (EG) nr. 495/2002 van de Raad van 18 maart 2002 houdende intrekking van verordening (EG) nr. 904/98 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer in de Gemeenschap van faxapparaten voor persoonlijk gebruik van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Japan, de Republiek Korea, Maleisië, Singapore, Taiwan en Thailand (PB L 78, blz. 1) stellen verzoeksters dat de Raad deze verordening nr. 904/98 heeft ingetrokken na een verzoek om een tussentijds nieuw onderzoek, om reden dat de productie van faxapparaten voor persoonlijk gebruik door de communautaire bedrijfstak sterk was gedaald en vermoedelijk in de nabije toekomst zou worden stopgezet (zie punt 9 van de considerans van deze verordening).
97 Uit deze verordening leiden zij dan ook af dat het niet in het belang van de Gemeenschap is, en dus in strijd is met artikel 21 van de basisverordening, antidumpingmaatregelen te handhaven op een product waarvan de productie in de Gemeenschap sterk is teruggelopen en vermoedelijk in de nabije toekomst zal worden stopgezet.
98 Verzoeksters hebben in het verzoek om een nieuw onderzoek aangetoond dat de productie van kabels voor algemene toepassingen thans in de Gemeenschap verwaarloosbaar is vergeleken met de periode van 1999 tot 2001, toen er in de Gemeenschap grote hoeveelheden kabels voor algemene toepassingen werden geproduceerd. Zij menen dat het bewijs van deze wijziging van omstandigheden geleverd is.
99 In de eerste plaats bevatte de vertrouwelijke versie van het verzoek om een nieuw onderzoek verschillende verklaringen van producenten van de Gemeenschap die aantonen dat kabels voor algemene toepassingen uit de productieprogramma’s zijn geschrapt of dat deze producenten niet meer in staat zijn ze te produceren. Hoewel verzoeksters deze verklaringen, om het vertrouwelijke karakter ervan te bewaren, niet in het geding hebben gebracht, merken zij op dat de Commissie kennis had van deze documenten, omdat zij immers in het bezit is van de vertrouwelijke versie van het verzoek om een nieuw onderzoek.
100 In de tweede plaats blijkt het verdwijnen van deze productie uit de in bijlage 4 bij het verzoek om een nieuw onderzoek gevoegde reclame-uitingen, websites en catalogi van de producenten van de Gemeenschap. Uit deze documenten blijkt dat de betrokken communautaire producenten van stalen kabels op dit moment hoofdzakelijk kabels voor specifieke toepassingen produceren.
101 De Commissie heeft geen rekening willen houden met dit bewijsmateriaal, omdat zij in de litigieuze brief niet verwijst naar het verdwijnen van de productie van kabels voor algemene toepassingen. De negatieve gevolgen van de antidumpingrechten zijn dan ook buitenproportioneel, omdat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het feit dat handhaving van de antidumpingmaatregelen geen enkel voordeel zal opleveren voor de productie van kabels voor algemene toepassingen in de Gemeenschap. Hieruit concluderen verzoeksters dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt en artikel 21 van de basisverordening heeft geschonden.
102 De Commissie stelt allereerst dat dit onderdeel van het eerste middel om twee redenen niet-ontvankelijk is. Ten eerste hebben verzoeksters in de administratieve procedure nooit gesteld dat handhaving van de maatregelen niet in het belang van de Gemeenschap was en schending van artikel 21 van de basisverordening zou vormen.
103 Ten tweede baseren verzoeksters hun argument van het geleidelijk verdwijnen van de productie van kabels voor algemene toepassingen in de Gemeenschap op feitelijke beweringen die niet voorkomen in de bij het verzoekschrift gevoegde niet-vertrouwelijke versie van het verzoek om een nieuw onderzoek, en op verklaringen van producenten van de Gemeenschap die niet bij het verzoekschrift zijn gevoegd.
104 Al zou dit onderdeel ontvankelijk zijn, dan nog betwist de Commissie de bewering van verzoeksters dat de productie van kabels voor algemene toepassingen in de Gemeenschap onbelangrijk zou zijn geworden.
Beoordeling door het Gerecht
– Ontvankelijkheid
105 Ten aanzien van de door de Commissie gestelde niet-ontvankelijkheid van het tweede onderdeel van het eerste middel, op grond dat het argument van de strijdigheid met het belang van de Gemeenschap niet was aangevoerd in de administratieve procedure, dient te worden opgemerkt dat deel IV van het verzoek om een nieuw onderzoek als opschrift heeft „De geleidelijke stopzetting van de productie van kabels voor algemene toepassingen in de Gemeenschap”. Verzoeksters maken hierin melding van een afnemende productie van stalen kabels voor algemene toepassingen in de Gemeenschap, waarin zij een wijziging zien die herdefinitie van de werkingssfeer van de betreffende antidumpingmaatregelen, neerkomend op uitsluiting van deze kabels van de definitie van het betrokken product, noodzakelijk maakt. Ter onderbouwing van hun argument verwijzen verzoeksters in het verzoek om een nieuw onderzoek naar verordening nr. 495/2002 (zie punt 96 hierboven). In deze verordening heeft de Raad in het kader van een tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening gemeend dat het intrekken van de antidumpingmaatregelen voor bepaalde soorten faxapparaten voor persoonlijk gebruik in het belang van de Gemeenschap was, gelet op het feit dat de communautaire productie van de producten waarop deze maatregelen van toepassing waren, binnen afzienbare tijd werd gestaakt.
106 De argumenten met betrekking tot de geleidelijke stopzetting van de productie van kabels voor algemene toepassingen in de Gemeenschap zijn in het verzoekschrift integraal herhaald. Verzoeksters hebben hierin, onder verwijzing naar punt 9 van de considerans van verordening nr. 495/2002, aangegeven dat handhaving van de betrokken antidumpingmaatregelen, gezien de geleidelijke verdwijning van de productie van kabels voor algemene toepassingen, niet in het belang van de Gemeenschap zou zijn en een schending zou vormen van artikel 21 van de basisverordening.
107 Uit artikel 21, lid 1, van de basisverordening (thans artikel 21, lid 1, tweede en derde zin, van verordening nr. 1225/2009) volgt dat de instellingen het recht hebben bepaalde antidumpingmaatregelen niet toe te passen, ook al is voldaan aan de andere voorwaarden voor het opleggen van een antidumpingrecht, zoals dumping, schade en causaal verband, wanneer zij van mening zijn dat toepassing van deze maatregelen niet in het belang van de Gemeenschap is. In het geval van een geleidelijke verdwijning van de communautaire productie van producten waarop antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, is de beoordeling van het belang van de Gemeenschap binnen het kader van een tussentijds nieuw onderzoek volgens artikel 11, lid 3, van de basisverordening een punt dat verband houdt met de vraag naar de noodzaak van handhaving van de betrokken antidumpingmaatregelen.
108 De grief van de Commissie dat verzoeksters een argument naar voren brengen dat niet is aangevoerd in de administratieve procedure, is gebaseerd op een onjuiste premisse, daar in het verzoek om een nieuw onderzoek, ten minste op impliciete wijze, melding is gemaakt van het verdwijnen van het belang van de Gemeenschap, omdat hierin is verwezen naar de geleidelijke stopzetting van de productie van kabels voor algemene toepassingen in de Gemeenschap en hierin, onder verwijzing naar punt 9 van de considerans van verordening nr. 495/2002, is aangegeven dat de betrokken antidumpingmaatregelen „geen enkel voordeel inhouden voor de bescherming van deze [communautaire] productie tegen eventuele oneerlijke handelspraktijken”.
109 Hieruit volgt dat het ontbreken van een expliciete vermelding van artikel 21 van de basisverordening in het verzoek om een nieuw onderzoek de ontvankelijkheid van dit onderdeel van het eerste middel niet aantast.
110 Ten aanzien van de ontbrekende overlegging van de vermeende vertrouwelijke verklaringen van producenten uit de Gemeenschap die betrekking hebben op het verdwijnen van de productie van stalen kabels voor algemene toepassingen in de Gemeenschap, is het Gerecht van oordeel dat een dergelijke vraag behoort tot de beoordeling van het bewijs van de beweringen van verzoeksters, en daarom zal worden behandeld in het kader van de beoordeling van de gegrondheid van dit onderdeel van het eerste middel.
111 Uit het voorgaande volgt dat het ontvankelijkheidsbezwaar van de Commissie tegen het tweede onderdeel van het eerste middel dient te worden afgewezen.
– Ten gronde
112 Verzoeksters stellen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te weigeren vast te stellen dat de productie van kabels voor algemene toepassingen in de Gemeenschap verdwijnt, en daarmee te weigeren aan het verzoek om een nieuw onderzoek te voldoen.
113 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat verzoeksters wel stellen dat de productie van kabels voor algemene toepassingen in de Gemeenschap verwaarloosbaar zou zijn, maar hiervoor niet het minste concrete bewijs hebben aangevoerd.
114 Allereerst dient ten aanzien van de verklaringen van producenten van de Gemeenschap waarop verzoeksters zich baseren om aan te tonen dat de productie van kabels voor algemene toepassingen in de Gemeenschap afneemt, te worden opgemerkt dat dergelijke losstaande verklaringen van producenten van de Gemeenschap volgens welke zij kabels voor algemene toepassingen uit hun productieprogramma hebben geschrapt, buiten het feit dat ze in het kader van het onderhavige beroep niet zijn overgelegd, op zichzelf niet kunnen worden beschouwd als voldoende bewijs van een geleidelijke staking van de productie van kabels voor algemene toepassingen in de Gemeenschap, als ze niet worden ondersteund door objectief bewijs, zoals productiestatistieken.
115 Bovendien blijkt uit de reclame-uitingen van de producenten van de Gemeenschap in het aan het verzoekschrift gehechte verzoek om een nieuw onderzoek niet dat de productie van kabels voor algemene toepassingen in de Gemeenschap geleidelijk verdwijnt, maar eerder dat de producenten in de Gemeenschap een volledig assortiment van verschillende soorten stalen kabels aanbieden, zonder dat deze reclame-uitingen vermelden of deze kabels in de Gemeenschap worden geproduceerd of worden ingevoerd. In ieder geval zijn enkele fragmenten van reclame-uitingen, websites of catalogi van producenten in de Gemeenschap waaruit blijkt dat zij zich concentreren op de productie van kabels voor specifieke toepassingen, niet voldoende om aan te tonen dat de totale productie van kabels voor algemene toepassingen in de Gemeenschap geleidelijk verdwijnt.
116 De argumenten van verzoeksters met betrekking tot een wijziging van omstandigheden ten aanzien van de geleidelijke verdwijning van de productie van kabels voor algemene toepassingen in de Gemeenschap kunnen dan ook niet aantonen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek naar de betrokken antidumpingmaatregelen in het licht van het door hen aangevoerde bewijs te weigeren.
117 Hieruit volgt dat het tweede onderdeel van het eerste middel dient te worden afgewezen.
c) Het derde onderdeel: wijziging van omstandigheden met betrekking tot het bestaan van schade
Argumenten van partijen
118 Volgens verzoeksters is de constatering dat de invoer van kabels voor algemene toepassingen voor hen een aanzienlijke schade in de zin van artikel 3 van de basisverordening opleverde, een constatering daterend uit de tijd toen de fabrikanten in de Gemeenschap nog dit soort kabels produceerden, heden ten dage niet meer juist.
119 In de eerste plaats hebben verzoeksters in het verzoek om een nieuw onderzoek aangetoond dat kabels voor algemene en voor specifieke toepassingen zich op verschillende markten ontwikkelen, die zich onderscheiden door de nieuwe normen EN 12385 en EN 10264. Bovendien onderscheiden de markt van kabels voor algemene toepassingen en die van kabels voor specifieke toepassingen zich doordat de eerste kabels over het algemeen in industriële lengten worden aangeboden en de tweede, die in de Gemeenschap worden geproduceerd, in beginsel een aanvullende bewerking ondergaan.
120 In de tweede plaats hadden verzoeksters in de vertrouwelijke versie van het verzoek om een nieuw onderzoek verklaringen aangeleverd van producenten van de Gemeenschap die grote hoeveelheden kabels voor algemene toepassingen invoerden, onder andere uit landen waar de antidumpingmaatregelen op stalen kabels van toepassing waren. Deze invoer bracht geen schade meer met zich voor de producenten van de Gemeenschap, die nooit zichzelf schade zouden berokkenen. Hoewel verzoeksters die verklaringen, om het vertrouwelijke karakter ervan te beschermen, niet in het geding hebben gebracht, merken zij op dat de Commissie kennis van deze documenten had, omdat zij in het bezit was van de vertrouwelijke versie van het verzoek om een nieuw onderzoek.
121 Aangezien er op dit moment geen schade is door de import van kabels voor algemene toepassingen, stellen verzoeksters dat het weinig waarschijnlijk is dat de schade zal blijven bestaan of zich opnieuw zal voordoen wanneer deze invoer wordt uitgesloten van de werkingssfeer van de betrokken antidumpingmaatregelen.
122 Door niet te willen constateren dat de schade in de zin van artikel 3 van de basisverordening verdwenen is, en dientengevolge te weigeren aan het verzoek om opening van een nieuw onderzoek te voldoen, heeft de Commissie een kennelijke beoordelingsfout gemaakt en artikel 11, lid 3, van de basisverordening geschonden.
123 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.
Beoordeling door het Gerecht
124 Zoals reeds is opgemerkt in punt 37 hierboven, wordt volgens artikel 11, lid 3, van de basisverordening een tussentijds nieuw onderzoek geopend wanneer het verzoek daartoe voldoende bewijs bevat dat handhaving van de maatregel niet langer noodzakelijk is om een einde te maken aan de dumping en/of dat het onwaarschijnlijk is dat de schade zal blijven bestaan of zich opnieuw zal voordoen indien de maatregel wordt ingetrokken of gewijzigd, dan wel dat de bestaande maatregel niet of niet langer toereikend is om de dumping en de daaruit voortvloeiende schade tegen te gaan.
125 Wat in de eerste plaats het argument van verzoeksters betreft dat kabels voor algemene en voor specifieke toepassingen zich op verschillende markten ontwikkelen, die zich van elkaar onderscheiden door nieuwe normen van het CEN, en het argument dat er verschillen bestaan ten aanzien van het op de markt brengen van deze kabels, dient te worden vastgesteld dat deze argumenten reeds zijn behandeld en afgewezen bij het onderzoek van het eerste onderdeel van dit middel in de punten 86 tot en met 95 hierboven.
126 Ten aanzien van, in de tweede plaats, de verklaring van verzoeksters dat de producenten van de Gemeenschap grote hoeveelheden kabels voor algemene toepassingen invoeren, onder andere uit landen waar de antidumpingmaatregelen op stalen kabels van toepassing zijn, moet enerzijds worden opgemerkt dat de losstaande verklaringen van producenten van de Gemeenschap die bevestigen dat zij grote hoeveelheden kabels voor algemene toepassingen invoeren, waarop verzoeksters zich baseren, buiten het feit dat ze niet zijn overgelegd in het kader van dit beroep, op zichzelf niet kunnen worden beschouwd als voldoende bewijs van dergelijke invoer, wanneer zij niet worden ondersteund door objectief bewijs, zoals statistieken met betrekking tot de invoer van deze kabels in de Gemeenschap. Anderzijds toont de simpele verklaring van verzoeksters, dat het blijven bestaan of zich opnieuw voordoen van de schade „weinig waarschijnlijk” is, niet aan dat de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade is verdwenen.
127 De door verzoeksters aangevoerde argumenten met betrekking tot een wijziging van omstandigheden ten aanzien van het bestaan van schade kunnen dus niet aantonen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek naar de betrokken antidumpingmaatregelen in het licht van het door verzoeksters aangedragen bewijs te weigeren.
128 Het derde onderdeel van dit middel dient derhalve te worden afgewezen.
129 Het eerste middel moet dan ook in zijn geheel worden afgewezen.
2. Het tweede middel: schending van het vertrouwensbeginsel
a) Argumenten van partijen
130 Verzoeksters stellen dat de Commissie hun gewettigd vertrouwen heeft geschonden door geen tussentijds nieuw onderzoek naar de antidumpingmaatregelen te willen openen. Uit de vaste rechtspraak zou volgen dat het recht om zich op bescherming van het gewettigd vertrouwen te beroepen toekomt aan iedere particulier die zich in een situatie bevindt waaruit blijkt dat het bestuur van de Unie, door hem nauwkeurige toezeggingen te doen, bij hem gegronde verwachtingen heeft gewekt [arrest Gerecht van 16 november 2006, Masdar (UK)/Commissie, T‑333/03, Jurispr. blz. II‑4377, punt 119].
131 In casu heeft de Commissie bij verzoeksters een gewettigd vertrouwen gewekt door hun te vragen hun argument dat kabels voor algemene toepassingen substantieel verschillen van kabels voor specifieke toepassingen, in het kader van een tussentijds nieuw onderzoek opnieuw uiteen te zetten. Deze toezeggingen waren voldoende bepaald en waren afkomstig van bevoegde en betrouwbare bronnen.
132 Ten eerste had de Commissie verzoeksters, bij de beëindiging van de procedure van een nieuw onderzoek uit hoofde van artikel 11, lid 2, van de basisverordening met betrekking tot de bij verordening nr. 1796/1999 ingestelde antidumpingmaatregelen op de invoer van stalen kabels uit China, India, Zuid-Afrika en Oekraïne, gestimuleerd een verzoek om een tussentijds nieuw onderzoek strekkende tot aanpassing van de draagwijdte van de betrokken maatregelen in te dienen. In het bijzonder had een van de vertegenwoordigers van de Commissie EWRIA benaderd om te laten weten dat het verzoek van verzoeksters om aanpassing van de werkingssfeer van de antidumpingmaatregelen niet kon worden ingediend binnen de context van een nieuw onderzoek uit hoofde van de beëindiging, maar moest worden ingediend in het kader van een tussentijds nieuw onderzoek, met toepassing van artikel 11, lid 3, van de basisverordening. Volgens verzoeksters had de vertegenwoordiger van de Commissie geen enkele reden om contact op te nemen met EWRIA, behalve wanneer de Commissie een nieuwe definitie van de werkingssfeer van de betrokken antidumpingmaatregelen van belang had gevonden. Hieruit volgt dat de vertegenwoordiger verzoeksters op deze wijze heeft gestimuleerd een verzoek om een tussentijds nieuw onderzoek in te dienen.
133 Hier komt bij, aldus verzoeksters, dat de delegatie van de Commissie die op bezoek was bij Heko Industrieerzeugnisse, een van de verzoekende partijen, in het kader van de procedure voor een nieuw onderzoek uit hoofde van beëindiging overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening, van de bij verordening nr. 1601/2001 ingestelde antidumpingmaatregelen op de invoer van bepaalde soorten stalen kabels uit Rusland, Thailand en Turkije, duidelijk belangstelling had getoond voor een herdefinitie van de omvang van de maatregelen ten aanzien van stalen kabels.
134 Ten derde hadden de vertegenwoordigers van de Commissie tijdens de informele bijeenkomst over het verzoek om een nieuw onderzoek, bij verzoeksters de indruk gewekt dat de Commissie positief stond tegenover een beoordeling van hun argumenten binnen het kader van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek wat betreft de betrokken producten. Deze vertegenwoordigers hadden de eerste versie van het verzoek om een nieuw onderzoek van verzoeksters doorgelezen en hadden verschillende aanbevelingen voor wijzigingen gedaan. Verzoeksters hadden hun verzoek op basis van deze aanbevelingen gecorrigeerd en hadden de door deze vertegenwoordigers van de Commissie voorgestelde argumenten daarbij meegenomen. Een van die vertegenwoordigers had naar aanleiding van de gecorrigeerde versie contact opgenomen met verzoeksters en hun laten weten dat zijns inziens geen verdere aanpassing meer nodig was en dat het verzoek, gezien de „veelbelovende” argumenten die het bevatte, onmiddellijk officieel bij de Commissie moest worden ingediend.
135 Om aan te tonen dat deze contacten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, stellen verzoeksters voor, de heer [H.], voorzitter van EWRIA, als getuige te horen overeenkomstig artikel 65, sub c, van het Reglement voor de procesvoering.
136 Dit gedrag van de Commissie wekte de indruk dat zij van plan was haar standpunt ten aanzien van de definitie van het betrokken product en van de soortgelijke producten in de antidumpingmaatregelen op stalen kabels te wijzigen. Verzoeksters hadden alle reden te geloven dat, wanneer zij tijdig een verzoek om een tussentijds nieuw onderzoek ter aanpassing van de omvang van de betreffende antidumpingmaatregelen en uitsluiting van kabels voor algemene toepassingen indienden, de Commissie onverwijld de procedure voor een tussentijds nieuw onderzoek zou openen.
137 Verzoeksters hebben zich gebaseerd op deze verwachting en hebben op 12 juni 2007 hun verzoek om een nieuw onderzoek ingediend en hier de nodige tijd en middelen in gestoken. Door het gevraagde tussentijdse nieuwe onderzoek te weigeren hebben de instellingen van de Unie dus het gewettigd vertrouwen van verzoeksters geschonden.
138 De Commissie antwoordt dat zij geen nauwkeurige toezeggingen aan verzoeksters heeft gedaan ten aanzien van het feit dat er een nieuw onderzoek zou plaatsvinden.
b) Beoordeling door het Gerecht
139 Volgens de rechtspraak strekt het beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen zich uit tot eenieder die zich in een situatie bevindt waaruit blijkt dat het bestuur van de Unie, door hem nauwkeurige, onvoorwaardelijke en concordante toezeggingen te hebben gedaan die van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstig zijn, gegronde verwachtingen bij hem heeft gewekt [zie arresten Gerecht van 6 juli 1999, Forvass/Commissie, T‑203/97, JurAmbt. blz. I‑A‑129 en II‑705, punt 70 en de aldaar aangehaalde rechtspraak; 26 september 2002, Borremans e.a./Commissie, T‑319/00, JurAmbt. blz. I‑A‑171 en II‑905, punt 63, en 9 juli 2008, Reber/BHIM – Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (Mozart), T‑304/06, Jurispr. blz. II‑1927, punt 64]. Die toezeggingen moeten evenwel in overeenstemming zijn met de toepasselijke bepalingen en normen, aangezien toezeggingen die geen rekening houden met deze bepalingen, bij de betrokkene geen gewettigd vertrouwen kunnen wekken (zie arresten Gerecht van 5 november 2002, Ronsse/Commissie, T‑205/01, JurAmbt. blz. I‑A‑211 en II‑1065, punt 54, en 16 maart 2005, Ricci/Commissie, T‑329/03, JurAmbt. blz. I‑A‑69 en II‑315, punt 79 en de aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest Mozart, reeds aangehaald; zie in die zin ook arrest Hof van 6 februari 1986, Vlachou/Rekenkamer, 162/84, Jurispr. blz. 481, punt 6).
140 In casu moet eerst worden vastgesteld dat uit geen enkel stuk in het dossier kan worden bepaald wat de inhoud is van de beweerde mondelinge toezeggingen. De Commissie erkent weliswaar dat zij tussen augustus 2004 en november 2005 contact met verzoeksters heeft gehad gedurende het nieuwe onderzoek naar de bij verordening nr. 1796/1999 ingestelde antidumpingmaatregelen die ten einde liepen, en in oktober 2006 voorafgaand aan het verzoek om een nieuw onderzoek. Zij betwist echter dat zij hun nauwkeurige en onvoorwaardelijke toezeggingen heeft gedaan die bij hen gegronde verwachtingen hadden kunnen wekken dat een nieuw onderzoek zou worden geopend.
141 Ten eerste beweren verzoeksters, ten aanzien van de contacten met de Commissie in het kader van de procedure voor een nieuw onderzoek wegens de beëindiging van verordening nr. 1769/1999, dat de Commissie hen heeft „gestimuleerd” te verzoeken om een nieuw onderzoek, en merken op dat de vertegenwoordiger van de Commissie contact met hen had opgenomen om hun bepaalde procedurele aspecten rond een verzoek om een tussentijds nieuw onderzoek duidelijk te maken. Zelfs indien de Commissie tijdens deze contacten de mogelijkheid van een dergelijk nieuw onderzoek zou hebben overwogen, dient echter te worden vastgesteld dat de genoemde factoren geen nauwkeurige, onvoorwaardelijke en concordante toezeggingen vormen, dat er een nieuw onderzoek zou plaatsvinden.
142 Wat ten tweede het contact betreft tussen verzoeksters en de vertegenwoordigers van de Commissie tijdens hun bezoek aan Heko Industrieerzeugnisse in het kader van de procedure voor een nieuw onderzoek wegens de beëindiging van de bij verordening nr. 1601/2001 ingestelde antidumpingmaatregelen, stellen verzoeksters slechts dat de vertegenwoordigers van de Commissie „belangstelling” hadden getoond voor een herdefinitie van de omvang van de betreffende antidumpingmaatregelen, wat geen nauwkeurige en onvoorwaardelijke toezegging is, dat er een tussentijds nieuw onderzoek zou worden geopend.
143 Ten derde stellen verzoeksters, ten aanzien van de informele bijeenkomst met de Commissie over hun verzoek om een nieuw onderzoek, waarop dit beroep betrekking heeft, slechts dat zij de „indruk” hadden dat de Commissie positief stond tegenover een beoordeling van hun argumenten in het kader van een nieuw onderzoek, en dat zij hun argumenten als „veelbelovend” had bestempeld. Dergelijke factoren kunnen geen nauwkeurige, onvoorwaardelijke en concordante toezeggingen vormen, dat er een tussentijds nieuw onderzoek zou worden geopend. Bovendien kan het antwoord van de Commissie op verzoeken om voorafgaand technisch advies, zoals zij stelt, niet als een formele of informele beslissing van haar worden beschouwd, omdat de analyse van de zaak eerst kan plaatsvinden op basis van de argumentatie en het reële bewijs in een officieel ingediend verzoek, en dus in geen geval enig gewettigd vertrouwen kan hebben gewekt, dat er een tussentijds nieuw onderzoek zou worden geopend.
144 Gezien het feit dat niet wordt betwist dat deze contacten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, en dat de vermeende contacten in geen geval enig gewettigd vertrouwen bij verzoeksters konden wekken dat er een tussentijds nieuw onderzoek zou worden geopend, hoeft het door verzoeksters geformuleerde verzoek om maatregelen van instructie dan ook niet te worden ingewilligd.
145 Uit een en ander volgt dat het tweede middel dient te worden afgewezen.
3. Het derde middel: kennelijke beoordelingsfout en schending van artikel 1, lid 4, van de basisverordening
a) Argumenten van partijen
146 Verzoeksters stellen dat de instellingen van de Unie de antidumpingmaatregelen op stalen kabels hebben gebaseerd op een te ruime definitie van het betrokken product. De instellingen hebben daardoor producten met elkaar vergeleken die geen soortgelijke producten zijn, en zodoende onjuiste conclusies getrokken.
147 Verzoeksters herinneren eraan dat zij dit argument uiteengezet hebben in hun verzoek om een nieuw onderzoek en de Commissie hebben verzocht de omvang van de maatregelen aan te passen door de invoer van kabels voor algemene toepassingen ervan uit te sluiten. De Commissie heeft echter geen rekening gehouden met hun argumentatie. De beweringen van de Commissie in de litigieuze brief, dat de verschillende soorten stalen kabels alle „dezelfde fysieke basiskenmerken [...] alsook dezelfde technische basiskenmerken” hebben en dat „hoewel producten in het top‑ en het basissegment niet onderling verwisselbaar zijn, [...] producten in aangrenzende segmenten dat wel” zijn, zijn onjuist, en wel om de volgende redenen, die reeds in het verzoek om een nieuw onderzoek uiteengezet waren.
148 Ten eerste verschillen de fysische en technische kenmerken van kabels voor specifieke toepassingen van die van kabels voor algemene toepassingen, in die zin dat zij overeenkomstig de norm EN 10264 extra bestanddelen bevatten en het gebruik van draad voor zware belastingen vereisen.
149 Ten tweede is de wijze van productie van kabels voor specifieke toepassingen wezenlijk anders dan die van kabels voor algemene toepassingen, omdat hiervoor een geautomatiseerde productielijn en aanvullende apparatuur vereist zijn.
150 Ten derde verschilt ook het eindgebruik van deze twee soorten kabels. In tegenstelling tot kabels voor algemene toepassingen worden kabels voor specifieke toepassingen gebruikt voor speciale doeleinden, waardoor zij een uitzonderlijke fysische en technische kwaliteit moeten hebben.
151 Ten vierde zijn kabels voor specifieke toepassingen en kabels voor algemene toepassingen niet onderling verwisselbaar. Kabels voor algemene toepassingen kunnen voor diverse speciale doeleinden niet worden gebruikt.
152 Ten vijfde worden er vandaag de dag in de Gemeenschap nauwelijks nog kabels voor algemene toepassingen geproduceerd.
153 Verzoeksters onderstrepen dat al deze factoren aantonen dat er een duidelijke scheidslijn bestaat tussen kabels voor algemene en voor specifieke toepassingen. De Commissie blijft echter, onder verwijzing naar de ruime definitie van het product waarin wordt gesproken van „basiskenmerken”, in de Gemeenschap geproduceerde kabels voor specifieke toepassingen en ingevoerde kabels voor algemene toepassingen met elkaar vergelijken, terwijl dat geen soortgelijke producten zijn. Door geen tussentijds nieuw onderzoek naar de antidumpingmaatregelen te willen openen heeft de Commissie een kennelijke beoordelingsfout gemaakt en artikel 1, lid 4, van de basisverordening geschonden.
154 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.
b) Beoordeling door het Gerecht
155 Met hun derde middel stellen verzoeksters dat de betrokken antidumpingmaatregelen gebaseerd zijn op een te ruime definitie van het betrokken product, waardoor de instellingen kabels voor specifieke toepassingen blijven vergelijken met kabels voor algemene toepassingen, terwijl deze producten volgens verzoeksters geen soortgelijke producten zijn. Om die redenen is het feit dat de Commissie weigert een tussentijds nieuw onderzoek naar de antidumpingmaatregelen te openen, enerzijds een kennelijke beoordelingsfout en anderzijds een schending van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.
156 Vastgesteld moet worden dat het argument dat de weigering van de Commissie een tussentijds nieuw onderzoek te openen een schending van artikel 1, lid 4, van de basisverordening is voor zover de Commissie, door een te ruime definitie van het betrokken product te hanteren die uitgaat van de basiskenmerken, in de Gemeenschap geproduceerde kabels voor specifieke toepassingen blijft vergelijken met ingevoerde kabels voor algemene toepassingen, er in wezen toe leidt dat de rechtmatigheid van de betrokken antidumpingmaatregelen, en in het bijzonder de hierin opgenomen definitie van het betrokken product, in twijfel wordt getrokken, hoewel de rechtmatigheid van deze maatregelen niet het voorwerp is van dit beroep, dat strekt tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie tot weigering van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek.
157 Bovendien moet ten aanzien van het argument dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door een tussentijds nieuw onderzoek in het licht van een vermeende wijziging van omstandigheden met betrekking tot het betrokken product, de productie in de Gemeenschap of de geleden schade te weigeren, worden vastgesteld dat dit samenvalt met het gestelde in het eerste middel, dat in de punten 55 tot en met 129 hierboven is afgewezen.
158 Hieruit volgt dat het derde middel, evenals het beroep in zijn geheel, moet worden verworpen.
Kosten
159 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Achtste kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) European Wire Rope Importers Association (EWRIA), Câbleries namuroises SA, Ropenhagen A/S, ESH Eisen- und Stahlhandelsgesellschaft mbH, Heko Industrieerzeugnisse GmbH, Interkabel Internationale Seil- und Kabel-Handels GmbH, Jose Casañ Colomar SA en Denwire Ltd worden verwezen in de kosten.
Martins Ribeiro
Papasavvas
Dittrich
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 17 december 2010.
ondertekeningen
Inhoud
Toepasselijke bepalingen
A – Antidumpingbasisverordening
B – De antidumpingmaatregelen betreffende de invoer van ijzeren of stalen kabels
1. De antidumpingmaatregelen betreffende de invoer van stalen kabels uit China, India, Zuid-Afrika en Oekraïne
2. De antidumpingmaatregelen betreffende de invoer van ijzeren of stalen kabels uit Rusland
Voorgeschiedenis van het geding
Procesverloop en conclusies van partijen
In rechte
A – Ontvankelijkheid
1. Ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 4 juli 2008 om geen gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek naar de antidumpingmaatregelen op stalen kabels te openen
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Gerecht
2. Ontvankelijkheid van de vordering, de Commissie te gelasten een tussentijds gedeeltelijk nieuw onderzoek in te stellen
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Gerecht
3. Ontvankelijkheid van de door verzoeksters aangevoerde middelen
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Gerecht
B – Ten gronde
1. Het eerste middel: schending van de artikelen 11, lid 3, en 21 van de basisverordening
a) Het eerste onderdeel: wijziging van omstandigheden in verband met de definitie van het betrokken product
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
b) Het tweede onderdeel: wijziging van omstandigheden in verband met de productie van kabels voor algemene toepassingen in de Gemeenschap
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
– Ontvankelijkheid
– Ten gronde
c) Het derde onderdeel: wijziging van omstandigheden met betrekking tot het bestaan van schade
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
2. Het tweede middel: schending van het vertrouwensbeginsel
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Gerecht
3. Het derde middel: kennelijke beoordelingsfout en schending van artikel 1, lid 4, van de basisverordening
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Gerecht
Kosten
* Procestaal: Engels.
Top