Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (DERDE KAMER) VAN 15 JULI 1993. - E. CAMARA ALLOISIO EN ANDEREN TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAAR - NIET-ONTVANKELIJKHEID - BEZWAREND BESLUIT - SAMENSTELLING VAN JURY VAN VERGELIJKEND ONDERZOEK. - GEVOEGDE ZAKEN T-17/90, T-28/91 EN T-17/92.
Jurisprudentie 1993 bladzijde II-00841
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Beroep tot nietigverklaring ° Voor beroep vatbare handelingen ° Begrip ° Handelingen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen ° Voorbereidende handelingen ° Daarvan uitgesloten
(EEG-Verdrag, art. 173)
2. Ambtenaren ° Beroep ° Bezwarend besluit ° Voorbereidende handeling ° Heropening van procedure van vergelijkend onderzoek na nietigverklaring van bepaalde besluiten van jury ° Niet-ontvankelijkheid
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
3. Ambtenaren ° Beroep ° Beroep tot schadevergoeding ingesteld zonder precontentieuze procedure volgens Statuut ° Niet-ontvankelijkheid
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
4. Ambtenaren ° Beroep ° Arrest tot nietigverklaring ° Gevolgen ° Nietigverklaring van besluit van jury van vergelijkend onderzoek ° Verplichtingen van administratie ° Wijziging van samenstelling van jury ° Toelaatbaarheid ° Voorwaarden
(EEG-Verdrag, art. 176; Ambtenarenstatuut, bijlage III)
5. Ambtenaren ° Vergelijkend onderzoek ° Beoordeling van geschiktheid van kandidaten ° Beoordelingsbevoegdheid van jury ° Rechterlijke toetsing ° Grenzen
(Ambtenarenstatuut, bijlage III)
Samenvatting1. Als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring, zijn alleen te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, die de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen. Handelingen of besluiten die in een uit verscheidene fasen bestaande procedure tot stand komen, inzonderheid na een interne procedure, zijn in beginsel slechts voor beroep vatbaar, wanneer het maatregelen betreft die aan het einde van die procedure het standpunt van de instelling definitief vastleggen, met uitsluiting van voorlopige maatregelen ter voorbereiding van de eindbeslissing.
2. Handelingen ter voorbereiding van een besluit vormen geen bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut en kunnen dus slechts incidenteel worden bestreden in een beroep tegen een vernietigbare handeling. Dat is het geval met een besluit van de administratie tot heropening van een procedure van vergelijkend onderzoek na de nietigverklaring door het Hof van bepaalde besluiten van de jury. Uit artikel 176 van het Verdrag, gelezen in samenhang met bijlage III van het Statuut, vloeit immers rechtstreeks voort, dat dat besluit dat geen enkel beslissingselement bevat dat kan worden afgezonderd van de gehele procedure van het vergelijkend onderzoek, de noodzakelijke stap was ter voortzetting van de procedure na het arrest tot nietigverklaring. Die maatregel heeft geen verder gaande gevolgen dan die welke eigen zijn aan een tussentijdse procedurele handeling en laat hun juridische en statutaire positie onverlet. Hij is dus een voorbereidingshandeling waarvan de onregelmatigheid slechts kan worden betwist in een beroep tegen het aan het einde van deze procedure genomen besluit.
3. Bij gebreke van een bezwarend besluit bestaat de precontentieuze procedure die tot doel heeft, een minnelijke schikking van een tussen ambtenaren en administratie gerezen geschil mogelijk te maken en te bevorderen in beginsel uit twee fasen. Volgens artikel 90, lid 1, van het Statuut kan elke ambtenaar bij het tot aanstelling bevoegd gezag een verzoek indienen om jegens hem een besluit te nemen. In geval van een ongunstig antwoord, of bij gebreke van een antwoord, kan de betrokkene onder de in artikel 90, lid 2, van het Statuut gestelde voorwaarden een klacht indienen tegen dat uitdrukkelijke of stilzwijgende besluit van afwijzing van zijn verzoek om de administratie in staat te stellen haar besluit naar aanleiding van daartegen mogelijkerwijs ingebrachte bedenkingen opnieuw te overwegen.
Wat de ontvankelijkheid van een schadevordering betreft, is het slechts bij een rechtstreeks verband tussen een vordering tot nietigverklaring en deze vordering dat deze laatste als accessoir aan de vordering tot nietigverklaring ontvankelijk is, zonder dat zij behoeft te zijn voorafgegaan door een verzoek aan het tot aanstelling bevoegd gezag om de gestelde schade te vergoeden, en door een klacht waarmee de betrokkene de gegrondheid van de stilzwijgende of uitdrukkelijke afwijzing van zijn verzoek betwist. Wanneer de gestelde schade niet het gevolg is van een bepaalde handeling waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, maar van een reeks fouten en nalatigheden van de administratie, moet de administratieve procedure daarentegen dwingend aanvangen met een verzoek aan het tot aanstelling bevoegd gezag om die schade te vergoeden en eventueel worden voortgezet met een klacht tegen het besluit tot afwijzing van dat verzoek.
4. Een gemeenschapsinstelling waarvan een handeling door de gemeenschapsrechter nietig wordt verklaard, moet krachtens artikel 176 van het Verdrag de nodige maatregelen nemen ter uitvoering van het arrest. In het geval van een vergelijkend onderzoek, waarin het Hof een besluit van de jury heeft nietig verklaard wegens schending van de motiveringsplicht en onregelmatigheid van de gevolgde procedure, impliceert de uitvoering van het arrest het herstel van de situatie zoals deze was voordat de door de rechter gewraakte omstandigheden zich voordeden. Wanneer de administratie om redenen die onafhankelijk zijn van haar wil, evenwel in de onmogelijkheid is de jury weer in haar oorspronkelijke samenstelling te formeren, kan zij om de continuïteit van de communautaire openbare dienst te verzekeren, sommige juryleden vervangen, mits de oorspronkelijke situatie daarbij zo dicht mogelijk wordt benaderd.
5. De beoordeling van de jury van een vergelijkend onderzoek van de geschiktheid van de kandidaten kan door de gemeenschapsrechter alleen worden getoetst bij kennelijke schending van de regels die de jurywerkzaamheden beheersen.
PartijenIn de gevoegde zaken T-17/90,
E. Camara Alloisio en anderen,
T-28/91,
E. Camara Alloisio en anderen, en
T-17/92,
H. Blieschies en anderen,
ambtenaren van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Slusny en O.-M. Slusny, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S. Van Raepenbusch en A. M. Alves Vieira, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende beroepen strekkende tot, in de eerste plaats, nietigverklaring van de besluiten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1989 betreffende de hervatting van de werkzaamheden van vergelijkend onderzoek COM2/82, in de tweede plaats, nietigverklaring van het besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek om verzoeksters niet tot de examens van voormeld vergelijkend onderzoek toe te laten, en in de derde plaats, veroordeling van de Commissie tot betaling van schadevergoeding,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Biancarelli, kamerpresident, B. Vesterdorf en R. Garcia-Valdecasas, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 18 mei 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrestDe feiten
1 Verzoeksters maken deel uit van een groep ambtenaren en andere personeelsleden van de Commissie die in december 1984 bij het Hof van Justitie beroepen hebben ingesteld tot nietigverklaring van de besluiten van de jury van intern vergelijkend onderzoek COM2/82 om hen niet toe te laten tot de examens van dit vergelijkend onderzoek. Dit onderzoek werd georganiseerd voor de vorming van een reserve van adjunct-assistenten, adjunct-secretariaatsassistenten en adjunct-technische assistenten in de rangen 5 en 4 van categorie B.
2 Bij twee arresten van 11 maart 1986 (zaak 293/84, Sorani e.a., Jurispr. 1986, blz. 967, en zaak 294/84, Adams e.a., Jurispr. 1986, blz. 977) heeft het Hof voormelde besluiten nietig verklaard op grond dat verzoeksters geen gelegenheid hebben gehad om opmerkingen te maken over het advies dat hun hiërarchieke meerderen over hen aan de jury hadden gegeven. Na die arresten heeft de jury de betrokken kandidaten in juni 1986 opgeroepen om hen in de gelegenheid te stellen dezelfde vragen te beantwoorden als die welke voordien aan hun hiërarchieke meerderen waren gesteld. Bij brief van 11 juli 1986 werden de kandidaten ingelicht, dat de besluiten om hen niet toe te laten tot de examens waren bevestigd.
3 Na klachten van sommige kandidaten tegen deze besluiten van 11 juli 1986 heeft de jury hen andermaal opgeroepen om hen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken over de antwoorden van hun hiërarchieke meerderen op de vragen die de jury hun had gesteld. Bij brieven van 12 februari 1987 werden de betrokken ambtenaren ingelicht, dat er volgens de jury geen aanleiding bestond het jegens hen genomen besluit, dat hun was meegedeeld op 11 juli 1986, te herzien. In die omstandigheden hebben de betrokkenen nieuwe beroepen ingesteld.
4 Bij arrest van 28 februari 1989 (gevoegde zaken 100/87, 146/87 en 153/87, Basch e.a., Jurispr. 1989, blz. 447) heeft het Hof de besluiten van de jury om hen niet toe te laten tot de examens, nietig verklaard wegens ontoereikende motivering en onregelmatigheid van de door de jury gevolgde procedure.
5 Ter uitvoering van dit arrest heeft de directeur Personeelszaken van de Commissie de jury uitgenodigd haar werkzaamheden te hervatten op het punt waar het Hof er onregelmatigheden in had vastgesteld.
6 Bij nota van 26 juni 1989 bracht hij verzoeksters daarvan op de hoogte. De nota luidt als volgt:
"Betreft: Hervatting van de procedure van vergelijkend onderzoek COM2/82 ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 1989 in de gevoegde zaken 100/87, 146/87 en 153/87 ten aanzien van de in het gelijk gestelde verzoeksters.
Teneinde te voldoen aan het arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 1989 heeft het tot aanstelling bevoegd gezag besloten, de werkzaamheden van de jury van het intern vergelijkend onderzoek voor de overgang van categorie C naar categorie B, waarvoor u zich kandidaat had gesteld, te hervatten op het punt waar de door de jury gevolgde procedure, wat u betreft, door het Hof onregelmatig is bevonden.
Daartoe zal de jury onverwijld in haar oorspronkelijke samenstelling worden bijeengeroepen behoudens wettelijk beletsel; zij zal haar werkzaamheden hervatten met inachtneming van het arrest van 28 februari 1989.
De kandidaten die tot de examens worden toegelaten, zullen via de gebruikelijke administratieve weg op de hoogte worden gebracht van de datum waarop de examens zullen plaatsvinden.
Deze examens worden, zoals bepaald in de voorwaarden van vergelijkend onderzoek COM2/82 onder punt III, lid 1, afgenomen na een toelatingsprocedure, bestaande uit:
a) heronderzoek van de dossiers van de kandidaten in de staat waarin zij zich bevonden bij de opening van het vergelijkend onderzoek;
b) een gesprek met de kandidaten om de geschiktheid na te gaan van hun vóór 25 oktober 1982 verworven kennis en ervaring voor de uitoefening van een functie op het niveau van categorie B;
c) een gesprek met hun toenmalige hiërarchieke meerderen, voor zover de jury zulks nodig acht ter beoordeling van hun kwalificaties voor de uitoefening van een functie van categorie B. De kandidaten kunnen de jury desgewenst verzoeken, tevens ambtenaren te horen die hun vóór 25 oktober 1982 leiding hebben gegeven.
(...)"
7 Op 7 september 1989 was er een vergadering tussen enerzijds de vertegenwoordigers van de ambtenarenvakbonden waarbij de bij voormeld arrest Basch betrokken kandidaten voor vergelijkend onderzoek COM2/82 waren aangesloten, en anderzijds de Commissie, vertegenwoordigd door haar directeur Personeelszaken.
8 Na die vergadering heeft de directeur Personeelszaken de vakbondsvertegenwoordigers een nota gestuurd, gedateerd 8 september 1989. Deze nota luidt als volgt:
"Op deze vergadering hebben wij gezamenlijk de procedure kunnen bepalen voor de behandeling van de bij het arrest van 28 februari 1989 (verzoekers) betrokken kandidaten voor COM2/82.
Ingevolge dit arrest worden de kandidaten teruggeplaatst op het tijdstip van de procedure waarop het Hof een gebrek heeft vastgesteld (motiveringsgebrek in de besluiten tot toelating van de kandidaten).
In deze omstandigheden zal de jury ° de 28 kandidaten en de juryleden zijn persoonlijk hierover ingelicht ° na gesprekken met de respectieve hiërarchieke meerderen van de kandidaten beslissen, of zij al dan niet worden toegelaten tot het vergelijkend onderzoek. Anderzijds zullen de kandidaten de gelegenheid hebben de jury te vragen, andere door hen aangewezen meerderen te horen. Vervolgens zal de jury de kandidaten zelf horen tijdens een gesprek, waarop zij haar oordeel tevens zal baseren.
De omstandigheden van het vergelijkend onderzoek waarin de kandidaten zich destijds bevonden, zullen worden gereconstrueerd (bij voorbeeld opleiding). Voor zover mogelijk zal de jury opnieuw worden samengesteld in zijn vorige samenstelling, wat volkomen in overeenstemming is met de praktijk en de rechtspraak op dit gebied.
Als referentieperiode voor de beoordeling van de toelating van de kandidaten geldt de periode tot 25 februari 1982 of, voor zover billijk, tot de datum waarop de prestaties van de andere niet klagende kandidaten of geslaagden zijn beoordeeld.
Ik heb nota genomen van de wens van de personeelsvertegenwoordigers ° die ik deel °, dat de jury haar werkzaamheden zo snel mogelijk (N.B.: in beginsel op 15 september 1989) hervat. Ik zal P. ook op de hoogte brengen van het verzoek na te gaan, of eventuele geslaagden die na verloop van tijd zouden worden benoemd, de in hun loopbaan ondervonden vertraging kunnen inhalen, zodat dit tijdig wordt bepaald voordat de lijst van geslaagde kandidaten wordt vastgesteld."
9 Vervolgens zijn de kandidaten in de loop van de maanden oktober, november en december 1989 door de jury opnieuw opgeroepen om hen de naam mee te delen van hun beoordelaar en die van de ambtenaren waardoor zij zouden worden begeleid. Bovendien heeft de jury hun gevraagd, of zij wensten dat andere personen, die hun beroepsbekwaamheid kenden en die de jury misschien niet kende, zou horen.
10 Volgens de Commissie heeft de jury na deze gesprekken alle voornoemde personen gehoord, behoudens overlijden of formele dan wel impliciete weigering na drie oproepen. Vervolgens is de jury overgegaan tot de fase van toelating tot de examens van het vergelijkend onderzoek.
11 Vóór de afwerking van die fase heeft de voorzitter van de Vakbond van Europese ambtenaren (SFE), daartoe behoorlijk gemachtigd, bij nota van 18 september 1989 namens de betrokken kandidaten een klacht ingediend in de zin van artikel 90, lid 2, van het Ambtenarenstatuut van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") tegen de nota van 26 juni 1989 van de directeur Personeelszaken waarin de hervatting van de procedure van het interne vergelijkend onderzoek COM2/82 werd aangekondigd; voorts verzochten klagers, zonder meer tot het vergelijkend onderzoek te worden toegelaten, evenals vergoeding van de schade die zij meenden te hebben geleden.
12 Op 20 december 1989 heeft de Commissie deze klachten verworpen. De desbetreffende besluiten zijn klagers meegedeeld bij nota' s van 22 december 1989, die zij hebben ontvangen tussen 8 en 10 januari 1990.
13 Bij een op 9 april 1990 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben klagers het eerste van de behandelde beroepen ingesteld (zaak T-17/90).
14 Bij nota' s van 8 augustus 1990 werd aan de toekomstige verzoeksters in zaak T-28/91 meegedeeld, dat zij niet waren toegelaten tot de examens.
15 De niet toegelaten kandidaten hebben tussen 31 oktober en 6 november 1990 klachten ingediend, die tussen 31 oktober en 7 november 1990 zijn ingeschreven bij het secretariaat-generaal van de Commissie. Zij eisten nietigverklaring van de afwijzende besluiten van de jury en van de administratie, toelating tot de examens zonder verdere formaliteiten, en vergoeding van materiële en immateriële schade.
16 Deze klachten zijn niet uitdrukkelijk beantwoord. De groep interservices, die was belast met het onderzoek van deze klachten, heeft op zijn vergadering van 6 maart 1991 evenwel vastgesteld, dat de kandidaten, alvorens door de jury te worden gehoord, niet waren ingelicht over de inhoud van de adviezen van hun hiërarchieke meerderen of van de personen die zij zelf hadden aangewezen om door de jury te worden geraadpleegd. Daarom heeft de administratie bij brieven van 13 maart 1991 de kandidaten laten weten, dat zij zouden worden uitgenodigd voor een nieuw gesprek met de jury.
17 Deze gesprekken vonden plaats in april 1991. Vervolgens heeft de jury de toelating van de al toegelaten kandidaten bevestigd en vier nieuwe kandidaten tot de examens toegelaten, namelijk Camera-Lampitelli, Kottowski, Lutz en Seube.
18 Het beroep in zaak T-28/91 is ingesteld op 30 april 1991.
19 Bij brieven van 28 mei 1991 werd de toekomstige verzoeksters in zaak T-17/92 meegedeeld, dat de jury hen niet had toegelaten tot de examens van het vergelijkend onderzoek, omdat zij geen blijk hadden gegeven van "het vereiste vermogen tot synthese, en van voldoende zin voor initiatief".
20 Tussen 30 juli en 6 augustus 1991 hebben de betrokkenen klachten ingediend tegen deze besluiten. Wegens het uitblijven van antwoord zijn deze klachten na het verstrijken van de in artikel 90, lid 2, van het statuut bepaalde termijn als stilzwijgend afgewezen te beschouwen. De administratie heeft evenwel op 14 april 1992 een uitdrukkelijk afwijzingsbesluit meegedeeld wat zeven van deze klachten betreft.
21 Onder deze omstandigheden is op 24 februari 1992 het beroep in zaak T-17/92 ingesteld.
Het procesverloop
22 Bij beschikking van 6 februari 1992 heeft het Gerecht de zaken T-17/90 en T-28/91 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en het arrest. Wat zaak T-28/91 betreft, heeft het Gerecht bij dezelfde beschikking besloten krachtens artikel 114, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering een door de Commissie voorgedragen exceptie van niet-ontvankelijkheid te voegen met de hoofdzaak.
23 Bij beschikking van 23 november 1992 heeft het Gerecht enerzijds de gevoegde zaken T-17/90 en T-28/91 en anderzijds zaak T-17/92 gevoegd voor de schriftelijke en mondelinge behandeling en het arrest. Bij beschikking van 28 april 1993 heeft het Gerecht enerzijds de gevoegde zaken T-17/90, T-28/91 en T-17/92 en anderzijds de zaak T-27/92 gevoegd voor de mondelinge behandeling.
24 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft de Commissie evenwel om bepaalde inlichtingen verzocht over de samenstelling van de jury van het vergelijkend onderzoek na voormeld arrest Basch. Het Gerecht heeft de Commissie ook verzocht bepaalde documenten voor te leggen over het vergelijkend onderzoek. De Commissie heeft tijdig aan de verzoeken van het Gerecht voldaan. De partijen zijn in hun pleidooien en antwoorden op vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 18 mei 1993.
De conclusies van partijen
Zaak T-17/90
25 In deze zaak concluderen verzoeksters dat het het Gerecht behage:
1) nietig en van onwaarde te verklaren het besluit van V., directeur Personeelszaken, van 26 juni 1989;
2) te verstaan, dat verzoeksters zonder meer tot vergelijkend onderzoek COM2/82 moeten worden toegelaten;
3) te verstaan, dat bij hun benoeming verzoeksters met terugwerkende kracht dezelfde voordelen zullen genieten als de reeds benoemde of bevorderde kandidaten, en dit vanaf het jaar 1982;
4) de wederpartij te veroordelen tot betaling van 200 000 BFR als vergoeding van de materiële en immateriële schade als gevolg van de vertraging van hun loopbaan, onverminderd vermeerdering van eis in de loop van het geding;
5) de wederpartij te verwijzen in de kosten.
26 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behage:
1) het beroep niet-ontvankelijk of althans ongegrond te verklaren;
2) kosten rechtens.
Zaak T-28/91
27 In deze zaak concluderen verzoeksters dat het het Gerecht behage:
1) nietig en van onwaarde te verklaren het besluit van V., directeur Personeelszaken, van 26 juni 1989;
2) te verstaan, dat de jury niet dient over te gaan tot een heronderzoek in het kader van het vergelijkend onderzoek, daaronder begrepen het bij brief van T. van 13 maart 1991 aangekondigde onderzoek;
3) te verstaan, dat verzoeksters zonder meer moeten worden toegelaten tot vergelijkend onderzoek COM2/82;
4) te verstaan, dat bij hun benoeming verzoeksters met terugwerkende kracht, te rekenen vanaf 20 februari 1992 dezelfde voordelen zullen genieten als de reeds benoemde of bevorderde kandidaten;
5) de wederpartij te veroordelen, aan elk van verzoeksters 200 000 BFR te betalen als vergoeding van materiële schade, onverminderd vermeerdering van eis in de loop van het geding;
6) de wederpartij te veroordelen, aan elk van verzoeksters 100 000 BFR te betalen als vergoeding van immateriële schade, onverminderd vermeerdering van eis in de loop van het geding;
7) de wederpartij te veroordelen tot betaling van rente ad 8 % over de schadevergoedingen, en wel vanaf de datum van de klachten die voorafgaand aan zaak T-17/90 zijn ingediend;
8) de wederpartij te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure.
28 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behage:
1) het beroep niet-ontvankelijk of althans ongegrond te verklaren;
2) kosten rechtens.
Zaak T-17/92
29 In deze zaak concluderen verzoeksters dat het het Gerecht behage:
1) nietig en van onwaarde te verklaren het besluit van de jury, verzoeksters niet toe te staan de procedure van vergelijkend onderzoek COM2/82 te vervolgen;
2) verzoeksters in alle gevallen toe te laten tot vergelijkend onderzoek COM2/82 zonder verdere formaliteiten, nadere opleiding of toetsing van de ontvangen vorming, met dien verstande dat zij op de lijst van geschikte kandidaten worden geplaatst;
3) verzoeksters met terugwerkende kracht vanaf 20 februari 1982 dezelfde voordelen toe te kennen als de benoemde of zelfs reeds bevorderde kandidaten;
4) de wederpartij te veroordelen, aan verzoeksters 200 000 BFR te betalen als vergoeding van materiële schade, onverminderd vermeerdering van eis in de loop van het geding;
5) de wederpartij te veroordelen, aan verzoeksters 100 000 BFR te betalen als vergoeding van immateriële schade, onverminderd vermeerdering van eis in de loop van het geding;
6) de wederpartij te veroordelen tot betaling van rente ad 8 % over de schadevergoedingen, en wel vanaf de datum van de klachten die voorafgaand aan de procedure in zaak 294/84 zijn ingediend;
7) de wederpartij te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure.
30 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behage:
1) het beroep te verwerpen;
2) kosten rechtens.
Zaak T-17/90
De ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
31 De Commissie stelt primair, dat het besluit van 26 juni 1989 van de directeur Personeelszaken geen voor verzoeksters bezwarende handeling is in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, aangezien dat besluit slechts een voorbereidingshandeling is.
32 In casu strekte het bestreden besluit tot heropening van de werkzaamheden van de jury van het vergelijkend onderzoek. Als onderdeel van de procedure van onderzoek van de sollicitaties in het kader van een vergelijkend onderzoek kan dit voorbereidingsbesluit volgens de rechtspraak van het Hof slechts geldig worden betwist in het kader van een beroep tegen het eindbesluit van de jury.
33 De Commissie betoogt in de tweede plaats, dat in het geval waarin ambtenaren, zoals hier, wensen dat het tot aanstelling bevoegd gezag een besluit jegens hen neemt, in casu de toelating zonder meer tot een vergelijkend onderzoek, toekenning van "dezelfde voordelen als aan de reeds benoemde of bevorderde kandidaten" vanaf 1982 en vergoeding van de in hun loopbaan beweerdelijk geleden schade, de administratieve procedure overeenkomstig artikel 90, lid 1, van het Statuut moet worden ingeleid met een verzoek van de betrokkenen aan het tot aanstelling bevoegd gezag het verlangde besluit te nemen. Slechts tegen de afwijzing van dit verzoek kunnen de betrokkenen binnen een nieuwe termijn van drie maanden bij het tot aanstelling bevoegd gezag een klacht indienen overeenkomstig lid 2 van dit artikel. Ook daarom is het beroep derhalve niet-ontvankelijk, "omdat het niet is voorafgegaan door een klacht tegen de afwijzing van de in de klachten van 22 september 1989 vervatte verzoeken".
34 In de derde plaats wijst de Commissie erop, dat een verzoeker geen schadevergoeding kan vorderen op basis van de onwettigheid van een besluit van de instelling, wanneer de vordering tot nietigverklaring van dit besluit niet-ontvankelijk is: niet-ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring waarop de schadevordering is geënt, brengt de niet-ontvankelijkheid van de laatste mee.
35 Verzoeksters antwoorden allereerst, dat het besluit van de directeur Personeelszaken van 26 juni 1989 wel degelijk een voor hen bezwarend besluit is. Aangezien het onmogelijk was de jury bijeen te roepen, was er geen ander alternatief geweest dan hen zonder meer tot het vergelijkend onderzoek toe te laten. In dit opzicht betwisten verzoeksters de uitlegging door de Commissie van de rechtspraak van het Hof en van het Gerecht. Zij concluderen, dat de betrokken handelingen in casu geen voorbereidende, maar "prealabele" handelingen waren.
36 Vervolgens wijzen zij erop, dat hun beroep wel degelijk is voorafgegaan door klachten.
37 Verzoeksters betogen ten slotte, dat de precontentieuze administratieve procedure in een enkele fase kan worden afgewerkt. Zij drukken zich uit als volgt: "Verzoeksters merken op (...), dat het betrokken standpunt geen absolute regel is, en zij voeren in elk geval aan, dat (...) hoe dan ook geen beroep kan worden gedaan op het beginsel van de stare decisis (...)"
Beoordeling door het Gerecht
38 Wat de primaire vordering van verzoeksters betreft, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de directeur Personeelszaken van 26 juni 1989, zij erop gewezen, dat dit, zoals overigens rechtstreeks blijkt uit de tekst van het besluit, is vastgesteld ten vervolge op het arrest Basch (reeds aangehaald). Met dit besluit heeft de Commissie overeenkomstig artikel 176 EEG-Verdrag de maatregelen willen nemen welke ter uitvoering van dat arrest nodig waren.
39 Blijkens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht ter zake van artikel 173 EEG-Verdrag zijn als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring, alleen te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, die de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (zie arrest van 11 november 1981, zaak 60/81, IBM, Jurispr. 1981, blz. 2639, en arrest Gerecht van 22 juni 1990, gevoegde zaken T-32/89 en T-39/89, Marcopoulos, Jurispr. 1990, blz. II-281). Handelingen of besluiten die in een uit verscheidene fasen bestaande procedure tot stand komen, inzonderheid na een interne procedure, zijn volgens diezelfde rechtspraak in beginsel slechts voor beroep vatbaar, wanneer het maatregelen betreft die aan het einde van die procedure het standpunt van de instelling definitief vastleggen, met uitsluiting van voorlopige maatregelen ter voorbereiding van de eindbeslissing. Met betrekking tot beroepen van ambtenaren is het bovendien ook vaste rechtspraak, dat handelingen ter voorbereiding van een besluit geen bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut vormen en dus slechts incidenteel kunnen worden bestreden in een beroep tegen een vernietigbare handeling (zie bij voorbeeld arresten Hof van 7 april 1965, zaak 11/64, Weighardt, Jurispr. 1965, blz. 365, en 14 februari 1989, zaak 346/87, Bossi, Jurispr. 1989, blz. 303).
40 In casu blijkt uit het bij nota van 26 juni 1989 meegedeelde omstreden besluit, dat daarbij alleen de heropening van de procedure van het vergelijkend onderzoek en de met deze heropening rechtstreeks samenhangende modaliteiten worden bekendgemaakt. Het Gerecht kan slechts vaststellen, dat het betrokken besluit geen enkel beslissingselement bevat dat kan worden afgezonderd van de gehele procedure van het vergelijkend onderzoek.
41 Uit artikel 176 EEG-Verdrag, gelezen in samenhang met de statutaire regels betreffende de organisatie van een vergelijkend onderzoek, vloeit naar het oordeel van het Gerecht rechtstreeks voort, dat de bestreden maatregel de noodzakelijke stap was ter voortzetting van de procedure van het vergelijkend onderzoek na de nietigverklaring van bepaalde besluiten van de jury door het Hof. Die maatregel heeft geen verdergaande gevolgen dan die welke eigen zijn aan een tussentijdse procedurele handeling en laat, behoudens de feitelijke situatie van verzoeksters ° die zich dienden te onderwerpen aan een nieuwe beoordeling door de jury ° hun juridische en statutaire positie onverlet.
42 Het Gerecht is derhalve van oordeel, dat het besluit tot heropening van de procedure van het vergelijkend onderzoek een voorbereidingshandeling is die deel uitmaakt van de gehele procedure, en dat verzoeksters slechts in een beroep tegen het aan het einde van deze procedure genomen besluit de eventuele onregelmatigheid van deze handeling kunnen aanvoeren.
43 Deze vordering is dus niet-ontvankelijk.
44 Wat de tweede en de derde vordering betreft, volstaat de vaststelling, zonder dat hoeft te worden ingegaan op de door de Commissie voorgedragen exceptie van niet-ontvankelijkheid, dat dergelijke vorderingen niet tot de kennisneming van de gemeenschapsrechter behoren. De gemeenschapsrechter is immers niet bevoegd, de instellingen bevelen te geven (zie beschikking Gerecht van 28 januari 1993, zaak T-53/92, Piette de Stachelski, Jurispr. 1993, blz. II-35).
45 Wat de schadevorderingen in het vierde petitumonderdeel betreft, herinnert het Gerecht eraan, dat bij gebreke van een voor de betrokken ambtenaar bezwarend besluit de bij artikel 90 van het Statuut ingevoerde precontentieuze procedure in beginsel bestaat uit twee fasen. Volgens artikel 90, lid 1, kan elke in het Statuut bedoelde persoon bij het tot aanstelling bevoegd gezag een verzoek indienen om jegens hem een besluit te nemen. In geval van een ongunstig antwoord, of bij gebreke van een antwoord, kan de betrokkene onder de in artikel 90, lid 2, van het Statuut gestelde voorwaarden bij het tot aanstelling bevoegd gezag een klacht indienen tegen dat uitdrukkelijk of stilzwijgend genomen besluit. De klachtprocedure is bedoeld om het tot aanstelling bevoegd gezag waaronder de ambtenaar ressorteert, in staat te stellen zijn besluit naar aanleiding van daartegen mogelijkerwijs ingebrachte bedenkingen opnieuw te overwegen (zie arrest Hof van 21 oktober 1980, zaak 101/79, Vecchioli, Jurispr. 1980, blz. 3069, r.o. 31). De gehele bij artikel 90 van het Statuut ingestelde precontentieuze procedure heeft tot doel, een minnelijke schikking van een tussen ambtenaren en administratie gerezen geschil mogelijk te maken en te bevorderen (zie arrest Hof van 23 oktober 1986, zaak 142/85, Schwiering, Jurispr. 1986, blz. 3177, r.o. 11).
46 Wat de ontvankelijkheid van een schadevordering betreft, volgt uit de rechtspraak van het Hof, zoals die door het Gerecht is geanalyseerd en gepreciseerd (zie arresten Gerecht van 24 januari 1991, zaak T-27/90, Latham, Jurispr. 1991, blz. II-35, r.o. 38, en 25 september 1991, zaak T-5/90, Marcato, Jurispr. 1991, blz. II-731, r.o. 49), dat slechts bij een rechtstreeks verband tussen een vordering tot nietigverklaring en een vordering tot schadevergoeding, deze laatste als accessoir aan de vordering tot nietigverklaring ontvankelijk is, zonder dat zij behoeft te zijn voorafgegaan door een verzoek aan het tot aanstelling bevoegd gezag om de gestelde schade te vergoeden, en door een klacht waarmee de betrokkene de gegrondheid van de stilzwijgende of uitdrukkelijke afwijzing van zijn verzoek betwist.
47 De onderhavige schadevordering strekt tot vergoeding van materiële en immateriële schade die zou zijn veroorzaakt doordat verzoeksters eerst met acht jaar vertraging en na verschillende rechtszaken tot de examens van een vergelijkend onderzoek zijn toegelaten, waardoor hun loopbaanontwikkeling zou zijn vertraagd. Het beroep is dus niet gebaseerd op een schade die het gevolg zou zijn van een bepaalde handeling waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, maar op een reeks fouten en nalatigheden van de administratie. De aan het beroep voorafgaande administratieve procedure had dus dwingend moeten aanvangen met een verzoek van de betrokkenen aan het tot aanstelling bevoegd gezag om die schade te vergoeden (zie beschikking Gerecht van 6 februari 1992, zaak T-29/91, Castelletti e.a., Jurispr. 1992, blz. II-77, en beschikking Piette de Stachelski, reeds aangehaald), en eventueel worden voortgezet met een klacht tegen het besluit tot afwijzing van dat verzoek.
48 In dit verband constateert het Gerecht, dat de op 18 september 1989 door verzoeksters bij het tot aanstelling bevoegd gezag ingediende nota niet is voorafgegaan of tijdig gevolgd door andere stappen bij de administratie conform de eisen van artikel 90 van het Statuut.
49 Ook al zouden bovengenoemde nota' s moeten worden beschouwd als klachten in de zin van het Statuut, staat dus vast, dat de precontentieuze procedure niet in twee fasen is verlopen overeenkomstig artikel 90 van het Statuut, aangezien de klachten niet zijn voorafgegaan door een verzoek. Zouden deze nota' s daarentegen moeten worden beschouwd als verzoeken, dan staat evenzeer vast, dat geen klacht is ingediend tegen de besluiten waarbij die verzoeken werden afgewezen. Wat de schadevordering betreft, is het beroep dus duidelijk niet ingesteld overeenkomstig de in het Statuut gestelde voorwaarden en is het derhalve niet-ontvankelijk.
50 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Zaak T-28/91
De ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
51 De Commissie stelt primair, dat aangezien het voorwerp van het onderhavige geding identiek is aan dat van zaak T-17/90 en op dezelfde gronden is gebaseerd, het beroep niet-ontvankelijk is wegens litispendentie. Zij verwijst in dit verband naar de arresten van het Hof van 26 mei 1971 (gevoegde zaken 45/70 en 49/70, Bode, Jurispr. 1971, blz. 465) en van 17 mei 1973 (gevoegde zaken 58/72 en 75/72, Perinciolo, Jurispr. 1973, blz. 511) en leidt eruit af, dat verzoeksters in de onderhavige zaak geen procesbelang hebben.
52 Bovendien, aldus de Commissie, is de tegen de brieven van de administratie van 13 maart 1991 gerichte vordering overbodig naast de primaire vordering strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de directeur Personeelszaken van 26 juni 1989, en kan dus deze litispendentie niet rechtvaardigen. In deze context herinnert de Commissie eraan, dat de in deze brief bedoelde gesprekken hebben plaatsgevonden zonder protest van de betrokkenen, en dat de jury naar aanleiding van die gesprekken, naast de elf al toegelaten kandidaten, vier van de verzoeksters in zaak T-28/91 heeft toegelaten. In deze omstandigheden vraagt de Commissie zich af, of verzoeksters nog enig belang hebben bij deze vordering.
53 Subsidiair stelt de Commissie, dat de aan het beroep voorafgegane administratieve procedure niet regelmatig is geweest en dat het beroep ook daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
54 Wat de toelating tot het vergelijkend onderzoek zonder verdere formaliteiten, de toekenning van "dezelfde voordelen als aan de" sinds 1982 "benoemde of bevorderde kandidaten" en de schadevordering betreft, had het beroep ° net als het beroep in zaak T-17/90 ° moeten worden voorafgegaan door verzoeken en klachten in de zin van artikel 90 van het Statuut. In andere woorden, het beroep in zaak T-28/91, dat alleen de in beroep T-17/90 geformuleerde vorderingen bevestigt, had enkel kunnen worden ingesteld tegen de afwijzing van een klacht die was ingediend binnen drie maanden na bekendmaking van de besluiten van 20 december 1989 waarbij de oorspronkelijke verzoeken in de klacht van 18 september 1989 werden afgewezen. Het onderhavige beroep, dat op 30 april 1991 is ingesteld en is voorafgegaan door tussen 31 oktober en 6 november 1990 ingediende klachten, is derhalve niet-ontvankelijk.
55 Verzoeksters stellen daartegenover allereerst, dat zij een nieuw beroep hebben ingesteld, omdat zij de door hen ingediende klachten niet zonder gevolg konden laten. En aangezien verweerster hun eerste beroep voorbarig achtte omdat het op een voorbereidingshandeling betrekking had, hadden zij er alle belang bij, hun argumenten opnieuw naar voren te brengen, nadat de vermeende voorbereidingshandelingen door handelingen met het karakter van een besluit waren gevolgd.
56 In de tweede plaats, aldus verzoeksters, kan de exceptio litis pendentis enkel worden ingeroepen als "er al een rechterlijke uitspraak is, zelfs indien deze samenvalt met de uitspraak over de litispendentie of het gezag van gewijsde in de tweede procedure."
57 In de derde plaats, wat de door de Commissie subsidiair voorgedragen exceptie betreft, stellen verzoeksters, dat zij in een klacht hun vorderingen niet in dezelfde vorm kunnen formuleren als in een beroep. Volgens hen kunnen zij het tot aanstelling bevoegd gezag enkel vragen, hun situatie te corrigeren en met name de litigieuze handeling in te trekken, maar kunnen zij geen nietigverklaring of schadevergoeding vorderen, daar het tot aanstelling bevoegd gezag ter zake niet bevoegd is.
Beoordeling door het Gerecht
58 Allereerst zij erop gewezen, dat aangezien het beroep in zaak T-17/90 in zijn geheel niet-ontvankelijk is verklaard, de door de Commissie voorgedragen exceptie van niet-ontvankelijkheid op grond dat verzoeksters een tweede beroep hebben ingesteld, identiek aan het eerste, zonder voorwerp is geraakt. Het Gerecht behoeft dus niet over deze exceptie te beslissen.
59 De eerste vordering is niet-ontvankelijk om dezelfde redenen als uiteengezet in de rechtsoverwegingen 38 tot 42, waarnaar het Gerecht uitdrukkelijk wenst te verwijzen.
60 De tweede, de derde en de vierde vordering zijn niet-ontvankelijk om de redenen vermeld in rechtsoverweging 44 van dit arrest, waarnaar het Gerecht ook hier uitdrukkelijk wenst te verwijzen.
61 De schadevordering is eveneens niet-ontvankelijk, en wel om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in de rechtsoverwegingen 45 tot 49. Blijkens het dossier hebben verzoeksters namelijk slechts een fase van de voorafgaande administratieve procedure in acht genomen, zodat deze vordering noodzakelijkerwijs niet-ontvankelijk is.
62 Bijgevolg is het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk.
Zaak T-17/92
De ontvankelijkheid
63 In deze zaak heeft de Commissie geen exceptie van niet-ontvankelijkheid voorgedragen.
64 Krachtens artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht evenwel in iedere stand van het geding ambtshalve middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn, in behandeling nemen.
65 De tweede en de derde vordering zijn niet-ontvankelijk om de redenen vermeld in rechtsoverweging 44 van dit arrest, waarnaar het Gerecht uitdrukkelijk wenst te verwijzen.
66 De schadevordering is niet-ontvankelijk om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in de rechtsoverwegingen 45 tot 49. Blijkens het dossier hebben verzoeksters namelijk slechts een fase in acht genomen van de voorafgaande administratieve procedure, zodat deze vordering noodzakelijkerwijs niet-ontvankelijk is.
67 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep in zaak T-17/92 slechts ontvankelijk is wat de eerste vordering betreft, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek, verzoeksters niet toe te staan de procedure van vergelijkend onderzoek COM2/82 te vervolgen.
De gegrondheid van de eerste vordering
Argumenten van partijen
68 Verzoeksters betogen om te beginnen, dat het hun bij nota van 26 juni 1989 meegedeelde besluit van de directeur Personeelszaken niet conform was aan het arrest Basch en dat de in deze nota aangekondigde reconstructie van de oorspronkelijke samenstelling van de jury eigenlijk onmogelijk was. Aangaande dit laatste punt betogen verzoeksters, dat niet alleen de voorzitter van de jury, die geenszins was verhinderd zijn taken voort te zetten, maar ook andere juryleden zijn vervangen zonder dat er sprake was van een "wettelijk beletsel". Het ontslag van de voorzitter van de jury is volgens verzoeksters niet ingegeven door zijn wens, zoals de Commissie betoogt, de werkzaamheden van de jury geen schade te berokkenen. Volgens verzoeksters gaat het om een ongerechtvaardigde weigering van de betrokkene het voorzitterschap van de jury op zich te nemen, een voorzitterschap dat alleen hij kon uitoefenen. Door het ontslag van zijn voorzitter kon de jury haar taak niet correct voortzetten, en was de werking ervan dus niet gewaarborgd. Aangaande de door verweerster geciteerde rechtspraak, merken verzoeksters op, dat het arrest van 13 februari 1979 (zaak 24/78, Martin, Jurispr. 1979, blz. 603) het geval betreft van afwezigheid van een jurylid. In casu was het voor de jury echter volstrekt onmogelijk haar taken uit te oefenen, aangezien de afwezigheid van de voorzitter niet gerechtvaardigd was en berustte op een zuiver vrijwillige daad. Wat het arrest van 26 februari 1981 (zaak 34/80, Authié, Jurispr. 1981, blz. 665) betreft, beklemtonen verzoeksters, dat de onderhavige zaak niet de vraag betreft, of een voorzitter van een jury die taak opnieuw op zich kan nemen, maar of de voorzitter dat zonder geldige reden niet heeft gedaan.
69 De Commissie antwoordt allereerst, dat zij het arrest Basch heeft nageleefd. Bij het bestreden besluit van 26 juni 1989 heeft zij namelijk de jury in haar oorspronkelijke samenstelling opnieuw ingesteld, "behoudens wettelijk beletsel", een uitdrukking die volgens haar slaat op gevallen van overlijden, ziekte, wijziging van administratieve tewerkstelling, alsmede, zoals in casu, ontslag van de voorzitter van de jury. Dat ontslag was, wat de voorzitter van de jury betreft, ingegeven door het streven, geen schade te berokkenen aan de werkzaamheden van de jury, aangezien hij van "partijdigheid" was beticht. Met een beroep op het arrest Martin (reeds aangehaald) betoogt de Commissie, dat de bovengenoemde redenen een afwijking kunnen rechtvaardigen van het beginsel van gelijke behandeling van de kandidaten voor eenzelfde vergelijkend onderzoek, aangezien het in casu onmogelijk was de werking van de jury anders te verzekeren. Ingevolge het arrest Basch diende de Commissie de procedurele gebreken te zuiveren en verzoeksters te brengen in de situatie zoals die vóór het vernietigde besluit was. Bij voortzetting van de werkzaamheden door een bewust anders samengestelde jury was dat mogelijk niet gewaarborgd geweest. Anderzijds heeft het Hof in de zaak Authié (reeds aangehaald) overwogen, dat aan een jury wier besluit tot afwijzing van een sollicitatie door het Hof is nietig verklaard op grond van een procedurefout of ontoereikende motivering, niet kan worden tegengeworpen, niet in een andere samenstelling opnieuw te hebben beslist.
70 In de tweede plaats betogen verzoeksters, dat de jury, anders dan zoals door de directeur Personeelszaken in zijn voormelde nota van 8 september 1989 wordt gesteld, geen rekening heeft gehouden met beoordelingselementen betrekking hebbend op de periode na de in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek vastgestelde referentiedatum, namelijk 25 februari 1982.
71 De Commissie beklemtoont, dat de jury van het vergelijkend onderzoek, wat de in acht te nemen referentieperiode betreft, gebonden is aan de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, volgens welke de referentieperiode afliep in februari 1982. In casu heeft de jury zich op het standpunt gesteld, dat de referentieperiode die was welke in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek was vermeld, en heeft zij bijgevolg geen vergissing begaan. De Commissie voegt eraan toe, dat de administratie de jury van een vergelijkend onderzoek niet kan aanbevelen en nog minder verplichten, een latere periode in aanmerking te nemen dan die bepaald in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek.
72 In de derde plaats betogen verzoeksters, dat de jury als hiërarchieke meerderen ambtenaren heeft gehoord, die zij willekeurig heeft aangewezen. Wat de raadpleging van hun hiërarchieke meerderen betreft, werd er bovendien geen rekening mee gehouden, dat het voor de meesten van hen, gelet op de verstreken tijd, onmogelijk was zich nog de feiten te herinneren. Voorts betwisten verzoeksters, dat de hiërarchieke meerderen en de juryleden in staat waren zich uit te spreken over hun verdiensten, alsmede dat de jury niet alle door hen ingediende opmerkingen heeft onderzocht.
73 De Commissie wijst erop, dat zij bij voormelde brief van 13 maart 1991 alle kandidaten voor het vergelijkend onderzoek had bericht, dat zij zouden worden uitgenodigd voor een aanvullend gesprek met de jury die hen op de hoogte zou brengen van de inhoud van de adviezen van de over hen geraadpleegde personen. Aangezien deze gesprekken plaats hadden in april 1991, is de Commissie van oordeel, dat verzoeksters ten onrechte betogen, dat hun hiërarchieke meerderen niet werden gehoord of dat zij geen gelegenheid hebben gehad om opmerkingen te maken over de door hen uitgebrachte adviezen.
74 In de vierde plaats betogen verzoeksters, "dat de jury, zo zij de uitlatingen van de hiërarchieke meerderen al heeft onderzocht, deze zowel qua betekenis als qua draagwijdte onjuist heeft uitgelegd".
75 Ten slotte dragen verzoeksters Vitale en Michiels specifieke grieven voor.
Vitale betoogt dat
"° de hiërarchieke meerderen, wat het schriftelijke uitdrukkingsvermogen betreft, hebben miskend, dat hij (sinds medio 1976 voor een grote afdeling) nota' s heeft moeten opstellen voor het bestellen van bureaubenodigdheden;
° wat het vermogen tot synthese betreft, hij niet weet hoe de hiërarchieke meerderen hebben geoordeeld. De jury heeft C. gehoord, die destijds niet zijn hiërarchieke meerdere was en waarmee hij problemen heeft gehad na de in aanmerking te nemen periode. H. heeft beweringen geuit die niet slaan op de betrokken periode en die door verzoeker zijn betwist;
° wat het vermogen betreft om zijn werk zelfstandig te organiseren, hij sinds 1 juli 1979 het werk van drie personen alleen heeft moeten doen".
Michiels betoogt, dat
"° zijn werk sinds 1971 altijd is verricht door een B-ambtenaar (B 3 of B 2), wat zijn redactionele vaardigheid, zin voor synthese en schriftelijk uitdrukkingsvermogen bewijst".
76 Aangaande de grieven van Michiels en Vitale merkt de Commissie op, dat zij enkel beweringen hebben geuit zonder eigenlijk aan te tonen, dat de jury onregelmatigheden heeft begaan.
Beoordeling door het Gerecht
77 Verzoeksters dragen in wezen twee middelen voor, gebaseerd op onwettigheid van de samenstelling van de jury bij de vaststelling van het bestreden besluit, en bepaalde fouten die de jury zou hebben begaan.
78 Aangaande het eerste door verzoeksters voorgedragen middel zij erop gewezen, dat een gemeenschapsinstelling waarvan een handeling door de gemeenschapsrechter nietig wordt verklaard, krachtens artikel 176 EEG-Verdrag de nodige maatregelen moet nemen ter uitvoering van het arrest.
79 In het geval van een vergelijkend onderzoek, zoals in casu, waarin het Hof een besluit van de jury heeft nietig verklaard wegens schending van de motiveringsplicht en onregelmatigheid van de gevolgde procedure, impliceert de uitvoering van het arrest het herstel van de situatie zoals deze was voordat de door het Hof gewraakte omstandigheden zich voordeden.
80 Blijkens het dossier was het in casu evenwel niet mogelijk, een situatie te herstellen die strikt identiek was aan die welke bestond vóór het door het Hof ongeldig verklaarde besluit, aangezien sommige juryleden intussen ontslag hadden genomen. Onder deze omstandigheden moet worden nagegaan, of de wijziging in de samenstelling van de jury kan hebben geleid tot onregelmatigheid van haar latere werkzaamheden.
81 De werkzaamheden van een jury in het kader van een vergelijkend onderzoek volgens bijlage III van het Statuut dienen zodanig te verlopen, dat de goede werking van de aanwerving van ambtenaren bij de gemeenschapsinstellingen gewaarborgd is. Soms bestrijken die werkzaamheden noodzakelijkerwijs een lange periode, ja zelfs jaren, namelijk in het geval waarin de gemeenschapsrechter een van haar besluiten nietig verklaart. Het is goed mogelijk, dat de samenstelling van een jury in de loop van de jaren kan veranderen ten gevolge van gebeurtenissen die onafhankelijk zijn van de wil van de administratie. In die omstandigheden dient de administratie, teneinde de continuïteit van de communautaire openbare dienst te verzekeren, wanneer het haar niet mogelijk is de jury weer in dezelfde samenstelling als de oorspronkelijke te formeren, de mogelijkheid te hebben om sommige juryleden te vervangen, mits de oorspronkelijke situatie daarbij zo dicht mogelijk wordt benaderd. Dit geldt met name bij een ernstige ziekte, wijziging van administratieve tewerkstelling of ontslag van een jurylid, aangezien in dit laatste geval het tot aanstelling bevoegd gezag een jurylid niet tegen zijn wil kan dwingen zitting te nemen in de jury.
82 In casu stelt het Gerecht vast, dat blijkens de op zijn verzoek door de Commissie verstrekte gegevens de voorzitter en een jurylid ontslag hebben genomen en het tot aanstelling bevoegd gezag hen vervolgens door twee nieuwe leden heeft vervangen.
83 Uit het vorenoverwogene blijkt, dat in de omstandigheden van de onderhavige zaak de wijziging in de samenstelling van de jury het gevolg is van de onmogelijkheid waarin de administratie verkeerde de jury weer in haar oorspronkelijke samenstelling te formeren. Deze wijziging kan naar het oordeel van het Gerecht niet als onwettig worden aangemerkt, aangezien de administratie enkel heeft gehandeld om de continuïteit van de communautaire openbare dienst te verzekeren, vooral nu geen misbruik van bevoegdheid is gesteld.
84 Bijgevolg kon de samenstelling van de jury zoals deze ten tijde van de litigieuze feiten was, de geldigheid van haar werkzaamheden niet aantasten, zodat dit middel moet worden verworpen.
85 Het tweede door verzoeksters voorgedragen middel, waarin wordt geklaagd over bepaalde fouten die de jury zou hebben gemaakt, omvat verschillende grieven. In de eerste plaats zou de jury van het vergelijkend onderzoek hebben verzuimd om beoordelingselementen in aanmerking te nemen betrekking hebbend op de periode na 25 februari 1982. Uit voormelde brief van 26 juni 1989 blijkt evenwel, dat als referentieperiode de periode tot 25 februari 1982 gold. Volgens de brief van 8 september 1989 van de directeur Personeelszaken moest eveneens de datum in aanmerking worden genomen, tenzij voor de beoordeling van de prestaties van andere, niet klagende kandidaten of geslaagden een andere datum in aanmerking was genomen.
86 Het Gerecht stelt evenwel vast, dat verzoeksters geen enkel argument of bewijs hebben aangevoerd waardoor de juistheid zou worden aangetoond van de aan hun betoog ten grondslag liggende bewering, te weten dat de jury voor sommige kandidaten rekening zou hebben gehouden met beoordelingselementen die betrekking hebben op een na de bovengenoemde referentiedatum gelegen periode. Bijgevolg moet de eerste grief worden verworpen.
87 Wat de tweede grief betreft, waarin in twijfel wordt getrokken, of de jury de hiërarchieke meerderen van verzoeksters ueberhaupt heeft gehoord, dient er enerzijds te worden op gewezen, dat verzoeksters geen enkel element hebben aangevoerd tot staving van hun beweringen. Anderzijds blijkt uit de op verzoek van het Gerecht door de Commissie overgelegde documenten ° die door verzoeksters niet zijn betwist °, dat de hiërarchieke meerderen van verzoeksters wel degelijk zijn gehoord door de jury.
88 Ten aanzien van de stelling, dat de hiërarchieke meerderen relevante feiten eventueel kunnen hebben vergeten, volstaat de constatering, dat ieder bewijs en zelfs iedere toelichting ontbreekt.
89 Wat de derde grief betreft, dat de juryleden niet in staat waren zich uit te spreken over de verdiensten van verzoeksters, noch alle door hen gemaakte opmerkingen hebben onderzocht, stelt het Gerecht enerzijds vast, dat verzoeksters ter zake niets hebben aangevoerd aan de hand waarvan het de gegrondheid ervan zou kunnen beoordelen. Anderzijds blijkt uit de op verzoek van het Gerecht door de Commissie overgelegde verslagen van de gesprekken tussen de kandidaten en de juryleden, dat de jury de betrokkenen heeft ingelicht over de inhoud van wat hun hiërarchieke meerderen over hen hadden gezegd. Deze grief moet dus worden verworpen.
90 Aangaande de vierde grief van verzoeksters, gericht tegen de door de jury aan de adviezen van hun hiërarchieke meerderen gegeven uitlegging, volstaat de vaststelling, dat met deze grief het resultaat zelf van de beoordeling van de jury van de geschiktheid van de kandidaten wordt aangevochten. Die beoordeling kan door de gemeenschapsrechter echter alleen worden getoetst bij kennelijke schending van de regels die de jurywerkzaamheden beheersen (zie arrest Hof van 9 oktober 1974, gevoegde zaken 112/73, 144/73 en 145/73, Jurispr. 1974, blz. 957), wat in casu niet het geval is.
91 Wat tenslotte de stellingen van Vitale en Michiels betreft, volstaat de vaststelling dat, zoals de Commissie heeft opgemerkt, dat het loutere beweringen zijn die door niets worden gestaafd.
92 Blijkens al het voorgaande is uit het onderzoek door het Gerecht van de door verzoeksters voorgedragen grieven niet gebleken van enige schending van de regels die de organisatie en de procedure van een vergelijkend onderzoek beheersen. Bijgevolg moet de eerste vordering eveneens worden verworpen.
93 Uit al het voorafgaande blijkt, dat beroep T-17/92 in zijn geheel moet worden verworpen en de drie beroepen in hun geheel dus moeten worden verworpen.
Beslissing inzake de kostenKosten
94 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Ingevolge artikel 88 van dat Reglement blijven echter in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt te hunnen laste.
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
rechtdoende:
1. Verwerpt de beroepen T-17/90, T-28/91 en T-17/92.
2. Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Top