Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (DERDE KAMER) VAN 26 SEPTEMBER 1990. - F. TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAREN - - SCHADELOOSSTELLING WEGENS ONGEVALLEN EN BEROEPSZIEKTEN - VASTSTELLING DAT ZIEKTE DOOR BEROEPSWERKZAAMHEID IS VEROORZAAKT - INVALIDITEITSPENSIOENEN - INVALIDITEIT WAARDOOR HET DE AMBTENAAR ONMOGELIJK IS ZIJN WERKZAAMHEDEN TE VERRICHTEN (ARTIKELEN 73 EN 78 VAN HET STATUUT). - ZAAK T-122/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde II-00517
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Ambtenaren - Sociale zekerheid - Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten - Medisch deskundigenonderzoek - Verergering van invaliditeit als gevolg van incident tijdens dienst - Verergering volgens medisch rapport te wijten aan reeds bestaande beroepsziekte - Weigering van administratie om beroepsmatige oorsprong van verergering te aanvaarden - Ontoelaatbaarheid
( Ambtenarenstatuut, artikel 73 )
2 . Ambtenaren - Beroep - Voorafgaande administratieve klacht - Termijnen - Van openbare orde
( Ambtenarenstatuut, artikelen 90 en 91 )
3 . Ambtenaren - Beroep - Voorafgaande administratieve klacht - Identiteit van voorwerp en grond
( Ambtenarenstatuut, artikelen 90 en 91 )
Samenvatting1 . Door genoegzaam aan te tonen, dat de verergering van de invaliditeit van een ambtenaar na een incident in diensttijd zijn oorsprong vindt in zijn beroepswerkzaamheden, aangezien zij uiteindelijk het gevolg is van de beroepsziekte waaraan betrokkene tevoren reeds leed, heeft de medische commissie een begrijpelijk verband gelegd tussen de medische bevindingen in haar rapport en de conclusies die zij daaraan verbindt; zij heeft aldus enkel de medische conclusies getrokken uit haar bevindingen inzake de oorsprong van de ziekte en zich niet op het terrein van de juridische toetsing begeven .
Wanneer de verwerende instelling onder die omstandigheden het door het incident ontstane gedeelte van het invaliditeitspercentage aftrekt van het totale aan de ambtenaar toe te kennen percentage van invaliditeit van beroepsmatige oorsprong, zonder rekening te houden met de in het medisch rapport duidelijk vastgestelde samenhang tussen dit incident en de reeds bestaande ziektetoestand van betrokkene, wijkt zij onrechtmatig af van de conclusies van het medisch rapport en stelt daarvoor in de plaats een eigen beoordeling van een zuiver medisch probleem, ter zake waarvan de medische commissie bij uitsluiting bevoegd is . Het feit dat de ambtenaar door het hem verweten gedrag zijn statutaire verplichtingen schendt, neemt niet weg, dat het door dit incident ontstane gedeelte van het invaliditeitspercentage van beroepsmatige oorsprong is, want het maakt geen verschil voor de samenhang tussen het incident en diens eerdere psychische problemen en doet dus niets af aan het door de medische commissie vastgestelde oorzakelijk verband tussen de tevoren reeds bestaande beroepsziekte en de verergering van de graad van invaliditeit .
2 . De in de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut vastgestelde klacht - en beroepstermijnen zijn van openbare orde : zij zijn ingesteld voor de rechtszekerheid, en zijn geen middel waarover de partijen of de rechter naar believen kunnen beschikken .
3 . De door een ambtenaar in een beroep bij het Hof ingediende conclusies moeten hetzelfde voorwerp hebben als de conclusies van de voorafgaande administratieve klacht en kunnen enkel bezwaren bevatten die op dezelfde grond berusten als die welke in de klacht waren geformuleerd .
PartijenIn zaak T-122/89,
F ., voormalig ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Ajaccio, vertegenwoordigd door G . Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A . Schmitt, advocaat aldaar, 62, avenue Guillaume,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H . van Lier, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door C . Verbraeken, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
NV Royale belge, te Watermaal-Bosvoorde ( België ), vertegenwoordigd door F . Van der Mensbrugghe, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A . Wildgen, 23, rue Aldringen,
interveniënte,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 15 juli 1988 waarbij verzoekers blijvende invaliditeit, die haar oorsprong vindt in zijn beroepswerkzaamheden, op 50 % werd bepaald,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Derde Kamer ),
samengesteld als volgt : A . Saggio, kamerpresident, B . Vesterdorf en K . Lenaerts, rechters,
griffier : B . Pastor, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 4 juli 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrestDe feiten en het procesverloop
1 Verzoeker F . trad in 1975 in dienst van de Commissie en werd per 1 april 1980 als ambtenaar in vaste dienst in de rang A 5 aangesteld . Na een handgemeen op 6 oktober 1982 met de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer werd besloten hem bij wege van tuchtmaatregel te ontslaan, zonder vermindering of intrekking van pensioenrechten . Nadat het Hof dit besluit wegens ontoereikende motivering nietig had verklaard ( arrest van 29 januari 1985, zaak 228/83, F ., Jurispr . 1985, blz . 275 ), werd hij bij - ditmaal naar behoren gemotiveerd - besluit van de Commissie van 6 mei 1985 opnieuw ontslagen, zonder vermindering of intrekking van pensioenrechten . Bij arrest van 5 februari 1987 heeft het Hof verzoekers beroep tegen dit besluit verworpen ( zaak 403/85, F ., Jurispr . 1987, blz . 645 ).
2 Op 22 maart 1985, na de nietigverklaring van het eerste ontslagbesluit, verzocht F . om toepassing van artikel 78 Ambtenarenstatuut ( hierna : het Statuut ), naar luid waarvan "de ambtenaar recht heeft op invaliditeitspensioen wanneer hij blijvend invalide wordt, en deze invaliditeit als volledig wordt beschouwd, waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden te verrichten die met een ambt van zijn loopbaan overeenkomen ". Verzoeker en de Commissie hebben hierover een correspondentie gevoerd, die als volgt kan worden samengevat :
- in antwoord op het verzoek ex artikel 78 en na het tweede tuchtrechtelijk ontslag op 6 mei 1985 deelde de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer verzoeker bij brief van 11 juni 1985 mee, dat "na het (( nieuwe )) besluit om hem per 31 mei 1985 bij wege van tuchtmaatregel te ontslaan de voortzetting van de (( hem )) betreffende invaliditeitsprocedure geen zin meer heeft";
- naar aanleiding van deze brief stuurde verzoeker de betrokken directeur-generaal op 26 juni 1985 een brief waarin hij tegen voornoemd besluit van 11 juni opkwam en om voortzetting van de procedure ex artikel 78 verzocht . Op 27 juni 1985 deed hij ook de voorzitter van de Commissie een protestbrief toekomen waarin hij stelde, dat hij om toepassing van de artikelen 73 en 78 van het Statuut had verzocht, zodat de reactie van de Commissie van 11 juni 1985 op zijn verzoek van 22 maart 1985 "in strijd leek te zijn met de geest én de letter van de gemeenschapsregeling ...";
- bij een brief van 28 januari 1986 aan de Commissie in antwoord op een brief van 21 januari 1986 die alleen over de procedure ex artikel 73 ging, liet verzoeker niet enkel aanspraken gelden op toepassing van artikel 73, doch ook van artikel 78 .
3 Op 15 mei 1985 verzocht verzoeker eveneens om toepassing van artikel 73 van het Statuut, bepalende dat "... de ambtenaar met ingang van de dag zijner indiensttreding verzekerd is tegen uit beroepsziekten en ongevallen voortvloeiende risico' s ". Naar aanleiding hiervan leidde de Commissie de procedure in die ter zake is voorzien in de regeling waarin de instellingen krachtens artikel 73, lid 1, van het Statuut in onderlinge overeenstemming de voorwaarden hebben bepaald waaronder deze risico' s worden gedekt ( hierna : "Regeling "). Hierin is onder meer bepaald, dat "het besluit tot vaststelling van de graad van invaliditeit wordt genomen na de stabilisatie van het door de ambtenaar opgelopen letsel" ( artikel 20 ). Bij brief van 28 juli 1987 bracht het tot aanstelling bevoegd gezag krachtens artikel 21 van de Regeling het ontwerp-besluit ter kennis van verzoeker, te zamen met de conclusies van de door de instelling aangewezen arts, professor De Buck . In dit ontwerp-besluit werd verzoekers blijvende invaliditeit op 60 % bepaald waarvan 30 % van beroepsmatige oorsprong . Daarop verlangde verzoeker overeenkomstig voormeld artikel van de Regeling, dat het advies van de medische commissie zou worden ingewonnen . Deze commissie - bestaande uit drie artsen die respectievelijk worden aangewezen door het tot aanstelling bevoegd gezag, de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden, en in onderlinge overeenstemming door de eerste twee artsen - dient na beëindiging van haar werkzaamheden haar conclusies neer te leggen in een rapport, dat wordt toegezonden aan het tot aanstelling bevoegd gezag en aan de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden .
4 Op 26 mei 1988 kwam de medische commissie tot de conclusie, dat verzoekers stoornissen waren gestabiliseerd; zij bepaalde de blijvende gedeeltelijke invaliditeit op 80 %, onderverdeeld als volgt : 12 % verband houdend met zijn toestand vóór zijn indiensttreding bij de Gemeenschap, en "de rest, 68 % dus, voortkomend uit zijn beroepswerkzaamheden zonder dat andere factoren hiertoe hebben bijgedragen ". Van deze 68 % zijn volgens de medische commissie 18 % het gevolg van de gebeurtenissen op 6 oktober 1982, die tot verzoekers tuchtrechtelijk ontslag hadden geleid .
5 Bij besluit van 15 juli 1988 stelde verweerster zich op het standpunt, dat de medische commissie, door bij de vaststelling van de graad van de door de beroepsuitoefening veroorzaakte invaliditeit rekening te houden met een invaliditeit van 18 % als gevolg van de gebeurtenissen van 6 oktober 1982, "buiten de perken van haar opdracht was getreden door zich uit te spreken over de rechtsgevolgen die aan haar medische bevindingen moesten worden verbonden, welke bevoegdheid bij uitsluiting aan de administratie toekomt ". Met een beroep op het arrest van het Hof van 21 januari 1987 ( zaak 76/84, Rienzi, Jurispr . 1987, blz . 315 ) zette verweerster in dit besluit uiteen, dat deze 18 % niet werden gedekt door de verzekering tegen beroepsziekten in de zin van artikel 73 van het Statuut; op basis van dit artikel bepaalde zij verzoekers invaliditeit derhalve op 50 %. Op 7 oktober 1988 diende verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in tegen dit besluit . De Commissie nam op 20 april 1989, binnen de in artikel 91, lid 3, tweede streepje, van het Statuut voorziene beroepstermijn een uitdrukkelijk afwijzend besluit . Daarop heeft verzoeker bij op 5 juli 1989 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift - dus met inachtneming van de in eerdergenoemde bepaling van het Statuut, in fine, gestelde termijn van drie maanden vanaf het uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van de klacht - beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van 15 juli 1988 .
6 De schriftelijke procedure heeft geheel voor het Hof plaatsgevonden . Bij beschikking van 15 november 1989 heeft het Hof de zaak krachtens artikel 3, lid 1, van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, naar het Gerecht verwezen . Bij beschikking van 23 januari 1990 heeft het Gerecht NV Royale belge toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie voor zover deze de toepassing van artikel 73 van het Statuut betreffen . Het Gerecht heeft op rapport van de rechter-rapporteur besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan . Door het Gerecht daarom verzocht, heeft verzoeker ter terechtzitting de bij brief van 26 juni 1985 aan de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer tegen het besluit van 11 juni 1985 ingediende klacht overgelegd, alsmede de brief van 21 januari 1986 van het bevoegde afdelingshoofd aan verzoeker .
Conclusies van partijen
7 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage :
- het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- nietig te verklaren het besluit van de Commissie, vervat in de brief van 15 juli 1988 van R . Hay, waarbij verzoekers blijvende invaliditeit die uit zijn beroepswerkzaamheden voortkomt, werd teruggebracht tot 50 %;
- verzoeker een schadevergoeding toe te kennen waarvan het bedrag overeenkomt met 24 maanden basissalaris van een ambtenaar met de rang A 5, salaristrap 6;
- verweerster te verwijzen in de kosten van het geding .
Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage :
- het beroep in zijn geheel te verwerpen en het tweede middel niet-ontvankelijk en ongegrond te verklaren;
- verzoeker ingevolge de artikelen 69, paragraaf 2, en 70 van het Reglement voor de procesvoering in zijn eigen kosten te verwijzen .
Het middel ontleend aan schending van artikel 73 van het Statuut
8 Wat de vaststelling van de graad van de door de beroepsuitoefening veroorzaakte invaliditeit in de zin van artikel 73 van het Statuut betreft, komt verzoeker op tegen de motivering van het bestreden besluit . Anders dan de Commissie is hij namelijk van mening, dat de medische commissie door haar standpunt over de oorsprong van het omstreden invaliditeitspercentage van 18 % uit te spreken, haar bevoegdheden niet heeft overschreden en meer in het bijzonder geen inbreuk heeft gemaakt op de uitsluitende bevoegdheid van de administratie om te beoordelen welke rechtsgevolgen aan de medische bevindingen moeten worden verbonden . Verzoeker baseert zich voornamelijk op het rapport van de medische commissie waarin, zoals hij ter terechtzitting heeft onderstreept, werd vastgesteld dat de uit zijn handelingen op 6 oktober 1982 voortkomende invaliditeit van 18 % in feite moet worden gezien in de context van de tevoren reeds ingetreden verslechtering van zijn gezondheidstoestand sinds zijn indiensttreding bij de Commissie, die te wijten was aan zijn werkomstandigheden en aan zijn "bewogen beroepsleven", waarvan in de deskundigenrapporten melding wordt gemaakt . Waar deze 18 % invaliditeit wordt teruggevoerd op een door de beroepsuitoefening veroorzaakte aandoening van vóór de gebeurtenissen van 6 oktober 1982, gaat het zijns inziens om een louter medische gevolgtrekking . Op dit punt verschilt het onderhavige beroep zijns inziens van de zaak Rienzi, waarin anders dan thans het geval is, het gedrag van de betrokken ambtenaar dat tuchtmaatregelen had uitgelokt waardoor hij ziek werd, geen verband hield met een reeds bestaande, door beroepsuitoefening veroorzaakte aandoening . Verzoeker concludeert, dat de administratie in het kader van dit geding buiten de grenzen van haar beslissingsbevoegdheid is getreden door bewust en zonder enige reden de conclusies van de medische commissie naast zich neer te leggen, in plaats van aan het medisch advies, dat met eenparigheid van stemmen en na een serieus en diepgaand onderzoek was uitgebracht, de "voor de hand liggende, directe en onontkoombare rechtsgevolgen" te verbinden .
9 Verweerster daarentegen is van mening, dat de vraag of verzoekers handelwijze van 6 oktober 1982, die volstrekt onverenigbaar was met het Statuut, al dan niet het gevolg was van een door zijn beroepsuitoefening teweeggebrachte psychische aandoening, in het kader van een invaliditeitsprocedure volkomen irrelevant is . Zij wijst erop, dat de medische commissie verzoeker op het tijdstip van het incident van 6 oktober 1982 toerekeningsvatbaar heeft verklaard, wat ook de zienswijze is waarvan de Commissie is uitgegaan in haar besluit van 6 mei 1985 om verzoeker bij wege van tuchtmaatregel te ontslaan .
Verweerster beroept zich op het arrest Rienzi ( reeds aangehaald ), waarin het Hof - zonder zich de vraag te stellen of de tegen het Statuut indruisende handelwijze al dan niet het gevolg was van een eerdere beroepsziekte - overwoog, dat de artikelen 73 en 78, lid 2, van het Statuut enkel kunnen worden toegepast ingeval de beroepsziekte voortvloeit uit "regelmatig verrichte werkzaamheden" ( r.o . 10 ). Het ware volgens verweerster namelijk "in strijd met het begrip beroepsziekte om hieronder ook ziekten te verstaan die buiten de beroepsuitoefening om zijn ontstaan of terug te voeren zijn op gedragingen die in strijd zijn met de elementaire beroepsverplichtingen van de ambtenaar ". Verweerster leidt hieruit af, dat de medische commissie met haar conclusie dat de 18 % blijvende invaliditeit die te maken heeft met het incident van 6 oktober 1982, kan worden vergoed uit hoofde van artikel 73 van het Statuut, de grenzen van haar bevoegdheid heeft overschreden . Volgens vaste rechtspraak is namelijk "de vraag of het genoemde incident en de gevolgen hiervan voor verzoekers gezondheid een aan het verrichten van zijn werkzaamheden inherent risico vormen dat door artikel 73 is gedekt, dan wel of het risico het gevolg is van verzoekers schending van zijn statutaire verplichtingen, van juridische aard, zodat zij door het tot aanstelling bevoegd gezag moet worden beantwoord ( arrest Rienzi, r.o . 20 )". Waar de Commissie dus in haar omstreden besluit de conclusies van de medische commissie met betrekking tot de 18 % invaliditeit die te maken heeft met het incident van 6 oktober 1982, naast zich neer heeft gelegd, heeft zij haar bevoegdheden niet overschreden .
10 Interveniënte sluit zich op alle punten volledig aan bij de zienswijze van de Commissie . Zij wijst er in het bijzonder op, dat de medische commissie zich op juridisch terrein heeft begeven door te concluderen dat de aan de gebeurtenissen van 6 oktober 1982 te wijten blijvende invaliditeit van 18 % uit verzoekers beroepsuitoefening voortkomt, omdat het haar "onbillijk" leek hem voor dit percentage geen schadevergoeding toe te kennen .
11 Vastgesteld moet derhalve worden, wat de werkelijke draagwijdte is van het rapport van de medische commissie; de standpunten van partijen lopen op dit punt uiteen .
12 Het Gerecht constateert allereerst, dat de medische commissie in haar rapport aan het tot aanstelling bevoegd gezag duidelijk heeft vastgesteld, dat de blijvende gedeeltelijke invaliditeit definitief op 80 % moet worden bepaald, waarvan 12 % verband houdt met verzoekers gezondheidstoestand vóór zijn indiensttreding bij de Gemeenschap en "de rest, 68 % dus, voortkomt uit zijn beroepswerkzaamheden bij de Gemeenschap, zonder dat andere factoren hiertoe hebben bijgedragen" ( blz . 26 van het rapport van de medische commissie ).
13 Bovendien heeft de medische commissie in de motivering van haar rapport duidelijk en onweerlegbaar het oorzakelijk verband - in de zin van artikel 73 van het Statuut en van de Regeling - aangetoond tussen de beroepsuitoefening en het omstreden invaliditeitspercentage van 18 %. Zij heeft in haar rapport in het hoofdstuk "Bespreking" haar conclusie immers gemotiveerd als volgt : "Ons inziens is duidelijk, dat de feiten van 6 oktober 1982 een rechtstreeks gevolg zijn van de moeilijkheden die de patiënt reeds enkele jaren in zijn werk ondervindt . Het hem verweten agressieve gedrag is een uiting van zijn psychische aandoening en maakt daarvan deel uit ... Wij zijn dus van mening, dat de door ons vastgestelde blijvende gedeeltelijke invaliditeit volledig is terug te voeren op de arbeidsomstandigheden die voor F . golden en die de voornaamste oorzaak vormden van de verslechtering van een reeds eerder bestaande ziekte" ( blz . 23 en 24 van het rapport van de medische commissie ).
14 De medische commissie heeft dus genoegzaam aangetoond dat de verergering van verzoekers invaliditeit na het incident van 6 oktober 1982 in werkelijkheid veroorzaakt is door zijn beroepswerkzaamheden in dienst van de Gemeenschap, aangezien zij uiteindelijk het gevolg was van de beroepsziekte waaraan verzoeker tevoren reeds leed . De medische commissie heeft, zoals zij verplicht was, in haar rapport "een begrijpelijk verband gelegd tussen de medische bevindingen (( in het rapport )) en de conclusies die zij daaraan verbindt" ( arresten van het Hof van 26 januari 1984, zaak 189/82, Seiler, Jurispr . 1984, blz . 229, r.o . 15, en 10 december 1987, zaak 277/84, Jaensch, Jurispr . 1987, blz . 4923, r.o . 15 ).
15 Het Gerecht is derhalve van mening, dat de medische commissie enkel de medische conclusies heeft getrokken uit haar bevindingen inzake de oorsprong van verzoekers ziekte, en zich niet op het terrein van de juridische toetsing heeft begeven .
16 Uit een en ander volgt, dat verweerster het medisch advies onjuist heeft uitgelegd door enkel te letten op het verband tussen het omstreden invaliditeitspercentage van 18 % en de feiten van 6 oktober 1982, zonder rekening te houden met de in het medische rapport duidelijk vastgestelde samenhang tussen dit incident en de reeds bestaande ziektetoestand waarvan in het rapport wordt vastgesteld dat deze zijn oorsprong vond in verzoekers beroepswerkzaamheden . Waar het besluit de beroepsmatige oorsprong van het omstreden deel van verzoekers invaliditeit niet erkent, wijkt het dus af van de conclusies van het medisch rapport en stelt het een eigen beoordeling van een zuiver medisch probleem daarvoor in de plaats, hoewel dit tot de uitsluitende bevoegdheid van de medische commissie behoort, wier beoordeling als definitief moet worden beschouwd wanneer zij, zoals in casu, onder reguliere omstandigheden tot stand is gekomen ( zie de arresten van 29 november 1984, zaak 265/83, Suss, Jurispr . 1984, blz . 4029, r.o . 9-15, en 19 januari 1988, zaak 2/87, Biedermann, Jurispr . 1988, blz . 143, r.o . 8 ). Dienaangaande stelt het Gerecht vast, dat ook al heeft verzoeker zich op 6 oktober 1982 in strijd met zijn statutaire verplichtingen gedragen, niet kan worden betwist, dat de omstreden invaliditeit van 18 % voortkomt uit zijn beroepswerkzaamheden . Dat zijn handelwijze tijdens het incident van 6 oktober 1982 in strijd was met het Statuut, neemt namelijk niet weg dat deze feiten verband houden met verzoekers tevoren reeds bestaande psychische problemen . De aard van verzoekers handelwijze doet dus niet af aan het door de medische commissie vastgesteld oorzakelijk verband tussen zijn tevoren reeds bestaande beroepsziekte en de omstreden toename met 18 % van zijn invaliditeit .
17 Hieruit volgt, dat het besluit nietig moet worden verklaard, voor zover daarin bij de aan verzoeker wegens beroepsziekte toegekende schadevergoeding krachtens artikel 73 van het Statuut geen rekening is gehouden met de omstreden invaliditeit van 18 %, waarvan vaststaat dat zij uit zijn beroepswerkzaamheden voortkomt .
Het middel ontleend aan schending van artikel 78
18 Verzoeker verwijt de Commissie eveneens, dat zij in het betwiste besluit artikel 78 van het Statuut buiten beschouwing heeft gelaten . Door op 6 december 1985 beroep in te stellen tegen het tuchtrechtelijk ontslagbesluit van 6 mei 1985 naar aanleiding waarvan tot de beëindiging van de procedure ex artikel 78 van het Statuut is besloten, is hij impliciet ook tegen de beëindiging van deze procedure opgekomen; zou het tuchtrechtelijk ontslag nietig worden verklaard, dan "zou dit ambtshalve meebrengen, dat de procedure van artikel 78 van het Statuut ten einde moet worden gevoerd ". Ter terechtzitting betoogde verzoeker, dat hij ter zake van de toepassing van artikel 78 zijn rechten ook heeft voorbehouden door bij de bevoegde autoriteiten meermaals schriftelijk bezwaar te maken tegen de beëindiging van de procedure van artikel 78 .
19 Ten gronde stelt verzoeker, dat de voorwaarden voor toepassing van artikel 78 moeten worden beoordeeld naar het tijdstip van indiening van het verzoek . Nu hij op die datum nog steeds ambtenaar van de Commissie was, was wat hem betreft, aan die voorwaarden voldaan . Waar de beroepsmatige oorsprong van zijn invaliditeit gedeeltelijk is erkend, meent hij aanspraak te hebben op toepassing van artikel 78 .
20 Volgens de Commissie daarentegen is het tweede middel niet-ontvankelijk en ongegrond . In de eerste plaats is de afwijzing op 11 juni 1985 van het verzoek om toepassing van artikel 78 van het Statuut definitief geworden, omdat verzoeker heeft verzuimd er tijdig een klacht tegen in te dienen en beroep in te stellen . De voortzetting van een afzonderlijke procedure tegen het besluit van 11 juni 1985 zou alleen dan overbodig zijn geworden, indien verzoeker in zijn beroep tegen het tuchtrechtelijk ontslag was geslaagd en het ontslag dus nietig was verklaard .
21 Ten gronde stelt de Commissie, dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 78 voor toekenning van een invaliditeitspensioen, met name niet aan de voorwaarde dat de invaliditeit het hem onmogelijk moet maken zijn werkzaamheden te verrichten . Verzoeker is niet door zijn invaliditeit in de onmogelijkheid komen te verkeren zijn werkzaamheden te verrichten, aangezien deze reeds waren beëindigd door zijn tuchtrechtelijk ontslag . Door dat besluit had hij zijn hoedanigheid van ambtenaar verloren, zodat hij niet meer in aanmerking kwam voor een invaliditeitspensioen, waarop ingevolge het Statuut alleen ambtenaren recht hebben . Verweerster wijst verzoekers argument betreffende het tijdstip waarop aan de voorwaarden van artikel 78 moet zijn voldaan, van de hand; krachtens artikel 14 van bijlage VIII bij het Statuut betreffende de wijze van toekenning van een invaliditeitspensioen, ontstaat het recht op invaliditeitspensioen op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de vaststelling van de definitieve arbeidsongeschiktheid . Doordat op het tijdstip van het tuchtrechtelijk ontslag een besluit tot vaststelling van definitieve arbeidsongeschiktheid ontbrak, was het krachtens artikel 78 van het Statuut ingediende verzoek door dat ontslag zonder voorwerp geraakt .
22 Het Gerecht stelt in de eerste plaats vast, dat de Commissie verzoeker bij brief van 11 juni 1985 in kennis heeft gesteld van haar besluit de krachtens artikel 78 ingeleide invaliditeitsprocedure te beëindigen . Verder is het besluit van 15 juli 1988, waartegen het onderhavige beroep is gericht, vastgesteld in het kader van de procedure van artikel 73 . De Commissie heeft zich dus enkel uitgesproken over het verzoek ex artikel 73 en de eventuele toekenning van een invaliditeitspensioen dus niet in heroverweging genomen . Maar ook indien in dat besluit een stilzwijgende afwijzing van het op artikel 78 gebaseerde verzoek kan worden gelezen, dan nog zou deze afwijzing, bij gebreke van nieuwe elementen ten opzichte van het besluit van 11 juni 1985, een bevestiging van dit laatste besluit zijn en dus niet bezwarend kunnen zijn . Ook in de veronderstelling van een stilzwijgende afwijzing van een verzoek ex artikel 78, zou de op dit artikel gebaseerde vordering tot nietigverklaring van het besluit van 15 juli 1988 dus niet-ontvankelijk zijn .
23 Voorts wijst het Gerecht erop, dat het besluit van 11 juni 1985 onaantastbaar is geworden, doordat verzoeker er niet van in beroep is gekomen binnen de termijn van artikel 91, lid 2, van het Statuut . Dat verzoeker zijn rechten ter zake van de toepassing van artikel 78 zou hebben voorbehouden, kan in dit verband niet worden aanvaard . De klacht - en beroepstermijnen van de artikelen 90 en 91 van het Statuut zijn van openbare orde : zij zijn ingesteld ten einde de duidelijkheid en zekerheid van de rechtssituaties te verzekeren, en zijn geen middel waarover de partijen of de rechter naar believen kunnen beschikken ( arresten van 12 december 1967, zaak 4/67, Collignon, Jurispr . 1967, blz . 455; 12 juli 1984, zaak 227/83, Moussis, Jurispr . 1984, blz . 3133, en 7 mei 1986, zaak 191/84, Barcella, Jurispr . 1986, blz . 1541 ). Hieraan doet met name niet af, dat verzoeker met zijn beroep tegen het tweede ontslagbesluit althans impliciet tegen de beëindiging van de procedure ex artikel 78 van het Statuut zou zijn opgekomen . Bij gebreke van nieuwe feiten en ingeval zijn beroep tegen dit ontslag werd verworpen, kon verzoeker tegen het hem bij brief van 11 juni 1985 meegedeelde besluit van de Commissie tot afwijzing van zijn verzoek ex artikel 78 immers enkel nog opkomen via de procedures van de artikelen 90 en 91 van het Statuut . Wel heeft verzoeker bij brief van 26 juni 1985 aan de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer een klacht tegen het besluit van 11 juni 1985 ingediend en daarbij conform de procedure van artikel 90 het doel en de redenen van zijn klacht duidelijk uiteengezet, doch hij heeft verzuimd binnen de gestelde termijn een beroep tot nietigverklaring van dat besluit in te stellen . Blijkens de stukken heeft de Commissie de klacht niet binnen vier maanden vanaf de dag van indiening beantwoord, zodat zij bij afloop van die termijn op 26 oktober 1985 moest worden geacht stilzwijgend te zijn afgewezen . Hiertegen stond beroep open gedurende drie maanden, vermeerderd met de termijn wegens afstand, die voor verzoeker, die op Corsica woont, zes dagen bedroeg . Verzoeker heeft binnen deze termijn bij het Hof geen beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van 11 juni 1985 en van het stilzwijgend besluit tot afwijzing van zijn klacht, zodat het besluit van 11 juni 1985 definitief is geworden ( zie arrest van het Hof van 15 januari 1987, zaak 152/85, Misset, Jurispr . 1987, blz . 223 ).
24 Uit een en ander volgt, dat het aan artikel 78 ontleende tweede middel niet-ontvankelijk is . Het Gerecht behoeft zich in dit arrest dus niet uit te spreken over de met dit middel opgeworpen materiële vraag .
De vordering tot schadevergoeding
25 Verzoeker heeft eveneens een vordering tot schadevergoeding ingesteld .
a ) In de eerste plaats meent hij, dat verweerster onrechtmatig heeft gehandeld door aan het begin van de invaliditeitsprocedure - meer bepaald in het bij brief van 28 juli 1987 ter kennis van verzoeker gebrachte ontwerp-besluit - zijn blijvende invaliditeit op 60 % te bepalen, terwijl het volgens het medisch advies daarbij om een voorlopig percentage ging, in afwachting van een nieuw onderzoek van verzoeker binnen twee jaar .
b ) Verzoeker meent bovendien, dat de Commissie aansprakelijk is omdat zij in het bestreden besluit geen rekening heeft gehouden met de 18 % invaliditeit ten gevolge van het incident van 6 oktober 1982 .
c ) De Commissie zou eveneens onrechtmatig hebben gehandeld door in het bestreden besluit verzoekers verzoek ex artikel 78 buiten beschouwing te laten .
d ) Van een ernstige onrechtmatigheid zou tenslotte sprake zijn waar de Commissie op 6 mei 1985 het besluit tot tuchtrechtelijk ontslag heeft vastgesteld terwijl verzoeker met ziekteverlof was, en zonder het medisch advies over haar verantwoordelijkheid in deze af te wachten . Verzoeker meent in dit verband, dat "de in dit verzoekschrift geformuleerde schadevordering niet afhangt van de verwerping van het beroep tot nietigverklaring van het tweede ontslagbesluit ".
26 Volgens verzoeker hebben deze onrechtmatigheden - en met name "al wat hij heeft moeten verduren door de jarenlange procedure ( van 1982 tot heden ) en de talloze medische onderzoeken en controles" - hem aanzienlijke schade berokkend, doordat zijn gezondheidstoestand nog verder is verslechterd en zijn kansen op reïntegratie in het beroepsleven aanzienlijk zijn gedaald : momenteel is hij werkloos, ondanks tal van pogingen om een baan te vinden, en verkeert hij in een benarde financiële situatie . Onder deze omstandigheden acht hij het billijk, de vergoeding voor de geleden schade te bepalen op een bedrag gelijk aan 24 maanden salaris van een ambtenaar met de rang A 5, salaristrap 6, zijn rang op het moment van zijn vertrek bij de Commissie .
27 Verweerster brengt hiertegen in, dat verzoeker het bewijs van de gestelde onrechtmatigheden niet heeft weten te leveren . In de eerste plaats bevatte het bij brief van 28 juli 1987 aan verzoeker ter kennis gebrachte ontwerp-besluit enkel een weergave van de conclusies van het medisch onderzoek door professor De Buck . Met betrekking tot de twee grieven die het bestreden besluit betreffen, verwijst verweerster naar wat zij tegen de vordering tot nietigverklaring heeft aangevoerd . Wat de vierde haar door verzoeker verweten onrechtmatigheid betreft, merkt verweerster op, dat "verzoeker in het kader van een schadevordering de eerdere tuchtrechtelijke ontslagprocedure niet opnieuw ter discussie kan stellen, nu het Hof zijn verzoek om de onregelmatigheid van die procedure vast te stellen, heeft verworpen"; volgens vaste rechtspraak van het Hof noopt de verwerping van een vordering tot nietigverklaring tot verwerping van de schadevordering ( zie met name het arrest van 14 februari 1989, zaak 346/87, Bossi, Jurispr . 1989, blz . 303 ).
28 Verweerster ontkent overigens het oorzakelijk verband tussen de door verzoeker gestelde schade en het bestreden besluit . Haars inziens "is de schade hoogstens te wijten aan het besluit om verzoeker bij wege van tuchtmaatregel te ontslaan ". Nu het Hof verzoekers beroep tot nietigverkaring van dat besluit heeft verworpen, moet ook de schadevordering worden verworpen .
29 Verzoekers grieven dienen stuk voor stuk te worden onderzocht .
30 a ) Met betrekking tot de aan het begin van de invaliditeitsprocedure op 60 % bepaalde blijvende invaliditeit - welk percentage in het medisch advies uitdrukkelijk als voorlopig was vermeld - stelt het Gerecht vast, dat verzoeker niet het bewijs heeft geleverd dat verweerster haar statutaire verplichtingen niet is nagekomen, en evenmin dat hij in de loop van deze procedure door het aan de Commissie verweten gedrag schade zou hebben geleden .
31 Er zij aan herinnerd, dat ingevolge artikel 20 van de Regeling het besluit tot vaststelling van de graad van invaliditeit wordt genomen na de stabilisatie van het door de ambtenaar opgelopen letsel . Volgens de tweede alinea van deze bepaling, dient "wanneer bij beëindiging van de medische behandeling de graad van invaliditeit nog niet definitief kan worden vastgesteld, het medisch advies de uiterste datum aan te geven waarop het dossier van de ambtenaar aan een hernieuwd onderzoek moet worden onderworpen ". Hiervan uitgaand, is professor De Buck, de door de Commissie overeenkomstig de Regeling geraadpleegde deskundige, tot de volgende conclusie gekomen : "De invaliditeit van F . werd tot nu toe op 80 % geraamd, doch ik meen dat zijn blijvende invaliditeit thans reeds op 60 % kan worden bepaald . Betrokkene zou over twee jaar opnieuw moeten worden onderzocht om de graad van zijn blijvende invaliditeit definitief vast te stellen ." Dat percentage van 60 % werd door deze deskundige als volgt gesplitst :
"- percentage in verband met de toestand vóór indiensttreding bij de Gemeenschappen : 12 %
- percentage als gevolg van de agressie op 2 september 1978 : 0 %
- percentage in verband met het incident van 6 oktober 1982 dat tot verzoekers ontslag heeft geleid : 18 %
- percentage veroorzaakt door betrokkenes beroepswerkzaamheden : 30 %".
32 Onder deze omstandigheden was het tot aanstelling bevoegd gezag ingevolge artikel 20, derde alinea, van de Regeling verplicht, een voorlopige vergoeding toe te kennen overeenkomend met het niet-betwiste gedeelte van de blijvende invaliditeit en in mindering te brengen op de definitieve uitkeringen .
33 Dienaangaande merkt het Gerecht op, dat het overeenkomstig artikel 21 van de Regeling ter kennis van verzoeker gebrachte ontwerp-besluit van de Commissie met die Regeling in overeenstemming is, in zoverre daarin een beroepsmatige invaliditeit van 30 % wordt erkend, wat overeenkomt met het niet betwiste gedeelte van de blijvende invaliditeit zoals vastgesteld in het rapport van professor De Buck . Gelet op een en ander, stelt het Gerecht derhalve vast, dat de Commissie zich van haar statutaire verplichtingen jegens verzoeker heeft gekweten, en dat deze laatste bovendien het bewijs van de beweerde schade niet heeft geleverd . Hieruit volgt, dat het eerste onderdeel van het middel ongegrond is .
34 b ) Met betrekking tot de vordering tot vergoeding van de schade die verzoeker zegt te hebben geleden doordat de Commissie geen rekening heeft gehouden met een fractie van 18 % beroepsmatige invaliditeit, merkt het Gerecht allereerst op, dat de door verzoeker gestelde schade verband houdt met de vaststelling van het bestreden besluit . Dienaangaande is het Gerecht van oordeel, dat verzoeker voldoende recht zal worden gedaan wanneer het onrechtmatige besluit nietig wordt verklaard en de Commissie vervolgens ter uitvoering van dit arrest verzoekers beroepsmatige blijvende invaliditeit opnieuw bepaalt . Verzoeker heeft immers niet precies aangegeven hoe groot de schade is die het gevolg is van de verslechtering van zijn gezondheid en beroepssituatie . Hij heeft niet bewezen, of aangeboden te bewijzen, dat die verslechtering na het omstreden besluit is opgetreden, en evenmin dat er tussen de beweerde schade en dat besluit een oorzakelijk verband bestaat . Het tweede onderdeel van het middel is mitsdien ongegrond .
35 c ) Het derde onderdeel van het middel, inhoudende dat verweerster in het bestreden besluit artikel 78 niet toepast, dient buiten beschouwing te blijven . De vraag of artikel 78 had moeten worden toegepast, is immers reeds onderzocht, waarbij het Gerecht tot het oordeel is gekomen dat het besluit op dat punt niet onregelmatig is . In dat opzicht valt de Commissie met betrekking tot het bestreden besluit dus geen dienstfout te verwijten en kan er dus geen schade zijn die voor vergoeding in aanmerking kan komen .
36 d ) Met betrekking tot de schadevordering wegens de beweerdelijk onrechtmatige voortzetting van de tuchtprocedure door de Commissie tijdens verzoekers ziekteverlof, stelt het Gerecht vast, dat deze vordering niet hetzelfde voorwerp heeft als de in zijn klacht geformuleerde bezwaren . De klacht was immers enkel gericht tegen het bestreden besluit en tegen de invaliditeitsprocedure . De schadevordering op grond van een ernstige onrechtmatigheid in de vorm van voortzetting van de tuchtprocedure moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard wegens miskenning van de administratieve procedure van artikel 90 van het Statuut, die eveneens geldt voor schadevorderingen van ambtenaren . Dit vindt bevestiging in de rechtspraak van het Hof, dat met betrekking tot schadevorderingen overwoog, dat "ambtenaren in een beroep bij het Hof enkel conclusies kunnen indienen die hetzelfde voorwerp hebben als de conclusies van hun klacht, en enkel bezwaren kunnen doen gelden die op dezelfde grond berusten als de in die klacht geformuleerde bezwaren" ( zie arresten van 20 mei 1987, zaak 242/85, Geist, Jurispr . 1987, blz . 2181, r.o . 9, en 14 februari 1989, zaak 346/87, Bossi, reeds aangehaald ). De schadevordering gebaseerd op de omstandigheden waaronder de tuchtprocedure is verlopen, is mitsdien niet-ontvankelijk .
Beslissing inzake de kostenKosten
37 Volgens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge artikel 11, derde alinea, van voornoemd besluit van de Raad van 24 oktober 1988 van overeenkomstige toepassing is bij het Gerecht, dient de in het ongelijk gestelde partij in de kosten te worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd . Aangezien verzoeker op de wezenlijke punten in het gelijk is gesteld, moet verweerster in de kosten worden verwezen .
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Derde Kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verklaart nietig het besluit van de Commissie van 15 juli 1988 voor zover daarbij de blijvende invaliditeit op 50 % is bepaald .
2 ) Verwerpt de vordering tot schadevergoeding .
3 ) Verwijst de Commissie in de kosten, met uitzondering van de kosten van interveniënte, die door deze zelf zullen worden gedragen .
Top