Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (DERDE KAMER) VAN 17 OKTOBER 1990. - ERICH HETTRICH, GABRIELE KRUMM EN HELMUT STEINEL TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAAR - BIJZONDERE AANPASSINGSCOEFFICIENT VOOR MUENCHEN - NIET-ONTVANKELIJKHEID - WIJZIGING VAN CONCLUSIE VAN VERZOEKSCHRIFT - ONBEVOEGDHEID. - ZAAK T-134/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde II-00565
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Ambtenaren - Beroep - Voorwerp - Bepaling door inleidend verzoekschrift binnen door klacht getrokken kader
( Ambtenarenstatuut, artikelen 90 en 91 )
2 . Procedure - Inleidend verzoekschrift - Conclusies - Wijziging - Verzoek om nietigverklaring voor het eerst in repliek geformuleerd - Niet-ontvankelijkheid
(' s Hofs Statuut-EEG, artikel 19; Reglement voor de procesvoering, artikel 38 )
3 . Ambtenaren - Beroep - Voorwerp - Bevel aan Commissie gebruik te maken van haar door Verdrag verleende bevoegdheden - Niet-ontvankelijkheid
( Ambtenarenstatuut, artikel 91 )
Samenvatting1 . De instelling van een beroep tegen een besluit waardoor een onder het Statuut vallende persoon zich bezwaard acht, moet noodzakelijkerwijs worden voorafgegaan door de in artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut bedoelde administratieve klacht . Dit neemt echter niet weg, dat die administratieve klacht los staat van het beroep bedoeld in artikel 91, lid 2, waarvan zij de grond en het voorwerp alleen maar negatief afbakent; daardoor wordt verhinderd, dat het beroep de grond of het voorwerp van de klacht uitbreidt, maar niet dat het beroep deze beperkt . Het voorwerp van een beroep wordt derhalve uitsluitend door het inleidend verzoekschrift bepaald, voor zover dit binnen het in de klacht getrokken kader blijft . Bijgevolg kan de inhoud van de klacht slechts een bestanddeel van het verzoekschrift vormen, indien dit laatste er ondubbelzinnig naar verwijst .
2 . Een verzoek om nietigverklaring dat niet eens stilzwijgend besloten ligt in het verzoekschrift en dat voor het eerst is geformuleerd in repliek, vormt uit dien hoofde een wijziging van de conclusies van het verzoekschrift en is derhalve ingevolge artikel 19 van 's Hofs Statuut-EEG en 38 van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk .
3 . Het Gerecht is niet bevoegd kennis te nemen van een beroep waarvan de conclusies niet ertoe strekken, de wettigheid te bestrijden van een bezwarend besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag, maar de Commissie te doen gelasten, gebruik te maken van de bevoegdheden waarover zij als instelling beschikt uit hoofde van de artikelen 155 EEG-Verdrag en 64 Ambtenarenstatuut enerzijds en de artikelen 173, eerste alinea, en 175, eerste alinea, EEG-Verdrag anderzijds .
PartijenIn zaak T-134/89,
E . Hettrich, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen,
G . Krumm, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen,
H . Steinel, tijdelijk functionaris van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Muenchen,
vertegenwoordigd door D . Rogalla, advocaat te Muenster, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van N . Decker, advocaat aldaar, 16, avenue Marie-Thérèse,
verzoekers,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur H . Étienne als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende de vaststelling van een bijzondere aanpassingscoëfficiënt voor Muenchen,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Derde Kamer ),
samengesteld als volgt : A . Saggio, kamerpresident, C . Yeraris en K . Lenaerts, rechters,
griffier : P . van Ypersele de Strihou, referendaris
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 11 juli 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrestFeiten en procesverloop
1 Bij brief ingekomen bij de Commissie op 3 november 1988, beklaagde het te Muenchen tewerkgestelde personeel, waartoe de drie verzoekers behoren, zich bij het bevoegde lid van de Commissie erover, dat de Commissie de Raad in haar vijfjaarlijkse voorstel van 19 september 1988 tot wijziging van de aanpassingscoëfficiënten geen bijzondere aanpassingscoëfficiënt voor Muenchen had voorgesteld overeenkomstig artikel 64 Ambtenarenstatuut . Bij verordening ( EGKS, EEG, Euratom ) nr . 3295/88 van 24 oktober 1988 volgde de Raad dat voorstel door rectificatie van de aanpassingscoëfficiënten die van toepassing waren op de bezoldigingen en pensioenen van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, onder meer in de Bondsrepubliek Duitsland ( PB 1988, L 293, blz . 5; hierna : verordening nr . 3295/88 ).
2 Bij brief van 12 december 1988 aan het in Muenchen tewerkgestelde personeel zette de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer, R . Hay, de statistische redenen uiteen waarom de Commissie het niet juist had geacht, een bijzondere correctiecoëfficiënt voor Muenchen voor te stellen .
3 Op 15 maart 1989 dienden verzoekers een klacht in tegen hun eerste op basis van verordening nr . 3295/88 vastgestelde salarisafrekeningen, dat wil zeggen die van 22 december 1988 en 25 januari 1989 . Hun klacht was bovendien gericht tegen de brief van directeur-generaal Hay van 12 december 1988 . Volgens verzoekers waren hun salarisafrekeningen nietig wegens onwettigheid van de verordening van de Raad waarop zij gebaseerd waren . Deze verordening zou in strijd zijn met artikel 64 Ambtenarenstatuut en met het algemene beginsel van gelijke behandeling van alle ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen - in termen van koopkracht gesproken -, ongeacht hun plaats van tewerkstelling . In hun klacht betoogden verzoekers, dat de kosten van levensonderhoud in Muenchen aanzienlijk hoger waren dan in Bonn ( coëfficiënt : 99,5 ) en zelfs Berlijn ( coëfficiënt : 109,2 ), daar de huren in Muenchen in het algemeen hoger lagen dan in Berlijn; voorts maakten zij hun opmerkingen kenbaar over de in de brief van 12 december 1988 aangevoerde statistische argumenten .
4 Op 7 juni 1989 kondigde directeur-generaal Hay in antwoord op de klacht aan, dat de Commissie bij de Raad een voorstel zou indienen tot vaststelling van een bijzondere aanpassingscoëfficiënt voor Muenchen met terugwerkende kracht tot 1 januari 1988 .
5 Op 9 juni 1989 kwam het definitieve voorstel van de Commissie tot stand, dat op 20 juni 1989 per brief van het bevoegde lid van de Commissie aan de Raad werd voorgelegd .
6 Op 18 juli 1989 stelde de Raad verordening ( EEG, Euratom, EGKS ) nr . 2187/89 vast tot rectificatie van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en andere personeelsleden der Europese Gemeenschappen met ingang van 1 juli 1988 en houdende wijziging van de aanpassingscoëfficiënten met ingang van 1 januari 1989 ( PB 1989, L 209, blz . 1 ). Deze verordening bevatte geen bijzondere aanpassingscoëfficiënt voor Muenchen .
7 Daarop hebben verzoekers bij op 7 september 1989 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld .
8 Bij beschikking van 15 november 1989 heeft het Hof de zaak overeenkomstig artikel 14 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen naar het Gerecht verwezen, voor hetwelk de schriftelijke procedure is verlopen vanaf de inschrijving van het verweerschrift ter griffie van het Gerecht, op 17 november 1989 .
9 Het Gerecht ( Derde Kamer ) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan . De vertegenwoordigers van partijen zijn ter terechtzitting van 11 juli 1990 in hun pleidooien en antwoorden op de door het Gerecht gestelde vragen gehoord .
Conclusies van partijen
10 Verzoekers concluderen dat het het Gerecht behage :
"1 ) De Commissie van de Europese Gemeenschappen te gelasten, in het kader van de vaststelling van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en andere personeelsleden overeenkomstig het Ambtenarenstatuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen bij de Raad, eventueel opnieuw, een voorstel voor een bijzondere aanpassingscoëfficiënt voor de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en andere personeelsleden met standplaats Muenchen in te dienen .
2 ) Subsidiair : vast te stellen dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van de artikelen 63 en 64 Ambtenarenstatuut gehouden is, de nodige stappen te ondernemen om verzoekers' aanspraken op een passende aanpassingscoëfficiënt sedert het niet gepubliceerde besluit van de Raad van 26 juni 1976 ( zogenoemde bezoldigingsmethode ) door de Raad te doen erkennen, en in voorkomend geval een beroep wegens nalaten of tot nietigverklaring van andersluidende besluiten van de Raad in te stellen .
3 ) De Commissie te verwijzen in de kosten van het geding ."
De Commissie concludeert in haar verweerschrift dat het het Gerecht behage :
"overeenkomstig artikel 81 van het Reglement voor de procesvoering :
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- verzoekers in de kosten te verwijzen ."
De Commissie concludeert in dupliek dat het het Gerecht behage :
"- het verzoekschrift niet-ontvankelijk te verklaren;
- zo het verzoekschrift ontvankelijk mocht worden verklaard, dit ongegrond te verklaren;
- verzoekers in de kosten te verwijzen ."
Strekking van de conclusies van het verzoekschrft
11 Alvorens de ontvankelijkheid van het beroep te onderzoeken, moet de strekking van de conclusies van het verzoekschrift worden bepaald . In repliek geven verzoekers daaraan namelijk een uitlegging die de Commissie bestrijdt .
12 Verzoekers betogen in repliek, dat de conclusies van het verzoekschrift, die primair ertoe strekken, de Commissie te doen gelasten bij de Raad - eventueel opnieuw - een voorstel in te dienen voor een bijzondere aanpassingscoëfficiënt voor Muenchen en, subsidiair, te doen vaststellen dat de Commissie de nodige stappen moet ondernemen om verzoekers' rechten op een passende aanpassingscoëfficiënt sedert het desbetreffende besluit van de Raad van 26 juni 1976 door de Raad te doen erkennen en in voorkomend geval een beroep wegens nalaten of tot nietigverklaring van de andersluidende besluiten van de Raad moet instellen, moeten worden uitgelegd in het licht van de vorderingen die zij in hun klacht van 15 maart 1989 hebben geformuleerd, aangezien het verzoekschrift het vervolg van de klacht is . De klacht zou zijn gericht tegen de verzoekers individueel rakende besluiten zoals die in de salarisafrekeningen van december 1988 waren geformuleerd; dit zijn de eerste salarisafrekeningen die waren gebaseerd op verordening nr . 3295/88, waarvan de nietigheid wegens niet-vaststelling van een bijzondere aanpassingscoëfficiënt voor Muenchen zowel in de klacht als in het verzoekschrift zou zijn ingeroepen . Verzoekers leiden hieruit af, dat de - zeer ruim geformuleerde - subsidiaire vordering in het verzoekschrift ook de nietigverklaring omvat van voormelde individuele besluiten, als consequentie van de in het verzoekschrift gevorderde nietigverklaring van de daaraan ten grondslag liggende verordening .
13 De Commissie betoogt in dupliek, dat verzoekers' salarisafrekeningen van december 1988 niet tot het voorwerp van het beroep behoren en dat, voor zover geen bijzondere aanpassingscoëfficiënt voor Muenchen wordt toegepast, nietigverklaring van die afrekeningen niet besloten kan liggen in de subsidiaire vordering, volgens welke de Commissie enkel gehouden zou zijn, het besluit van de Raad van 26 juni 1976 erkenning te doen vinden .
14 In de eerst plaats moet worden opgemerkt, dat de klacht weliswaar daadwerkelijk is gericht tegen de salarisafrekeningen die verzoekers in december 1988 en januari 1989 hebben ontvangen, met als motivering dat verordening nr . 3295/88, de rechtsgrondslag van die salarisafrekeningen, onwettig is, maar dat het verzoekschrift daarentegen noch in zijn conclusies noch in zijn motivering die salarisafrekeningen of ook maar die verordening vermeldt .
15 Vervolgens moet worden opgemerkt, dat het verzoekschrift nergens naar de inhoud van de klacht verwijst voor wat betreft de nietigheid van de salarisafrekeningen of de onwettigheid van verordening nr . 3295/88 . In het verzoekschrift valt weliswaar een verwijzing naar de argumenten uit de precontentieuze procedure waar te nemen, maar die verwijzing heeft alleen betrekking op verzoekers' argumenten voor vaststelling van een bijzondere aanpassingscoëfficiënt voor Muenchen, en niet op de rechtsgevolgen van de niet-vaststelling van een dergelijke coëfficiënt in die verordening .
16 Er zij aan herinnerd, dat de instelling van een beroep tegen een besluit waardoor een onder het Statuut vallende persoon zich bezwaard acht, weliswaar noodzakelijkerwijs moet worden voorafgegaan door de in artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut bedoelde administratieve klacht, maar dat die klacht los staat van het in artikel 91, lid 2, Ambtenarenstatuut bedoelde beroep, waarvan zij het voorwerp en de grond alleen maar negatief afbakent; daardoor wordt verhinderd, dat het beroep de grond of het voorwerp van de klacht uitbreidt, maar niet dat het beroep deze beperkt . Het voorwerp van een beroep wordt derhalve uitsluitend door het inleidend verzoekschrift bepaald, voor zover dit binnen het in de klacht getrokken kader blijft . Bijgevolg kan de inhoud van de klacht slechts een bestanddeel van het verzoekschrift vormen, indien dit laatste er ondubbelzinnig naar verwijst .
17 Voorts moet er op worden gewezen, dat de subsidiaire conclusies van het verzoekschrift, anders dan verzoekers in repliek betogen, niet ertoe strekken, verordening nr . 3295/88 door het Gerecht op haar wettigheid te doen toetsen, maar te doen vaststellen, dat de Commissie gehouden is in voorkomend geval een beroep tot nietigverklaring van de andersluidende besluiten van de Raad in te stellen . Dat beroep zou noodzakelijkerwijs los staan van het onderhavige, daar het noch dezelfde partijen, noch hetzelfde voorwerp zou hebben . Het zou daarbij gaan om een beroep van de Commissie tegen de Raad, dat alleen betrekking zou kunnen hebben op toekomstige verordeningen; voor de bestaande verordeningen zijn de beroepstermijnen immers verstreken .
18 Uit het voorgaande volgt, dat het verzoek om nietigverklaring van de salarisafrekeningen niet eens stilzwijgend besloten ligt in het verzoekschrift, maar voor het eerst is geformuleerd in repliek en uit dien hoofde een wijziging van de conclusies van het verzoekschrift vormt . Op grond van artikel 19 van 's Hofs Statuut-EEG, dat ingevolge artikel 46, eerste alinea, van dit Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, en artikel 38 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof is dat verzoek derhalve niet-ontvankelijk ( arresten van 25 september 1979, zaak 232/78, Commissie/Frankrijk, Jurispr . 1979, blz . 2729, 2737, en 10 juli 1990, zaak T-64/89, Automec, r.o . 69, Jurispr . 1990, blz . II-367 ).
19 Mitsdien behoren de salarisafrekeningen niet tot het voorwerp van het onderhavige geding en moet de gegrondheid van het beroep enkel aan de hand van de conclusies van het inleidend verzoekschrift worden onderzocht .
De ontvankelijkheid
20 De Commissie concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de conclusies van het verzoekschrift, voor zover zij ertoe strekken, de Commissie te gelasten bij de Raad, eventueel opnieuw, een voorstel voor een bijzondere aanpassingscoëfficiënt voor Muenchen in te dienen, en te doen vaststellen, dat de Commissie de nodige stappen moet ondernemen om verzoekers' aanspraken op een passende aanpassingscoëfficiënt door de Raad te doen erkennen en in voorkomend geval een beroep wegens nalaten of tot nietigverklaring van de andersluidende besluiten van de Raad moet instellen . Volgens de Commissie is de procedure van de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut van toepassing op besluiten van het tot aanstelling bevoegde gezag, die de statutaire rechten van de ambtenaren aantasten, daar de in artikel 179 EEG-Verdrag bedoelde geschillen betrekking hebben op de toepassing op de ambtenaren door het tot aanstelling bevoegde gezag van geldend recht . Deze procedure zou echter niet gelden voor verzoeken om schepping van rechten waartoe het tot aanstelling bevoegde gezag als zodanig niet bevoegd is; het zou immers aan de Raad staan, de op grond van artikel 64 Ambtenarenstatuut vereiste verordening vast te stellen, en wel op voorstel van de Commissie . Zij voegt hieraan toe, dat de conclusies van verzoekers er uiteindelijk op neerkomen, dat het wetgevend optreden van de Commissie met klachten en beroepen in rechte kan worden aangevochten . Het Gerecht zou evenwel niet bevoegd zijn te beslissen, of de Commissie zich naar behoren heeft gekweten van de krachtens artikel 155 EEG-Verdrag op haar rustende taak .
21 Voor de bepaling van de bevoegdheid van het Gerecht moet aansluiting worden gezocht bij artikel 168 A, lid 1, EEG-Verdrag, dat de constitutionele grondslag vormt van het reeds genoemde besluit van de Raad van 24 oktober 1988 . Artikel 3, lid 1, sub a, van dat besluit bepaalt, dat het Gerecht bevoegd is ten aanzien van de geschillen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden, bedoeld in artikel 179 EEG-Verdrag . Artikel 179 EEG-Verdrag bepaalt, dat die bevoegdheid bestaat binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgesteld in het Statuut of voortvloeiende uit de regeling die van toepassing is op de overige personeelsleden . Ingevolge artikel 91, lid 1, van het Statuut is het Gerecht bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen de Gemeenschappen en een van de in het Statuut bedoelde personen, dat betrekking heeft op de wettigheid van een besluit waardoor deze persoon zich bezwaard acht in de zin van artikel 90, lid 2 . Artikel 90, lid 2, bepaalt, dat iedere in het Statuut bedoelde persoon bij het tot aanstelling bevoegde gezag een klacht kan indienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht, hetzij omdat dit gezag een besluit heeft genomen, dan wel omdat het geen, bij het Statuut verplichte maatregel heeft genomen .
22 In casu evenwel zijn noch de primaire noch de subsidiaire conclusies van verzoekers erop gericht, de wettigheid te bestrijden van een besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag, waardoor zij zich bezwaard achten; zij strekken ertoe, de Commissie te doen gelasten gebruik te maken van de bevoegdheden waarover zij als instelling beschikt uit hoofde van de artikelen 155 EEG-Verdrag en 64 Ambtenarenstatuut enerzijds en de artikelen 173, lid 1, en 175, lid 1, EEG-Verdrag anderzijds .
23 Uit het voorgaande volgt, dat het Gerecht niet bevoegd is, kennis te nemen van het beroep . Mitsdien moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard .
Beslissing inzake de kostenKosten
24 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 11, derde alinea, van voornoemd besluit van de Raad van 24 oktober 1988 van overeenkomstige toepassing is op de procedure voor het Gerecht, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd . Volgens artikel 70 van dat Reglement blijven echter de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te haren laste .
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Derde Kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk .
2 ) Verstaat dat elk der partijen haar eigen kosten zal dragen .
Top