Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (DERDE KAMER) VAN 6 DECEMBER 1990. - B. TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAAR - ONTVANKELIJKHEID - BEZWAREND BESLUIT - VOORLOPIGE MAATREGEL - KLACHTTERMIJN (AMBTENARENSTATUUT, ARTIKELEN 90, LID 2, EN 91, LID 1). - ZAAK T-130/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde II-00761
Pub.RJ bladzijde Pub somm
Samenvatting
Partijen
Dictum
++++
1 . Ambtenaren - Beroep - Ontvankelijkheidsvoorwaarden - Van openbare orde - Onderzoek ambtshalve - Bezwarend besluit - Voorbereidende handeling - Daarvan uitgesloten
( Ambtenarenstatuut, artikelen 90 en 91 )
2 . Ambtenaren - Beroep - Voorafgaande administratieve klacht - Termijnen - Van openbare orde
( Ambtenarenstatuut, artikelen 90 en 91 )
Samenvatting1 . Daar de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een beroep van openbare orde zijn, kan het Gerecht ze ambtshalve onderzoeken . Zijn controle is niet beperkt tot door partijen opgeworpen middelen van niet-ontvankelijkheid ( zie arresten van 23 april 1956, gevoegde zaken 7/54 en 9/54, Groupement des industries sidérurgiques luxembourgeoises, Jurispr . deel II, 1955-1956, blz . 59, en 16 december 1960, zaak 6/60, Humblet, Jurispr . 1960, blz . 1125 ).
Het beroep tegen een voorbereidende handeling, die geen bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut vormt, moet niet-ontvankelijk worden verklaard ( zie arresten van 1 juli 1964, zaak 26/63, Pistoj, zaak 78/83, Huber, en zaak 80/63, Degreef, Jurispr . 1964, blz . 673, 721 en 767, en 14 februari 1989, zaak 346/87, Bossi, Jurispr . 1989, blz . 303 ).
2 . De in artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut bepaalde klacht - en beroepstermijnen dienen om de zekerheid van de rechtssituaties te waarborgen . Zij zijn derhalve van openbare orde en de partijen of de rechter kunnen er niet naar believen over beschikken ( zie arresten van 12 december 1967, zaak 4/67, Collignon, Jurispr . 1967, blz . 469, en 19 februari 1981, gevoegde zaken 122/79 en 123/79, Schiavo, Jurispr . 1981, blz . 473 ).
De omstandigheid dat een instelling om redenen van personeelsbeleid een antwoord ten gronde geeft op een te laat ingediende administratieve klacht, betekent niet dat aan het in de artikelen 90 en 91 van het Statuut neergelegde stelsel van dwingende termijnen wordt gederogeerd ( zie arrest van 12 juli 1984, zaak 227/83, Moussis, Jurispr . 1984, blz . 3133 ), noch dat de administratie de mogelijkheid heeft verloren om in de contentieuze procedure een exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens te late indiening van de klacht op te werpen .
Partijenin zaak T-130/89,
B . ( 1 ), voormalig tijdelijk functionaris van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te S . ( Groothertogdom Luxemburg ), vertegenwoordigd door C . Revoldini, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg te diens kantore, 21, rue Aldringen,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . Griesmar als gemachtigde, bijgestaan door C . Verbraeken en ter terechtzitting door D . Waelbroek, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 24 april 1989 waarbij verzoekster lichamelijk en geestelijk ongeschikt is verklaard om haar werkzaamheden te verrichten .
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Derde Kamer ),
samengesteld als volgt : C . Yeraris, kamerpresident, A . Saggio en B . Vesterdorf, rechters,
( rechtsoverwegingen niet opgenomen )
Dictumrechtdoende :
1 ) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk .
2 ) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .
Top