Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (DERDE KAMER) VAN 17 OKTOBER 1991. - KLAUS OFFERMANN TEGEN EUROPEES PARLEMENT. - AMBTENAAR - ONTVANKELIJKHEID - VERZOEK - STILZWIJGENDE AFWIJZING - TE LAAT INGEDIENDE KLACHT - UITDRUKKELIJKE, BEVESTIGENDE AFWIJZING. - ZAAK T-129/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde II-00855
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Ambtenaren - Beroep - Voorafgaande administratieve klacht - Termijnen - Van openbare orde
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
2. Ambtenaren - Beroep - Voorafgaande administratieve klacht - Niet tijdig betwist stilzwijgend besluit tot afwijzing van verzoek - Later uitdrukkelijk besluit - Bevestigend besluit - Verval van recht
(Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 1, en 91)
Samenvatting1. De in de artikelen 90 en 91 van het Statuut bepaalde termijnen voor het indienen van een klacht en het instellen van beroep, die ter verzekering van de duidelijkheid en zekerheid van de rechtssituaties zijn ingesteld, zijn van openbare orde en partijen kunnen zich er niet aan onttrekken.
De omstandigheid dat een instelling in de precontentieuze procedure niet gewezen heeft op het feit dat de klacht te laat is ingediend, heeft niet tot gevolg dat de administratie niet meer het recht zou hebben in de procedure in rechte een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, en nog minder dat het Gerecht niet meer verplicht zou zijn te verifiëren of de statutaire termijnen in acht zijn genomen.
2. Wanneer na een stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van een verzoek dit verzoek nog eens uitdrukkelijk wordt afgewezen, heeft deze laatste afwijzing een zuiver bevestigend karakter en doet zij geen nieuwe klachttermijn ingaan die de belanghebbende in staat zou stellen de precontentieuze procedure voort te zetten.
PartijenIn zaak T-129/89,
K. Offermann, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Luxemburg, vertegenwoordigd door F. Entringer, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende aldaar te diens kantore, Rue du Palais de Justice 2,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur J. Campinos en P. Kyst, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij zijn secretariaat-generaal, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de voorzitter van het Parlement houdende weigering verzoeker kwijting te verlenen in zijn functie van ondergeschikt rekenplichtige en beheerder van gelden ter goede rekening en hem het creditsaldo van de waarborgrekening uit te betalen,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Yeraris, kamerpresident, A. Saggio en B. Vesterdorf, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 20 maart 1991, het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrestDe feiten en het procesverloop
1 In de periode van juli 1980 tot april 1982 vervulde verzoeker de functie van ondergeschikt rekenplichtige en beheerder van gelden ter goede rekening bij het Europees Parlement (hierna: "Parlement"). In dezelfde periode vervulde H. de Compte de functie van rekenplichtige van de instelling.
2 Als beheerder van gelden ter goede rekening was verzoeker verantwoordelijk voor het beheer van de kas voor de afgevaardigden, waaruit diverse vergoedingen en de reiskosten van de leden van het Parlement worden betaald.
3 In juli 1981 begon de Rekenkamer overeenkomstig artikel 206 bis, lid 4, EEG-Verdrag met de controle van die kas. Zijn eerste conclusies, die in oktober 1981 en april 1982 ter kennis van het Parlement werden gebracht, waren uiterst kritisch.
4 Op 30 april 1982 werd verzoeker naar een andere functie overgeplaatst.
5 Op 6 juli 1982 stelde de Rekenkamer een "Speciaal verslag over de kas voor de afgevaardigden van het Europees Parlement" vast (PB 1982, C 202, blz. 1), waarin hij ernstige inbreuken constateerde op het Financieel Reglement van 21 december 1977 van toepassing op de algemene begroting der Europese Gemeenschappen (PB 1977, L 356, blz. 1; hierna: "Financieel Reglement"), en het Parlement uitnodigde de nodige voorzieningen te treffen om de onregelmatige rekenplichtige handelingen te vereffenen, de verschuldigde bedragen in te vorderen en de eventuele verantwoordelijkheden van de rekenplichtige, de kassier en de financieel controleur vast te stellen.
6 Op 30 september 1982 leidde de voorzitter van het Parlement, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, tegen verzoeker een tuchtprocedure in. Daartoe werd de tuchtraad een rapport toegezonden betreffende de bezwaren die tegen het beheer van de kas voor de afgevaardigden bestonden.
7 Op 13 oktober 1983 bracht de tuchtraad een met redenen omkleed advies uit, waarin hij concludeerde dat er geen termen waren om verzoeker een tuchtrechtelijke sanctie op te leggen.
8 Bij brief van 18 november 1983 deelde de voorzitter van het Parlement verzoeker mee, dat hoewel hij had geconstateerd dat deze inbreuk had gemaakt op zijn verplichtingen als ondergeschikt rekenplichtige en beheerder van gelden ter goede rekening, hij tot de conclusie was gekomen dat er geen aanleiding bestond voor een tuchtrechtelijke maatregel jegens hem.
9 Bij brief van 19 december 1984 wendde verzoeker zich tot de voorzitter van het Parlement met twee verzoeken in de zin van artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut; in de eerste plaats verzocht hij om vergoeding van de schade die hij door de tegen hem ingeleide tuchtprocedure meende te hebben geleden, en in de tweede plaats om uitbetaling van het creditsaldo van de waarborgrekening die door de instelling overeenkomstig artikel 70, lid 3, van het Financieel Reglement op zijn naam was geopend.
10 In zijn antwoord van 8 mei 1985 wees de voorzitter van het Parlement beide verzoeken als niet-ontvankelijk af. Met betrekking tot het eerste verzoek meende hij, dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet aansprakelijk kon zijn voor mogelijke schade ten gevolge van de inleiding van een tuchtprocedure waarvan de wettigheid niet tijdig was bestreden. Het tweede verzoek werd door de president als voorbarig aangemerkt, omdat nog niet was voldaan aan zekere in het Financieel Reglement en zijn uitvoeringsvoorschriften gestelde voorwaarden; met name moest het Parlement nog beslissen over de voor het begrotingsjaar 1982 aan de rekenplichtige te verlenen kwijting (décharge) en moesten de rekenplichtige en de financieel controleur vooraf gunstig advies uitbrengen.
11 Bij brief van 12 juli 1985 diende verzoeker een klacht als bedoeld in artikel 90, lid 2, van het Statuut in tegen het afwijzend besluit van de voorzitter van het Parlement van 8 mei 1985.
12 Bij brief van 24 juli 1985 deed de voorzitter van het Parlement de Rekenkamer een verzoek van de Commissie begrotingscontrole van het Parlement toekomen om een nieuw advies over de meest geschikte manier om het in de kas voor de afgevaardigden geconstateerde tekort over het begrotingsjaar 1982 aan te zuiveren.
13 Bij besluit van 3 oktober 1985 wees de voorzitter van het Parlement verzoekers klacht af, op grond dat noch het in de brief van 19 december 1984 vervatte verzoek noch de klacht van 12 juli 1985 ontvankelijk waren, omdat zij buiten de in artikel 90 van het Statuut gestelde termijnen waren ingediend.
14 Op 7 november 1985 bracht de Rekenkamer zijn advies uit, waarin het concludeerde dat de rekenplichtige en de beheerder van gelden ter goede rekening aansprakelijk waren ingevolge artikel 70 van het Financieel Reglement.
15 Bij besluit van 11 juli 1986 verleende het Parlement zijn voorzitter kwijting voor het begrotingsjaar 1982 en machtigde het hem zijn rekenplichtigen kwijting voor hetzelfde begrotingsjaar te verlenen, "met uitzondering van de somma van 91 263 Ecu en de desbetreffende kwesties, zoals uiteengezet in de brief van de president van de Rekenkamer van 7 november 1985 en het daarbij gevoegde advies van de Rekenkamer". Voorts droeg het zijn voorzitter op, de nodige maatregelen te nemen om de nog hangende kwesties op te lossen (PB 1986, C 227, blz. 154).
16 Bij brief van 5 augustus 1988, ingeschreven op 10 augustus daaraanvolgend, richtte verzoeker opnieuw twee verzoeken tot de voorzitter van het Parlement, enerzijds om hem kwijting te verlenen in zijn functie van ondergeschikt rekenplichtige en beheerder van gelden ter goede rekening tot 30 april 1982, en anderzijds om hem het creditsaldo van de op zijn naam geopende waarborgrekening uit te betalen. Ter rechtvaardiging van deze verzoeken voerde verzoeker onder meer aan, dat het Parlement bij zijn besluit van 11 juli 1986 de voorzitter had gemachtigd, de rekenplichtigen kwijting te verlenen voor het begrotingsjaar 1982.
17 De voorzitter van het Parlement wees deze verzoeken op 20 december 1988 af, met name op grond dat hij bij voornoemd besluit van het Parlement niet was gemachtigd met betrekking tot bepaalde kwesties kwijting te verlenen.
18 Bij brief van 17 maart 1989 diende verzoeker tegen deze afwijzing een klacht in in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut.
19 Bij besluit van 4 juli 1989 wees de voorzitter van het Parlement deze klacht van verzoeker af, op grond dat hij geen nieuwe elementen bevatte.
20 In deze omstandigheden heeft verzoeker bij op 9 augustus 1989 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de voorzitter van het Parlement van 4 juli 1989.
21 Krachtens artikel 14 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen heeft het Hof bij beschikking van 15 november 1989 de zaak naar het Gerecht verwezen.
22 De schriftelijke procedure, die gedeeltelijk voor het Hof en gedeeltelijk voor het Gerecht heeft plaatsgevonden, heeft een normaal verloop gehad.
23 Het Gerecht (Derde kamer) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan, en tegelijkertijd het Parlement verzocht een document over te leggen en zekere nadere inlichtingen te verstrekken, die het van belang achtte voor de beslissing van het geding.
24 Op 15 februari 1991 heeft het Parlement het gevraagde document en zijn antwoord op de schriftelijke vragen van het Gerecht neergelegd.
25 De mondelinge behandeling heeft op 20 maart 1991 plaatsgehad. Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van het Parlement, desgevraagd door het Gerecht, een aanvullend document overgelegd. De vertegenwoordigers van partijen hebben mondelinge opmerkingen gemaakt en vragen van het Gerecht beantwoord.
Conclusies van partijen
26 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- het genomen besluit nietig te verklaren;
- te verstaan, dat bij het te nemen besluit hem kwijting moet worden verleend voor zijn tot 30 april 1982 uitgeoefende functie van ondergeschikt rekenplichtige;
- bijgevolg te gelasten, de hem verschuldigde bijzondere vergoeding onverwijld uit te betalen;
- het Parlement te verwijzen in alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten;
- onder voorbehoud van alle rechten, aanspraken en rechtsvorderingen.
27 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het strekt tot uitbetaling van het creditsaldo van de waarborgrekening overeenkomstig artikel 90 van de uitvoeringsmaatregelen van het Financieel reglement;
- het beroep voor het overige ongegrond te verklaren;
- verzoeker te verwijzen in de kosten overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
De ontvankelijkheid
28 Verweerder werpt in zijn verweerschrift een exceptie van gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid op tegen het beroep, in zoverre dit strekt tot uitbetaling van het creditsaldo van de waarborgrekening. Daartoe stelt verweerder, dat verzoeker reeds op 12 juli 1985 een klacht heeft ingediend tegen hetzelfde besluit als thans in geding is, te weten de weigering van de voorzitter van het Parlement hem dat creditsaldo uit te betalen omdat de rekenplichtige van de instelling geen kwijting voor het begrotingsjaar 1982 was verleend, welke klacht bij besluit van 3 oktober 1985 is afgewezen. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 15 december 1971 (zaak 17/71, Tontodonati/Commissie, Jurispr. 1971, blz. 1059) betoogt verweerder, dat een ambtenaar een termijn die hij heeft doen verstrijken, niet opnieuw kan doen ingaan door een administratieve klacht in te dienen met hetzelfde voorwerp als een onaantastbaar geworden handeling en vervolgens bij de gemeenschapsrechter beroep in te stellen tegen de afwijzing van die klacht.
29 Ter weerlegging van dit betoog stelt verzoeker, dat de kwijting die het Parlement zijn voorzitter op 11 juli 1986 heeft verleend - dat wil zeggen, bijna negen maanden na de afwijzing van de eerste klacht -, een nieuw feit vormt dat de inleiding van de huidige procedure rechtvaardigt. Voorts merkt hij op, dat het Parlement deze exceptie voor het eerst in de procedure in rechte heeft opgeworpen; zou zij gegrond worden verklaard, dan zou dat betekenen dat het tot aanstelling bevoegd gezag hem in dwaling heeft gebracht omtrent zijn rechtssituatie, zodat het Parlement in alle geval in de proceskosten moet worden veroordeeld.
30 Alvorens te beslissen over de door verweerder opgeworpen exceptie van gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid, dient het Gerecht overeenkomstig artikel 92, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat op het tijdstip van de mondelinge behandeling van overeenkomstige toepassing was op de procedure voor het Gerecht, ambtshalve te onderzoeken of het beroep in zijn geheel binnen de statutaire termijnen is ingesteld.
31 Artikel 90, lid 1, van het Statuut bepaalt, dat iedere amtbenaar het tot aanstelling bevoegd gezag kan verzoeken jegens hem een besluit te nemen. Volgens vaste rechtspraak betekent dit echter niet, dat de ambtenaar mag afwijken van de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut bepaalde procedure en termijnen voor de indiening van dat verzoek, de klacht en het beroep. Die termijnen, die ter verzekering van de duidelijkheid en zekerheid der rechtssituaties zijn ingesteld, zijn van openbare orde en partijen kunnen zich er niet aan onttrekken (zie, onder meer, de arresten van het Hof van 13 november 1986, zaak 232/85, Becker, Jurispr. 1986, blz. 3401, en 14 juni 1988, zaak 161/87, Muysers e.a., Jurispr. 1988, blz. 3037, en het arrest van het Gerecht van 7 februari 1991, zaak T-58/89, Williams, Jurispr. 1991, blz. II-77, alsmede de beschikking van het Gerecht van 7 juni 1991, zaak T-14/91, Weyrich, Jurispr. 1991, blz. II-235).
32 Voorts moet worden gepreciseerd, dat artikel 91, lid 3, tweede streepje, van het Statuut, bepalende dat "wanneer (...) een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van een klacht is afgekomen na het stilzwijgende besluit tot afwijzing, doch binnen de termijn voor het instellen van beroep, (...) laatstgenoemde termijn hierdoor opnieuw ingaat", geen toepassing kan vinden in het stadium van het verzoek en vóór de indiening van de klacht. Deze bijzondere bepaling, die betrekking heeft op de berekeningswijze van de beroepstermijnen, moet immers letterlijk en strikt worden uitgelegd. Hieruit volgt, dat wanneer na een stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van een verzoek dit verzoek nog eens uitdrukkelijk wordt afgewezen, deze laatste afwijzing een zuiver bevestigend karakter heeft en geen nieuwe klachttermijn doet ingaan die de belanghebbende in staat zou stellen de precontentieuze procedure voort te zetten (zie beschikking van het Gerecht van 1 oktober 1991, zaak T-38/91, Coussios, Jurispr. 1991, blz. II-763).
33 Gelet op de hiervóór besproken bepalingen van de artikelen 90, lid 1, en 91, lid 3, tweede streepje, van het Statuut, staat vast dat, wegens het stilzwijgen van de voorzitter van het Parlement, het op 10 augustus 1988 ingeschreven verzoek van 5 augustus 1988 op 10 december daaraanvolgend bij wege van stilzwijgend genomen besluit is afgewezen. Volgens artikel 90, lid 2, van het Statuut beschikte verzoeker toen over een termijn van drie maanden om een klacht tegen die stilzwijgende afwijzing in te dienen. Vaststaat echter ook, dat verzoeker vóór het einde van die termijn op 10 maart 1989 geen klacht heeft ingediend. Het uitdrukkelijke besluit tot afwijzing van het verzoek van 5 augustus 1988, in de vorm van het antwoord van de voorzitter van het Parlement van 20 december 1988, dat een loutere bevestiging vormde voor het eerdere stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing, heeft geenszins nieuwe termijnen in de precontentieuze procedure doen ingaan waarvan verzoeker zou kunnen profiteren. Met zijn tegen die bevestigende handeling gerichte klacht van 17 maart 1989, die meer dan drie maanden na de stilzwijgende afwijzing van het verzoek is ingediend, heeft verzoeker dus niet voldaan aan de voorwaarde dat "men zich van tevoren tot het tot aanstelling bevoegd gezag heeft gewend", en kan hij de precontentieuze procedure dus niet met het onderhavige beroep voortzetten.
34 De omstandigheid dat verweerder in de precontentieuze procedure niet gewezen heeft op het feit dat de klacht te laat was ingediend, heeft niet tot gevolg, zoals verzoeker ten onrechte stelt, dat de administratie niet meer het recht zou hebben in de procedure in rechte een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, en nog minder dat het Gerecht niet meer verplicht zou zijn te verifiëren of de statutaire termijnen in acht zijn genomen (zie ook de arresten van het Gerecht van 6 december 1990, zaak T-130/89, B., en T-6/90, Petrilli, Jurispr. 1990, blz. II-761 resp. II-765; 11 juli 1991, zaak T-19/90, von Hoessle, Jurispr. 1991, blz. II-615, en 25 september 1991, zaak T-54/90, Lacroix, ibid., blz. II-749).
35 Zonder dat de door het Parlement opgeworpen exceptie van gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid behoeft te worden onderzocht, volgt uit het voorgaande, dat het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beslissing inzake de kostenKosten
36 Volgens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dat is gevorderd. Volgens artikel 70 van dat Reglement blijven echter de in beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen door de instellingen gemaakte kosten, te hunnen laste.
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Top