ARREST VAN HET GERECHT
(Derde kamer)
12 maart 2008
Zaak T‑100/04
Massimo Giannini
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Ambtenaren – Algemeen vergelijkend onderzoek – Niet-plaatsing op reservelijst – Onregelmatigheden in verloop van examens die resultaat kunnen vervalsen – Gelijke behandeling – Beroep tot nietigverklaring – Beroep tot schadevergoeding”
Betreft: Enerzijds, vordering tot nietigverklaring van het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek COM/A/9/01, voor de vorming van een aanwervingreserve van administrateurs (loopbaan A7/A6) voor de werkgebieden economie en statistiek (PB 2001, C 240 A, blz. 12), om verzoekers naam niet op de reservelijst van dit vergelijkend onderzoek te plaatsen en, anderzijds, vordering tot schadevergoeding.
Beslissing: Het beroep wordt verworpen. De Commissie zal haar eigen kosten dragen alsmede drie vierden van de kosten van Giannini. Giannini zal één vierde van zijn eigen kosten dragen.
Samenvatting
1. Ambtenaren – Beroep – Bezwarend besluit – Besluit vastgesteld na heroverweging van eerder besluit
(Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 2, en 91, lid 1)
2. Ambtenaren – Beroep – Voorafgaande administratieve klacht – Gelijkheid van grond en voorwerp
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
3. Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Algemeen vergelijkend onderzoek – Deelneming van ambtenaren die een ambt vervullen en een rang hebben zoals in de aankondiging van vergelijkend onderzoek aangegeven – Toelaatbaarheid
(Ambtenarenstatuut, art. 4 en 27, eerste alinea)
4. Ambtenaren – Aanwerving – Procedures – Keuze – Beoordelingsvrijheid van administratie
Ambtenarenstatuut, art. 29, lid 1)
5. Ambtenaren – Zorgplicht van administratie
6. Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Verloop en inhoud van de examens
(Ambtenarenstatuut, bijlage III)
7. Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Jury – Samenstelling
(Ambtenarenstatuut, bijlage III, art. 3)
8. Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Jury – Samenstelling
(Ambtenarenstatuut, bijlage III, art. 3)
9. Ambtenaren – Rechten en verplichtingen – Verplichting van onafhankelijkheid en integriteit
(Ambtenarenstatuut, art. 14)
10. Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Beginsel van onpartijdigheid van jury
(Ambtenarenstatuut, art. 14)
11. Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Verplichting van gemeenschapsinstellingen om alle kandidaten een rustig en regelmatig verloop van de examens te verzekeren
12. Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Beoordeling van geschiktheid van kandidaten
(Ambtenarenstatuut, bijlage III)
1. Wanneer een kandidaat voor een vergelijkend onderzoek om heroverweging vraagt van het besluit van de jury om hem niet op de reservelijst te plaatsen en dit verzoek wordt afgewezen, is het afwijzende besluit het bezwarend besluit en dus de voor beroep vatbare handeling.
(cf. punten 29 en 30)
Referentie: Gerecht 3 april 2001, Zaur-Gora en Dubigh/Commissie, T‑95/00 en T‑96/00, JurAmbt. blz. I‑A‑79 en II‑379, punten 24‑27; Gerecht 23 januari 2002, Gonçalves/Parlement, T‑386/00, JurAmbt. blz. I‑A‑13 en II‑55, punt 39; Gerecht 31 mei 2005, Gibault/Commissie, T‑294/03, JurAmbt. blz. I‑A‑141 en II‑635, punt 22; Gerecht 13 december 2006, Heus/Commissie, T‑173/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 19
2. In ambtenarenberoepen is de regel van concordantie tussen de administratieve klacht en het bij het Gerecht voor ambtenarenzaken neergelegde verzoekschrift volledig van toepassing, wanneer de betrokkenen, ofschoon zij daartoe niet verplicht zijn, bij een besluit van een jury van een vergelijkend onderzoek ervoor kiezen om eerst een administratieve klacht bij het tot aanstelling bevoegd gezag in te dienen, in plaats van zich rechtstreeks tot de gemeenschapsrechter te wenden. Wanneer de verzoeker uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht indient tegen een besluit van een jury van een vergelijkend onderzoek en die klacht door het tot aanstelling bevoegd gezag wordt afgewezen, moeten de bij de gemeenschapsrechter ingediende vorderingen dus hetzelfde voorwerp hebben als de vorderingen van de klacht. De voor de gemeenschapsrechter aangevoerde bezwaren moeten voorts op dezelfde grond berusten als de in de klacht geformuleerde bezwaren.
Aangezien de precontentieuze procedure tot doel heeft een minnelijke regeling mogelijk te maken en te bevorderen van geschillen die tussen de ambtenaren en de administratie kunnen ontstaan, die procedure een informeel karakter heeft en de betrokkenen in dit stadium in het algemeen niet door een advocaat worden bijgestaan, moet de administratie de klachten niet restrictief uitleggen, maar moet zij deze juist met een openheid van geest onderzoeken. Bovendien kunnen de in de klacht geformuleerde bezwaren zowel in de loop van de procedure, door aanvullende nota’s, als voor de gemeenschapsrechter verder worden ontwikkeld, op voorwaarde dat de daarin opgenomen kritiek op dezelfde grond berust als die waarop de bezwaren in de oorspronkelijke klacht berusten. Voor de gemeenschapsrechter kunnen dus ter nadere precisering van die bezwaren middelen en argumenten worden aangevoerd die niet noodzakelijkerwijs in de klacht waren vermeld, doch er wel nauw bij aansluiten.
(cf. punten 37‑40)
Referentie: Hof 7 mei 1986, Rihoux e.a./Commissie, 52/85, Jurispr. blz. 1555, punten 11‑13; Hof 20 mei 1987, Geist/Commissie, 242/85, Jurispr. blz. 2181, punt 9; Gerecht 29 maart 1990, Alexandrakis/Commissie, T‑57/89, Jurispr. blz. II‑143, punt 9; Gerecht 3 maart 1993, Booss en Fischer/Commissie, T‑58/91, Jurispr. blz. II‑147, punt 83; Gerecht 9 juli 1997, S/Hof van Justitie, T‑4/96, Jurispr. blz. II‑1125, punt 99; Gerecht 17 december 1997, Dricot e.a./Commissie, T‑159/95, JurAmbt. blz. I‑A‑385 en II‑1035, punt 24; Gonçalves/Parlement, reeds aangehaald, punt 42; Gerecht 9 september 2003, Vranckx/Commissie, T‑293/02, JurAmbt. blz. I‑A‑187 en II‑947, punten 41‑45
3. De toelating tot een vergelijkend onderzoek van ambtenaren die een ambt vervullen en rang hebben zoals in de aankondiging van vergelijkend onderzoek zijn aangegeven, is niet in strijd met de strekking noch met het doel van de aanwerving zoals gedefinieerd in het Statuut.
Op grond van artikel 4, eerste alinea, van het Statuut kan elke aanwerving er slechts toe strekken, in een vacature te voorzien. Volgens artikel 27, eerste alinea, van het Statuut dient de aanwerving erop gericht te zijn, de personen aan te werven die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen en die uit de onderdanen van de lidstaten der Gemeenschappen zijn aangeworven met inachtneming van een zo breed mogelijke geografische spreiding.
Wat de strekking van de aanwerving betreft, blijkt immers dat wanneer de gemeenschapsinstelling na een vergelijkend onderzoek op een bepaald gebied en voor een bepaalde rang een ambtenaar aanwerft die reeds werkzaam is in een ambt op het gebied en in de rang waarop het vergelijkend onderzoek is gericht, die instelling niet kan worden verweten dat zij niet in een vacant ambt heeft voorzien. Het is juist dat door die aanwerving de vacature wordt opgevuld door een andere vacature te creëren, doch aangezien die aanwerving voorziet in het vacante ambt, is deze niet in strijd met de strekking van de aanwerving zoals omschreven in artikel 4 van het Statuut.
Wat het doel van de aanwerving betreft, wanneer een ambtenaar die een ambt vervult op het gebied en in de rang waarop de aankondiging van vergelijkend onderzoek betrekking heeft, slaagt voor de verschillende examens van dat vergelijkend onderzoek, is zijn aanwerving door de instelling na dat vergelijkend onderzoek niet in strijd met het doel dat met de aanwerving door middel van een vergelijkend onderzoek wordt beoogd. Uit de omstandigheid dat die ambtenaar voor de verschillende examens van het vergelijkend onderzoek is geslaagd blijkt immers dat hij behoort tot de kandidaten die het meest gekwalificeerd zijn om de te vervullen ambten binnen de instelling te bezetten. Bovendien vindt die aanwerving wel degelijk op een zo ruim mogelijke basis plaats.
(cf. punten 83‑87)
Referentie: Hof 31 maart 1965, Rauch/Commissie, 16/64, Jurispr. blz. 180; Gerecht 8 november 1990, Bataille e.a./Parlement, T‑56/89, Jurispr. blz. II‑597, punt 48; Gerecht 6 maart 1997, de Kerros en Kohn-Bergé/Commissie, T‑40/96 en T‑55/96, JurAmbt. blz. I‑A‑47 en II‑135, punten 40 en 41; Gerecht 12 november 1998, Carrasco Benítez/Commissie, T‑294/97, JurAmbt. blz. I‑A‑601 en II‑1819, punt 35
4. Uit het gebruik van de term „mogelijkheden” in artikel 29, lid 1, van het Statuut blijkt duidelijk dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet absoluut verplicht is om ter voorziening in een vacature over te gaan tot een bevordering of overplaatsing. Het dient evenwel in elk geval na te gaan, of die maatregelen kunnen leiden tot de aanstelling van een persoon die uit het oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet.
De hiërarchische opbouw van artikel 29, lid 1, van het Statuut betekent dus weliswaar dat het tot aanstelling bevoegd gezag met de grootste zorgvuldigheid de mogelijkheden van bevordering of overplaatsing onderzoekt alvorens over te gaan tot de volgende fase, doch deze staat er niet aan in de weg dat het tot aanstelling bevoegd gezag bij dat onderzoek eveneens rekening houdt met de mogelijkheid om via andere procedures betere kandidaten aan te trekken. Hieruit volgt dat het tot aanstelling bevoegd gezag tot een volgende fase van de aanwervingsprocedure kan overgaan ook al zijn er verschillende kandidaten die aan de in de kennisgeving van vacature gestelde voorwaarden en vereisten voor het te vervullen ambt voldoen.
Komt het tot aanstelling bevoegd gezag na onderzoek van de mogelijkheden van overplaatsing tot de conclusie dat bepaalde ambtenaren de vacante ambten kunnen vervullen of juist dat geen van de ambtenaren die ambten kan vervullen, dan kan hem dus niet worden verhinderd om voor de vervulling van de betrokken ambten diegenen onder hen aan te werven die voor het algemeen vergelijkend onderzoek zijn geslaagd. De deelname en plaatsing van die ambtenaren op de reservelijst kunnen bevestigen en zelfs aantonen dat die kandidaten de beste kandidaten zijn om de vacante ambten te vervullen. Gelet op zijn ruime beoordelingsvrijheid, kan het tot aanstelling bevoegd gezag zijn oordeel dus bevestigen of terugkomen op zijn aanvankelijke oordeel over die ambtenaren en hen niet via overplaatsing, maar na het vergelijkend onderzoek aanstellen in de vacante ambten. Met deze nieuwe aanstelling wordt de eerste aanstelling met ingang van de inwerkingtreding van de nieuwe aanstelling beëindigd.
(cf. punten 91‑93)
Referentie: Hof 31 maart 1965, Ley/Commissie, 12/64 en 29/64, Jurispr. blz. 142, 161; Hof 14 juli 1983, Mogensen e.a./Commissie, 10/82, Jurispr. blz. 2397, punt 10; Hof 13 juli 2000, Parlement/Richard, C‑174/99 P, Jurispr. blz. I‑6189, I‑6191, punten 38‑40; Gerecht 23 april 2002, Campolargo/Commissie, T‑372/00, JurAmbt. blz. I‑A‑49 en II‑223, punten 93‑95; Gerecht 17 oktober 2002, Cocchi en Hainz/Commissie, T‑330/00 en T‑114/01, JurAmbt. blz. I‑A‑193 en II‑987, punt 38
5. Ofschoon de zorgplicht van de administratie ten opzichte van haar ambtenaren een weergave vormt van het door het Statuut geschapen evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen in de betrekkingen tussen het administratief gezag en de ambtenaren, kunnen de vereisten van deze plicht het tot aanstelling bevoegd gezag niet beletten, op het gebied van de tewerkstelling van ambtenaren de maatregelen te treffen die het in het belang van de dienst noodzakelijk acht, aangezien de vervulling van een ambt in de eerste plaats gebaseerd moet zijn op het dienstbelang.
De eerbiediging van de zorgplicht bij een aanwerving moet derhalve worden beoordeeld aan de hand van het belang van de dienst, een essentieel element dat de instelling bij de vervulling van een van haar ambten in aanmerking moet nemen. De instelling beschikt echter over een ruime beoordelingsvrijheid bij de bepaling van het belang van de dienst en de rechterlijke controle moet zich beperken tot de vraag of zij binnen redelijke grenzen is gebleven en haar beoordelingsvrijheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt.
Door ambtenaren die reeds een in de aankondiging van vergelijkend onderzoek ambt bezetten en een daarin bedoelde rang hebben toe te laten tot het vergelijkend onderzoek en hen op de reservelijst te plaatsen, is de instelling – meer bepaald het tot aanstelling bevoegd gezag, voor zover het de vaststelling van de aankondiging van vergelijkend onderzoek betreft, en de jury, voor zover het de toepassing daarvan betreft, binnen die grenzen gebleven en heeft zij haar vrijheid niet kennelijk onjuist gebruikt.
(cf. punten 98, 103, 105 en 106)
Referentie: Hof 4 februari 1987, Maurissen/Rekenkamer, 417/85, Jurispr. blz. 551, punt 12; Hof 29 juni 1994, Klinke/Hof van Justitie, C‑298/93 P, Jurispr. blz. I‑3009, punt 38; Gerecht 16 december 1993, Turner/Commissie, T‑80/92, Jurispr. blz. II‑1465, punt 77; Gerecht 15 februari 1996, Ryan-Sheridan/ESVLA, T‑589/93, JurAmbt. blz. I‑A‑27 en II‑77, punt 132; Gerecht 28 mei 1998, W/Commissie, T‑78/96 en T‑170/96, JurAmbt. blz. I‑A‑239 en II‑745, punt 116; Gerecht 6 juli 1999, Séché/Commissie, T‑112/96 en T‑115/96, JurAmbt. blz. I‑A‑115 en II‑623, punt 267; Gerecht 12 december 2000, Dejaiffe/BHIM, T‑223/99, JurAmbt. blz. I‑A‑277 en II‑1267, punt 53; Cocchi en Hainz/Commissie, reeds aangehaald, punt 89; 26 november 2002, Cwik/Commissie, T‑103/01, JurAmbt. blz. I‑A‑229 en II‑1137, punt 52; 24 november 2005, Marcuccio/Commissie, T‑236/02, JurAmbt. blz. I‑A‑365 en II‑1621, punt 129
6. Het beginsel van gelijke behandeling vormt een fundamenteel gemeenschapsrechtelijk beginsel, zodat de jury ervoor moet zorgen dat dit beginsel bij het verloop van een vergelijkend onderzoek strikt wordt geëerbiedigd. De jury beschikt weliswaar over een ruime beoordelingsvrijheid met betrekking tot de modaliteiten en de gedetailleerde inhoud van de examens, doch het staat aan de gemeenschapsrechter om zijn controle uit te oefenen in de mate die nodig is om een gelijke behandeling van de kandidaten te verzekeren en de objectiviteit van de door de jury tussen hen gemaakte keuze.
Gelet op het noodzakelijkerwijs beperkte aantal vragen dat redelijkerwijs tijdens een examen over een bepaald onderwerp kan worden gesteld, bevat elk examen in het algemeen een inherent risico van ongelijke behandeling. Er is dus alleen sprake van schending van het beginsel van gelijke behandeling wanneer de jury bij de keuze van de examens het risico van ongelijke kansen niet beperkt heeft tot het risico dat in het algemeen inherent is aan elk examen.
Dat bepaalde kandidaten van een vergelijkend onderzoek door hun werk binnen een gemeenschapsinstelling bekend kunnen zijn geweest met een document betekent niet dat zij door de keuze van de jury om dit document als basis te nemen voor de vragen van het schriftelijke examen van het vergelijkend onderzoek, op onregelmatige wijze zijn bevoordeeld. Het voordeel dat de keuze van dit document bepaalde kandidaten geeft maakt immers deel uit van het risico dat in het algemeen inherent is aan elk examen. Voorts was de tekst van dit document vóór en gedurende het betrokken schriftelijke examen toegankelijk.
(cf. punten 132, 133 en 164)
Referentie: Hof 8 maart 1988, Sergio e.a./Commissie, 64/86, 71/86‑73/86 en 78/86, Jurispr. blz. 1399, punt 27; Gerecht 17 maart 1994, Hoyer/Commissie, T‑43/91, JurAmbt. blz. I‑A‑91 en II‑297, punt 47; Gerecht 17 maart 1994, Smets/Commissie, T‑44/91, JurAmbt. blz. I‑A‑97 en II‑319, punt 46; Gerecht 25 mei 2000, Elkaïm Mazuel/Commissie, T‑173/99, JurAmbt. blz. I‑A‑101 en II‑433, punten 87 en 90
7. Om te garanderen dat beoordelingscriteria op coherente wijze worden toegepast, moet de samenstelling van de jury in de mate van het mogelijke ongewijzigd blijven. Deze coherentie kan op haar beurt verzekeren dat de kandidaten tijdens de examens gelijk en objectief worden behandeld. Gelet op het belang van het beginsel van gelijke behandeling in aanwervingprocedures, kan de niet-inachtneming door de jury van een vergelijkend onderzoek van de regel dat haar samenstelling stabiel moet zijn, als schending van wezenlijke vormvoorschriften worden aangemerkt. Het besluit dat door een dergelijk gebrek is aangetast moet derhalve nietig worden verklaard zonder dat de betrokkene bijzonder negatieve gevolgen voor zijn subjectieve rechten behoeft aan te tonen of aannemelijk behoeft te maken dat het resultaat van het vergelijkend onderzoek anders kon zijn geweest indien de betrokken wezenlijke vormvoorschriften in acht waren genomen.
(cf. punt 202)
Referentie: Gerecht 10 november 2004, Vonier/Commissie, T‑165/03, JurAmbt. blz. I‑A‑343 en II‑1575, punt 39 en de aangehaalde rechtspraak
8. De gelijktijdige aanwezigheid bij het mondelinge examen van gewone en plaatsvervangende leden van de jury van een vergelijkend onderzoek heeft niet tot gevolg dat de werkzaamheden en de samenstelling van de jury onwettig zijn, zolang de door artikel 3, eerste alinea, van bijlage III bij het Statuut vereiste vertegenwoordiging in acht wordt genomen en de stemgerechtigde juryleden de controle op de gang van zaken behouden en zich de beoordelings- en beslissingsbevoegdheid voorbehouden. De gelijktijdige aanwezigheid van de plaatsvervangend en de gewone voorzitter heeft dus niet tot gevolg dat de werkzaamheden en de samenstelling van de jury onwettig worden, voor zover de plaatsvervangend voorzitter onder die omstandigheden niet stemgerechtigd is.
(cf. punten 210 en 255)
Referentie: Gerecht 13 september 2005, Pantoulis/Commissie, T‑290/03, JurAmbt. blz. I‑A‑241 en II‑1123, punten 77 en 78
9. Volgens artikel 14 van het Statuut betreft het belangenconflict slechts de situatie waarin de ambtenaar in de uitoefening van zijn functie zich moet uitspreken over een aangelegenheid bij de behandeling of de oplossing waarvan hij een zodanig persoonlijk belang heeft dat dit afbreuk zou kunnen doen aan zijn onafhankelijkheid. Bij de beoordeling van het risico van een belangenconflict kan het bestaan van een professionele relatie tussen de ambtenaar en een derde in beginsel niet meebrengen dat de onafhankelijkheid van de ambtenaar in gevaar wordt gebracht of lijkt te worden gebracht, wanneer die ambtenaar een oordeel moet uitspreken over een aangelegenheid waarbij die derde betrokken is.
Dat een lid van een jury van een vergelijkend onderzoek deelneemt aan de beoordeling van een kandidaat die binnen dezelfde eenheid of directie als hij werkt of heeft gewerkt, betekent op zich dus niet dat dit lid een oordeel moet uitspreken over een aangelegenheid bij de behandeling of oplossing waarvan hij een zodanig persoonlijk belang heeft dat dit afbreuk zou kunnen doen aan zijn onafhankelijkheid.
(cf. punten 223 en 224)
Referentie: Gerecht 11 september 2002, Willeme/Commissie, T‑89/01, JurAmbt. blz. I‑A‑153 en II‑803, punt 58; Gerecht 3 februari 2005, Mancini/Commissie, T‑137/03, JurAmbt. blz. I‑A‑7 en II‑27, punt 33; Gerecht 12 juli 2005, De Bry/Commissie, T‑157/04, JurAmbt. blz. I‑A‑199 en II‑901, punt 35
10. Het beginsel van onpartijdigheid van de jury vereist dus dat een jurylid zich afzijdig houdt van de beoordeling van een kandidaat wanneer er een rechtstreekse band bestaat tussen het jurylid en de kandidaat. De onpartijdigheid van de jury is gewaarborgd wanneer een jurylid dat aanwezig is bij het mondelinge examen van kandidaten die hij kent, niet deelneemt aan het onderhoud en de beoordeling van die kandidaten en de jury bij de vergelijking van alle kandidaten, afgezien van dit „passieve” lid, ten minste uit drie of vier leden bestaat die geen rechtstreekse band met de kandidaat hebben.
(cf. punten 228 en 229)
Referentie: Gerecht 5 april 2005, Christensen/Commissie, T‑336/02, JurAmbt. blz. I‑A‑75 en II‑341, punt 53
11. Op grond van de beginselen van zorgvuldigheid en gelijke behandeling moeten de gemeenschapsinstellingen ervoor zorgen dat bij een vergelijkend onderzoek alle kandidaten zoveel mogelijk in een rustige sfeer en zoals voorgeschreven examen kunnen afleggen. Een onregelmatigheid tijdens het verloop van het examen van een vergelijkend onderzoek tast de wettigheid van dat examen slechts aan indien het gaat om een belangrijke onregelmatigheid die het resultaat van het examen kan vervalsen. In geval van een dergelijke onregelmatigheid staat het echter aan de verwerende instelling, te bewijzen dat die onregelmatigheid het resultaat van het examen niet heeft aangetast.
De ongelijke duur van de beraadslaging over de verschillende kandidaten vormt geen schending van het non-discriminatiebeginsel en dus geen onregelmatigheid, aangezien de duur van een beraadslaging geen aanwijzing geeft over de effectiviteit of de kwaliteit van die beraadslaging.
(cf. punten 244 en 250)
Referentie: Gerecht 11 februari 1999, Jiménez/BHIM, T‑200/97, JurAmbt. blz. I‑A‑19 en II‑73, punt 55; Gerecht 24 april 2001, Torre e.a./Commissie, T‑159/98, JurAmbt. blz. I‑A‑83 en II‑395, punt 47; Gerecht 7 februari 2002, Felix/Commissie, T‑193/00, JurAmbt. blz. I‑A‑23 en II‑101, punt 46
12. De beoordeling van de jury van een vergelijkend onderzoek van de kennis en de geschiktheid van de kandidaten vormt een waardeoordeel over de prestatie van de kandidaat bij het examen en valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de jury. Deze kan door de gemeenschapsrechter alleen worden getoetst bij kennelijke schending van de regels die de jurywerkzaamheden beheersen. Het staat immers niet aan de gemeenschapsrechter om zijn eigen oordeel in de plaats van dat van de jury van een vergelijkend onderzoek te stellen. Wanneer de verzoeker zich in het kader van een beroep tot nietigverklaring van het besluit van een jury van een vergelijkend onderzoek om hem niet voor de voorselectie te laten slagen, niet beroept op schending van de regels die de werkzaamheden van de jury beheersen of het bewijs van een dergelijke schending levert, valt de beoordeling van de jury dus buiten de controle van de gemeenschapsrechter.
Uit het in artikel 27 van het Statuut neergelegde beginsel dat de aanwerving erop gericht dient te zijn de instelling de medewerking te verzekeren van ambtenaren die onder meer uit een oogpunt van bekwaamheid aan de hoogste eisen voldoen, volgt dat elke kandidaat aan wie vragen worden gesteld waarop slechts één correct en nauwkeurig antwoord kan worden gegeven, door de jury moet worden geselecteerd op basis van de juistheid van die antwoorden. Deze regel is niet in strijd met de beoordelingsmarge waarover elke jury van een vergelijkend onderzoek beschikt. Wanneer als correct antwoord op een vraag slechts één nauwkeurig antwoord mogelijk is, beschikt de jury van een vergelijkend onderzoek immers niet over een beoordelingsmarge om het antwoord van een kandidaat op die vraag correct of onjuist te verklaren.
Uit deze regel volgt dat onjuiste correcties die bepaalde juryleden bij het mondelinge examen van een vergelijkend onderzoek hebben aangebracht in de antwoorden van een kandidaat op vragen waarop slechts één correct antwoord mogelijk is, een schending vormen van de regels die de werkzaamheden van de jury beheersen.
(cf. punten 274‑278)
Referentie: Gerecht 1 december 1994, Michaël-Chiou/Commissie, T‑46/93, JurAmbt. blz. I‑A‑297 en II‑929, punten 48 en 49; Gerecht 14 juli 2000, Teixeira Neves/Hof van Justitie, T‑146/99, JurAmbt. blz. I‑A‑159 en II‑731, punt 41; Gerecht 25 juni 2003, Pyres/Commissie, T‑72/01, JurAmbt. blz. I‑A‑169 en II‑861, punt 30; Gerecht 9 november 2004, Vega Rodríguez/Commissie, T‑285/02 en T‑395/02, JurAmbt. blz. I‑A‑333 en II‑1527, punten 35‑45; Gerecht 26 januari 2005, Roccato/Commissie, T‑267/03, JurAmbt. blz. I‑A‑1 en II‑1, punt 42
Top