Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (EERSTE KAMER) VAN 24 OKTOBER 1991. - PETROFINA SA TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - MEDEDINGING - BEGRIPPEN OVEREENKOMST EN ONDERLING AFGESTEMDE FEITELIJKE GEDRAGING - COLLECTIEVE AANSPRAKELIJKHEID. - ZAAK T-2/89
Jurisprudentie 1991 bladzijde II-01087
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Mededinging - Administratieve procedure - Beschikking van Commissie, waarbij inbreuk wordt vastgesteld - Punten van bezwaar en bewijselementen die in aanmerking kunnen worden genomen
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
2. Mededinging - Administratieve procedure - Hoorzittingen - Voorlopig karakter van aan Adviescomité en Commissie overgelegd proces-verbaal - Procedurefout - Afwezigheid
(Verordening nr. 99/63 van de Commissie)
3. Mededinging - Administratieve procedure - Eerbiediging van recht van verweer - Recht van partijen waartegen procedure is ingeleid om mededeling van verslag van Raadadviseur-auditeur te krijgen en daarover opmerkingen te maken- Afwezigheid
4. Mededinging - Mededingingsregelingen - Overeenkomsten tussen ondernemingen - Begrip - Wilsovereenstemming met betrekking tot toekomstig marktgedrag
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
5. Mededinging - Mededingingsregelingen - Verbod - Mededingingsregelingen die na formele beëindiging effect blijven sorteren - Toepassing van artikel 85 EEG-Verdrag
(EEG-Verdrag, art. 85)
6. Mededinging - Mededingingsregelingen - Onderling afgestemde feitelijke gedraging - Begrip - Cooerdinatie en samenwerking in strijd met verplichting van elke onderneming om marktgedrag zelfstandig te bepalen - Bijeenkomsten waarop concurrenten informatie uitwisselen die bepalend is voor commerciële strategie van deelnemers
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
7. Mededinging - Mededingingsregelingen - Complexe inbreuk met kenmerken van overeenkomst en kenmerken van onderling afgestemde feitelijke gedraging - Eén enkele kwalificatie als "overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedraging" - Toelaatbaarheid - Gevolgen voor aan te dragen bewijselementen
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
8. Mededinging - Mededingingsregelingen - Onderling afgestemde feitelijke gedraging - Ongunstige beïnvloeding van handel tussen Lid-Staten - Globale beoordeling en niet met betrekking tot iedere deelnemer afzonderlijk
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
Samenvatting1. De door de Commissie krachtens artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag tot ondernemingen of ondernemersverenigingen gerichte beschikking mag geen punten van bezwaar bevatten die niet voorkomen in de mededelingen van de punten van bewaar, en evenmin bewijselementen die in die mededelingen niet worden genoemd of er niet als bijlage zijn bijgevoegd. Anderzijds moet de Commissie in haar beschikking weliswaar de bewijselementen vermelden waarop haar overtuiging is gebaseerd, maar is zij niet verplicht alle bewijselementen waarover zij beschikt, met name te noemen en mag zij daar globaal naar verwijzen.
2. Het voorlopig karakter van het aan het Raadgevend comité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities en de Commissie overgelegd proces-verbaal van de hoorzitting levert slechts dan een in de administratieve procedure begane fout op die de beschikking waartoe zij leidt onwettig kan maken, wanneer bedoelde tekst op zodanige wijze is geredigeerd dat bij de adressaten ervan dwaling op een punt van wezenlijk belang kan ontstaan.
3. Het recht van verweer eist niet, dat de ondernemingen waartegen een procedure krachtens artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag is ingeleid, de gelegenheid krijgen opmerkingen te maken over het verslag van de Raadadviseur-auditeur. Het recht van verweer is immers rechtens genoegzaam geëerbiedigd wanneer de verschillende bij de opstelling van de eindbeschikking betrokken instanties nauwkeurig op de hoogte zijn gebracht van hetgeen de ondernemingen op de hun door de Commissie meegedeelde punten van bezwaar hebben geantwoord, en van de bewijselementen die de Commissie tot staving van deze punten van bezwaar heeft aangevoerd. Het verslag van de Raadadviseur-auditeur is evenwel een zuiver intern document van de Commissie dat slechts de waarde van een advies heeft en niet is bedoeld om het betoog van de ondernemingen aan te vullen of te corrigeren en evenmin om nieuwe punten van bezwaar te formuleren of nieuw bewijsmateriaal tegen de ondernemingen aan te dragen.
4. Het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag kan reeds worden aangenomen indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen. Hiervan is sprake wanneer verscheidene ondernemingen wilsovereenstemming hebben bereikt met betrekking tot richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen.
5. Artikel 85 EEG-Verdrag is van toepassing op overeenkomsten die niet meer van kracht zijn, doch na hun formele beëindiging effect blijven sorteren.
6. De voor de definitie van het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging gebezigde criteria van cooerdinatie en samenwerking moeten worden verstaan in het licht van de in de mededingingsvoorschriften van het EEG-Verdrag besloten voorstelling, dat elke ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren. Deze eis van zelfstandigheid sluit weliswaar niet uit, dat de ondernemer gerechtigd is zijn beleid intelligent aan het vastgestelde of te verwachten marktgedrag van zijn concurrenten aan te passen, doch zij staat onverbiddelijk in de weg aan enigerlei tussen zulke ondernemers al dan niet rechtstreeks opgenomen contact strekkend hetzij tot beïnvloeding van het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent, hetzij tot beduiding aan zulk een concurrent van het aangenomen of voorgenomen marktgedrag.
Ondernemingen die deelnemen aan bijeenkomsten die ertoe strekken richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen en tijdens welke concurrenten informatie uitwisselen over de prijzen die zij voornemens zijn toe te passen, hun rentabiliteitsdrempel, de door hen noodzakelijk geachte beperkingen van de verkopen of hun verkoopcijfers, maken zich schuldig aan onderlinge afstemming, want het kan nagenoeg niet anders, dat zij bij de bepaling van hun marktgedrag rekening houden met de hun op die bijeenkomsten verstrekte informatie.
7. Artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag voorziet niet in een specifieke kwalificatie voor een complexe inbreuk die, doordat zij een voortgezette gedraging vormt die wordt gekenmerkt door één enkel doel en waarvan sommige bestanddelen als overeenkomst en andere als onderling afgestemde feitelijke gedraging moeten worden gekwalificeerd, niettemin als één inbreuk moet worden beschouwd. Derhalve kan een dergelijke inbreuk als "een overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen" worden gekwalificeerd, zonder dat gelijktijdig en cumulatief behoeft te worden bewezen dat elk van de feitelijke bestanddelen zowel de karakteristieken van een overeenkomst als van een onderling afgestemde feitelijke gedraging vertoont.
8. Een onderneming moet worden geacht te hebben deelgenomen aan overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden, en daardoor artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag te schenden, wanneer die ongunstige beïnvloeding het gevolg kon zijn van het gedrag van alle deelnemende ondernemingen te zamen, ongeacht de gevolgen van haar individuele deelneming.
PartijenIn zaak T-2/89,
Petrofina SA, vennootschap naar Belgisch recht, gevestigd te Brussel, vertegenwoordigd door G. Vandersanden en L. Defalque, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J. Biver, advocaat aldaar, Rue Zithe 8,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur A. McClellan als gemachtigde, aanvankelijk bijgestaan door L. Gyselen, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, en vervolgens door N. Coutrelis, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 EEG-Verdrag (IV/31.149 - Polypropyleen, PB 1986, L 230, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J.-L. Cruz Vilaça, president, R. Schintgen, D. A. O. Edward, H. Kirschner en K. Lenaerts, rechters,
advocaat-generaal: B. Vesterdorf
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden van 10 tot en met 15 december 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 juli 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrestDe feiten
1 De onderhavige zaak heeft betrekking op een beschikking waarbij de Commissie vijftien polypropyleenproducenten een boete heeft opgelegd wegens schending van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag. Het produkt waarop de bestreden beschikking (hierna: de beschikking) betrekking heeft, is een van de voornaamste bulk thermoplastic polymeren. Polypropyleen wordt door de producenten verkocht aan verwerkers, die er eindprodukten of halffabrikaten van maken. De grootste polypropyleenproducenten hebben een assortiment van meer dan honderd verschillende kwaliteiten, die voor zeer uiteenlopende uiteindelijke gebruiksdoeleinden toepassing vinden. De belangrijkste basiskwaliteiten van polypropyleen zijn: raffia, homopolymeer injection moulding, copolymeer injection moulding, high impact copolymeer en folie. Alle ondernemingen tot welke de onderhavige beschikking is gericht, zijn belangrijke petrochemische fabrikanten.
2 De Westeuropese markt voor polypropyleen wordt bijna geheel bevoorraad door in Europa gevestigde produktiefaciliteiten. Vóór 1977 werd de markt bevoorraad door tien producenten, te weten Montedison (later Montepolimeri SpA, die op haar beurt Montedipe SpA is geworden), Hoechst AG, Imperial Chemical Industries PLC en Shell International Chemical Company Ltd (de "grote vier"), te zamen goed voor 64 % van de markt, Enichem Anic SpA in Italië, Rhône-Poulenc SA in Frankrijk, Alcudia in Spanje, Chemische Werke Huels en BASF AG in Duitsland en de Oostenrijkse producent Chemie Linz AG. Nadat de duur van de hoofdoctrooien van Montedison was verstreken, dienden zich in 1977 zeven nieuwe producenten in West-Europa aan: Amoco en Hercules Chemicals NV in België, ATO Chimie SA en Solvay & Cie SA in Frankrijk, SIR in Italië, DSM NV in Nederland en Taqsa in Spanje. Saga Petrokjemi AS & Co., een Noorse onderneming, begon haar activiteiten midden 1978, en Petrofina SA in 1980. De komst van nieuwe producenten met een nominale capaciteit van ongeveer 480 000 ton leidde tot een aanzienlijke toename van de in West-Europa aanwezige produktiecapaciteit, die gedurende verschillende jaren niet gepaard ging met een overeenkomstige stijging van de vraag. Dit had een lage bezettingsgraad van de produktiecapaciteit tot gevolg, die echter tussen 1977 en 1983 geleidelijk weer aantrok, namelijk van 60 tot 90 %. Volgens de beschikking waren vraag en aanbod vanaf 1982 weer ongeveer in evenwicht. Dit neemt volgens de beschikking evenwel niet weg, dat de polypropyleenmarkt over het grootste deel van de onderzochte periode (1977-1983) werd gekenmerkt door hetzij een geringe rentabiliteit, hetzij aanzienlijke verliezen, die met name te wijten waren aan hoge vaste kosten en een stijging van de kosten van de grondstof, propyleen. Volgens punt 8 van de beschikking had Montepolimeri in 1983 18 % van de Europese polypropyleenmarkt in handen, hadden Imperial Chemical Industries plc, Shell International Chemical Company Ltd en Hoechst AG elk een marktaandeel van 11 %, nam Hercules Chemicals NV iets minder dan 6 % voor haar rekening, waren ATO Chimie SA, BASF AG, DSM NV, Chemische Werke Huels, Chemie Linz AG, Solvay & Cie SA en Saga Petrokjemi AS & Co. elk goed voor 3 à 5 % en had Petrofina SA een marktaandeel van ongeveer 2 %. Er zou een aanzienlijke handel in polypropyleen tussen de Lid-Staten hebben bestaan, omdat elk van de destijds in de Gemeenschap gevestigde producenten het produkt in de meeste, zoniet alle Lid-Staten verkocht.
3 Verzoekster diende zich pas in 1980 via Montefina, een dochtermaatschappij die zijzelf en Montepolimeri te zamen hadden opgericht, op de polypropyleenmarkt aan en heeft tot maart 1982 geen verkopen verricht anders dan via Montefina, die zorgde voor de verkoop van de twee moedermaatschappijen. Zij was op de polypropyleenmarkt slechts een zeer kleine producent met een marktaandeel tussen 0,2 en 2,1 %.
4 Op 13 en 14 oktober 1983 voerden ambtenaren van de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EEG-Verdrag (PB 1962, blz. 204, hierna: verordening nr. 17) tegelijkertijd verificaties uit bij de volgende ondernemingen die polypropyleen vervaardigen en de gemeenschappelijke markt bevoorraden:
- ATO Chimie SA, thans Atochem (hierna: ATO);
- BASF AG (hierna: BASF);
- DSM NV (hierna: DSM);
- Hercules Chemicals NV (hierna: Hercules);
- Hoechst AG (hierna: Hoechst);
- Chemische Werke Huels (hierna: Huels);
- Imperial Chemical Industries plc (hierna: ICI);
- Montepolimeri SpA, thans Montedipe (hierna: Monte);
- Shell International Chemical Company Ltd (hierna: Shell);
- Solvay & Cie SA (hierna: Solvay);
- BP Chimie (hierna: BP).
Er werden geen verificaties verricht bij Rhône-Poulenc SA (hierna: Rhône-Poulenc) en bij Enichem Anic SpA.
5 Na deze verificaties verzocht de Commissie genoemde ondernemingen krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 om inlichtingen (hierna: het verzoek om inlichtingen). Een zelfde verzoek werd ook gericht tot de volgende ondernemingen:
- Amoco;
- Chemie Linz AG (hierna: Linz);
- Saga Petrokjemi AS & Co., thans een onderdeel van Statoil (hierna: Statoil);
- Petrofina SA (hierna: Petrofina);
- Enichem Anic SpA (hierna: Anic).
De in Oostenrijk gevestigde onderneming Linz betwistte de bevoegdheid van de Commissie en weigerde op het verzoek te antwoorden. Overeenkomstig artikel 14, lid 2, van verordening nr. 17 verrichtten ambtenaren van de Commissie vervolgens verificaties bij Anic en bij Saga Petrochemicals UK Ltd, de Engelse dochtermaatschappij van Saga, alsmede bij de verkoopkantoren van Linz in het Verenigd Koninkrijk en de Bondsrepubliek Duitsland. Rhône-Poulenc werd niet om inlichtingen verzocht.
6 Op grond van het in het kader van die verificaties en verzoeken om inlichtingen verzamelde materiaal kwam de Commissie tot de slotsom, dat de betrokken fabrikanten tussen 1977 en 1983 in strijd met artikel 85 EEG-Verdrag in het kader van een reeks "prijsinitiatieven" regelmatig richtprijzen hadden vastgesteld en een systeem van jaarlijkse controles van de verkochte hoeveelheden hadden opgezet, ten einde de beschikbare markt op basis van overeengekomen percentages of hoeveelheden onder elkaar te verdelen. Derhalve besloot de Commissie op 30 april 1984 de procedure van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17, in te leiden en deed zij in mei van hetzelfde jaar een schriftelijke mededeling van punten van bezwaar toekomen aan alle genoemde ondernemingen, behalve Anic en Rhône-Poulenc. Alle adressaten dienden schriftelijke opmerkingen in.
7 Op 24 oktober 1984 had de door de Commissie aangewezen raadadviseur-auditeur een ontmoeting met de juridisch adviseurs van de adressaten van de mededeling van de punten van bezwaar, ten einde bepaalde procedureafspraken te maken voor de in het kader van de administratieve procedure geplande hoorzitting, die op 12 november 1984 zou aanvangen. Tijdens die bijeenkomst kondigde de Commissie bovendien aan, dat zij, gelet op de argumenten die de ondernemingen in hun antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar hadden aangevoerd, hun weldra verdere documenten zou sturen ter aanvulling van het bewijsmateriaal betreffende de toepassing van prijsinitiatieven, waarover zij reeds beschikten. Zo zond zij de juridisch adviseurs van de ondernemingen op 31 oktober 1984 een bundel documenten bestaande uit kopieën van door de fabrikanten aan hun verkoopkantoren gezonden prijsinstructies alsmede uit notities met samenvattingen van die documenten. Ten einde de inachtneming van het zakengeheim te waarborgen, had de Commissie een aantal voorwaarden gesteld, waarvan de voornaamste was, dat de verkoopafdelingen van de ondernemingen de betrokken documenten niet onder ogen mochten krijgen. De advocaten van verscheidene ondernemingen weigerden die voorwaarden te aanvaarden en zonden de documenten vóór de hoorzitting terug.
8 Gelet op de in de schriftelijke antwoorden op de mededeling van de punten van bezwaar verstrekte informatie, besloot de Commissie ook Anic en Rhône-Poulenc in de procedure te betrekken. Daartoe deed zij hun op 25 oktober 1984 een mededeling van punten van bezwaar toekomen die in grote lijnen overeenkwam met die welke naar de vijftien andere ondernemingen was gestuurd.
9 Een eerste reeks hoorzittingen vond plaats van 12 tot en met 20 november 1984. In die periode werden alle ondernemingen gehoord, met uitzondering van Shell (die had geweigerd aan de hoorzittingen deel te nemen), Anic, ICI en Rhône-Poulenc (die van mening waren, dat zij hun dossier niet hadden kunnen voorbereiden).
10 Tijdens die eerste reeks hoorzittingen weigerden verscheidene ondernemingen in te gaan op de punten die aan de orde waren gesteld in de stukken die hun op 31 oktober 1984 waren toegezonden. Zij voerden hiertoe aan, dat de Commissie de zaak een heel andere draai had gegeven en dat zij toch ten minste in de gelegenheid moesten worden gesteld om schriftelijke opmerkingen te maken. Andere ondernemingen voerden aan, dat zij onvoldoende tijd hadden gehad om de betrokken stukken vóór de hoorzitting te bestuderen. Op 28 november 1984 zonden de advocaten van BASF, DSM, Hercules, Hoechst, ICI, Linz, Monte, Petrofina en Solvay de Commissie een gezamenlijk schrijven, waarin zij de genoemde bezwaren uiteenzetten. Bij schrijven van 4 december 1984 verklaarde Huels, dat zij zich bij dit standpunt aansloot.
11 Om die redenen deed de Commissie de ondernemingen op 29 maart 1985 een nieuwe reeks documenten toekomen, waarin door de ondernemingen aan hun verkoopkantoren gezonden prijsinstructies en -tabellen voorkwamen, alsmede een samenvatting van het bewijsmateriaal in verband met elk prijsinitiatief waaromtrent documenten beschikbaar waren. De ondernemingen werden uitgenodigd om opmerkingen te maken, zowel schriftelijk als tijdens een nieuwe reeks hoorzittingen. De Commissie deelde mee, dat de oorspronkelijke beperkingen met betrekking tot de openbaarmaking van het materiaal aan de verkoopafdelingen, werden ingetrokken.
12 In een ander schrijven van dezelfde datum reageerde de Commissie op het door de advocaten aangevoerde argument, dat zij het gestelde kartel juridisch niet duidelijk had afgebakend in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, en nodigde zij de ondernemingen uit om schriftelijke en mondelinge opmerkingen te maken.
13 Een tweede reeks hoorzittingen vond plaats van 8 tot en met 11 juli 1985 en op 25 juli 1985. Anic, ICI en Rhône-Poulenc dienden in deze tweede periode opmerkingen in; de andere ondernemingen (met uitzondering van Shell) maakten opmerkingen ten aanzien van de punten die de Commissie in de twee brieven van 29 maart 1985 aan de orde had gesteld.
14 Het concept van het proces-verbaal van de hoorzittingen werd, te zamen met de andere relevante stukken, op 19 november 1985 aan de leden van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities gezonden (hierna: het Adviescomité), en op 25 november daaraanvolgend aan de ondernemingen. Het Adviescomité bracht zijn advies uit tijdens zijn 170e bijeenkomst, op 5 en 6 december 1985.
15 Aan het einde van deze procedure gaf de Commissie de litigieuze beschikking van 23 april 1986, waarvan het dispositief luidt als volgt:
"Artikel 1
Anic SpA, ATO Chemie SA (thans Atochem), BASF AG, DSM NV, Hercules Chemicals NV, Hoechst AG, Chemische Werke Huels (thans Huels AG), ICI plc, Chemische Werke Linz, Montepolimeri SpA (thans Montedipe), Petrofina SA, Rhône-Poulenc SA, Shell International Chemical Company Ltd, Solvay & Cie en Saga Petrokjemi AG & Co. (thans deel uitmakend van Statoil) hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag, door deel te nemen:
- in het geval van Anic, vanaf omstreeks november 1977 tot een tijdstip tegen het einde van 1982 of in het begin van 1983,
- in het geval van Rhône-Poulenc, vanaf omstreeks november 1977 tot einde 1980,
- in het geval van Petrofina, van 1980 tot ten minste november 1983,
- in het geval van Hoechst, ICI, Montepolimeri en Shell, vanaf omstreeks halverwege 1977 tot ten minste november 1983,
- in het geval van Hercules, Linz, (Solvay) en Saga, vanaf omstreeks november 1977 tot ten minste november 1983,
- in het geval van ATO, vanaf ten minste 1978 tot ten minste november 1983,
- in het geval van BASF, DSM en Huels, vanaf een tijdstip tussen 1977 en 1979 tot ten minste november 1983,
aan een midden 1977 gesloten overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen krachtens welke de producenten die polypropyleen op het grondgebied van de EEG aanbieden
a) met elkaar in contact traden en regelmatig (vanaf begin 1981, tweemaal per maand) in een reeks geheime vergaderingen bijeenkwamen om hun commercieel beleid te bespreken en te bepalen;
b) van tijd tot tijd voor de verkoop van het produkt in elke Lid-Staat van de EEG 'richt' - (of minimum)prijzen bepaalden;
c) verschillende maatregelen overeenkwamen waarmede de toepassing van dergelijke richtprijzen moest worden vergemakkelijkt, met inbegrip van (hoofdzakelijk) tijdelijke beperkingen van de produktie, de uitwisseling van gedetailleerde informatie over hun leveringen, het houden van plaatselijke vergaderingen, en tegen het einde van 1982 een systeem van 'account management' bedoeld om prijsverhogingen voor individuele klanten toe te passen;
d) gelijktijdig hun prijzen verhoogden met het oog op de toepassing van de genoemde richtprijzen;
e) de markt verdeelden door aan elke producent een jaarlijks doel of 'quotum' voor de verkoop toe te kennen (1979, 1980 en voor ten minste een gedeelte van 1983) of bij gebreke van een definitieve zich over het gehele jaar uitstrekkende overeenkomst door van de producenten een beperking te eisen van hun verkoop in elke maand in vergelijking met een voorafgaande periode (1981, 1982).
Artikel 2
De in artikel 1 genoemde ondernemingen moeten de genoemde inbreuken onverwijld beëindigen (indien zij dit niet reeds hebben gedaan) en zich voortaan onthouden van overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die hetzelfde of een soortgelijk doel of gevolg kunnen hebben, met inbegrip van enigerlei uitwisseling van informatie van het type dat gewoonlijk onder het zakengeheim valt en waardoor de deelnemers rechtstreeks of zijdelings in kennis worden gesteld van de produktie, leveranties, voorraden, verkoopprijzen, kosten of investeringen of van iedere uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst of onderling afgestemde gedraging met betrekking tot prijzen of het verdelen van de markten in de EEG. Elke regeling voor de uitwisseling van algemene informatie waaraan de producenten deelnemen (zoals bij voorbeeld Fides) zal op een wijze worden toegepast dat daarvan elke informatie is uitgesloten waaruit het gedrag van individuele producenten kan worden afgeleid; de ondernemingen onthouden zich meer in het bijzonder van de onderlinge uitwisseling van enigerlei aanvullende informatie die voor de mededinging relevant is en niet onder een dergelijke regeling valt.
Artikel 3
Aan de in deze beschikking genoemde ondernemingen worden wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuken de volgende geldboeten opgelegd:
i) Anic SpA, 750 000 ECU, dat is 1 103 692 500 LIT;
ii) Atochem, 1 750 000 ECU, dat is 11 973 325 FF;
iii) BASF AG, 2 500 000 ECU, dat is 5 362 225 DM;
iv) DSM NV, 2 750 000 ECU, dat is 6 657 640 HFL;
v) Hercules Chemicals NV, 2 750 000 ECU, dat is 120 569 620 BFR;
vi) Hoechst AG, 9 000 000 ECU, dat is 19 304 010 DM;
vii) Huels AG, 2 750 000 ECU, dat is 5 898 447,50 DM;
viii) ICI PLC, 10 000 000 ECU; dat is 6 447 970 UKL;
ix) Chemische Werke Linz, 1 000 000 ECU, dat is 1 471 590 000 LIT;
x) Montedipe, 11 000 000 ECU, dat is 16 187 490 000 lire;
xi) Petrofina SA, 600 000 ECU, dat is 26 306 100 BFR;
xii) Rhône-Poulenc SA, 500 000 ECU, dat is 3 420 950 FF;
xiii) Shell International Chemical Company Ltd, 9 000 000 ECU, dat is 5 803 173 UKL;
xiv) Solvay & Cie, 2 500 000 ECU, dat is 109 608 750 BFR;
xv) Statoil Den Norske Stats Oljeselskap AS (die nu Saga Petrokjemi omvat), 1 000 000 ECU, dat is 644 797 UKL.
Artikelen 4 en 5
(omissis)"
16 Op 8 juli 1986 werd de ondernemingen de definitieve tekst van het proces-verbaal van de hoorzittingen met de door hen verlangde wijzigingen, toevoegingen en weglatingen toegezonden.
Het procesverloop
17 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 juli 1986, heeft verzoekster het onderhavige beroep tot nietigverklaring van de beschikking ingesteld. Dertien van de veertien andere adressaten van de beschikking hebben eveneens beroep tot nietigverklaring ingesteld (zaken T-1/89, T-3/89, T-4/89 en T-6/89 tot en met T-15/89).
18 De schriftelijke procedure is geheel voor het Hof afgewikkeld.
19 Bij beschikking van 15 november 1989 heeft het Hof de onderhavige zaak alsmede de dertien andere zaken krachtens artikel 14 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (hierna: besluit van de Raad van 24 oktober 1988) naar het Gerecht verwezen.
20 Krachtens artikel 2, lid 3, van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 heeft de president van het Gerecht een advocaat-generaal aangewezen.
21 Bij schrijven van 3 mei 1990 heeft de griffier van het Gerecht partijen uitgenodigd voor een informele bijeenkomst ten einde de organisatie van de mondelinge behandeling vast te leggen. Deze bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 28 juni 1990.
22 Bij schrijven van 9 juli 1990 heeft de griffier van het Gerecht partijen verzocht, opmerkingen te maken over de eventuele voeging van de zaken T-1/89 tot en met T-4/89 en T-6/89 tot en met T-15/89 voor de mondelinge behandeling. Geen der partijen heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
23 Bij beschikking van 25 september 1990 heeft het Gerecht genoemde zaken wegens hun verknochtheid voor de mondelinge behandeling gevoegd overeenkomstig artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat toen ingevolge artikel 11, derde alinea, van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 van overeenkomstige toepassing was op de procedure voor het Gerecht.
24 Bij beschikking van 15 november 1990 heeft het Gerecht zich uitgesproken over de door verzoeksters in de zaken T-2/89, T-3/89, T-9/89, T-11/89, T-12/89 en T-13/89 ingediende verzoeken om vertrouwelijke behandeling, waarin het gedeeltelijk heeft bewilligd.
25 Bij tussen 9 oktober en 29 november 1990 ter griffie van het Gerecht neergelegde brieven hebben partijen geantwoord op de hun bij brieven van de griffier van 19 juli door het Gerecht gestelde vragen.
26 Gelet op de antwoorden op zijn vragen heeft het Gerecht, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
27 Tijdens de van 10 tot en met 15 december 1990 gehouden terechtzitting zijn partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij vragen van het Gerecht beantwoord.
28 De advocaat-generaal is in zijn conclusie gehoord ter terechtzitting van 10 juli 1991.
Conclusies van partijen
29 Petrofina concludeert dat het het Gerecht behage:
1) primair, de beschikking van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.149 - Polypropyleen) nietig te verklaren;
2) subsidiair, de aan verzoekster opgelegde geldboete van 600 000 ECU te verminderen;
3) verweerster in alle kosten te verwijzen.
De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
Ten gronde
30 Het Gerecht is van mening, dat verzoeksters middelen in de hierna beschreven volgorde moeten worden onderzocht: in de eerste plaats de middelen inzake schending van het recht van verweer: de Commissie zou haar een aantal stukken te laat hebben overgelegd en in de mededeling van de punten van bezwaar niet alle in de beschikking genoemde punten van bezwaar hebben vermeld (1), zij zou voor het Gerecht gebruik hebben gemaakt van stukken die in de beschikking niet waren genoemd (2), het definitieve proces-verbaal van de hoorzittingen zou aan de leden van de Commissie noch aan die van het Adviescomité zijn overgelegd (3) en verzoekster zou het verslag van de Raadadviseur-auditeur niet hebben ontvangen (4); in de tweede plaats de middelen inzake de vaststelling van de inbreuk, die enerzijds betrekking hebben op de door de Commissie vastgestelde feiten (1) en anderzijds op de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag op die feiten (2): de Commissie zou de inbreuk verkeerd hebben gekwalificeerd (A), de ongunstige beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten onjuist hebben beoordeeld (B) en verzoekster een collectieve aansprakelijkheid hebben toegeschoven (C); in de derde plaats de middelen betreffende de motivering van de beschikking: de motivering zou ontoereikend (1), tegenstrijdig (2) en verkeerd (3) zijn; en in de vierde plaats de middelen betreffende de vaststelling van de geldboete: de geldboete zou niet in verhouding staan tot de duur (1) en de zwaarte (2) van de gestelde inbreuk.
Het recht van verweer
1. Te laat overgelegde stukken en nieuwe punten van bezwaar
31 Verzoekster betoogt, dat de Commissie de ondernemingen als bijlage bij een brief van 31 oktober 1984, dat wil zeggen minder dan twee weken voor de eerste reeks hoorzittingen, een bundel nieuwe tabellen en documenten heeft toegezonden zonder de bepalingen van artikel 4 van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1963, blz. 2268; hierna: verordening nr. 99/63) in acht te nemen. Petrofina zou aldus niet in staat zijn geweest verweer te voeren, te meer daar de Commissie de verkoopafdelingen van de ondernemingen verbod had opgelegd kennis te nemen van deze stukken.
32 Bovendien leveren de brieven waarbij de Commissie nieuwe elementen heeft aangedragen en een nieuw betoog heeft gevoerd nadat de ondernemingen reeds op de mededeling van de punten van bezwaar hadden geantwoord, een schending op van de artikelen 2, lid 4, en 4 van verordening nr. 99/63 en van het beginsel volgens hetwelk de mededeling van de punten van bezwaar, behoudens inleiding van een nieuwe procedure, alle aan de betrokken ondernemingen te laste gelegde punten moeten bevatten.
33 Volgens de Commissie zijn die stukken gewoon toegestuurd om haar betoog rechtens en in feite te vervolledigen en zijn daarbij geen nieuwe punten van bezwaar aangevoerd. Zelfs indien het om een echte herziening van de punten van bezwaar had gegaan, zou de geldigheid van de procedure daardoor niet zijn aangetast; aan de ondernemingen is immers een redelijke termijn verleend om hun standpunt te mee te delen, daar de tweede reeks hoorzittingen verschillende maanden later heeft plaatsgevonden en het verbod op mededeling aan de verkoopafdelingen is opgeheven.
34 Het Gerecht stelt vast, dat het eerste onderdeel van dit middel feitelijk ongegrond is, omdat de Commissie, na de kritiek van verzoekster en van andere producenten, van 8 tot en met 11 juli 1985 en op 25 juli 1985 een nieuwe reeks hoorzittingen heeft gehouden na de betrokken ondernemingen bij brieven van 29 maart 1985 al het bewijsmateriaal waarover zij beschikte, opnieuw te hebben meegedeeld en bij diezelfde brieven het verbod op mededeling van dit bewijsmateriaal aan de verkoopafdelingen te hebben opgeheven.
35 Met betrekking tot het tweede onderdeel van dit middel dient te worden opgemerkt, dat verzoekster in een brief van 29 mei 1985, waarbij zij antwoordde op de brieven van de Commissie van 29 maart 1985, heeft verklaard, "dat het inderdaad legitiem en logisch is, aan te nemen dat de Commissie in haar brieven van 29 maart 1985, die zijn verstuurd na een procedure waarin alle aspecten van de zaak werden opengelegd, haar vorderingen, zowel wat de punten van bezwaar als wat de juridische argumenten betreft, nader heeft omschreven", en niet heeft opgeworpen dat de brieven van 29 maart 1985 nieuwe punten van bezwaar bevatten, zodat een nieuwe procedure moest worden ingeleid.
36 Bovendien heeft verzoekster voor het Gerecht niet aangetoond, welke nieuwe punten van bezwaar die brieven bevatten, ook al heeft zij er in repliek op gewezen, dat de Commissie in haar brieven van 29 maart 1985 haar betoog had toegespitst op het bestaan van een of meer overeenkomsten in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag zonder daarom bepaalde bestanddelen van een onderling afgestemde feitelijke gedraging uit te sluiten. Het Gerecht wijst er evenwel op, dat deze dubbele kwalificatie reeds in de aan verzoekster toegestuurde algemene mededeling van de punten van bezwaar voorkwam (zie met name de punten 127 en 138 daarvan).
37 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
2. Gebruik voor het Gerecht van in de beschikking niet genoemde stukken
38 In repliek betoogt verzoekster, dat de Commissie het recht van verweer heeft geschonden door voor het eerst in haar verweerschrift melding te maken van een aantal van derden uitgaande bijlagen en van een door Petrofina op 11 maart 1982 verstuurd telexbericht ten einde deze in de onderhavige procedure tegen haar te gebruiken. Die bijlagen en dat telexbericht waren als bijlagen bij de mededeling van de punten van bezwaar gevoegd, maar waren in de beschikking niet genoemd, hetgeen erop leek te wijzen dat de uitleg die verzoekster in de loop van de administratieve procedure had gegeven, de Commissie had overtuigd.
39 Het Gerecht is van oordeel, dat de Commissie in haar beschikking weliswaar de bewijselementen moet vermelden waarop haar overtuiging is gebaseerd, maar niet verplicht is alle bewijselementen waarover zij beschikt, met name te noemen en daar globaal naar mag verwijzen. De beschikking mag in geen geval punten van bezwaar bevatten die niet voorkomen in de aan verzoekster toegestuurde mededeling van de punten van bezwaar, en evenmin bewijselementen die in die mededelingen niet worden genoemd of er niet als bijlage zijn bijgevoegd. In het onderhavige geval is evenwel niet aangevoerd, dat de beschikking nieuwe punten van bezwaar bevat, op nieuw bewijsmateriaal is gebaseerd of geen melding maakt van het bewijsmateriaal waarop de overtuiging van de Commissie is gebaseerd. Wat met name het telexbericht van 11 maart 1982 betreft, volstaat het erop te wijzen, dat de omstandigheid dat dit telexbericht in de beschikking niet is genoemd, niet betekent dat de Commissie het niet als bewijsmateriaal heeft gebruikt, temeer daar de punten van bezwaar tot staving waarvan het in de administratieve procedure is aangevoerd, in de beschikking zijn gehandhaafd.
40 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
3. Niet-overlegging van het proces-verbaal van de hoorzittingen
41 Verzoekster verklaart, dat de leden van de Commissie en van het Adviescomité uitspraak hebben gedaan zonder in het bezit te zijn van het definitieve proces-verbaal van de voor de Commissie gehouden hoorzittingen, dat een aantal voor Petrofina zeer belangrijke gegevens bevatte. Bovendien hebben de leden van het Adviescomité het voorlopig proces-verbaal van de hoorzittingen pas een week vóór het uitbrengen van hun advies ontvangen.
42 De Commissie voert aan, dat verordening nr. 99/63 niet aangeeft, aan welke instantie het voorlopig of definitief proces-verbaal van de hoorzittingen moet worden toegestuurd. In ieder geval hebben de leden van de Commissie en van het Adviescomité met volledige kennis van zaken kunnen beslissen, zodat de beschikking niet anders zou hebben geluid indien de door verzoekster gestelde procedurefout niet ware gemaakt (arrest van het Hof van 10 juli 1980, zaak 30/78, Distillers Company, Jurispr. 1980, blz. 2229, r.o. 26). Het Adviescomité beschikte inderdaad slechts over het voorlopig proces-verbaal, maar de bevoegde instanties van de Lid-Staten hadden de gelegenheid de hoorzittingen bij te wonen, hetgeen de meeste in het onderhavige geval hebben gedaan. Bovendien stelt Petrofina niet, dat de hoorzittingen in dit voorlopig proces-verbaal niet eerlijk en nauwkeurig zijn weergegeven. De leden van de Commissie beschikten niet alleen over het voorlopig proces-verbaal, maar ook over de opmerkingen die de ondernemingen daarover hadden gemaakt.
43 Het Gerecht stelt vast, dat volgens de rechtspraak van het Hof het voorlopig karakter van het aan het Adviescomité en de Commissie overgelegd proces-verbaal van de hoorzitting slechts een in de administratieve procedure begane fout - welke de beschikking waartoe zij leidt, onwettig kan maken - oplevert wanneer bedoelde tekst op zodanige wijze is geredigeerd dat bij de adressaten ervan dwaling op een punt van wezenlijk belang kan ontstaan (arrest van 15 juli 1970, zaak 44/69, Buchler, Jurispr. 1970, blz. 733, r.o. 17).
44 Met betrekking tot het aan de Commissie overlegd proces-verbaal dient te worden opgemerkt, dat de Commissie het voorlopig proces-verbaal heeft ontvangen te zamen met de aan- en opmerkingen die de ondernemingen daarover hadden gemaakt, zodat moet worden aangenomen, dat leden van de Commissie bij het geven van de beschikking op de hoogte waren van alle relevante gegevens van de zaak.
45 Wat het aan het Adviescomité overgelegd voorlopig proces-verbaal betreft, moet worden opgemerkt, dat verzoekster niet heeft aangegeven op welke punten dit proces-verbaal de hoorzittingen niet eerlijk en nauwkeurig heeft weergegeven, en dat zij derhalve niet feitelijk heeft aangetoond, dat de betrokken tekst op zodanige wijze is geredigeerd dat bij de leden van het Adviescomité dwaling op een punt van wezenlijk belang kon ontstaan.
46 Verzoekster heeft overigens ook niet aangegeven, waarom de leden van het Adviescomité meer dan een week nodig zouden hebben gehad om dit voorlopig proces-verbaal te bestuderen en hoe deze termijn hen op een wezenlijk punt in dwaling zou hebben gebracht.
47 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
4. Niet-overlegging van het verslag van de Raadadviseur-auditeur
48 Volgens verzoekster had het verslag van de Raadadviseur-auditeur aan de leden van de Commissie en van het Adviescomité moeten worden meegedeeld. De betrokken ondernemingen hadden de gelegenheid moeten krijgen er kennis van te nemen en hun opmerkingen daarover te maken. Dit is haars inziens onontbeerlijk om de onafhankelijkheid van de Raadadviseur-auditeur te waarborgen en hem in staat te stellen een constructieve rol te spelen.
49 Na de rol en de taak van de Raadadviseur-auditeur in herinnering te hebben gebracht, geeft de Commissie als haar mening te kennen, dat deze meewerkt aan de interne besluitvorming van de Commissie en ervoor instaat dat deze laatste volledig op de hoogte is van alle relevante gegevens van de zaak. De overlegging van het verslag van de Raadadviseur-auditeur aan de ondernemingen brengt diens onafhankelijkheid en constructieve rol in gevaar. Of het verslag aan de Commissie wordt overgelegd, is overgelaten aan het discretionaire oordeel van het met mededingingsaangelegenheden belaste lid, dat op verzoek van de Raadadviseur-auditeur diens verslag kan voegen bij de ontwerp-beschikking die aan de Commissie wordt voorgelegd. Ten slotte is het nutteloos het verslag aan de leden van het Adviescomité over te leggen.
50 Het Gerecht wijst om te beginnen op de relevante bepalingen van het als bijlage bij het Dertiende verslag over het mededingingsbeleid gevoegde mandaat van de Raadadviseur-auditeur, te weten:
"Artikel 2
De Raadadviseur-auditeur heeft tot taak de vlotte afwikkeling van de hoorzitting te verzekeren en daardoor bij te dragen tot het objectieve karakter zowel van de hoorzitting als van de eventueel te geven beschikking. Hij ziet er met name op toe dat met alle relevante feiten, ongeacht of zij al dan niet gunstig zijn voor de betrokkenen, ten volle rekening wordt gehouden bij het uitwerken van ontwerp-beschikkingen van de Commissie op het gebied van de mededinging.
Hij zorgt bij de uitoefening van zijn functies voor de inachtneming van de rechten van de verdediging, daarbij terzelfder tijd rekening houdend met de noodzaak voor een doeltreffende toepassing van de mededingingsregels overeenkomstig de geldende verordeningen en de door het Hof van Justitie vastgestelde beginselen.
Artikel 5
De Raadadviseur-auditeur brengt aan de directeur-generaal van de Mededinging verslag uit over de afwikkeling van de hoorzitting en over de conclusies welke hij daaruit trekt. Hij maakt zijn opmerkingen kenbaar over het vervolg van de procedure. Deze opmerkingen kunnen ondermeer de noodzaak betreffen van een aanvulling van de beschikbare informatie, het prijsgeven van bepaalde punten van bezwaar, dan wel een aanvullende mededeling van punten van bezwaar.
Artikel 6
De Raadadviseur-auditeur kan bij de uitoefening van zijn in artikel 2 omschreven taken, indien hij dat gewenst acht, zijn opmerkingen kenbaar maken aan het lid van de Commissie dat met mededingingsaangelegenheden is belast, wanneer laatstgenoemde het voorontwerp van beschikking wordt voorgelegd dat bestemd is voor het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities.
Artikel 7
Het lid van de Commissie dat met mededingingsaangelegenheden is belast kan eventueel op verzoek van de Raadadviseur-auditeur besluiten, het door laatstgenoemde uitgebrachte slotadvies te voegen bij de ontwerp-beschikking die aan de Commissie wordt voorgelegd, ten einde te waarborgen dat de Commissie, wanneer zij zich als beschikkinggevende instantie over een individueel geval uitspreekt, volledig van alle elementen van de zaak op de hoogte is."
51 Uit de tekst zelf van het mandaat van de Raadadviseur-auditeur blijkt, dat er geen enkele verplichting bestaat om diens verslag aan het Adviescomité of aan de Commissie over te leggen. In geen enkele bepaling wordt immers voorgeschreven dat dit verslag aan het Adviescomité moet worden overgelegd. De Raadadviseur-auditeur moet weliswaar verslag uitbrengen aan de directeur-generaal van de Mededinging (artikel 5) en kan, indien hij dat gewenst acht, zijn opmerkingen rechtstreeks kenbaar maken aan het met mededingingsaangelegenheden belaste lid van de Commissie (artikel 6), dat op zijn beurt, op verzoek van de Raadadviseur-auditeur, het slotadvies van laatstgenoemde bij de aan de Commissie voorgelegde ontwerp-beschikking kan voegen (artikel 7), doch geen enkele bepaling verplicht de Raadadviseur-auditeur, de directeur-generaal van de Mededinging of het met mededingingsaangelegenheden belaste lid van de Commissie het verslag van de Raadadviseur-auditeur aan de Commissie over te leggen.
52 Bijgevolg kan verzoekster niet met succes aanvoeren, dat het verslag van de Raadadviseur-auditeur niet aan het Adviescomité of aan de leden van de Commissie is overgelegd.
53 Het Gerecht wijst er overigens op, dat het recht van verweer niet eist, dat de ondernemingen waartegen een procedure krachtens artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag is ingeleid, de gelegenheid krijgen opmerkingen te maken over het verslag van de Raadadviseur-auditeur, dat een zuiver intern document van de Commissie is. Het Hof heeft dienaangaande geoordeeld, dat dit verslag voor de Commissie slechts de waarde van een niet-bindend advies heeft en dat het in die omstandigheden geen enkel element van beslissing bevat waarmee de gemeenschapsrechter bij de uitoefening van zijn toetsingsrecht rekening dient te houden (beschikking van 11 december 1986, zaak 212/86 R, ICI, r.o. 5 tot en met 8, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie). Het recht van verweer is immers rechtens genoegzaam geëerbiedigd wanneer de verschillende bij de opstelling van de eindbeschikking betrokken instanties naar behoren op de hoogte zijn gebracht van hetgeen de ondernemingen op de hun door de Commissie meegedeelde punten van bezwaar hebben geantwoord, en van de bewijselementen die de Commissie tot staving van deze punten van bezwaar heeft aangevoerd (arrest van het Hof van 9 november 1983, zaak 322/81, Michelin, Jurispr. 1983, blz. 3461, r.o. 7).
54 In dit verband moet worden opgemerkt, dat het verslag van de Raadadviseur-auditeur niet is bedoeld om het betoog van de ondernemingen aan te vullen of te corrigeren, en evenmin om nieuwe punten van bezwaar te formuleren of nieuw bewijsmateriaal tegen de ondernemingen aan te dragen.
55 Derhalve kunnen de ondernemingen aan de eerbiediging van het recht van verweer niet het recht ontlenen om te eisen dat het verslag van de Raadadviseur-auditeur hun voor het maken van opmerkingen wordt overgelegd (zie het arrest van het Hof van 17 januari 1984, gevoegde zaken 43/82 en 63/82, VBVB en VBBB, Jurispr. 1984, blz. 19, r.o. 25).
56 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
De vaststelling van de inbreuk
57 Volgens punt 80, eerste alinea, van de beschikking zijn de producenten die in de EEG polypropyleen verkochten, vanaf 1977 partij geweest bij een geheel complex van stelsels, regelingen en maatregelen waartoe in het kader van een systeem van periodieke bijeenkomsten en voortdurende contacten werd besloten. De algemene opzet van de producenten - aldus punt 80, tweede alinea, van de beschikking - was bijeen te komen om overeenstemming te bereiken over specifieke onderwerpen.
58 In deze omstandigheden moet om te beginnen worden nagegaan, of de Commissie haar feitelijke vaststellingen over de perioden van 1980 tot maart 1982 (I) en van maart 1982 tot november 1983 (II) met betrekking tot het stelsel van periodieke bijeenkomsten (A), de prijsinitiatieven (B), de maatregelen ter vergemakkelijking van de toepassing van de prijsinitiatieven (C) en de vaststelling van streefhoeveelheden en quota (D) rechtens genoegzaam heeft bewezen; daarbij zullen achtereenvolgens de inhoud van de bestreden handeling (a), de argumenten van partijen (b) en de beoordeling door het Gerecht (c) worden gegeven. Vervolgens wordt de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag op die feiten onderzocht.
1. De feitelijke vaststellingen
I - De periode van 1980 tot maart 1982
A - Bestreden handeling
59 In punt 105, derde alinea, van de beschikking wordt verklaard, dat Petrofina pas in 1980 - via Montefina - op de markt kwam en dat, zelfs indien haar vertegenwoordigers de bijeenkomsten pas in maart 1982 regelmatig begonnen bij te wonen (Petrofina' s standpunt ter zake is dubbelzinnig), de onderneming vanaf 1980 bij de quotaregelingen betrokken was.
60 Volgens punt 33 van de beschikking nam Petrofina in januari 1981 evenwel deel aan twee bijeenkomsten waarop werd besloten dat de in december 1980 vastgestelde prijsstijging, gebaseerd op een raffiaprijs van 1,75 DM/kg - die op 1 februari 1981 van kracht moest worden -, in twee etappes zou worden doorgevoerd: de richtprijs voor februari bleef 1,75 DM/kg en de prijs van 2,00 DM/kg moest "zonder uitzondering" worden ingevoerd met ingang van 1 maart. Er werd een tabel opgesteld van de richtprijzen in de zes nationale valuta' s voor de zes voornaamste polypropyleenkwaliteiten, die op 1 februari en 1 maart 1981 van kracht moesten worden.
61 Petrofina had tot maart 1982 geen afzonderlijke verkoopdienst buiten Montefina. Deze laatste verkocht de produktie van haar fabriek te Feluy immers namens de twee moedermaatschappijen, Montepolimeri en Fina. Voor de berekening van het quotum werd in deze periode echter meestal een afzonderlijk aandeel voor de twee moedermaatschappijen vastgesteld. Petrofina was derhalve vanaf 1980 uit eigen hoofde deelnemer aan de quotaregelingen. Ook wanneer dit niet het geval ware, draagt Petrofina evenwel de medeverantwoordelijkheid voor de deelneming van Montefina aan het kartel tot maart 1982 (punt 102, derde alinea, van de beschikking; zie ook punt 78, vijfde en achtste alinea).
62 Eind februari 1980 werd door de fabrikanten overeenstemming bereikt over de streefhoeveelheden voor 1980, uitgedrukt in ton, waarbij werd uitgegaan van een geraamde markt van 1 390 000 ton. Volgens punt 55 van de beschikking werd bij ATO en ICI een aantal tabellen aangetroffen waarin de voor iedere producent voor 1980 "overeengekomen streefhoeveelheden" waren aangegeven. Aangezien deze oorspronkelijke raming van de totale te verdelen markt te optimistisch bleek te zijn, moesten de quota van alle producenten worden verminderd om aan de totale jaarconsumptie van slechts 1 200 000 ton te worden aangepast. Behalve bij ICI en DSM kwamen de werkelijke verkopen bij de verschillende producenten in grote lijnen overeen met hun streefpercentage.
63 Volgens punt 56 van de beschikking werden over de verdeling van de markt voor 1981 langdurige en complexe onderhandelingen gevoerd. Tijdens de in januari 1981 gehouden bijeenkomsten werd overeengekomen, dat alle producenten, als tijdelijke maatregel om bij te dragen tot het welslagen van het prijsinitiatief van februari/maart, de maandelijkse verkopen zouden beperken tot een twaalfde van 85 % van hun "streefhoeveelheid" voor 1980. Ter voorbereiding van een duurzamer quotasysteem deelde iedere producent de vergadering mee, welke hoeveelheid hij in 1981 hoopte te verkopen. Samengeteld overtroffen deze "aspiraties" echter ruimschoots de geraamde totale vraag (punt 56 van de beschikking). Ondanks verschillende door Shell en ICI ingediende compromisvoorstellen werd voor 1981 geen definitieve quota-overeenkomst bereikt. Als lapmiddel werd het quotum van iedere producent van het voorafgaande jaar als theoretisch recht beschouwd en brachten de producenten iedere maand aan de vergadering verslag uit over hun werkelijke verkopen. Op die manier werd toezicht uitgeoefend op de feitelijke verkopen, als een correctie op de louter abstracte verdeling van de markt op grond van de quota voor 1980 (punt 57 van de beschikking).
B - Argumenten van partijen
64 Verzoekster betoogt allereerst, dat zij pas vanaf mei 1982 sommige van de gelaakte bijeenkomsten heeft bijgewoond.
65 Verder voert de Commissie geen enkel bewijs aan voor haar stelling dat verzoekster aan de vaststelling van richtprijzen heeft deelgenomen; in antwoord op een vraag van het Gerecht heeft de Commissie immers moeten erkennen, dat Petrofina niet had deelgenomen aan de bijeenkomsten van januari 1981.
66 Ten slotte heeft verzoekster nooit deelgenomen aan de vaststelling van quota en het feit dat de naam Petrofina voorkomt op een aantal bij ICI en ATO ontdekte tabellen (bijlagen 55 tot en met 61 van de algemene mededeling van de punten van bezwaar; hierna: bijl. a.b.), waarin voor elke onderneming de verkoopcijfers en de "targets" ("streefhoeveelheden") voor 1980 en 1981 zijn opgenomen, is geen voldoende bewijs voor de deelneming van Petrofina aan een kartel. Bovendien bevatten de door de Commissie overgelegde tabellen grove fouten met betrekking tot verzoeksters verkoopcijfers en daadwerkelijke capaciteit, hetgeen aantoont dat het niet zijzelf is geweest die die cijfers heeft verstrekt.
67 De Commissie herinnert eraan, dat zij in punt 105, derde alinea, van de beschikking heeft verklaard, dat de houding van Petrofina ter zake van de bijeenkomsten in de periode vóór maart 1982 noodzakelijkerwijs dubbelzinnig was, aangezien haar verkoop van polypropyleen in die periode werd verricht door Montefina, de gemeenschappelijke verkoopmaatschappij van Petrofina en Monte. Al is het niet zeker dat Petrofina op de vóór maart 1982 gehouden bijeenkomsten afzonderlijk vertegenwoordigd was, het feit dat zij en Monte in de ontwerpen voor een verdeling van de markt in de regel apart worden behandeld, lijkt erop te wijzen, dat zij vanaf 1980 aan het kartel heeft deelgenomen.
68 Dat verzoekster in de betrokken periode aan het kartel heeft deelgenomen, vloeit derhalve voort uit het feit dat zij in die periode aan het quotastelsel heeft deelgenomen.
69 Dat verzoekster aan het quotastelsel heeft deelgenomen, blijkt dan weer uit het feit dat haar naam in verschillende cijfertabellen betreffende de toekenning van quota in 1980 en 1981 voorkomt.
70 Voor 1980 gaat het in de eerste plaats om een bij ATO ontdekte tabel (bijl. 60 a.b) van 26 februari 1980 met als opschrift "Polypropylene - Sales target 1980 (kt)" (("Polypropyleen - Verkoopdoel 1980 (kt)")), waarin voor alle producenten uit West-Europa een "1980 target" ("verkoopdoel voor 1980") wordt vergeleken met de "opening suggestions" ("openingsvoorstellen"), de "proposed adjustments" ("voorgestelde aanpassingen") en de "agreed targets 1980" ("voor 1980 overeengekomen steefhoeveelheden"). Ter terechtzitting heeft de Commissie uitgelegd, dat Petrofina' s betrokkenheid bij de opstelling van deze tabel blijkt uit de daarin voorkomende verwijzing naar een door Petrofina voorgestelde aanpassing ("Based on 1979 + Petrofina adjust") ("Op basis van de cijfers voor 1979 + de door Petrofina voorgestelde aanpassing"). Het in deze tabel aan Petrofina toegekende quotum komt overeen met het quotum dat is vermeld in een tweede tabel, die afkomstig is van ICI (bijl. 57 a.b.) en dateert van 8 oktober 1980, waarin voor alle Westeuropese producenten de "1980 Nameplate Capacity" ("nominale capaciteit in 1980") wordt vergeleken met de "1980 quota" ("quota voor 1980").
71 Voor 1981 gaat het om een van ICI afkomstige tabel van 9 oktober 1980 (bijl. 58 a.b.), waarin voor alle producenten in West-Europa voor 1980 de "effective capacity" ("werkelijke capaciteit"), de "aspirations" ("aspiraties"), de "market shares" ("marktaandelen"), de "hence actuals" ("actuele cijfers") en de "hence loading" ("actuele gebruik") in een percentage van de "effective capacity" worden vergeleken en voor 1981 de "effective capacity", de "market share proposal ICI 1981" ("door ICI in 1981 gedane voorstel betreffende de marktaandelen"), de "1981 sales at 1980 loading of 1981 cap." ("in 1981 verrichte verkopen tegen het gebruikspercentage van 1980 toegepast op de capaciteit van 1981"), de "tonnages of 1980 share" ("in ton uitgedrukte marktaandelen in 1980") en de "Pro-rated to 1981 Market" ("pro-rataverdeling van de markt voor 1981"). In haar antwoord op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.) verklaart ICI over deze tabel:
"The document was prepared within ICI as an internal working document in order to make an estimate of the volume 'aspirations' of the West European polypropylene producers for 1981, and to compare such 'aspirations' with previous 'Target Tonnages' and 'actual' sales achievements thus enabling ICI to take part in discussions on 'Target Tonnages' for 1981.
The source of information for actual historic figures in this table would have been the producers themselves. However, figures for Amoco/Hercules, and certain other producers eg the reference to 'Spanish' , would have been estimated from industry figures generally available from Fides.
The hand written figures in the 1980 'actual' column: detailed precisely actual sales for the year 1980 (in contrast to the rounded figures given in the typed column); clarified the Amoco/Hercules figures; and corrected a mistaken figure for Petrofina".
("Dit document is bij ICI opgesteld als een intern werkdocument om de in hoeveelheden uitgedrukte 'aspiraties' van de Westeuropese polypropyleenproducenten voor 1981 te ramen en deze 'aspiraties' te vergelijken met de eerdere 'streefhoeveelheden' en met de 'werkelijk' verrichte verkopen ten einde ICI in staat te stellen deel te nemen aan de besprekingen over de 'streefhoeveelheden' voor 1981.
De in deze tabel opgenomen reeds gerealiseerde cijfers zijn wellicht van de producenten zelf afkomstig. De cijfers voor Amoco/Hercules en voor sommige andere producenten, zoals bij voorbeeld die onder de rubriek 'Spanjaarden' , zijn echter waarschijnlijk ramingen op basis van de door Fides verstrekte en voor iedereen toegankelijke cijfers over de bedrijfstak.
De met de hand geschreven cijfers in de kolom 'werkelijke cijfers' 1980 bevatten het exacte cijfer van de werkelijke verkopen in 1980 (in tegenstelling tot de afgeronde cijfers in de getypte kolom), verduidelijkten de cijfers voor Amoco/Hercules en corrigeerden een verkeerd cijfer voor Petrofina."
Verder gaat het om een bij ICI gevonden tabel (bijl. 59 a.b.) waarin de in ton en marktaandeel uitgedrukte verkopen van alle producenten worden vergeleken onder de navolgende rubrieken: "1979 actual", "1980 target", "(1980) actual" en "1981 aspirations". De Commissie wijst erop, dat de in deze twee tabellen vermelde verkoopdoelen voor Petrofina met elkaar overeenstemmen.
72 De Commissie merkt op dat, ook al zouden de in de genoemde tabellen voorkomende verkoopcijfers verkeerd blijken te zijn, gelijk door verzoekster is gesteld, Petrofina niet opkomt tegen de in de verschillende tabellen opgenomen en onderling overeenkomende cijfers betreffende de verkoopdoelen. Overigens, zelfs in de veronderstelling dat de Petrofina betreffende cijfers die voorkomen in de als bijlagen 58, 61 en 65 tot en met 67 bij de algemene mededeling van de punten van bezwaar gevoegde tabellen niet overeenkomen met de werkelijk behaalde resultaten, betekent dit nog helemaal niet dat er geen overleg is geweest. Het overleg blijkt uit het bestaan zelf van de betrokken tabellen; of de daarin vermelde verkoopdoelen zijn gehaald, is irrelevant. Een eventueel gebrek aan overeenstemming tussen deze cijfers en de door Petrofina daadwerkelijk op de markt behaalde resultaten doet derhalve niet de minste afbreuk aan de bewijskracht van de tabellen waarin die cijfers voorkomen. De betwiste cijfers betreffen trouwens slechts enkele van de in de betrokken tabellen vervatte gegevens. Zij kunnen de tabellen waarin zij voorkomen, derhalve niet in hun geheel verdacht maken.
C - Beoordeling door het Gerecht
73 Het Gerecht stelt vast, dat de Commissie in antwoord op een van zijn schriftelijke vragen en ter terechtzitting heeft erkend, zoals zij reeds in punt 78, achtste alinea, van de beschikking had gedaan, dat zij over geen enkel bewijs beschikt voor haar stelling dat Petrofina vóór maart 1982 aan de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten heeft deelgenomen, en dat de vermelding in punt 33, derde alinea, van de beschikking dat Petrofina de twee bijeenkomsten van januari 1981 heeft bijgewoond, op een materiële vergissing berust.
74 In die omstandigheden moet worden geconcludeerd, dat de door verzoekster in repliek en ter terechtzitting ontkende deelneming aan de periodieke bijeenkomsten die de polypropyleenproducenten tussen 1980 en maart 1982 hebben gehouden, niet rechtens genoegzaam is bewezen en dat het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen op dit punt inderdaad een vergissing bevat, zoals verzoekster heeft verklaard zonder door de Commissie te zijn weersproken.
75 Verder moet worden aangenomen dat, nu verzoekster in de betrokken periode niet aan de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten heeft deelgenomen en er met betrekking tot die periode ook geen aanwijzingen bestaan over haar gedrag inzake de prijzen, evenmin rechtens genoegzaam bewezen is dat verzoekster tussen 1980 en maart 1982 te zamen met andere polypropyleenproducenten bij de vaststelling van richtprijzen betrokken was. VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER : 689A0002.1
76 Derhalve moet worden nagegaan of, gelijk door de Commissie is gesteld, op basis van de vermelding van verzoeksters naam in de tabellen met de kwantitatieve verkoopdoelen voor de betrokken periode, alsnog kan worden aangetoond, dat verzoekster tussen 1980 en maart 1982 aan de inbreuk heeft deelgenomen.
77 Uit de door de Commissie overgelegde documenten (bijl. 57 tot en met 61 en 65 tot en met 67 a.b.) blijkt, dat de producenten handelsgegevens hebben uitgewisseld en deze tijdens de bijeenkomsten hebben besproken met het oog op de vaststelling van kwantitatieve verkoopdoelen. De in deze documenten gebezigde terminologie (zoals "opening suggestions" (("openingsvoorstellen")), "proposed adjustments" (("voorgestelde aanpassingen")), "agreed targets" (("overeengekomen streefhoeveelheden")) ) rechtvaardigt de conclusie, dat de producenten wilsovereenstemming hebben bereikt.
78 Bij gebreke van enig bewijs voor de deelneming van Petrofina aan de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten in de betrokken periode stelt het Gerecht evenwel vast, dat de Commissie niet heeft aangetoond, dat verzoekster bij de opstelling van de tabellen met de kwantitatieve verkoopdoelen, en derhalve bij de vaststelling van die doelen, betrokken was. Dat de naam van verzoekster of van Montefina in deze tabellen voorkomt, kan immers niet als een afdoende bewijs worden beschouwd, daar in die periode de hele polypropyleenproduktie van Petrofina werd verkocht door Montefina, de gemeenschappelijke dochtermaatschappij van verzoekster en Monte, en verzoeksters partner in de gemeenschappelijke dochtermaatschappij noodzakelijkerwijs op de hoogte was van de produktiecapaciteit en de verkoop van Montefina alsmede van de aspiraties van Petrofina en deze gegevens waarschijnlijk tijdens de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten heeft meegedeeld om op doeltreffende wijze aan de vaststelling van de kwantitatieve verkoopdoelen te kunnen deelnemen. Op de tabel van 8 oktober 1980 (bijl. 57 a.b.) staat trouwens naast de naam Montefina als "1980 quota" vermeld: "20 to Petrofina - balance included in Montedison" ("20 voor Petrofina - de rest voor Montedison"). Aangenomen dient te worden, dat laatstgenoemde onderneming, die de overeenkomst over de verdeling van de verkoophoeveelheden tussen haarzelf en verzoekster binnen hun gemeenschappelijke dochtermaatschappij kende, daaruit gewoon de consequenties heeft getrokken voor het aan verzoekster toekomende quotum door die overeenkomst na de besprekingen waaraan zij had deelgenomen, te extrapoleren uitgaande van haar quotum in de totale produktie van Montefina.
79 Verder stelt het Gerecht vast, dat in de beschikking niet is gesteld en derhalve ook niet rechtens genoegzaam is aangetoond, dat Montefina als zelfstandige eenheid aan de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten heeft deelgenomen of betrokken was bij de vaststelling van richtprijzen of verkoophoeveelheden. Derhalve heeft de Commissie "de deelneming van Montefina aan het kartel tot maart 1982" (punt 102, derde alinea, laatste zin, van de beschikking) niet rechtens genoegzaam aangetoond en kan verzoekster niet "medeverantwoordelijk" worden geacht voor een dergelijke deelneming. Dit klemt te meer, daar de Commissie ter terechtzitting heeft verklaard, dat punt 102, derde alinea, laatste zin, van de beschikking niet bedoeld was om verzoekster medeverantwoordelijk te stellen voor de eventuele concurrentiebeperkende handelingen van haar partner in de gemeenschappelijke dochtermaatschappij Montefina, waarvan verzoekster via Montefina zelf zou hebben geprofiteerd, maar tot doel had verzoekster de medeverantwoordelijkheid toe te schuiven voor de handelingen van Montefina zelf die een deelneming zouden impliceren aan de inbreuk die verzoekster volgens de beschikking heeft gemaakt.
80 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond, dat verzoekster of Montefina heeft deelgenomen aan het stelsel van periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten, dat onder meer tot doel had richtprijzen en verkoophoeveelheden vast te stellen, of te zamen met andere polypropyleenproducenten richtprijzen of verkoophoeveelheden voor de periode van begin 1980 tot maart 1982 heeft vastgesteld.
II - De periode van maart 1982 tot november 1983
A - Het stelsel van periodieke bijeenkomsten
a) Bestreden handeling
81 In de punten 18 en 105, derde en vierde alinea, van de beschikking wordt gesteld, dat Petrofina aan het stelsel van periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten heeft deelgenomen door het regelmatig bijwonen van de tussen maart 1982 en september 1983 gehouden bijeenkomsten. De eerste met zekerheid vastgestelde bijeenkomst uit die periode vond plaats op 10 maart 1982 (punt 58, tweede alinea).
82 Volgens punt 21 van de beschikking hadden die periodieke bijeenkomsten vooral ten doel, richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen en toezicht te houden op de naleving daarvan door de producenten.
b) Argumenten van partijen
83 Verzoekster stelt, dat zij de bijeenkomst van producenten van 10 maart 1982 niet heeft bijgewoond en dat dit blijkt uit het bij Hercules gevonden verslag (bijl. 23 a.b.) van die bijeenkomst. Dit verslag bevat immers een grove fout met betrekking tot de produktiecapaciteit van Petrofina (50 kiloton per jaar in plaats van 30). Verder ontkent zij, de bijeenkomsten van 20 augustus en 2 november 1982 te hebben bijgewoond.
84 Voorts wijst zij erop, dat haar deelneming aan de door haar bijgewoonde bijeenkomsten, passief is geweest en enkel tot doel had, informatie op te doen om zich een plaats op de markt te veroveren. Dit blijkt ook uit haar concurrentiegedrag op de markt; in tal van documenten wordt haar gedrag - zowel ter zake van de prijzen als ter zake van de verkoophoeveelheden - door haar concurrenten immers als agressief of verstorend aangemerkt. Dit wordt ook bevestigd door het rapport van een onafhankelijk accountantskantoor, Coopers en Lybrand, (hierna: het rapport Coopers en Lybrand) alsmede door een econometrische studie van de Duitse markt verricht door prof. Albach van de Universitaet Bonn.
85 De Commissie betoogt, dat Petrofina regelmatig heeft deelgenomen aan de bijeenkomsten en in haar antwoord op het verzoek om inlichtingen ((bijlage I bij de tot Petrofina gerichte individuele mededeling van de punten van bezwaar: hierna: bijl. i.b. Petrofina) zelf heeft erkend, dat bepaalde personeelsleden van haar Chemical Sales Division de bijeenkomsten hadden bijgewoond. Volgens de Commissie is de eerste bijeenkomst waaraan Petrofina heeft deelgenomen, die van 10 maart 1982 (bijl. 23 a.b.).
c) Beoordeling door het Gerecht
86 Het Gerecht stelt vast, dat Petrofina in haar antwoord op het verzoek om inlichtingen heeft verklaard, dat "een aantal personeelsleden van de Chemical Sales Division van onze vennootschap vanaf maart 1982 de in uw brief genoemde bijeenkomsten hebben bijgewoond" (bijl. 1 i.b. Petrofina); bovendien bevat dit antwoord een opsomming van 25 bijeenkomsten - de Commissie had gesteld dat er 29 hadden plaatsgevonden - die in de periode van 18 mei 1982 tot 30 september 1983 hebben plaatsgevonden en waarvoor verzoekster heeft aangegeven door wie zij vertegenwoordigd was.
87 Wat verzoeksters deelneming aan een bijeenkomst van 10 maart 1982 betreft, moet worden opgemerkt, dat deze bijeenkomst weliswaar niet voorkomt op de lijst van de bijeenkomsten waarvoor verzoekster heeft aangegeven door wie zij was vertegenwoordigd, maar niettemin heeft plaatsgevonden in een periode waarvoor verzoekster deelneming aan de bijeenkomsten heeft toegegeven ("vanaf maart 1982"); bovendien ontkent verzoekster niet, dat zij heeft deelgenomen aan een andere bijeenkomst, die van 13 mei 1982, die evenmin op de lijst van Petrofina voorkomt, doch waarvan de Commissie in punt 37, tweede alinea, van de beschikking heeft gezegd dat Petrofina eraan heeft deelgenomen.
88 De in het verslag van de bijeenkomst van 10 maart 1982 (bijl. 23 a.b.) voorkomende vergissing betreffende de produktiecapaciteit van Petrofina is niet van dien aard, dat zij de conclusies van de Commissie kan aantasten, daar dezelfde vergissing voorkomt in tal van andere documenten betreffende perioden waarvoor Petrofina deelneming aan de bijeenkomsten heeft toegegeven. Wat dit betreft, kan in de omstandigheid dat de door verzoekster op 11 maart 1982 gegeven prijsinstructie volledig overeenstemt met de op deze bijeenkomst vastgestelde richtprijs, een bijkomende aanwijzing voor de aanwezigheid van Petrofina op deze bijeenkomst worden gezien.
89 Derhalve moet worden aangenomen, dat verzoekster de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten tussen maart 1982 en eind september 1983 regelmatig heeft bijgewoond, ook al ontkent zij te hebben deelgenomen aan de bijeenkomsten van 20 augustus en 2 november 1982.
90 Verder heeft de Commissie zich op basis van de door ICI in haar antwoord op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.) verstrekte gegevens, die door talrijke verslagen van bijeenkomsten zijn bevestigd, terecht op het standpunt gesteld, dat de bijeenkomsten vooral ten doel hadden, richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen. In dat antwoord van ICI staat namelijk te lezen: " 'Target prices' for the basic grade of each principal category of polypropylene as proposed by producers from time to time since 1 January 1979 are set forth in Schedule (...)" en "A number of proposals for the volume of individual producers were discussed at meetings" ("De 'richtprijzen' die vanaf 1 januari 1979 van tijd tot tijd door producenten voor de basiskwaliteit van elk van de belangrijkste categorieën polypropyleen zijn voorgesteld, zijn weergegeven in bijlage (...)" en "Een aantal voorstellen betreffende de hoeveelheden van individuele producenten werd tijdens bijeenkomsten besproken").
91 Bovendien kon de Commissie uit het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen, waarin staat te lezen: "Only 'Bosses' and 'Experts' meetings came to be held on a monthly basis (...) By late 1978/early 1979 it was determined that the 'ad hoc' meetings of Senior Managers should be supplemented by meetings of lower level managers with more marketing knowledge" (("Alleen de bijeenkomsten van 'bosses' en 'experts' vonden maandelijks plaats (...) Eind 1978/begin 1979 werd besloten, dat de 'ad hoc' -bijeenkomsten van Senior Managers moesten worden aangevuld met bijeenkomsten van lagere managers die meer wisten van marketing")), alsmede uit het feit dat de betrokken bijeenkomsten hetzelfde karakter en hetzelfde doel hadden, op goede gronden afleiden, dat deze deel uitmaakten van een stelsel van periodieke bijeenkomsten.
92 Verder moet worden opgemerkt, dat het passieve karakter van Petrofina' s deelneming aan de bijeenkomsten wordt tegengesproken door verklaringen van verzoekster zelf, die toegeeft dat zij soms bepaalde gegevens over haar in ton uitgedrukte maandelijkse verkopen heeft verstrekt, en door de verslagen van bepaalde bijeenkomsten, zoals die van 13 mei 1982 (bijl. 24 a.b.) waarop Petrofina haar betrekkingen met Monte binnen hun gemeenschappelijke dochtermaatschappij Montefina uit de doeken heeft gedaan, alsmede door de door een personeelslid van ICI opgestelde en 8 december 1982 gedateerde notitie (bijl. 77 a.b.) van een telefoongesprek tussen ICI en Hercules over een voorstel van Petrofina over de quota voor het eerste kwartaal van 1983.
93 Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen, dat verzoekster tussen maart 1982 en september 1983 regelmatig heeft deelgenomen aan de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten, dat die bijeenkomsten inzonderheid ten doel hadden richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen en stelselmatig plaatsvonden, en dat verzoekster niet louter passief aan die bijeenkomsten heeft deelgenomen.
B - De prijsinitiatieven
a) Bestreden handeling
94 Volgens punt 28 van de beschikking is door middel van prijsinitiatieven een stelsel van richtprijzen toegepast.
95 Volgens de punten 37 tot en met 39 van de beschikking nam Petrofina deel aan het prijsinitiatief van juni/juli 1982, dat plaatsvond in het kader van het herstel van het evenwicht tussen vraag en aanbod op de markt. Tot dat initiatief was besloten tijdens de op 13 mei 1982 gehouden bijeenkomst van producenten, die door Petrofina werd bijgewoond. Tijdens die bijeenkomst werd een gedetailleerde tabel met richtprijzen voor 1 juni opgesteld, waarin de prijzen voor de verschillende kwaliteiten polypropyleen in de diverse nationale valuta' s werden aangegeven (2,00 DM/kg voor raffia).
96 Na de bijeenkomst van 13 mei 1982 gaven ATO, BASF, Hoechst, Hercules, Huels, ICI, Linz, Monte en Shell prijsinstructies die, op enkele onbelangrijke uitzonderingen na, overeenkwamen met de tijdens de bijeenkomst vastgestelde richtprijzen (punt 39 van de beschikking). In de beschikking wordt evenwel erkend dat geen prijsinstructies van verzoekster beschikbaar waren. Toen zij op 9 juni 1982 bijeenkwamen, konden de producenten slechts bescheiden prijsverhogingen rapporteren.
97 Volgens de beschikking (punt 40) nam verzoekster ook deel aan het prijsinitiatief van september/november 1982, waartoe tijdens de bijeenkomst van 20 en 21 juli 1982 was besloten en dat erop was gericht, de prijs te verhogen tot 2,00 DM/kg op 1 september en tot 2,10 DM/kg op 1 oktober. Petrofina was aanwezig op de meeste, zo niet alle bijeenkomsten die van juli tot november 1982 zijn gehouden en waarop genoemd prijsinitiatief is gepland en gevolgd (punt 45 van de beschikking). Tijdens de bijeenkomst van 20 augustus 1982 werd de voor 1 september geplande prijsverhoging uitgesteld tot 1 oktober en die beslissing werd op de bijeenkomst van 2 september 1982 bevestigd (punt 41 van de beschikking).
98 Na de bijeenkomsten van 20 augustus en 2 september 1982 gaven ATO, DSM, Hercules, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte en Shell prijsinstructies die overeenkwamen met de tijdens die bijeenkomsten vastgestelde richtprijs (punt 43 van de beschikking).
99 Volgens de beschikking (punt 44) vond er op 21 september 1982 een bijeenkomst plaats, waarop werd gesproken over de stappen die waren genomen om het eerder vastgestelde doel te bereiken. Er bleek algemene instemming te bestaan over een voorstel om de prijs met ingang van november/december 1982 te verhogen tot 2,10 DM/kg. Die verhoging was definitief geworden op de bijeenkomst van 6 oktober 1982.
100 Na de bijeenkomst van 6 oktober 1982 gaven BASF, DSM, Hercules, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte, Shell en Saga prijsinstructies om de overeengekomen verhoging toe te passen (punt 44, tweede alinea, van de beschikking).
101 Tijdens de bijeenkomst van december 1982 werd overeengekomen, dat het voor november/december gestelde streefniveau tegen eind januari 1983 moest zijn ingevoerd (punt 46, tweede alinea, van de beschikking).
102 Volgens punt 47 van de beschikking heeft verzoekster tot slot ook aan het prijsinitiatief van juli/november 1983 deelgenomen. Tijdens de bijeenkomst van 3 mei 1983 werd overeengekomen, dat de producenten zouden trachten in juni 1983 een richtprijs van 2,00 DM/kg toe te passen. Op de bijeenkomst van 20 mei 1983 werd dit aanvankelijk gestelde doel echter uitgesteld tot september en werd als tussenstap een doel van 1,85 DM/kg met ingang van 1 juli gesteld. Tijdens een op 1 juni 1983 gehouden bijeenkomst bevestigden de aanwezige producenten - waaronder Petrofina - vervolgens hun volledige instemming met een stijging tot 1,85 DM/kg. Daarbij werd overeengekomen, dat Shell in het openbaar zou leiden in het vaktijdschrift European Chemical News (hierna: ECN).
103 Volgens punt 49 van de beschikking gaven ICI, DSM, BASF, Hoechst, Linz, Shell, Hercules, ATO, Petrofina en Solvay na de bijeenkomst van 20 mei 1983 instructies aan hun verkoopkantoren om met ingang van 1 juli een prijs van 1,85 DM/kg voor raffia toe te passen. Van ATO en Petrofina werden slechts onvolledige prijsinstructies verkregen, maar die bevestigen dat deze producenten het nieuwe prijsniveau toepasten, zij het in het geval van Petrofina en Solvay met enige vertraging. Met uitzondering van Huels (waarvoor de Commissie geen prijsinstructies voor juli 1983 heeft gevonden), blijken derhalve alle producenten die de bijeenkomsten hadden bijgewoond dan wel hun steun voor de nieuwe richtprijs van 1,85 DM/kg hadden toegezegd, instructies te hebben gegeven om de nieuwe prijs toe te passen.
104 Volgens punt 50 van de beschikking vonden er verder nog bijeenkomsten plaats op 16 juni, 6 en 21 juli, 10 en 23 augustus en 5, 15 en 29 september 1983, die door alle vaste deelnemers werden bijgewoond. Eind juli en begin augustus 1983 deden BASF, DSM, Hercules, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Solvay, Monte en Saga aan hun diverse nationale verkoopkantoren prijsinstructies toekomen (gebaseerd op een raffiaprijs van 2,00 DM/kg), die met ingang van 1 september van kracht zouden worden. In een interne nota van Shell van 11 augustus, betreffende haar prijzen in het Verenigd Koninkrijk, wordt vermeld, dat Shell' s dochteronderneming in het Verenigd Koninkrijk "ernaar streefde", dat per 1 september basisprijzen van kracht zouden zijn die overeenstemden met de door de andere producenten vastgestelde richtprijzen. Tegen het einde van de maand gaf Shell haar verkoopkantoor in het Verenigd Koninkrijk echter opdracht, de volle verhoging uit te stellen tot de andere producenten het gewenste basisniveau hadden bereikt. Behoudens onbeduidende afwijkingen waren die instructies identiek voor alle kwaliteiten en nationale valuta' s.
105 Volgens punt 50, laatste alinea, van de beschikking blijkt uit de bij de fabrikanten verkregen prijsinstructies, dat later werd besloten door te gaan op de voet van de verhoging van september en de prijs voor raffiakwaliteit per 1 oktober te verhogen tot 2,10 DM/kg en per 1 november tot 2,25 DM/kg. BASF, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte en Solvay - aldus punt 51, eerste alinea, van de beschikking - zonden voor de maanden oktober en november ieder afzonderlijk instructies aan hun verkoopkantoren, waarin identieke prijzen werden vastgesteld. Hercules gaf in eerste instantie iets lagere prijzen op.
106 In punt 51, tweede en derde alinea, van de beschikking wordt opgemerkt dat ATO en Petrofina, ofschoon zij op alle op deze aangelegenheid betrekking hebbende bijeenkomsten aanwezig waren, beweren dat voor zover in de periode van juli tot november 1983 interne prijsinstructies werden gegeven, dit mondeling geschiedde. In een bij ATO aangetroffen en 28 september 1983 gedateerde nota komt evenwel een tabel voor met als kop "Rappel du prix de cota (sic)", waarin voor verschillende landen voor september en oktober prijzen voor de drie belangrijkste kwaliteiten polypropyleen worden vastgesteld, die identiek zijn met die van BASF, DSM, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte en Solvay. Tijdens de in oktober 1983 bij ATO verrichte verificatie bevestigden de vertegenwoordigers van het bedrijf, dat die prijzen aan de verkoopkantoren waren meegedeeld.
107 Volgens punt 105, vierde alinea, van de beschikking heeft de inbreuk, welke de datum van de laatste bijeenkomst ook moge geweest zijn, tot november 1983 voortgeduurd; de overeenkomst bleef immers tot ten minste dat tijdstip effect sorteren, aangezien november de laatste maand is waarvan bekend is dat richtprijzen werden overeengekomen en prijsinstructies werden gegeven.
108 In punt 51, laatste alinea, van de beschikking verklaart de Commissie tot slot, dat eind 1983 in de vakpers gewag werd gemaakt van een stabilisering van de polypropyleenprijzen op een marktprijs voor raffiakwaliteit van 2,08 à 2,15 DM/kg (het nagestreefde doel was zoals gezegd 2,25 DM/kg).
b) Argumenten van partijen
109 Verzoekster voert aan, dat de omstandigheid dat zij slechts passief op de bijeenkomsten aanwezig was, meebrengt dat de Commissie uit die aanwezigheid niet kan afleiden dat zij aan prijsovereenkomsten heeft deelgenomen.
110 Verder betoogt zij, dat zij haar prijzen nooit naar maatstaf van de richtprijzen heeft vastgesteld en dat uit de door de Commissie als bewijs aangevoerde elementen niet het omgekeerde valt af te leiden.
111 Allereerst was zij niet aanwezig op de bijeenkomst van 10 maart 1982 waarop volgens de Commissie een richtprijs van 2,00 DM/kg voor 1 april is vastgesteld; het telexbericht dat zij op 11 maart 1982 aan haar verkoopafdelingen heeft gestuurd (bijl. 2 i.b. Petrofina), had dus niets te maken met deze bijeenkomst.
112 Vervolgens heeft de Commissie het verslag van de bijeenkomst van 21 september 1982 (bijl. 30 a.b.) verkeerd geïnterpreteerd; verzoeksters marktgedrag na deze overeenkomst toont overigens aan dat haar aanwezigheid op deze bijeenkomst geen enkele invloed heeft gehad.
113 Ten derde had het telexbericht dat zij op 20 juli 1983 aan haar verkoopafdelingen heeft gestuurd (bijl. 5 i.b. Petrofina), niets te maken met de op de bijeenkomst van 20 mei 1983 (bijl. 39 a.b.) ter sprake gebrachte richtprijs, daar een technische storing aan de oorsprong ligt van de inhoud van dit telexbericht.
114 Bovendien heeft de Commissie geen van Petrofina uitgaande en met de richtprijzen overeenstemmende prijsinstructies kunnen overleggen die enige toepassing van die richtprijzen aantonen. Integendeel, uit tal van documenten blijkt, dat verzoekster tijdens de hele periode waarin zij op de polypropyleenmarkt aanwezig was, als een "persistent troublemaker" ("eeuwige onruststoker") werd beschouwd, en de door haar overgelegde grafieken tonen aan, dat zij haar reële prijzen in 97 % van de gevallen niet op de richtprijzen heeft afgestemd en dat haar prijzen tot 30 % lager waren dan de richtprijzen. Zij verwijst daarvoor naar het rapport Coopers en Lybrand.
115 Ten slotte is de conclusie dat zij betrokken was bij de vaststelling van richtprijzen door de polypropyleenproducenten, in tegenspraak met de omstandigheid dat Amoco en BP bij de beschikking buiten vervolging zijn gesteld niettegenstaande in punt 78, laatste alinea, van die beschikking wordt gezegd, dat die ondernemingen in sommige gevallen hun prijzen in overeenstemming schijnen te hebben gebracht met de op de bijeenkomsten overeengekomen richtprijzen.
116 De periode van oktober tot en met november 1983 is overigens ten onrechte in aanmerking genomen. De bijeenkomsten zijn uiterlijk half oktober afgeschaft en de op het einde van het jaar doorgevoerde prijsverhogingen staan volledig los van de voordien gehouden bijeenkomsten van producenten, zoals uit de studie van professor Albach blijkt.
117 De Commissie verklaart, dat de beschikking de vaststelling van verzoeksters deelneming aan de prijsinitiatieven van 1982 en 1983 op heel wat bewijsmateriaal baseert. Algemeen kan worden gesteld, dat Petrofina' s deelneming aan prijsovereenkomsten wordt aangetoond door het feit dat zij bijeenkomsten heeft bijgewoond uit de verslagen waarvan blijkt, dat daarop richtprijzen zijn vastgesteld.
118 Uit het verslag van de door Petrofina bijgewoonde bijeenkomst van 10 maart 1982 (bijl. 23 a.b.) blijkt, dat overeenstemming werd bereikt over een richtprijs van 2,00 DM/kg voor 1 april 1982. Petrofina heeft die overeenkomst de dag daarop ten uitvoer gelegd door haar verkoopafdelingen in Duitsland bij telexbericht te gelasten deze prijs vanaf 1 april 1982 toe te passen. De tenuitvoerlegging van de overeenkomst wordt niet tegengesproken door de aan de verkopers gelaten marge voor onderhandelingen met de klanten, daar de "richtprijzen" slechts als uniforme grondslag voor de onderhandelingen met de klanten waren bedoeld.
119 Verder toont het verslag van de bijeenkomst van 13 mei 1982 (bijl. 24 a.b.) aan, dat Petrofina betrokken was bij de vaststelling van een richtprijs van 2,00 DM/kg voor 1 juni 1982.
120 Ten derde blijkt uit het verslag van de bijeenkomst van 21 september 1982, dat Petrofina betrokken was bij een afspraak om de richtprijzen te ondersteunen. Op die bijeenkomst heeft Petrofina immers gesignaleerd, dat zij slechts twee afwijkingen van de richtprijzen had toegestaan, en ter rechtvaardiging van die afwijkingen heeft zij aangevoerd dat die prijzen overeenstemden met lagere prijzen die tijdens de overeenkomst waren bevestigd.
121 Ten slotte blijkt uit het verslag van de bijeenkomst van 1 juni 1983, dat Petrofina partij was bij een overeenkomst over een richtprijs van 1,85 DM/kg voor 1 juli 1983, daar tijdens die bijeenkomst "those present reaffirmed complete commitment to the 1.85 move to be achieved by 1st July" ("de aanwezigen herhaalden dat zij vastbesloten waren de richtprijs van 1,85 tegen 1 juli toe te passen").
122 Daarbij komt, dat Petrofina op 20 juli 1983 een prijsinstructie heeft gegeven die overeenkwam met de op die bijeenkomst vastgestelde richtprijs, hetgeen haar deelneming aan de toepassing van de richtprijzen aantoont.
123 Met betrekking tot het rapport Coopers en Lybrand merkt de Commissie overigens op, dat zij nooit heeft gesteld dat alle producenten een uniforme prijs hadden afgesproken, zodat verzoeksters argument inzake het verschil tussen de richtprijzen en de door haar feitelijk toegepaste prijzen elke grond mist.
124 In dupliek voert de Commissie nog aan, dat Petrofina' s uitlegging van bovengenoemde documenten op zichzelf misschien plausibel klinkt, doch elke grond mist wanneer men rekening houdt met de feitelijke context van die documenten, namelijk de algemene overeenkomst over prijzen en quota zoals deze in de beschikking is beschreven.
125 De Commissie verwerpt ook verzoeksters argument als zou zij anders zijn behandeld dan de Amoco en BP; aangezien deze ondernemingen niet aan de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten hebben deelgenomen, ontbreekt de "kern" van het bewijs voor hun deelneming aan het gestelde prijskartel.
126 Ten slotte betoogt zij, dat ook al zijn er na september 1983 geen bijeenkomsten meer geweest, de gevolgen van het kartel zich ook nog in oktober en november 1983 hebben doen gevoelen, zodat die maanden in aanmerking moesten worden genomen.
c) Beoordeling door het Gerecht
127 Uit de verslagen van de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten blijkt, dat de aan die bijeenkomsten deelnemende producenten de in de beschikking genoemde prijsinitiatieven zijn overeengekomen. Zo staat in het verslag van de bijeenkomst van 13 mei 1982 (bijl. 24 a.b.) te lezen:
"everyone felt that there was a very good opportunity to get a price rise through before the holidays + after some debate settled on DM 2.00 from 1st June (UK 14th June). Individual country figures are shown in the attached table."
(("iedereen was van mening, dat de gelegenheid zeer gunstig was om er vóór de vakantie een prijsstijging door te krijgen + na enige discussie is besloten tot DM 2,00 met ingang van 1 juni (14 juni voor het Verenigd Koninkrijk). De cijfers per land zijn vermeld in de bijgevoegde tabel."))
128 Zodra rechtens genoegzaam is bewezen, dat verzoekster die bijeenkomsten vanaf maart 1982 regelmatig heeft bijgewoond, kan zij niet verklaren, dat zij de daar overeengekomen, geplande en gevolgde prijsinitiatieven niet heeft gesteund, zonder bewijzen te verstrekken die deze verklaring kunnen staven. Bij gebreke van dergelijke bewijzen is er immers geen enkele reden om aan te nemen dat verzoekster die initiatieven, anders dan de overige deelnemers aan de bijeenkomsten, niet heeft gesteund.
129 Tot staving van haar stelling dat zij de overeengekomen prijsinitiatieven niet heeft gesteund, voert verzoekster twee argumenten aan. Zij betoogt allereerst dat zij slechts passief aan de bijeenkomsten heeft deelgenomen en verder dat zij voor haar prijsgedrag op de markt geen rekening heeft gehouden met de resultaten van die bijeenkomsten.
130 Geen van beide argumenten kan worden aanvaard als bewijs voor verzoeksters stelling, dat zij de overeengekomen prijsinitiatieven niet heeft gesteund. De Commissie heeft immers rechtens genoegzaam bewezen, dat verzoekster niet louter passief aan de bijeenkomsten heeft deelgenomen, zodat verzoeksters eerste argument feitelijke grondslag mist. Wat het tweede argument betreft, moet allereerst worden opgemerkt dat, zelfs indien dit feitelijk juist mocht blijken, het verzoeksters betrokkenheid bij de vaststelling van richtprijzen tijdens de bijeenkomsten niet zou ontzenuwen, doch hooguit zou aantonen dat zij aan de tijdens de bijeenkomsten gemaakte afspraken geen uitvoering heeft gegeven. Nergens in de beschikking wordt overigens gesteld, dat de door verzoekster toegepaste prijzen altijd overeenkwamen met de tijdens de bijeenkomsten overeengekomen richtprijzen, waaruit blijkt dat in de beschikking het bewijs van verzoeksters betrokkenheid bij de vaststelling van deze richtprijzen evenmin wordt gebaseerd op het feit, dat zij aan de tijdens de bijeenkomsten gemaakte afspraken uitvoering zou hebben gegeven.
131 In dit verband zij ook opgemerkt, dat de Commissie niet opkomt tegen de door Petrofina verrichte analyse noch tegen de conclusie van het rapport Coopers en Lybrand, volgens hetwelk de werkelijke toegepaste prijzen aanzienlijk afweken van de richtprijzen. Zij betwist ook niet, dat uit een aantal door verzoekster overgelegde documenten blijkt dat deze tijdens de periode waarin zij op de polypropyleenmarkt aanwezig was, als een "persistent troublemaker" ("eeuwige onruststoker") werd beschouwd. Hierbij zij evenwel aangetekend, dat uit de analyses die de producenten zelf tijdens de bijeenkomsten van 21 september, 6 oktober, 2 november en 2 december 1982 hebben verricht ter zake van de invloed van hun prijsinitiatieven op de op de markt toegepaste prijzen, lijkt te kunnen worden opgemaakt, dat zij de resultaten van die initiatieven over het geheel genomen als positief beoordeelden (bijl. 30-33 a.b.).
132 In elk geval heeft verzoekster zich meer gelegen laten liggen aan de op de bijeenkomsten gemaakte afspraken dan zij wil doen geloven, ook al heeft de Commissie slechts één van Petrofina uitgaande schriftelijke prijsinstructie kunnen overleggen, te weten een telexbericht van 11 maart 1982 met prijzen die overeenstemden met de overeengekomen richtprijzen. De andere door de Commissie overgelegde schriftelijke instructie, het telexbericht van 20 juli 1983, moet buiten beschouwing worden gelaten omdat zij inderdaad kan worden verklaard door een technische stoornis in een van Petrofina' s bedrijven. Deze stoornis zou een tijdelijke vermindering van de produktie tot gevolg hebben gehad en verzoekster zou hebben geprobeerd de gevolgen daarvan te milderen door haar prijzen te verhogen ten einde de vraag tijdelijk te doen afnemen.
133 Het eerste telexbericht is verstuurd daags na de bijeenkomst waarop een richtprijs voor april was overeengekomen en waaraan verzoekster, anders dan zij zelf verklaart, had deelgenomen; dit telexbericht is volledig in overeenstemming met deze richtprijs. Ook al blijkt uit de inhoud van dit telexbericht dat Petrofina haar verkoopafdelingen een kleine onderhandelingsmarge liet, toch volstaat het als bewijs, dat verzoekster de tijdens de bijeenkomsten overeengekomen richtprijzen als basis voor de prijsonderhandelingen met haar klanten gebruikte.
134 Aangezien verzoekster heeft verklaard, dat haar verkoopafdelingen mondelinge prijsinstructies ontvingen en niet aannemelijk heeft gemaakt dat die mondelinge instructies niet overeenkwamen met het resultaat van de bijeenkomsten, is het Gerecht van mening, dat de Commissie uit de omstandigheid dat deze enige schriftelijke prijsinstructie van verzoekster overeenkwam met de richtprijs die was vastgesteld tijdens een daaraan voorafgegane bijeenkomst waaraan verzoekster had deelgenomen, terecht heeft geconcludeerd, dat ook verzoeksters mondelinge prijsinstructies in hun geheel genomen moeten hebben overeengestemd met de tijdens de door haar bijgewoonde bijeenkomsten vastgestelde richtprijzen.
135 Verder kan de situatie van verzoekster niet worden vergeleken met die van Amoco en BP, omdat die ondernemingen, anders dan verzoekster, de tussen maart 1982 en eind september 1983 gehouden periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten niet hebben bijgewoond, zodat zij niet betrokken konden zijn bij de prijsinitiatieven die tijdens die bijeenkomsten zijn overeengekomen, georganiseerd en gecontroleerd. Verzoekster kan zich derhalve niet beroepen op de behandeling die deze ondernemingen in de beschikking te beurt is gevallen, om daaruit te concluderen, dat haar deelneming niet rechtens genoegzaam is bewezen.
136 Bovendien mocht de Commissie uit het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.), waarin staat te lezen dat "' Target prices' for the basic grade of each principal category of polypropylene as proposed by producers from time to time since 1 January 1979 are set forth in Schedule (...)" (("De sinds 1 januari 1979 door de producenten geregeld voorgestelde 'richtprijzen' voor de basiskwaliteit van elke hoofdcategorie polypropyleen zijn opgenomen in bijlage (...)")), afleiden, dat die prijsinitiatieven werden genomen in het kader van een stelselmatige vaststelling van richtprijzen.
137 Al heeft de laatste producentenbijeenkomst waarvan de Commissie het bewijs heeft geleverd, op 29 september 1983 plaatsgevonden, toch hebben verschillende producenten (BASF, Hercules, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte, Solvay en Saga) tussen 20 september en 25 oktober 1983 onderling overeenstemmende prijsinstructies (bijl. I bij de brief van 29 maart 1985) doen uitgaan die op 1 november daaraanvolgend in werking moesten treden, zodat de Commissie redelijkerwijze kon aannemen, dat de producentenbijeenkomsten tot november 1983 effect waren blijven sorteren.
138 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen dat verzoekster een van de polypropyleenproducenten was die wilsovereenstemming hebben bereikt met betrekking tot de in de punten 37 tot en met 51 van de beschikking genoemde prijsinitiatieven, en dat die initiatieven stelselmatig zijn genomen en zich tot november 1983 hebben doen gevoelen.
C - De maatregelen ter vergemakkelijking van de toepassing van de prijsinitiatieven
a) Bestreden handeling
139 In de beschikking (artikel 1, sub c, en punt 27; zie ook punt 42) wordt verzoekster verweten, met de overige producenten verschillende maatregelen te zijn overeengekomen waarmee de toepassing van de richtprijzen moest worden vergemakkelijkt, zoals tijdelijke beperkingen van de produktie, uitwisseling van gedetailleerde informatie over haar leveringen, het houden van plaatselijke vergaderingen, en, vanaf september 1982, een systeem van "account management", bedoeld om prijsverhogingen voor individuele klanten toe te passen.
140 Wat het systeem van "account management" betreft, waarvan de later bijgeschaafde vorm vanaf december 1982 bekend stond als "account leadership", werd verzoekster - evenals alle andere producenten - aangewezen als cooerdinator of "leader" voor ten minste één belangrijke klant. Dit betekende, dat zij de contacten van die klant met diens leveranciers in het geheim moest cooerdineren. In het kader van genoemd systeem werden klanten aangewezen in België, Italië, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk en werd voor elk van hen een "cooerdinator" benoemd. In december 1982 werd een meer algemene aanvaarding van het systeem voorgesteld, waarbij een "account leader" werd benoemd, die de prijsinitiatieven zou leiden, bespreken en organiseren. Andere producenten, die geregeld met de klanten zaken hadden gedaan, stonden bekend als "betwisters" en zouden met de "account leader" samenwerken bij offertes aan de betrokken klant. Ten einde de "account leader" en de "betwisters" te "beschermen" moesten alle andere fabrikanten die door de klant werden benaderd, hogere prijzen dan de nagestreefde richtprijs noemen. ICI beweert, dat de regeling na slechts enkele maanden instortte wegens gedeeltelijke en ondoeltreffende toepassing. Uit volledige aantekeningen van de op 3 mei 1983 gehouden bijeenkomst blijkt echter, aldus de beschikking, dat op die bijeenkomst uitgebreide besprekingen plaatsvonden over afzonderlijke klanten, over de aan dezen door elke fabrikant opgegeven of op te geven prijzen en over de geleverde of bestelde hoeveelheden.
141 In de beschikking (punt 20) wordt Petrofina tevens verweten, te hebben deelgenomen aan plaatselijke bijeenkomsten ter bespreking van de toepassing op nationaal niveau van de op de plenaire bijeenkomsten overeengekomen maatregelen.
b) Argumenten van partijen
142 Verzoekster betoogt, dat zij slechts een passieve rol heeft gespeeld en het systeem van "account leadership" derhalve nooit heeft toegepast en dit ook nooit van plan is geweest. Alle bewijselementen die de Commissie tot staving van haar verwijt heeft aangevoerd, kunnen dan ook worden weerlegd.
143 Zij verklaart allereerst met betrekking tot het verslag van de bijeenkomst van 2 september 1982 (bijl. 29 a.b.), waarin zij volgens de Commissie als "account leader" van drie van haar klanten wordt genoemd, dat uit het rapport Coopers en Lybrand blijkt, dat zij Ostend Stores steeds tegen concurrentiële prijzen heeft bevoorraad, dat Fibrilo in september 1982 niet meer tot haar klanten behoorde en dat Waltex nooit bij haar klant is geweest. Dit alles wordt bevestigd door een interne nota van ICI van eind december 1982 (bijl. 35 a.b.) waarin staat te lezen: "despite the appointment of A/C leaders, there does not appear to have been any improvement in December over November" ("niettegenstaande de aanwijzing van 'account leaders' lijkt er in december geen verbetering te zijn ingetreden ten opzichte van november").
144 Het verslag van de bijeenkomst van 21 september 1982 (bijl. 30 a.b.), volgens hetwelk de producenten inlichtingen over hun prijzen en over de omvang van hun verbintenissen voor oktober hebben uitgewisseld, is niet erg geloofwaardig; de haar betreffende gegevens zijn immers onjuist, daar zij in Duitsland tegen veel lagere prijzen had verkocht dan daar staat vermeld.
145 Verder betoogt Petrofina met betrekking tot het verslag van een in de lente van 1983 gehouden bijeenkomst (bijl. 37 a.b.), volgens hetwelk zij sommige van haar klanten niet heeft bevoorraad, dat dit is gebeurd om redenen die niets te maken hadden met een systeem van "account leadership". Met betrekking tot Steen is zij weggeconcurreerd, zoals uit het rapport Coopers en Lybrand blijkt; wat Adolff betreft, moet de reden worden gezocht in de kwaliteit van een eerdere levering van Petrofina; aan Ostend Stores had zij in maart zoveel geleverd, dat deze klant in juni niet moest worden bevoorraad; met betrekking tot Boussac wordt in de nota zelf gezegd, dat om kredietredenen niet is geleverd.
146 Ten slotte geeft verzoekster toe, dat zij de hoeveelheid en de prijs van haar leveranties aan bepaalde klanten op de bijeenkomsten heeft meegedeeld, zij het niet altijd even exact, zoals uit de vergelijking met het rapport Coopers en Lybrand blijkt.
147 Zij herhaalt ook, dat het verslag van de bijeenkomst van 13 mei 1982 (bijl. 24 a.b.), volgens hetwelk "Petrofina - have reduced sales following new agreement with MP" ("Petrofina heeft na een nieuwe overeenkomst met MP haar verkoop verminderd"), niet de strekking heeft die de Commissie eraan toekent; het "new agreement" was geen quota-overeenkomst, maar slechts een overeenkomst met Monte over de ruil van produktiecapaciteit binnen hun gemeenschappelijke dochtermaatschappij Montefina; het is derhalve niet waar, dat zij haar produktiecapaciteit tijdelijk heeft beperkt om de toepassing van de richtprijzen te vergemakkelijken.
148 De Commissie herinnert aan de bewijzen waarop zij zich baseert tot staving van haar stelling, dat Petrofina betrokken was bij de verschillende maatregelen ter vergemakkelijking van de toepassing van de prijsinitiatieven.
149 Zij verklaart, dat het verslag van de bijeenkomst van 2 september 1982 (bijl. 29 a.b.) Petrofina' s deelneming aan het systeem van "account leadership" aantoont, aangezien deze daarin als "account leader" van drie van haar klanten wordt bestempeld, en dat de in punt 27, derde alinea, van de beschikking geponeerde stelling, dat alle producenten als "account leader" van klanten waren aangewezen, met name berust op het verslag van de bijeenkomst van 2 december 1982 (bijl. 33 a.b.). Het verslag van een in de lente van 1983 gehouden bijeenkomst (bijl. 37 a.b.) en dat van de bijeenkomst van 3 mei 1983 (bijl. 38 a.b.) bewijzen verzoeksters deelneming aan het systeem van "account leadership", aangezien daaruit blijkt dat Petrofina tijdens de bijeenkomsten de individuele situatie van haar klanten en haar leveringen besprak.
150 Het verslag van de bijeenkomst van 21 september 1982 (bijl. 30 a.b.) toont aan, dat Petrofina betrokken was bij de uitvoering van een de maand voordien tussen de producenten overeengekomen uitwisseling van informatie over hun verbintenissen voor oktober en de prijzen waartegen zij de bestellingen hadden aanvaard.
151 Ten slotte bewijst het verslag van de bijeenkomst van 13 mei 1982 (bijlage 24 a.b.) verzoeksters deelneming aan een maatregel bestaande in de weigering om in Duitsland en Frankrijk beneden een prijs van 1,85 DM/kg te verkopen ten einde het prijsinitiatief te ondersteunen. Ook al zou verzoeksters uitleg juist blijken te zijn, het enkele feit dat zij tijdens een producentenbijeenkomst is beginnen uitleggen, welke haar betrekkingen met Monte binnen hun gemeenschappelijke dochtermaatschappij Montefina waren en welke gevolgen dit voor haar marktgedrag had, toont duidelijk aan dat verzoekster niet enkel passief aan de bijeenkomsten heeft deelgenomen, maar met haar concurrenten gegevens over haar klanten heeft uitgewisseld.
c) Beoordeling door het Gerecht
152 Verzoeksters betoog met betrekking tot de maatregelen ter vergemakkelijking van de toepassing van de prijsinitiatieven is er niet op gericht, aan te tonen dat dergelijke maatregelen niet zijn overeengekomen, maar enkel dat zij zich daartoe niet heeft verbonden en op geen enkele wijze heeft deelgenomen aan de tenuitvoerlegging daarvan.
153 Uit de bijeenkomstverslagen over de inhoud waarvan door partijen is gediscussieerd (bijl. 29, 30, 33, 37 en 38 a.b.), kan worden opgemaakt, dat Petrofina informatie heeft verstrekt over haar klanten en over de door haar toegepaste prijzen in vergelijking met de vastgestelde richtprijzen en dat zij als "account leader" van verschillende van haar klanten was aangewezen. Bovendien heeft verzoekster in haar antwoord op het verzoek om inlichtingen (bijl. 1 i.b. Petrofina) toegegeven, dat zij aan plaatselijke bijeenkomsten heeft deelgenomen.
154 Met betrekking tot de vraag, of zij zich ertoe had verbonden haar verkoop te beperken, moet worden opgemerkt, dat het verslag van de bijeenkomst van 13 mei 1982 (bijl. 24 a.b.) misschien niet de strekking heeft die de Commissie er in haar memories aan toekent (vermindering van de verkoop ter uitvoering van een nieuwe overeenkomst), maar in ieder geval aantoont, dat Petrofina tijdens die bijeenkomst aannemelijk heeft trachten te maken dat zij haar verkoop verminderde als gevolg van een ruil van produktiecapaciteit met Monte binnen Montefina ("Have reduced sales comparing with 1981 following new agreement with MP"; "heeft haar verkoop ten opzichte van 1981 verminderd na een nieuwe overeenkomst met MP") en dat zij in Duitsland en Frankrijk contracten beneden 1,85 DM/kg weigerde ("Refused business in Germany + France below DM 1.85"; "weigerde in Duitsland en Frankrijk contracten beneden 1,85 DM/kg"). Verder wordt in dit verslag gezegd, dat verzoekster aankondigde dat zij haar fabriek in augustus 20 dagen zou sluiten ("Plant will be shut down for 20 days in August") ("De fabriek zal in augustus 20 dagen gesloten zijn").
155 Op grond van een en ander concludeert het Gerecht, dat verzoekster geen feiten heeft aangevoerd waaruit onomstotelijk blijkt dat zij, anders dan de andere polypropyleenproducenten, niet heeft ingestemd met de vanaf maart 1982 getroffen maatregelen ter vergemakkelijking van de toepassing van de prijsinitiatieven. Verzoeksters betoog is hooguit erop gericht, aan te tonen dat zij sommige van die maatregelen, inzonderheid die betreffende het "account leadership", slechts onvolledig heeft toegepast, maar die omstandigheid, zelfs al ware zij bewezen, neemt niet weg dat verzoekster, als actieve deelneemster aan de bijeenkomsten waarop de maatregelen ter vergemakkelijking van de toepassing van de prijsinitiatieven zijn overeengekomen, te zamen met andere polypropyleenproducenten met deze maatregelen heeft ingestemd.
156 Punt 27 van de beschikking moet overigens, gelet op punt 26, tweede alinea, niet aldus worden uitgelegd, dat daarin elk van de producenten wordt verweten, zich individueel te hebben verbonden alle daar genoemde maatregelen te nemen, doch wel in die zin, dat elk der producenten wordt verweten, op diverse bijeenkomsten met de andere producenten te hebben besloten tot een aantal - in de beschikking genoemde - maatregelen, waarmee gunstige omstandigheden voor een prijsverhoging moesten worden geschapen, in het bijzonder door het aanbod van polypropyleen kunstmatig te verminderen, waarbij de uitvoering van deze maatregelen elk afzonderlijk in onderlinge overeenstemming werd verdeeld over de verschillende producenten met inachtneming van hun specifieke situatie.
157 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen dat verzoekster vanaf maart 1982 een van de polypropyleenproducenten was die wilsovereenstemming hebben bereikt met betrekking tot maatregelen ter vergemakkelijking van de toepassing van de in de beschikking genoemde prijsinitiatieven.
D - Streefhoeveelheden en quota
a) Bestreden handeling
158 Volgens punt 58 van de beschikking dienden de producenten voor 1982 ingewikkelde quotavoorstellen in, waarin werd getracht uiteenlopende factoren, zoals vroegere verkoopcijfers, marktaspiraties en de te verdelen capaciteit met elkaar te verzoenen. De totale te verdelen markt werd geschat op 1 450 000 ton. Enkele fabrikanten dienden gedetailleerde plannen in voor een verdeling van de markt, terwijl anderen slechts hun eigen aspiraties qua hoeveelheid bekendmaakten. Tijdens de bijeenkomst van 10 maart 1982 trachtten Monte en ICI een overeenkomst te bereiken. Volgens punt 58, laatste alinea, van de beschikking werd er echter, evenals in 1981, geen definitief akkoord bereikt en werden gedurende de eerste helft van het jaar de maandelijkse verkopen van iedere producent aan de vergadering meegedeeld en vergeleken met hun werkelijke procentuele marktaandeel in het voorgaande jaar. Volgens punt 59 van de beschikking werden de onderhandelingen met het oog op de vaststelling van een quotaovereenkomst voor 1983 tijdens de bijeenkomst van augustus 1982 voortgezet en voerde ICI over dit nieuwe systeem bilaterale gesprekken met elk van de fabrikanten. In afwachting van de invoering van een dergelijk quotasysteem moesten de fabrikanten echter in de tweede helft van 1982 streven naar een beperking van hun maandelijkse verkopen tot hetzelfde percentage van de totale markt als zij in de eerste zes maanden van 1982 werkelijk voor hun rekening hadden genomen. Zo bereikten de marktaandelen in 1982 een relatief evenwicht en bleven zij voor de meeste producenten stabiel in vergelijking met de vorige jaren.
159 Volgens punt 60 van de beschikking nodigde ICI voor 1983 elk der fabrikanten uit, zijn eigen ambities mee te delen en suggesties te doen over het percentage dat aan elk van de anderen zou moeten worden toegestaan. Zo deden Monte, Anic, ATO, DSM, Linz, Saga en Solvay, alsmede de Duitse producenten - via BASF - gedetailleerde voorstellen. De verschillende voorstellen werden vervolgens op computer verwerkt, waarbij een gemiddelde werd berekend dat werd vergeleken met de individuele marktaspiraties van iedere fabrikant. Op basis daarvan kon ICI richtlijnen voor een nieuwe kaderovereenkomst voor 1983 voorstellen. Die voorstellen werden tijdens de in november en december 1982 gehouden bijeenkomsten besproken. Tijdens de bijeenkomst van 2 december 1982 werd een voorstel besproken dat in eerste instantie beperkt was tot het eerste kwartaal van 1983. Blijkens het door ICI opgestelde verslag van die bijeenkomst achtten ATO, DSM, Hoechst, Huels, ICI, Monte, Solvay en Hercules de hun toegewezen quota "aanvaardbaar" (punt 63 van de beschikking). Dit wordt bevestigd door een notitie van een op 3 december 1982 tussen ICI en Hercules gevoerd telefoongesprek.
160 Volgens punt 63, derde alinea, van de beschikking blijkt uit een bij Shell aangetroffen document, dat er inderdaad een akkoord was bereikt, aangezien deze onderneming probeerde het haar toegewezen quotum niet te overschrijden. Dat document bevestigt bovendien, dat ook in het tweede kwartaal van 1983 nog een systeem voor de controle van de hoeveelheden van kracht bleef: om haar marktaandeel in het tweede kwartaal rond de 11 % te houden, gaf Shell aan de nationale verkoopmaatschappijen van het concern opdracht, hun verkopen te verminderen. Het bestaan van dat akkoord wordt bevestigd door het verslag van de bijeenkomst van 1 juni 1983. Ofschoon tijdens die bijeenkomst niet uitdrukkelijk melding werd gemaakt van quota, werden door de experts gegevens uitgewisseld over de door iedere fabrikant in de loop van de vorige maand verkochte hoeveelheden, hetgeen erop wijst dat er wel degelijk een quotasysteem van toepassing was, aldus punt 64 van de beschikking.
b) Argumenten van partijen
161 Volgens verzoekster heeft de Commissie niet aangetoond, dat verzoekster aan een quotaregeling heeft deelgenomen. Wat de Commissie verzoeksters deelneming aan een systeem van verdeling van de markt noemt, is in feite de toekenning door andere producenten van verkoopquota aan Petrofina buiten de wil van deze laatste. Petrofina heeft nooit ingestemd met deze quota en heeft zich er nooit aan gehouden. Als nieuwkomer op de markt moest Petrofina een cliëntèle opbouwen en dit verdraagt zich niet met enige produktiebeperking.
162 Haar deelneming aan een dergelijke regeling wordt weersproken door haar spectaculaire doorbraak op de markt; de door de Commissie als bewijs van verzoeksters deelneming aan een dergelijke regeling gebruikte tabellen hebben bovendien geen bewijswaarde, daar zij ter zake van verzoeksters verkoopcijfers grove fouten bevatten.
163 Uit het verslag van de bijeenkomst van 6 oktober 1982 (bijl. 31 a.b.) kan immers niet worden afgeleid dat verzoekster aan het quotastelsel heeft deelgenomen, aangezien Petrofina' s verkopen het in dat document genoemde cijfer met meer dan 12,5 % overschreden. Het verslag van de bijeenkomst van 2 november 1982 (bijl. 32 a.b.) kan evenmin als bewijs van haar deelneming aan het quotastelsel worden gebruikt, daar zij die bijeenkomst niet heeft bijgewoond. Ten slotte is het verslag van de bijeenkomst van 2 december 1982, inzonderheid de bijlage met als titel "1983 - Quarter I Proposal" ("1983 - voorstel voor het eerste kwartaal"; bijl. 33 a.b.), te onnauwkeurig wat Petrofina betreft; het gaat daar gewoon om een voorstel waarmee Petrofina niet heeft ingestemd, aangezien zij niet wordt genoemd onder de ondernemingen die dit voorstel "aanvaardbaar" achtten. VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER : 689A0002.2
164 Met betrekking tot 1983 verklaart verzoekster, dat zij bewust is weggebleven van de onderhandelingen die een aantal producenten waarschijnlijk hebben gevoerd om de markt voor dat jaar te verdelen, en daardoor uitdrukkelijk en ontegenzeggelijk te kennen heeft gegeven, dat zij met deze plannen niets te maken wou hebben. Om die reden bevat het dossier geen enkel voorstel van Petrofina en dit verklaart, waarom in de voor Petrofina bestemde kolom van de tabel met de samenvatting van de voorstellen van de producenten (bijl. 85 a.b., blz. 2) niets wordt vermeld. De daaraan voorafgaande tabel (bijl. 85 a.b., blz. 1) is niet van Petrofina afkomstig en lijkt slechts de omwerking van de volgende tabel te zijn.
165 De Commissie stelt ook ten onrechte, dat Petrofina de auteur is van een document met als titel "Polypropylene Framework" ("Polypropyleen-schema"; bijl. 87 a.b.), daar waar dit het werk is van een derde en niet van Petrofina. Bovendien vergist de Commissie zich waar zij het "herziene" cijfer uit deze tabel vergelijkt met het gestelde "doel" van Petrofina uit bijlage 85, aangezien in de kolom "Fina" van dit laatste stuk niets stond vermeld. Ten slotte betwist verzoekster de bewijswaarde van een document van ICI van 8 december 1982 (bijl. 77 a.b.) op grond van de onjuistheid van de uitspraken die daarin aan een personeelslid van Petrofina worden toegeschreven. Daarin wordt immers gezegd, dat de omstandigheid dat Petrofina 5 % meer van de produktie van de fabriek van Montefina te Feluy voor haar rekening neemt, een vermindering van het aandeel van Monte impliceert, terwijl die omstandigheid niet heeft belet dat de reële capaciteit van Monte in 1983 eveneens is gestegen.
166 De Commissie merkt om te beginnen op, dat de deelneming van Petrofina aan de quota-overeenkomsten niet wordt tegengesproken door de voortdurende groei van haar marktaandeel of door de niet-inachtneming van de quota, daar de tussen de producenten gesloten overeenkomsten een dynamisch karakter hadden en derhalve nu en dan werden herzien om rekening te houden met de evolutie van de markt en met name met de plannen van nieuwkomers als Petrofina. Volgens de Commissie blijkt uit verschillende documenten dat Petrofina aan het quotastelsel voor 1982 heeft deelgenomen.
167 Zo valt uit het verslag van de bijeenkomst van 20 augustus 1982 (bijl. 28 a.b.) op te maken, dat Petrofina in 1982 haar maandelijkse verkoopcijfers heeft meegedeeld in het kader van de voorlopige afspraak waarbij de producenten waren verzocht hun verkoop te beperken tot het marktaandeel dat zij in de periode januari/juni bezaten. Verder blijkt uit de verslagen van de bijeenkomsten van 6 oktober, 2 november en 2 december 1982 (bijl. 31, 32 en 33 a.b.), dat de producenten de door ieder van hen tijdens de vorige maand verrichte verkopen vergeleken met de theoretische streefhoeveelheden berekend op basis van de in het eerste halfjaar van 1982 verrichte verkopen.
168 De betrokkenheid van Petrofina bij de opstelling van een quotastelsel voor 1983 blijkt uit de vermelding van de naam Petrofina in twee documenten (bijl. 85 en 87 a.b.), die van oktober of november 1982 lijken te dateren en waarin voor iedere producent verkoopcijfers, voorstellen inzake marktaandelen, gemiddelden, aspiraties en reële marktaandelen worden genoemd; al deze gegevens lijken op computer te zijn verwerkt.
169 De deelneming van Petrofina aan de opstelling van een quotastelsel voor 1983 wordt ook aangetoond door een document van ICI van 8 december 1982 (bijl. 77 a.b.); het gaat om een voorstel van Petrofina betreffende de quota voor het eerste kwartaal van 1983. Volgens dit document heeft Petrofina eraan herinnerd, dat zij 5 % meer van de produktie van de fabriek te Feluy voor haar rekening ging nemen en dat de 37,5 kiloton op jaarbasis dan zouden overeenkomen met 9,8 kiloton voor het eerste kwartaal. Zij kondigde aan dat zij daarop tijdens de volgende bijeenkomst zou terugkomen, doch erkende dat haar verzoek een vermindering van het aandeel van Monte impliceerde.
170 Het bestaan van een overeenkomst voor de eerste twee kwartalen van 1983 blijkt uit een bij Shell aangetroffen intern document (bijl. 90 a.b.). Volgens dit document gaf Shell haar nationale verkoopmaatschappijen namelijk opdracht hun verkoop te verminderen ten einde het haar toegewezen quotum niet te overschrijden. Bovendien blijkt uit het verslag van de bijeenkomst van 1 juni 1983 (bijl. 40 a.b.), dat er gegevens over de in de maand mei verkochte hoeveelheden waren uitgewisseld.
c) Beoordeling door het Gerecht
171 Verzoekster heeft vanaf maart 1982 tot 30 september 1983 regelmatig deelgenomen aan de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten tijdens welke de verkoophoeveelheden van de verschillende producenten werden besproken en gegevens dienaangaande werden uitgewisseld. Dat sommige gegevens verkeerd waren, is van geen belang, aangezien de fouten gering waren en door Petrofina misschien bewust waren gemaakt om haar reële cijfers achter te houden ten einde haar concurrenten te misleiden.
172 Niet alleen heeft Petrofina deelgenomen aan de bijeenkomsten, maar haar naam komt ook voor in verschillende tabellen (bijl. 71, 85 en 87), die blijkens hun inhoud duidelijk bedoeld waren om kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen. In hun antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht hebben de meeste verzoeksters erkend, dat de bij ICI, ATO en Hercules gevonden tabellen niet hadden kunnen worden opgesteld op basis van de statistieken van het Fides-systeem voor de uitwisseling van gegevens. Bovendien heeft ICI in haar antwoord op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.) met betrekking tot een van die tabellen opgemerkt, dat "the source of information for actual historic figures in this table would have been the producers themselves" ("de in deze tabel opgenomen reeds gerealiseerde cijfers moeten wel afkomstig zijn van de producenten zelf"). De Commissie mocht er dus van uitgaan, dat Petrofina de in die tabellen opgenomen gegevens op de door haar bijgewoonde bijeenkomsten had verstrekt.
173 De voortdurende groei van Petrofina' s marktaandeel en de systematische overschrijding van de quota zijn niet van dien aard, dat daaruit kan worden afgeleid dat verzoekster zich bewust afzijdig heeft gehouden van de quota-onderhandelingen, aangezien het ene noch het andere tijdens de overeenkomsten te berde lijkt te zijn gebracht, zodat verzoekster, indien zij de overeengekomen hoeveelheden niet heeft gerespecteerd, niettemin heeft laten uitschijnen dat zij dit wel deed.
174 Met betrekking tot het jaar 1982 wordt de producenten verweten, dat zij hebben deelgenomen aan onderhandelingen die erop gericht waren, voor dat jaar een quotaovereenkomst tot stand te brengen; dat zij in dat verband hun aspiraties qua hoeveelheden kenbaar hebben gemaakt; dat zij, aangezien geen definitief akkoord werd bereikt, gedurende de eerste helft van het jaar tijdens de bijeenkomsten hun maandelijkse verkoopcijfers hebben meegedeeld en deze hebben vergeleken met hun werkelijke procentuele marktaandeel in het voorgaande jaar, en tot slot dat zij in de tweede helft van het jaar ernaar hebben gestreefd hun maandelijkse verkopen te beperken tot hetzelfde percentage van de totale markt als zij in het eerste halfjaar voor hun rekening hadden genomen.
175 Het bewijs van de voor het eerste halfjaar genomen maatregelen wordt geleverd door het verslag van de bijeenkomst van 13 mei 1982 (bijl. 24 a.b.), waarin onder meer staat te lezen:
"To support the move a number of other actions are needed a) limit sales volume to some agreed prop. of normal sales."
("Ter ondersteuning is een aantal andere maatregelen noodzakelijk a) een beperking van de verkoophoeveelheden tot een overeengekomen percentage van de normale verkopen.")
Dat aan die maatregelen uitvoering is gegeven, blijkt uit het verslag van de bijeenkomst van 9 juni 1982 (bijl. 25 a.b.), waaraan een tabel is gehecht die voor elke producent het "actual" ("werkelijk") verkoopcijfer voor de maanden januari tot en met april 1982 aangeeft, vergeleken met een theoretisch cijfer "based on 1981 av((erage)) market share" ("gebaseerd op het gemiddelde marktaandeel van 1981"), alsmede uit het verslag van de bijeenkomst van 20 en 21 juli 1982 (bijl. 26 a.b.), met betrekking tot de periode januari/mei 1982, en dat van de bijeenkomst van 20 augustus 1982 (bijl. 28 a.b.), met betrekking tot de periode januari/juli 1982.
176 Het bewijs van de voor het tweede halfjaar van 1982 genomen maatregelen is te vinden in het verslag van de bijeenkomst van 6 oktober 1982 (bijl. 31 a.b.), waarin staat te lezen: "In October this would also mean restraining sales to the Jan/June achieved market share of a market estimated at 100 kt" en "Performance against target in September was reviewed" ("In oktober zou dit ook betekenen, dat de verkopen worden beperkt tot het in de periode januari/juni gerealiseerde marktaandeel op een op 100 kt geraamde markt" en "Resultaten, afgezet tegen streefhoeveelheid voor september, werden onderzocht"). Aan dit verslag is een tabel gehecht met als titel: "September provisional sales versus target ((based on Jan-June market share applied to demand est(imated) at 120 kt))" (("Voorlopige verkopen september versus streefhoeveelheid (gebaseerd op marktaandeel januari/juni, toegepast op geraamde vraag van 120 kt)")). Dat die maatregelen werden gehandhaafd, wordt bevestigd door het verslag van de bijeenkomst van 2 december 1982 (bijl. 33 a.b.), waaraan een tabel is gehecht waarin voor november 1982 de "Actual" ("werkelijke") verkopen worden vergeleken met de "Theoretical" ("theoretische") cijfers, berekend op basis van "J-June % of 125 kt" ("januari/juni % van 125 kt").
177 Met betrekking tot de twee semesters van 1982 heeft de Commissie uit het feit dat er tijdens de periodieke bijeenkomsten over en weer toezicht werd uitgeoefend op de uitvoering van een regeling waarbij de maandelijkse verkopen ten opzichte van die in een voorafgaande periode werden beperkt, terecht afgeleid, dat die regeling door de deelnemers aan de bijeenkomsten was vastgesteld.
178 Met betrekking tot 1983 blijkt uit de door de Commissie overgelegde stukken (bijl. 33, 77, 85 en 87 a.b.), dat de polypropyleenproducenten eind 1982 en begin 1983 besprekingen voerden over een quotaregeling voor 1983, dat verzoekster aanwezig was bij de bijeenkomsten tijdens welke die besprekingen plaatsvonden en dat zij daarbij gegevens verstrekte over haar verkopen.
179 Hieruit volgt, dat verzoekster heeft deelgenomen aan de onderhandelingen die erop gericht waren, voor 1983 een quotaregeling tot stand te brengen.
180 Met betrekking tot de vraag, of die onderhandelingen voor de eerste twee kwartalen van 1983 daadwerkelijk resultaat hebben gehad, zoals in de beschikking (punten 63, derde alinea, en 64) wordt vermeld, zij opgemerkt, dat uit het verslag van de bijeenkomst van 1 juni 1983 (bijl. 40 a.b.) blijkt, dat verzoekster, evenals negen andere ondernemingen, tijdens die bijeenkomst haar verkoopcijfers voor de maand mei heeft bekendgemaakt. Bovendien staat in het verslag van een op 17 maart 1983 gehouden interne bijeenkomst van de Shell-groep (bijl. 90 a.b.) te lezen:
"(...) and would lead to a market share of approaching 12 % and well above the agreed Shell target of 11 %. Accordingly the following reduced sales targets were set and agreed by the integrated companies."
(("(...) en zou leiden tot een marktaandeel van bijna 12 %, dat beduidend hoger zou zijn dan de voor Shell overeengekomen streefhoeveelheid van 11 %. Daarom werden door de werkmaatschappijen van de groep de volgende - lagere - verkoopdoelen vastgesteld en overeengekomen.")
De nieuwe hoeveelheden worden meegedeeld, waarna wordt opgemerkt:
"this would be 11.2 Pct. of a market of 395 kt. The situation will be monitored carefully and any change from this agreed plan would need to be discussed beforehand with the other PIMS members".
("dit zou neerkomen op 11,2 % van een markt van 395 kt. De situatie zal nauwlettend in de gaten worden gehouden en iedere afwijking van het aldus overeengekomen schema zal eerst met de andere PIMS-leden moeten worden besproken").
181 Uit die twee documenten, in onderlinge samenhang bezien, heeft de Commissie terecht afgeleid, dat de onderhandelingen tussen de producenten tot de invoering van een quotaregeling hebben geleid. Uit de interne nota van de Shell-groep blijkt immers, dat deze onderneming haar nationale verkoopmaatschappijen verzocht, hun verkopen te reduceren, niet om de totale verkopen van de Shell-groep te verminderen, maar om het totale marktaandeel van de groep te beperken tot 11 %. Een dergelijke beperking, uitgedrukt in marktaandeel, is slechts verklaarbaar in het kader van een quotaregeling. Bovendien vormt het verslag van de bijeenkomst van 1 juni 1983 een extra aanwijzing voor het bestaan van een dergelijke regeling, aangezien een uitwisseling van gegevens betreffende de maandelijkse verkopen van de verschillende producenten primair ten doel heeft, de naleving van de aangegane verplichtingen te controleren.
182 Tot slot wordt opgemerkt, dat het cijfer van 11 % - het marktaandeel van Shell - niet alleen voorkomt in de interne nota van Shell, maar ook in twee andere documenten, te weten een interne nota van ICI, waarin deze opmerkt dat Shell dit percentage voorstelt voor haarzelf, voor Hoechst en voor ICI (bijl. 87 a.b.), en het door ICI opgesteld verslag van een op 29 november 1982 met Shell gehouden bijeenkomst, waarin dat voorstel in herinnering werd gebracht (bijl. 99 a.b.).
183 Daar komt nog bij, dat aangezien de verschillende maatregelen tot beperking van de verkoop hetzelfde doel hadden - te weten een vermindering van de druk op de prijzen door het te grote aanbod -, de Commissie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij een onderdeel vormden van een quotaregeling.
184 Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen, dat verzoekster vanaf maart 1982 een van de polypropyleenproducenten was die wilsovereenstemming hebben bereikt met betrekking tot de in de beschikking bedoelde beperking van hun maandelijkse verkopen ten opzichte van die in een eerdere periode (tot eind 1982) en met betrekking tot de in de beschikking genoemde kwantitatieve verkoopdoelen voor de eerste helft van 1983, en dat deze maatregelen een onderdeel van een quotaregeling vormden.
2. De toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag
A - Juridische kwalificatie
a) Bestreden handeling
185 Volgens de beschikking (punt 81, eerste alinea) is het gehele complex van stelsels en regelingen, waartoe in de context van een systeem van regelmatige en geïnstitutionaliseerde bijeenkomsten werd besloten, één enkele voortgezette "overeenkomst" als bedoeld in artikel 85, lid 1.
186 In het onderhavige geval namen de producenten, door zich aan te sluiten bij een gemeenschappelijk plan om hun commerciële gedragingen op de polypropyleenmarkt te regelen, deel aan een kaderovereenkomst, die concreet gestalte kreeg in een aantal meer gedetailleerde deelovereenkomsten, die op gezette tijden werden uitgewerkt (punt 81, tweede alinea, van de beschikking).
187 Bij de concrete uitwerking van het algemene plan - aldus punt 82, eerste alinea, van de beschikking - werd op vele gebieden uitdrukkelijke overeenstemming bereikt (individuele prijsinitiatieven en quotaregelingen). In sommige gevallen mogen de producenten dan wel geen overeenstemming over een definitieve regeling hebben bereikt - zoals met betrekking tot de quota voor 1981 en 1982 -, maar het feit dat zij noodoplossingen toepasten - zoals de uitwisseling van informatie en de toetsing van de maandelijkse verkopen aan de in een vroegere referentieperiode behaalde resultaten -, houdt niet alleen een uitdrukkelijke overeenkomst in tot het opzetten en toepassen van dergelijke maatregelen, maar wijst ook op een stilzwijgende overeenkomst om de respectieve posities van de producenten zoveel mogelijk te handhaven.
188 Aan de conclusie dat hier sprake is van één voortgezette overeenkomst, wordt niet afgedaan door het feit, dat sommige producenten onvermijdelijk niet bij elke bijeenkomst aanwezig waren. Voor het opzetten en ten uitvoer leggen van een "initiatief" waren enige maanden nodig en het maakte voor de betrokkenheid van een producent dan ook weinig uit, dat hij af en toe een bijeenkomst niet bijwoonde (punt 83, eerste alinea, van de beschikking).
189 Volgens punt 86, eerste alinea, van de beschikking komt het functioneren van het kartel, dat gebaseerd is op een gemeenschappelijk en gedetailleerd plan, neer op een "overeenkomst" in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag.
190 Er is een onderscheid tussen het begrip "overeenkomst" en het begrip "onderling afgestemde feitelijke gedraging", maar in sommige gevallen kan de heimelijke verstandhouding aspecten van beide vormen van verboden samenwerking vertonen, aldus punt 86, tweede alinea, van de beschikking.
191 Onderling afgestemde feitelijke gedragingen houden een vorm van samenwerking tussen ondernemingen in waarmee, zonder dat het tot het sluiten van een overeenkomst in de volle betekenis van het woord is gekomen, doelbewust de aan mededinging verbonden risico' s worden ontlopen door een pragmatische samenwerking (punt 86, derde alinea, van de beschikking).
192 Volgens punt 87, eerste alinea, van de beschikking zat bij de invoering van het afzonderlijke begrip "onderling afgestemde feitelijke gedraging" in het Verdrag de bedoeling voor, de ondernemingen de mogelijkheid te ontnemen om de toepassing van artikel 85, lid 1, te ontgaan door in het geheim, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, op een de mededinging verstorende manier samen te werken door (bij voorbeeld) elkaar steeds vooraf in kennis te stellen van hun beleidsintenties, zodat ieder van hen zijn commercieel gedrag kan bepalen in de wetenschap dat zijn concurrenten zich op dezelfde manier zullen gedragen (arrest van het Hof van 14 juli 1972, zaak 48/69, ICI, Jurispr. 1972, blz. 619).
193 In zijn arrest van 16 december 1975 (gevoegde zaken 40/73 tot en met 48/73, 50/73, 54/73 tot en met 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Suiker Unie, Jurispr. 1975, blz. 1663) stelde het Hof, dat de criteria van cooerdinatie en samenwerking welke in 's Hofs jurisprudentie worden aangenomen, allerminst inhouden dat er een werkelijk "plan" zou moeten zijn opgesteld en dienen te worden verstaan in het licht van de in de verdragsvoorschriften inzake de mededinging besloten voorstelling, dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren. Deze eis van zelfstandigheid sluit weliswaar niet uit dat de ondernemer gerechtigd is zijn beleid intelligent aan het vastgestelde of te verwachten marktgedrag der concurrenten aan te passen, doch staat anderzijds onverbiddelijk in de weg aan enigerlei tussen zulke ondernemers al dan niet rechtstreeks opgenomen contact strekkend hetzij tot beïnvloeding van het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent, hetzij tot beduiding aan zulk een concurrent van het aangenomen of voorgenomen marktgedrag (punt 87, tweede alinea, van de beschikking). Een gedraging kan derhalve als "onderling afgestemde feitelijke gedraging" onder de toepassing van artikel 85, lid 1, vallen, zelfs wanneer de partijen vooraf geen volledige overeenstemming hebben bereikt over een gemeenschappelijk plan waarin hun marktgedrag is vastgelegd, maar wel gebruik maken van of deelnemen aan op heimelijke verstandhouding berustende systemen die de cooerdinatie van hun commerciële gedragingen vergemakkelijken (punt 87, derde alinea, eerste volzin, van de beschikking).
194 Voorts - aldus punt 87, derde alinea, derde volzin, van de beschikking - is het in een complex kartel best mogelijk, dat sommige producenten op bepaalde ogenblikken hun uiteindelijke instemming met een bepaalde, door de anderen overeengekomen gedragslijn niet tot uiting brengen, maar niettemin hun algemene steun voor de betrokken regeling te kennen geven en zich daarnaar ook gedragen. In sommige opzichten kan de voortgezette samenwerking en heimelijke verstandhouding tussen de producenten bij de toepassing van de algemene overeenkomst dan ook de kenmerken van een onderling afgestemde feitelijke gedraging vertonen (punt 87, vierde alinea, tweede volzin, van de beschikking).
195 Volgens punt 87, vijfde alinea, van de beschikking ligt het belang van het begrip "onderling afgestemde feitelijke gedraging" dan ook niet zozeer in het onderscheid tussen een dergelijke gedraging en een "overeenkomst", als wel in het verschil tussen een heimelijke verstandhouding die onder artikel 85, lid 1, valt en louter gelijklopend gedrag waarmee geen overleg gemoeid is. In de onderhavige zaak hangt dan ook niets af van de precieze vorm die de op heimelijke verstandhouding berustende regelingen hebben aangenomen.
196 In punt 88, eerste en tweede alinea, van de beschikking wordt vastgesteld, dat de meeste producenten, die tijdens de administratieve procedure hebben betoogd, dat hun gedrag met betrekking tot de gestelde "prijsinitiatieven" niet was gebaseerd op een "overeenkomst" in de zin van artikel 85 (zie punt 82 van de beschikking), voorts stellen dat dit gedrag evenmin een aanleiding kan vormen voor het vaststellen van een onderling afgestemde feitelijke gedraging. Dat begrip veronderstelt volgens hen een "openlijke daad" op de markt, welke (naar hun zeggen) in het onderhavige geval geheel ontbreekt, aangezien geen prijslijsten of "richtprijzen" aan de afnemers werden medegedeeld. Dit argument wordt in de beschikking verworpen. Mocht het in het onderhavige geval namelijk noodzakelijk zijn geweest, te steunen op het bewijs van een onderling afgestemde feitelijke gedraging, dan was het vereiste dat bewezen moet zijn dat de deelnemers bepaalde stappen hebben gedaan om hun gemeenschappelijk doel te bereiken, geheel vervuld. De diverse prijsinitiatieven staan onomstotelijk vast. Voorts kan niet worden ontkend, dat de individuele producenten gelijklopende maatregelen namen om die initiatieven ten uitvoer te leggen. De zowel individueel als collectief door de producenten genomen maatregelen blijken duidelijk uit het schriftelijk bewijsmateriaal: notulen van bijeenkomsten, interne memoranda, instructies en circulaires aan de verkoopkantoren, alsmede brieven aan afnemers. Het doet volstrekt niet ter zake, of al dan niet prijslijsten werden "gepubliceerd". De prijsinstructies zelf leveren niet alleen het best mogelijke bewijs van de door iedere producent genomen maatregelen om het gemeenschappelijk streven ten uitvoer te leggen, maar maken door hun inhoud en het tijdstip waarop ze werden gegeven, het bewijs van de heimelijke verstandhouding nog overtuigender.
b) Argumenten van partijen
197 Verzoekster betoogt om te beginnen, dat de Commissie de geest en de letter van artikel 85, lid 1, heeft geschonden doordat zij het bestaan van een overeenkomst noch dat van een onderling afgestemde feitelijke gedraging heeft aangetoond en heeft geoordeeld, dat een "heimelijke verstandhouding" bestaande uit elementen van het ene en het andere begrip volstond. Bovendien is de opvatting van de Commissie over de kwalificatie van de inbreuk in de loop van de procedure voortdurend geëvolueerd en heeft de Commissie uiteindelijk geconcludeerd, dat de juridische kwalificatie van de inbreuk weinig belang heeft. Volgens verzoekster moeten de begrippen "overeenkomst" en "onderling afgestemde feitelijke gedraging" nauwkeurig worden onderscheiden (arrest van het Hof van 14 juli 1972, zaak 48/69, reeds aangehaald) en staat het aan de Commissie, aan te tonen dat de bestanddelen van deze of gene vorm van kartel bij de betrokkene aanwezig zijn.
198 Een overeenkomst onderstelt een reële wilsovereenstemming van de overeenkomstsluitende partijen over hun wederzijdse rechten en verplichtingen. Wanneer de bedoeling om zich te verbinden niet is bewezen, kan deze slechts uit de uitvoering van de overeenkomst worden afgeleid. In het onderhavige geval betwist verzoekster met klem, aan een overeenkomst te hebben deelgenomen, en betoogt zij, dat de Commissie niet heeft aangetoond, dat zij zich bij wege van deelneming aan gemeenschappelijk vastgestelde overeenkomsten heeft verbonden de mededinging te beperken.
199 Een onderling afgestemde feitelijke gedraging onderstelt, dat het gedrag van de ondernemingen op de markt het beoogde doel treft. Dat een onderling afgestemde feitelijke gedraging zowel een mededingingsbeperkend doel als mededingingsbeperkende gevolgen heeft, is gemakkelijk te begrijpen, doch het valt moeilijk in te zien, hoe een dergelijke gedraging een mededingingsbeperkend doel zonder mededingingsbeperkende gevolgen kan hebben. In dat geval gaat het niet meer om een "feitelijke gedraging", maar om een stilzwijgende afspraak die onder het begrip overeenkomst valt. Door een mededingingsbeperkend gevolg op de markt overbodig te achten, komt de Commissie ertoe, als een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 85 EEG-Verdrag aan te merken, het enkele feit dat een onderneming bijeenkomsten van concurrenten bijwoont, ongeacht of zij de bedoeling heeft zich bij de voorgenomen mededingingsbeperkende gedragingen aan te sluiten en niettegenstaande dit voornemen niet in de praktijk is omgezet en de markt niet is beïnvloed. Verzoekster betoogt met een beroep op de rechtspraak van het Hof (arresten van 14 juli 1972, zaak 48/69, reeds aangehaald, conclusie, Jurispr. 1972, blz. 675 tot en met 677, en zaak 49/69, BASF, Jurispr. 1972, blz. 713, r.o. 22 tot en met 33; arrest van 16 december 1975, gevoegde zaken 40/73 tot en met 48/73, 50/73, 54/73 tot en met 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, reeds aangehaald, r.o. 567 tot en met 576; arrest van 29 oktober 1980, gevoegde zaken 209/78 tot en met 215/78 en 218/78, Van Landewyck, Jurispr. 1980, blz. 3125, conclusie blz. 3310; arrest van 7 juni 1983, gevoegde zaken 100/80 tot en met 103/80, Pioneer, Jurispr. 1983, blz. 1825; en het arrest van 3 juli 1985, zaak 243/83, Binon, Jurispr. 1985, blz. 2015) en op de Amerikaanse rechtspraak betreffende de Sherman Act, dat voor het bestaan van een onderling afgestemde feitelijke gedraging drie elementen te zamen aanwezig moeten zijn: het bewijs van een gelijklopend marktgedrag van verschillende ondernemingen; het bewijs van een gemeenschappelijke daartoe strekkende bedoeling: dit bewijs kan worden afgeleid uit een samenstel van elementen, doch het enkele feit dat een vertegenwoordiger van een onderneming een bijeenkomst heeft bijgewoond, is niet voldoende; een band tussen het aldus vastgestelde marktgedrag en de gemeenschappelijke bedoeling van de ondernemingen. In het onderhavige geval heeft de Commissie niet aangetoond, dat het gestelde kartel gevolgen heeft gehad voor de markt, noch dat verzoeksters gedrag op de markt van dien aard was dat daaruit haar deelneming aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen kon worden afgeleid, noch dat verzoekster een mededingingsbeperkend doel heeft gesteund.
200 Het stond derhalve aan de Commissie, aan te tonen dat de bestanddelen van een overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging bij verzoekster aanwezig waren, en door te concluderen dat er sprake is van een "heimelijke verstandhouding", een notie die elementen van het ene en het andere begrip bevat, heeft de Commissie dat bewijs niet geleverd.
201 Volgens de Commissie daarentegen is de vraag of een heimelijke verstandhouding of een kartel juridisch als een overeenkomst of als een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 85 EEG-Verdrag moet worden aangemerkt, dan wel of die samenspanning elementen van beide begrippen in zich draagt, van ondergeschikt belang. De uitdrukkingen "overeenkomst" en "onderling afgestemde feitelijke gedraging" kunnen haars inziens namelijk de verschillende soorten regelingen omvatten waardoor concurrenten hun toekomstige gedragslijn op het stuk van de mededinging niet in volkomen zelfstandigheid bepalen, doch op basis van rechtstreekse of indirecte onderlinge contacten wederzijds beperkingen van hun vrijheid van handelen op de markt aanvaarden.
202 Met het gebruik van de verschillende termen in artikel 85 wordt volgens de Commissie beoogd, het gehele gamma van middelen tot samenspanning te verbieden, en niet, een verschillende behandeling voor elk van die middelen voor te schrijven. De vraag, waar de scheidingslijn moet worden getrokken tussen termen die ertoe strekken het hele terrein van verboden gedrag te omvatten, is daarom irrelevant. De ratio legis van het opnemen in artikel 85 van het begrip "onderling afgestemde feitelijke gedraging" bestaat hierin, dat men onder de verboden van deze bepaling behalve overeenkomsten ook vormen van samenspanning wil begrijpen, die, ofschoon er slechts sprake is van een de facto cooerdinatie of feitelijke samenwerking, niettemin de mededinging kunnen vervalsen (arrest van het Hof van 14 juli 1972, zaak 48/69, reeds aangehaald, r.o. 64 tot en met 66).
203 De Commissie betoogt, dat er blijkens de rechtspraak van het Hof (arrest van 16 december 1975, gevoegde zaken 40/73 tot en met 48/73, 50/73, 54/73 tot en met 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, reeds aangehaald, r.o. 173 en 174) geen sprake mag zijn van enigerlei tussen ondernemers al dan niet rechtstreeks opgenomen contact, strekkend hetzij tot beïnvloeding van het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent, hetzij tot beduiding aan zulk een concurrent van het aangenomen of voorgenomen marktgedrag. Er is dus reeds sprake van een onderling afgestemde feitelijke gedraging op het moment dat concurrenten, alvorens op enigerlei wijze op de markt op te treden, contact met elkaar opnemen.
204 Volgens de Commissie is er sprake van een onderling afgestemde feitelijke gedraging, zodra er onderlinge overeenstemming is die ertoe strekt de zelfstandigheid van de ondernemingen ten opzichte van elkaar te beperken, zelfs indien er geen feitelijk marktgedrag is geconstateerd. Het debat gaat in feite over de betekenis van de uitdrukking "feitelijke gedraging". De stelling, dat die uitdrukking de beperkte betekenis van "marktgedrag" heeft, acht de Commissie onjuist. Haars inziens kan reeds de enkele betrokkenheid bij bepaalde contacten als een "feitelijke gedraging" worden aangemerkt, voor zover die contacten ertoe strekken, de zelfstandigheid van de ondernemingen te beperken.
205 Aanvaarding van het standpunt, dat er pas van een onderling afgestemde feitelijke gedraging kan worden gesproken indien beide elementen - onderlinge afstemming en marktgedrag - aanwezig zijn, zou volgens de Commissie bovendien betekenen, dat een heel gamma van feitelijke gedragingen die ertoe strekken, maar niet noodzakelijkerwijs ten gevolge hebben, dat de mededinging op de gemeenschappelijke markt wordt vervalst, buiten de werkingssfeer van artikel 85 valt. Op die manier zou artikel 85 een deel van zijn betekenis verliezen. Petrofina' s opvatting strookt bovendien niet met de rechtspraak van het Hof met betrekking tot het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging (arresten van 14 juli 1972, zaak 48/69, reeds aangehaald, r.o. 66; 16 december 1975, gevoegde zaken 40/73 tot en met 48/73, 50/73, 54/73 tot en met 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, r.o. 26, en 14 juli 1981, zaak 172/80, Zuechner, Jurispr. 1981, blz. 2021, r.o. 14). In die rechtspraak wordt weliswaar telkens gesproken van een bepaald marktgedrag, maar dat gedrag is niet, zoals verzoekster stelt, een van de elementen waaruit de inbreuk is opgebouwd, doch een feitelijk gegeven waaruit de onderlinge afstemming kan worden afgeleid. Volgens die rechtspraak is er geen feitelijk marktgedrag vereist. De enige eis die wordt gesteld, is dat er op enigerlei wijze contact is opgenomen tussen marktdeelnemers, waaruit blijkt dat zij hun noodzakelijke zelfstandigheid hebben prijsgegeven. Ook de Amerikaanse rechtspraak met betrekking tot de Sherman Act gaat in deze richting.
206 Volgens de Commissie is voor een inbreuk op artikel 85 dus niet nodig, dat de ondernemingen datgene waarover zij overeenstemming hebben bereikt, ook in de praktijk hebben gebracht. Aan de omschrijving van artikel 85, lid 1, is ten volle voldaan, zodra aan het voornemen om de risico' s van de concurrentie te vervangen door samenwerking, gestalte wordt gegeven door onderlinge afstemming. Het is niet vereist, dat die onderlinge afstemming wordt vertaald in een bepaald marktgedrag.
207 Voor de bewijsvoering betekent dit, dat overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen kunnen worden aangetoond met behulp van zowel rechtstreekse als indirecte bewijzen. In casu behoefde de Commissie niet haar toevlucht te nemen tot indirecte bewijzen, zoals parallel marktgedrag, aangezien zij beschikte over rechtstreekse bewijzen van de samenspanning, zoals met name de verslagen van bijeenkomsten.
208 Concluderend stelt de Commissie, dat zij gerechtigd was de inbreuk in het onderhavige geval primair als overeenkomst en subsidiair, voor zover nodig, als onderling afgestemde feitelijke gedraging te kwalificeren.
c) Beoordeling door het Gerecht
209 Vastgesteld moet worden, dat de Commissie, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster verklaart, elk van de tegen verzoekster in aanmerking genomen feiten hetzij als een overeenkomst, hetzij als een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag heeft gekwalificeerd. Uit de punten 80, tweede alinea, 81, tweede alinea, en 82, eerste alinea, van de beschikking, in onderlinge samenhang bezien, blijkt namelijk, dat de Commissie elk van die verschillende feiten primair als een "overeenkomst" heeft gekwalificeerd.
210 Zo ook blijkt uit de punten 86, tweede en derde alinea, 87, derde alinea, en 88 van de beschikking, in onderlinge samenhang bezien, dat de Commissie bepaalde bestanddelen van de inbreuk subsidiair als een "onderling afgestemde feitelijke gedraging" heeft gekwalificeerd, namelijk wanneer op grond daarvan niet kon worden geconcludeerd dat de partijen vooraf overeenstemming hadden bereikt over een gemeenschappelijk plan waarin hun marktgedrag was vastgelegd, doch wel gebruik hadden gemaakt van of hadden deelgenomen aan op heimelijke verstandhouding berustende systemen die de cooerdinatie van hun commerciële gedragingen vergemakkelijkten, dan wel wanneer op grond daarvan, gelet op het complexe karakter van het kartel, van sommige producenten, die weliswaar hun algemene steun voor een bepaalde regeling te kennen hadden gegeven en zich daarnaar ook hadden gedragen, niet kon worden vastgesteld dat zij tevoren uitdrukkelijk met die regeling hadden ingestemd. De beschikking verbindt hieraan de conclusie, dat de voortgezette samenwerking en heimelijke verstandhouding tussen de producenten bij de toepassing van de algemene overeenkomst in sommige opzichten kenmerken van een onderling afgestemde feitelijke gedraging kan vertonen.
211 Waar blijkens de rechtspraak van het Hof het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag reeds kan worden aangenomen indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen (zie de arresten van 15 juli 1970, zaak 41/69, ACF Chemiefarma, Jurispr. 1970, blz. 661, r.o. 112, en 29 oktober 1980, gevoegde zaken 209/78 tot en met 215/78 en 218/78, reeds aangehaald, r.o. 86), mocht de Commissie de door haar rechtens genoegzaam bewezen wilsovereenstemming tussen verzoekster en andere polypropyleenproducenten met betrekking tot prijsinitiatieven, maatregelen ter vergemakkelijking van de toepassing van de prijsinitiatieven, maatregelen om de maandelijkse verkopen ten opzichte van die in een eerdere periode te beperken voor de periode tussen maart 1982 en het einde van dat jaar en kwantitatieve verkoopdoelen voor de eerste helft van 1983, als een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag kwalificeren.
212 Bovendien mocht de Commissie, waar zij rechtens genoegzaam heeft bewezen dat de gevolgen van de prijsinitiatieven zich tot november 1983 deden gevoelen, zich op het standpunt stellen, dat de inbreuk in elk geval tot in november 1983 heeft voortgeduurd. Volgens de rechtspraak van het Hof is artikel 85 namelijk ook van toepassing op overeenkomsten die niet meer van kracht zijn, doch na hun formele beëindiging effect blijven sorteren (arrest van 3 juli 1985, zaak 243/83, r.o. 17).
213 Voor de definitie van het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging zij verwezen naar de rechtspraak van het Hof, waaruit blijkt dat de eerder door het Hof gestelde criteria van cooerdinatie en samenwerking moeten worden verstaan in het licht van de in de mededingingsvoorschriften van het EEG-Verdrag besloten voorstelling, dat elke ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren. Deze eis van zelfstandigheid sluit weliswaar niet uit, dat de ondernemer gerechtigd is zijn beleid intelligent aan het vastgestelde of te verwachten marktgedrag van zijn concurrenten aan te passen, doch zij staat onverbiddelijk in de weg aan enigerlei tussen zulke ondernemers al dan niet rechtstreeks opgenomen contact strekkend hetzij tot beïnvloeding van het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent, hetzij tot beduiding aan zulk een concurrent van het aangenomen of voorgenomen marktgedrag (arrest van 16 december 1975, gevoegde zaken 40/73 tot en met 48/73, 50/73, 54/73 tot en met 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, reeds aangehaald, r.o. 173 en 174).
214 In casu heeft verzoekster deelgenomen aan bijeenkomsten die ertoe strekten, richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen. Tijdens die bijeenkomsten wisselden concurrenten informatie uit over de prijzen die zij op de markt toegepast wensten te zien, de prijzen die zij voornemens waren zelf toe te passen, hun rentabiliteitsdrempel, de door hen noodzakelijk geachte beperkingen van de verkoophoeveelheden, hun verkoopcijfers of de identiteit van hun afnemers. Door die bijeenkomsten bij te wonen heeft verzoekster met haar concurrenten deelgenomen aan een onderlinge afstemming, strekkende tot beïnvloeding van elkaars marktgedrag en tot wederzijdse onthulling van hun voorgenomen marktgedrag.
215 Verzoekster streefde er dus niet alleen naar, de onzekerheid over het toekomstig gedrag van haar concurrenten bij voorbaat uit te sluiten; bij de bepaling van haar marktbeleid heeft zij hoogstwaarschijnlijk - al dan niet rechtstreeks - rekening gehouden met de tijdens de bijeenkomsten verkregen informatie. Op hun beurt hebben haar concurrenten bij de bepaling van hun marktbeleid hoogstwaarschijnlijk - al dan niet rechtstreeks - rekening gehouden met de informatie die zij hun had verstrekt met betrekking tot haar aangenomen of voorgenomen marktgedrag.
216 Bijgevolg mocht de Commissie de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten, die verzoekster tussen maart 1982 september 1983 heeft bijgewoond, op grond van het ermee nagestreefde doel subsidiair als onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag kwalificeren.
217 Met betrekking tot de vraag, of de Commissie mocht concluderen dat er sprake was van één enkele inbreuk, in artikel 1 van de beschikking gekwalificeerd als "een (...) overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen", zij eraan herinnerd, dat de verschillende waargenomen onderling afgestemde feitelijke gedragingen en de verschillende gesloten overeenkomsten, aangezien zij alle hetzelfde doel hadden, stelsels vormden van regelmatige bijeenkomsten en van vaststellingen van richtprijzen en quota.
218 Deze stelsels pasten in het kader van een aantal door de betrokken ondernemingen ondernomen stappen die waren gericht op één economisch doel, te weten het verstoren van de normale ontwikkeling van de prijzen op de polypropyleenmarkt. Het zou derhalve kunstmatig zijn, deze voortgezette gedraging, die wordt gekenmerkt door één enkel doel, op te splitsen in verschillende gedragingen en als even zovele inbreuken te beschouwen. Verzoekster is immers jarenlang betrokken geweest bij een geïntegreerd complex van stelsels, die één enkele inbreuk uitmaken, waaraan geleidelijk gestalte is gegeven door zowel verboden overeenkomsten als verboden onderling afgestemde feitelijke gedragingen.
219 De Commissie was bovendien gerechtigd, die inbreuk als "een (...) overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen" te kwalificeren, aangezien sommige elementen als "overeenkomst" en andere als "onderling afgestemde feitelijke gedraging" moesten worden aangemerkt. Gezien het complexe karakter van de inbreuk moet de dubbele kwalificatie in artikel 1 van de beschikking van de Commissie niet worden opgevat als een kwalificatie ten aanzien waarvan gelijktijdig en cumulatief moet worden bewezen dat elk van deze feitelijke bestanddelen zowel de karakteristieken van een overeenkomst als van een onderling afgestemde gedraging vertoont, doch als een kwalificatie die een complex geheel van feitelijke bestanddelen aanduidt, waarvan sommige zijn aangemerkt als overeenkomst en andere als onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, dat voor dit soort complexe inbreuken niet in een specifieke kwalificatie voorziet.
220 Mitsdien moet verzoeksters middel worden afgewezen.
B - Ongunstige beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten
a) Bestreden handeling
221 Volgens punt 93, eerste alinea, van de beschikking kon de overeenkomst tussen de producenten de handel tussen Lid-Staten merkbaar beïnvloeden.
222 In het onderhavige geval moest - aldus punt 93, derde alinea, van de beschikking - op grond van het alomtegenwoordige karakter van de door heimelijke verstandhouding getroffen overeenkomst, die de handel in een belangrijk industrieel produkt in de gehele Gemeenschap (en in andere Westeuropese landen) zo goed als volledig bestreek, de handel noodzakelijkerwijs via andere kanalen verlopen dan het geval zou zijn geweest indien een dergelijke overeenkomst had ontbroken. Volgens punt 93, vierde alinea, van de beschikking wordt aan de structuur van de mededinging in de Gemeenschap afbreuk gedaan wanneer bij overeenkomst prijzen op een kunstmatig niveau worden vastgesteld in plaats van het aan de markt over te laten zijn eigen evenwicht te vinden. De ondernemingen werden bevrijd van de dringende noodzaak, te reageren op de krachten van de markt en een oplossing te vinden voor het vraagstuk van de overcapaciteit die door hen was vastgesteld.
223 In punt 94 van de beschikking wordt verklaard, dat ofschoon het bij de vaststelling van de richtprijzen voor elke Lid-Staat - waarover in nationale bijeenkomsten uitvoerig werd gediscussieerd - nodig was enigszins rekening te houden met de omstandigheden ter plaatse, deze vaststelling een verstorende invloed moet hebben gehad op het handelspatroon en het effect dat produktiviteitsverschillen tussen de producenten op het prijsverschil hebben. Het systeem van "account leadership" versterkte nog het effect van de prijsregelingen, omdat afnemers naar bepaalde met name genoemde producenten werden gedirigeerd. De Commissie erkent, dat de producenten bij de vaststelling van quota of streefhoeveelheden het aandeel niet per Lid-Staat of per regio specificeerden. Alleen al het bestaan van een quotum of streefhoeveelheid zal echter ertoe leiden dat de kansen worden beperkt die voor een producent openstaan.
b) Argumenten van partijen
224 Verzoekster voert aan, dat niet is aangetoond dat zij heeft deelgenomen aan een overeenkomst die de handel tussen Lid-Staten merkbaar heeft beïnvloed. Een dergelijke deelneming wordt zelfs tegengesproken door het feit dat Petrofina in vijf jaar een spectaculaire doorbraak op de markt van vijf Lid-Staten heeft verwezenlijkt.
225 De Commissie antwoordt hierop dat, zelfs al ware Petrofina' s spectaculaire doorbraak op de markt van verschillende Lid-Staten aangetoond, zij niettemin mocht concluderen dat de interstatelijke handel en de mededingingsstructuur ongunstig werden beïnvloed, aangezien het kartel de handelsstromen noodzakelijkerwijs had doen afwijken van het verloop dat zij anders zouden hebben gehad (arrest van het Hof van 29 oktober 1980, gevoegde zaken 209/78 tot en met 215/78 en 218/78, reeds aangehaald, r.o. 172).
c) Beoordeling door het Gerecht
226 In tegenstelling tot hetgeen verzoekster stelt, was de Commissie niet gehouden aan te tonen, dat verzoeksters deelneming aan een overeenkomst en aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen het handelsverkeer tussen Lid-Staten merkbaar had beïnvloed. Artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag eist immers alleen, dat de concurrentiebeperkende overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden. In dit verband moet worden vastgesteld, dat de geconstateerde concurrentiebeperkingen de handelsstromen konden doen afwijken van het verloop dat zij anders zouden hebben gehad (zie het arrest van het Hof van 29 oktober 1980, gevoegde zaken 209/78 tot en met 215/78 en 218/785, reeds aangehaald, r.o. 172).
227 Hieruit volgt, dat de Commissie in de punten 93 en 94 van haar beschikking rechtens genoegzaam heeft aangetoond, dat de inbreuk waaraan verzoekster heeft deelgenomen, het handelsverkeer tussen Lid-Staten ongunstig kon beïnvloeden en niet behoefde aan te tonen dat verzoeksters individuele deelneming de handel tussen Lid-Staten ongunstig heeft beïnvloed.
228 Mitsdien kan het middel van verzoekster niet worden aanvaard.
C - Collectieve aansprakelijkheid
a) Bestreden handeling
229 In punt 83, eerste alinea, van de beschikking wordt verklaard, dat aan de conclusie dat hier sprake is van een voortgezette overeenkomst, niet wordt afgedaan door het feit dat sommige producenten onvermijdelijk niet bij elke bijeenkomst aanwezig waren. Voor het opzetten en ten uitvoer leggen van een "initiatief" waren enige maanden nodig en het maakte voor de betrokkenheid van een producent dan ook weinig verschil als hij af en toe een bijeenkomst niet bijwoonde. In elk geval was het de normale gang van zaken dat afwezigen werden ingelicht over hetgeen op de overeenkomst was besloten. Alle ondernemingen waaraan deze beschikking is gericht namen deel aan het opzetten van allesomvattende regelingen en aan gedetailleerde besprekingen en hun mate van verantwoordelijkheid wordt niet beïnvloed door het feit dat zij bij gelegenheid niet bij een bepaalde bijeenkomst aanwezig waren (of zoals het geval was van Shell, op alle plenaire bijeenkomsten).
230 Daarbij komt dat het in deze zaak eigenlijk gaat om het samenspel over een lange periode van de producenten met het oog op een gemeenschappelijk doel; iedere deelnemer moet verantwoordelijk zijn, niet alleen voor zijn eigen rol die hij daarbij rechtstreeks heeft gespeeld, maar ook voor de werking van de overeenkomst in haar geheel. Voor de bepaling van de mate van betrokkenheid van elke producent is dan ook niet de periode beslissend waarin van hem toevallig prijsinstructies voorhanden waren, maar de gehele periode gedurende welke hij bij de gemeenschappelijke onderneming aangesloten was (punt 83, tweede alinea, van de beschikking).
231 Het voorgaande geldt ook voor Anic en Rhône-Poulenc, welke ondernemingen de polypropyleensector verlieten voordat de Commissie met haar verificaties begon. Van geen van beide ondernemingen werden prijsinstructies aan hun verkoopkantoren aangetroffen. Hun aanwezigheid op bijeenkomsten en hun deelneming aan regelingen voor doelhoeveelheden en quota kan echter aan de hand van het schriftelijke bewijsmateriaal worden aangetoond. De overeenkomst moet als een geheel worden gezien en hun betrokkenheid staat vast, zelfs wanneer geen prijsinstructies die van hen uitgingen werden aangetroffen (punt 83, derde alinea, van de beschikking).
b) Argumenten van partijen
232 Volgens verzoekster heeft de Commissie, door te stellen dat "iedere deelnemer verantwoordelijk moet zijn, niet alleen voor zijn eigen rol die hij daarbij rechtstreeks heeft gespeeld, maar ook voor de werking van de overeenkomst in haar geheel" (punt 83, tweede alinea, van de beschikking) en haar aldus een collectieve aansprakelijkheid toe te schuiven, het haar onmogelijk gemaakt haar rechten te verdedigen; de Commissie moest immers aantonen dat alle bestanddelen van de in artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag genoemde inbreuk bij verzoekster aanwezig waren. In feite heeft zij verzoekster een globale en collectieve aansprakelijkheid voor het gedrag van andere producenten toegeschoven.
233 De Commissie betoogt, dat zij het bewijs heeft geleverd dat alle bestanddelen van de inbreuk bij verzoekster aanwezig waren en deze laatste derhalve geen aansprakelijkheid voor het gedrag van andere producenten heeft toegeschoven.
c) Beoordeling door het Gerecht
234 Uit de overwegingen van het Gerecht betreffende de door de Commissie vastgestelde feiten en de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag blijkt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond, dat alle bestanddelen van de in de beschikking genoemde inbreuk bij verzoekster aanwezig waren en deze laatste derhalve geen aansprakelijkheid voor het gedrag van andere producenten heeft toegeschoven.
235 Punt 83, tweede en derde alinea, van de beschikking is niet in tegenspraak met deze vaststelling, aangezien het voornamelijk tot doel heeft, een rechtvaardiging te geven voor de telastlegging van de inbreuk aan ondernemingen waarvoor de Commissie geen prijsinstructies met betrekking tot de gehele duur van hun deelneming aan het stelsel van periodieke bijeenkomsten heeft gevonden.
236 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
3. Conclusie
237 Uit een en ander volgt, dat aangezien de door de Commissie met betrekking tot verzoekster vastgestelde feiten voor de periode van begin 1980 tot maart 1982 niet rechtens genoegzaam zijn bewezen, artikel 1 van de beschikking moet worden nietig verklaard voor zover daarin wordt vastgesteld dat verzoekster in die periode aan de inbreuk heeft deelgenomen. Voor het overige moeten verzoeksters middelen inzake de door de Commissie in de bestreden handeling vastgestelde feiten en de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag worden afgewezen.
De motivering
1. Ontoereikende motivering
238 Verzoekster betoogt, dat de beschikking wegens haar algemeenheid ontoereikend is gemotiveerd; in die beschikking wordt namelijk niet geantwoord op de specifieke argumenten van Petrofina, met name die inzake het ontbreken van door haar gegeven prijsinstructies, de niet-deelneming aan enige quota-afspraak en het feit dat zij de bijeenkomsten slechts als waarnemer heeft bijgewoond.
239 Volgens de Commissie vergt de weerlegging van dit middel een onderzoek van de feitelijke gronden van de beschikking en heeft zij dit onderzoek reeds verricht in haar betoog betreffende de vaststelling van de inbreuk.
240 Het Gerecht stelt vast, dat uit zijn overwegingen betreffende de door de Commissie in de bestreden handeling vastgestelde feiten en de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag blijkt, dat de Commissie wel degelijk rekening heeft gehouden met verzoeksters argumenten inzake het gestelde ontbreken van door haar gegeven prijsinstructies, de gestelde niet-deelneming aan enige quota-afspraak en het feit dat zij de bijeenkomsten slechts als waarnemer heeft bijgewoond. De Commissie heeft deze argumenten, met name in de punten 83, tweede alinea, laatste zin, 52 en volgende en 84, eerste alinea, van de beschikking, terecht verworpen. Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
2. Tegenstrijdige motivering
241 Verzoekster voert aan, dat de beschikking op twee punten een innerlijke tegenspraak vertoont. Na - althans stilzwijgend - te hebben erkend, dat zij een uitdrukkelijke instemming met een mededingingsbeperkend plan of een marktgedrag ter uitvoering van een dergelijk plan moet aantonen, levert de Commissie het bewijs van het ene noch van het andere element en spreekt zij zichzelf tegen waar zij verklaart, dat "het feit dat af en toe de een of andere producent prijzen zogenaamd tegendraads of in strijd met de afspraken vaststelde, in een poging om zijn machtspositie te verbeteren ten koste van de anderen (door wie de overtreder ter verantwoording kon worden geroepen), de verpletterende bewijzen van het bestaan van een onderling overlegd plan om de markt te regelen, geenszins weerlegt" (punt 85, tweede alinea, van de beschikking). Deze innerlijke tegenspraak in de motivering is van bijzonder belang voor Petrofina, aangezien deze wegens haar agressieve houding op de markt door de andere ondernemingen als onruststoker is aangemerkt. Verder spreekt de Commissie zichzelf tegen door eerst te erkennen dat Petrofina geen prijsinstructies heeft gegeven (punt 45, tweede alinea, van de beschikking), en vervolgens te verklaren, dat alle producenten aan hun verkoopkantoren prijsinstructies hebben gegeven en dat juist die prijsinstructies de toepassing van de prijsinitiatieven bewijzen (punt 90 van de beschikking).
242 Volgens de Commissie vergt de weerlegging van dit argument een onderzoek van de feitelijke gronden van de beschikking en heeft zij dit onderzoek reeds verricht in haar betoog betreffende de vaststelling van de inbreuk.
243 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster bepaalde overwegingen van de beschikking uit hun verband licht; de beschikking vormt evenwel een geheel en elke overweging moet worden gelezen tegen de achtergrond van de andere om de ogenschijnlijke tegenstrijdigheden in de beschikking te zien verdwijnen.
244 Uit de overwegingen van het Gerecht betreffende de vaststelling van de inbreuk blijkt, dat de motivering van de beschikking geen tegenstrijdigheden bevat en dat het middel derhalve ongegrond is.
3. Verkeerde motivering
245 Verzoekster betoogt, dat de beschikking op een bepaald punt verkeerd is gemotiveerd; de Commissie verklaart namelijk, dat "alleen al het bestaan van een quotum of een richthoeveelheid ertoe zal leiden dat de voor een producent openstaande kansen worden beperkt" (punt 94 van de richtlijn), ofschoon Petrofina heeft uitgelegd, dat zij tijdens de referentieperiode door een resoluut op mededinging gericht gedrag op spectaculaire wijze op de markt is doorgedrongen.
246 De Commissie is van oordeel, dat zij dit middel reeds heeft weerlegd in haar betoog over de vaststelling van de inbreuk.
247 Het Gerecht wijst erop, dat het reeds heeft geoordeeld dat de vastgestelde mededingingsbeperkingen de handel tussen Lid-Staten ongunstig konden beïnvloeden. Er is derhalve geen sprake van een verkeerde motivering. Mitsdien is dit middel ongegrond.
De geldboete
248 Volgens verzoekster is de beschikking in strijd met artikel 15 van verordening nr. 17, aangezien de duur en de zwaarte van de haar verweten inbreuk er onjuist zijn beoordeeld.
1. De duur van de inbreuk
249 Verzoekster voert aan, dat de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van de inbreuk niet is uitgegaan van de juiste duur van haar deelneming aan de inbreuk; deze deelneming was namelijk van veel kortere duur, daar zij is geëindigd op het moment van de door de Commissie verrichte verificaties en niet in november 1983.
250 De Commissie verklaart, dat zij voor het vaststellen van het bedrag van de geldboete is uitgegaan van de juiste duur van de inbreuk.
251 Het Gerecht wijst erop, dat uit zijn overwegingen betreffende de vaststelling van de inbreuk blijkt, dat de aan verzoekster verweten inbreuk minder lang heeft geduurd dan in de beschikking wordt aangenomen, daar zij in maart 1982 en niet begin 1980 is begonnen. Uit diezelfde overwegingen blijkt evenwel ook, dat de Commissie terecht heeft geoordeeld dat de inbreuk tot november 1983 heeft geduurd.
252 Om die reden moet het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete dan ook worden verminderd.
2. De zwaarte van de inbreuk
A - De beperkte rol van verzoekster
253 Verzoekster betoogt, dat de inbreuk niet zo zwaar is als door de Commissie is gesteld, daar zij de bijeenkomsten slechts heeft bijgewoond als een passieve waarnemer die erop uit is te vernemen wat er op de markt gaande is. Zij heeft nooit de bedoeling gehad een mededingingsbeperkende houding aan te nemen of in de praktijk te brengen, hetgeen de andere producenten ertoe heeft gebracht haar als een rebel beschouwen.
254 De Commissie betoogt, dat het ging om een uitgekiend en weloverwogen kartel van een bijzonder ernstige soort (horizontale prijsstelling en marktverdeling) waarbij nagenoeg alle polypropyleenproducenten uit de Gemeenschap waren betrokken en dat daardoor een aanzienlijke macht had. Zelfs indien het passieve karakter van Petrofina' s deelneming bewezen zou zijn, is dit nog niet van dien aard dat deze daarom van de geldboete moet worden vrijgesteld. Het Hof heeft immers geoordeeld, dat elke concrete deelneming aan een inbreuk - ook al gaat het slechts om een passieve houding die de inbreuk heeft vergemakkelijkt - een voldoende grond voor het opleggen van een geldboete oplevert (arresten van 12 juli 1979, gevoegde zaken 32/78 en 36/78 tot en met 82/78, BMW, Jurispr. 1979, blz. 2435, r.o. 49 e.v., en 1 februari 1978, zaak 19/77, Miller, Jurispr. 1978, blz. 131, r.o. 18). Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete is de rol die verzoekster bij de geheime regelingen heeft gespeeld, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel uitdrukkelijk in aanmerking genomen (punt 109 van de beschikking).
255 Het Gerecht stelt vast, dat uit zijn overwegingen betreffende de vaststelling van de inbreuk blijkt, dat de Commissie op juiste wijze heeft vastgesteld, welke rol verzoekster vanaf maart 1982 bij de inbreuk heeft gespeeld, en in de beschikking derhalve terecht heeft geoordeeld dat het passieve karakter van die rol niet was bewezen.
256 Mitsdien kan dit middel niet worden aanvaard.
B - Het niet-individualiseren van de criteria voor de vaststelling van de geldboeten
257 Verzoekster verklaart, dat de Commissie volgens de rechtspraak van het Hof (arresten van 15 juli 1970, zaak 45/69, Boehringer, Jurispr. 1970, blz. 769, r.o. 55 e.v.; 8 november 1983, gevoegde zaken 96/82 tot en met 102/82, 104/82, 105/82, 108/82 en 110/82, IAZ, Jurispr. 1983, blz. 3369, r.o. 50 e.v.; en 10 december 1985, gevoegde zaken 240/82 tot en met 242/82, 261/82, 262/82, 268/82 en 269/82, Stichting Sigarettenindustrie, Jurispr. 1985, blz. 3831, r.o. 100) verplicht is, met betrekking tot elke onderneming nauwkeurig aan te geven welke criteria zij voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete hanteert. De Commissie moet zowel de bestanddelen van de inbreuk als de voor het opleggen van de geldboete gehanteerde criteria aangeven. In het onderhavige geval heeft de Commissie dienaangaande geen enkele aanduiding gegeven en zij heeft zelfs toegegeven, dat bij de begroting van het individuele bedrag van de geldboete is uitgegaan van een samenstel van factoren die zeer vaak niet kwantificeerbaar waren, zodat zij geen nauwkeurige berekeningsparameter voor deze of gene van die factoren kan geven. Daar zij geen band kon leggen tussen het bedrag van de geldboeten en de op de markt vastgestelde mededingingsbeperkingen, zat er voor de Commissie niets anders op, dan zich zonder nadere specificatie op de zwaarte van de inbreuk te beroepen om zonder ander objectief referentiepunt de zwaarste boetes vast te stellen die zij ooit heeft opgelegd. Deze handelwijze verdraagt zich niet met het rechtszekerheidsbeginsel en grenst aan willekeur, aangezien het daarbij niet mogelijk is de noodzakelijke band tussen de individuele graad van betrokkenheid bij de inbreuk en een evenredige en billijke geldboete te toetsen. Het individualiseren van de criteria was in het onderhavige geval des te meer noodzakelijk, daar de Commissie zelf heeft opgemerkt, dat in het onderhavige geval aanzienlijke geldboeten mogen worden opgelegd omdat het om een bijzonder zware inbreuk gaat.
258 Verzoekster betoogt met name, dat de Commissie in het onderhavige geval rekening had moet houden met het feit dat zij zeer zware verliezen heeft geleden, met het ontbreken van door haar gegeven prijsinstructies, met de verschillen tussen haar verkoopprijzen en de gestelde "richtprijzen", met haar uitzonderlijke doorbraak op de markt, met de omvang van de door haar verrichte investeringen en, ten slotte, met het feit dat zij op de polypropyleenmarkt slechts een kleine onderneming is.
259 De Commissie merkt op, dat zij bij het opleggen van de geldboeten in de onderhavige zaak heeft gehandeld in overeenstemming met haar vaste beleid en met de ter zake door het Hof vastgestelde beginselen. Zij beklemtoont, dat sedert 1979 haar beleid de vorm heeft gekregen, dat inbreuken op de mededingingsregels zwaarder worden bestraft, in het bijzonder wanneer het gaat om categorieën van inbreuken die duidelijk onder de toepassing van de mededingingsvoorschriften vallen, of inbreuken die - zoals in casu - bijzonder ernstig worden geacht. Dat beleid is er met name op gericht, de preventieve werking van geldboeten te versterken. In zijn arrest van 7 juni 1983 (gevoegde zaken 100/80 tot en met 103/80, reeds aangehaald, r.o. 106 en 109) heeft het Hof zijn goedkeuring verleend aan dat beleid. Ook heeft het herhaaldelijk erkend, dat met de vaststelling van de geldboeten een complex samenstel van factoren gemoeid is (arresten van 7 juni 1983, gevoegde zaken 100/80 tot en met 103/80, reeds aangehaald, r.o. 120, en 8 november 1983, gevoegde zaken 96/82 tot en met 102/82, 104/82, 105/82, 108/82 en 110/82, reeds aangehaald, r.o. 52).
260 De Commissie is bij uitstek in staat om deze factoren te beoordelen en ten aanzien van deze beoordeling kan alleen worden ingegrepen indien zij hierbij een wezenlijke feitelijke of juridische vergissing heeft begaan. Bovendien heeft het Hof bevestigd, dat het oordeel van de Commissie over de door haar noodzakelijk geachte geldboeten van zaak tot zaak kan variëren, zelfs indien zich in de betrokken zaken soortgelijke situaties voordoen (arresten van het Hof van 12 juli 1979, gevoegde zaken 32/78 en 36/78 tot en met 82/78, reeds aangehaald, r.o. 53, en 9 november 1983, zaak 322/81, reeds aangehaald, r.o. 111 e.v.).
261 Verder voert de Commissie aan, dat zij voor de vaststelling van het bedrag van de geldboeten is uitgegaan van een aantal algemene overwegingen, weergegeven in punt 108 van de beschikking, en van een aantal specifieke overwegingen, beschreven in punt 109 van de beschikking. De eerste hebben een rol gespeeld bij de vaststelling van het totale bedrag van de geldboete en de tweede hebben de Commissie in staat gesteld dit bedrag billijk en evenredig over de betrokken producenten om te slaan. De algemene overwegingen dienden naar hun aard niet te worden geïndividualiseerd. Overigens zij eraan herinnerd, dat rekening is gehouden met hetgeen Petrofina dienaangaande heeft aangevoerd. Op Petrofina' s argumenten ter zake van de specifieke overwegingen is reeds geantwoord. Deze werkwijze is door het Hof goedgekeurd (arrest van 15 juli 1970, zaak 45/69, reeds aangehaald, r.o. 55).
262 Het Gerecht constateert, dat de Commissie voor de bepaling van het aan verzoekster opgelegde boetebedrag in de eerste plaats criteria heeft vastgesteld ter bepaling van het algemene niveau van de geldboeten die moesten worden opgelegd aan de ondernemingen tot wie de beschikking was gericht (punt 108 van de beschikking), en in de tweede plaats criteria voor een billijke afweging van de aan elk van deze ondernemingen op te leggen boete (punt 109 van de beschikking).
263 Het algemene niveau van de aan de betrokken ondernemingen opgelegde geldboeten wordt door de in punt 108 van de beschikking genoemde criteria meer dan voldoende gerechtvaardigd. In dit verband is inzonderheid van belang, dat er sprake was van een zeer duidelijke inbreuk op artikel 85, lid 1 - inzonderheid sub a, b en c -, EEG-Verdrag en dat de polypropyleenproducenten, die opzettelijk en in het grootste geheim handelden, zich hiervan welbewust waren.
264 Ook zijn de vier in punt 109 van de beschikking genoemde criteria relevant en toereikend voor een billijke afweging van de aan elk van de ondernemingen op te leggen boete.
265 Met betrekking tot de factoren die de Commissie volgens verzoekster ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen, moet worden opgemerkt, dat de Commissie niet diende te individualiseren, op welke wijze zij rekening heeft gehouden met de aanzienlijke verliezen die verschillende polypropyleenproducenten met name als gevolg van de omvang van de door hen verrichte investeringen hadden geleden, alsmede met de gestelde verschillen tussen verzoeksters verkoopprijzen en de vastgestelde richtprijzen en met verzoeksters uitzonderlijke doorbraak op de polypropyleenmarkt; dit zijn immers factoren die een rol hebben gespeeld bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten, dat naar het oordeel van het Gerecht gerechtvaardigd was.
266 Wat het gestelde ontbreken van door verzoekster gegeven prijsinstructies betreft, blijkt uit de overwegingen van het Gerecht betreffende de feitelijke vaststellingen van de Commissie met het oog op het bewijs van de inbreuk, dat niet is komen vast te staan dat dergelijke instructies niet zijn gegeven, zodat de Commissie daarmee geen rekening moest houden bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete.
267 Aangaande het argument dat geen rekening is gehouden met het feit dat Petrofina op de polypropyleenmarkt slechts een kleine onderneming is, moet verzoeksters betoog, dat erop gericht is aan te tonen dat zij geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de markt, worden verworpen. Het gaat er immers niet om, of verzoeksters deelneming de markt heeft kunnen beïnvloeden, maar wel of de inbreuk waaraan verzoekster heeft deelgenomen, dit heeft kunnen doen. Het Gerecht heeft dienaangaande geoordeeld, dat de Commissie terecht als een van de criteria voor de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten heeft genomen, het feit dat de bij de inbreuk betrokken ondernemingen nagenoeg de hele polypropyleenmarkt voor hun rekening namen, zodat het volstrekt uitgesloten was dat die gezamenlijk begane inbreuk de markt niet zou hebben beïnvloed. Voor zover verzoeksters betoog ertoe strekt, aan te tonen dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met haar relatieve belang op de polypropyleenmarkt, moet het eveneens worden verworpen, daar de Commissie in punt 109 van de beschikking heeft verklaard, dat zij de respectieve leveranties van polypropyleen in de Gemeenschap als criterium voor het afwegen van het bedrag van de aan de verschillende ondernemingen op te leggen geldboeten heeft gehanteerd en verzoekster niet is opgekomen tegen de wijze waarop dit criterium op haar is toegepast.
268 Met betrekking tot de eerste twee criteria die in punt 109 van de beschikking worden genoemd, te weten de rol die elk van de ondernemingen bij de geheime regelingen speelde en de tijd gedurende welke zij aan de inbreuk deelnamen, zij eraan herinnerd dat, aangezien de motivering van de vaststelling van het boetebedrag moet worden uitgelegd met inachtneming van de motivering van de beschikking in haar geheel, de Commissie duidelijk genoeg heeft aangegeven, hoe die criteria bij de vaststelling van de aan verzoekster opgelegde geldboete in aanmerking zijn genomen.
269 Met betrekking tot de laatste twee criteria, te weten de respectieve leveranties van de verschillende polypropyleenproducenten in de Gemeenschap en hun individuele totale omzet, stelt het Gerecht op basis van de door de Commissie op zijn verzoek overgelegde cijfers - waarvan verzoekster de juistheid niet heeft betwist - vast, dat deze criteria bij de vaststelling van de aan verzoekster opgelegde geldboete, gelet op de aan andere producenten opgelegde boeten, niet op onbillijke wijze zijn toegepast.
270 Mitsdien moet verzoeksters middel worden afgewezen.
C - Inaanmerkingneming van de gevolgen van de inbreuk
271 Verzoekster stelt, dat volgens een algemeen rechtsbeginsel de zwaarte van een inbreuk steeds afhangt van de gevolgen ervan. Dit beginsel wordt bevestigd door de rechtspraak van het Hof betreffende geldboeten in kartelzaken (arresten van 15 juli 1970, zaak 41/69, reeds aangehaald, r.o. 175 e.v. en zaak 45/69, reeds aangehaald, r.o. 52 e.v.; 16 december 1975, Suiker Unie, reeds aangehaald; 1 februari 1978, zaak 19/77, reeds aangehaald; 13 februari 1979, zaak 85/76, Hoffmann-La Roche, Jurispr. 1979, blz. 461; 12 juli 1979, gevoegde zaken 32/78, 36/78 tot en met 82/78, reeds aangehaald; 7 juni 1983, gevoegde zaken 100/80 tot en met 103/80, reeds aangehaald; 8 november 1983, gevoegde zaken 96/82 tot en met 102/82, 104/82, 105/82, 108/82 en 110/82, reeds aangehaald, r.o. 42 e.v.; 9 november 1983, zaak 322/81, reeds aangehaald; 10 december 1985, gevoegde zaken 240/82 tot en met 242/82, 261/82, 262/82, 268/82 en 269/82, reeds aangehaald, r.o. 89 e.v.). In het onderhavige geval heeft de Commissie niet aangetoond, dat het kartel gevolgen heeft gehad voor de markt, en heeft zij zelfs uiting gegeven aan haar twijfel daaromtrent. Zij heeft bovendien nagelaten, de door Petrofina overgelegde econometrische studie waaruit bleek dat het kartel geen gevolgen had gehad, te weerleggen. Om die reden is de opgelegde geldboete te hoog.
272 De Commissie wijst erop, dat zij voor het bepalen van de geldboete reeds rekening heeft gehouden met het feit dat het kartel zijn doel niet volledig heeft bereikt, ofschoon zij daartoe niet verplicht was gezien het mededingingsbeperkend doel van het kartel.
273 Het Gerecht stelt vast, dat de Commissie twee soorten van gevolgen van de inbreuk heeft onderscheiden. In de eerste plaats het feit, dat de producenten, na op de bijeenkomsten richtprijzen te zijn overeengekomen, hun verkoopafdelingen instructies gaven om te streven naar de toepassing van dat prijsniveau, zodat de "richtprijzen" bij de prijsonderhandelingen met de afnemers als uitgangspunt werden genomen. Op grond daarvan kon de Commissie concluderen, dat in casu alles erop wijst, dat de overeenkomst wel degelijk de mededingingsvoorwaarden merkbaar heeft beïnvloed (punt 74, tweede alinea, van de beschikking, waarin wordt verwezen naar punt 90). In de tweede plaats het feit, dat de ontwikkeling van de aan de verschillende afnemers in rekening gebrachte prijzen, in vergelijking met de ter gelegenheid van bepaalde prijsinitiatieven vastgestelde prijzen, klopt met de versie die in de bij ICI en andere producenten aangetroffen bescheiden betreffende de uitvoering van de prijsinitiatieven tot uiting komt (punt 74, zesde alinea, van de beschikking).
274 Dat de eerstgenoemde gevolgen zich hebben voorgedaan, heeft de Commissie rechtens genoegzaam aangetoond aan de hand van de talrijke door de verschillende producenten gegeven prijsinstructies, die niet alleen onderling overeenstemmen, maar ook met de op de bijeenkomsten vastgestelde richtprijzen welke duidelijk bedoeld waren om als uitgangspunt te dienen voor de met de afnemers te voeren onderhandelingen over de prijzen.
275 Dat de Commissie slechts beschikt over één door verzoekster gegeven prijsinstructie die het resultaat van een door deze laatste bijgewoonde bijeenkomst rechtstreeks weergeeft, doet niet af aan deze vaststelling, daar de Commissie voor het bepalen van het algemene niveau van de geldboeten niet is uitgegaan van de gevolgen van de feitelijke houding die een bepaalde onderneming stelt te hebben aangenomen, maar van de gevolgen van de gehele inbreuk waaraan die onderneming te zamen met andere heeft deelgenomen.
276 Met betrekking tot de tweede soort van gevolgen zij in de eerste plaats opgemerkt, dat de Commissie geen reden had te twijfelen aan de juistheid van de door de producenten zelf tijdens hun bijeenkomsten verrichte analyses (zie onder meer de verslagen van de bijeenkomsten van 21 september, 6 oktober, 2 november en 2 december 1982, bijl. 30-33 a.b.), waaruit blijkt dat de tijdens de bijeenkomsten vastgestelde richtprijzen op grote schaal bleken te worden toegepast op de markt, en in de tweede plaats dat, zo uit het rapport Coopers en Lybrand en uit de op verzoek van sommige producenten verrichte economische studies mocht blijken dat de door de producenten zelf tijdens de bijeenkomsten verrichte analyses onjuist zijn, dit niet tot een verlaging van de geldboete kan leiden; in punt 108, laatste streepje, van de beschikking heeft de Commissie namelijk verklaard, dat zij bij de bepaling van de boetebedragen als verzachtende omstandigheid in aanmerking heeft genomen, dat de prijsinitiatieven over het algemeen hun doel niet volledig bereikten en dat er in laatste instantie geen dwangmaatregelen bestonden om de nakoming van de quota of van andere regelingen te verzekeren.
277 Waar de motivering van de beschikking inzake de vaststelling van de boetebedragen moet worden gezien in samenhang met de motivering van de beschikking als geheel, moet worden aangenomen dat de Commissie de eerste soort van gevolgen terecht volledig in aanmerking heeft genomen en dat zij rekening heeft gehouden met het beperkte karakter van de tweede soort van gevolgen. In dit verband zij opgemerkt, dat verzoekster niet heeft aangegeven in hoeverre de Commissie dat beperkte karakter bij de matiging van de boetebedragen onvoldoende zou hebben laten meewegen.
278 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
D - Ontoereikende motivering
279 Verzoekster betoogt, dat de Commissie met betrekking tot de vaststelling van de geldboeten niet heeft geantwoord op haar argumenten inzake de op mededinging gerichte ingesteldheid waarmee zij de bijeenkomsten heeft bijgewoond, het mededingingsoogmerk waarmee zij haar prijzen heeft vastgesteld, haar spectaculaire doorbraak op de markt alsmede het feit dat zij nooit de rol van "account leader" of "contender" heeft gespeeld en naar de maat van haar vermogen aan de opheldering van de zaak heeft bijgedragen. Al deze punten hadden in aanmerking moeten worden genomen voor het bepalen van het niveau van de geldboete en de beschikking had moeten aangeven, op welke wijze zij in aanmerking zijn genomen.
280 De Commissie is van mening, dat Petrofina daarbij slechts bekende argumenten herhaalt of nadruk legt op factoren die de Commissie reeds in aanmerking heeft genomen bij de vaststelling van het bedrag van de opgelegde geldboete.
281 Het Gerecht stelt vast, dat uit zijn overwegingen betreffende de feitelijke vaststellingen van de Commissie met het oog op het bewijs van de inbreuk blijkt, dat de verschillende argumenten waarop de Commissie volgens verzoekster ten onrechte niet heeft geantwoord, feitelijke grondslag missen.
282 Met betrekking tot verzoeksters laatste argument moet worden opgemerkt, dat uit de tekst van de beschikking in haar geheel blijkt, dat verzoekster niet wordt gerekend tot het in punt 109, laatste alinea, van de beschikking ter sprake gebrachte zeer gering aantal producenten die bij de verificaties hebben meegewerkt, en dat dit terecht is gebeurd, daar verzoekster niet meer heeft gedaan dan zij ingevolge het gemeenschapsrecht verplicht was, om de zaak te helpen ophelderen.
283 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
E - Tegenstrijdige motivering
284 Volgens verzoekster spreekt de Commissie zichzelf tegen, door in punt 109, eerste alinea, van de beschikking te verklaren dat zij de rol die elk van de ondernemingen bij de geheime regelingen speelde, de tijd gedurende welke zij aan de inbreuken deelnamen, hun respectieve leveranties van polypropyleen in de Gemeenschap en hun individuele totale omzet in aanmerking heeft genomen, doch in punt 109, zesde alinea, te stellen dat haars inziens tussen de kleinere producenten geen wezenlijk onderscheid kan worden gemaakt op basis van hun individuele mate van gebondenheid aan de overeengekomen regelingen.
285 Het Gerecht stelt vast, dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen rol die elk van de ondernemingen bij de geheime regelingen heeft gespeeld, en de mate van hun gebondenheid aan de overeengekomen regelingen. Het eerste betreft het aantal aspecten van de inbreuk waaraan de onderneming heeft deelgenomen, en het tweede de intensiteit van haar deelneming aan die aspecten.
286 Deze twee rechtvaardigingsgronden van de beschikking zijn derhalve niet tegenstrijdig en mitsdien moet het middel worden afgewezen.
F - Het beginsel van gelijke behandeling
287 Volgens verzoekster schendt de beschikking het billijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod doordat zij Amoco en BP anders behandelt dan verzoekster. Het enkele feit dat Petrofina, in tegenstelling tot de twee andere ondernemingen, de bijeenkomsten - overigens op passieve wijze - heeft bijgewoond, kan dit verschil in behandeling niet rechtvaardigen. Bovendien kan de Commissie verzoekster niet te last leggen dat zij er bewust op uit was de mededinging te beperken, terwijl zij op basis van hetzelfde belastend materiaal heeft geoordeeld, dat aan Amoco en BP niets viel te verwijten.
288 De Commissie wijst erop, dat het verschil in behandeling tussen Amoco en BP enerzijds en verzoekster anderzijds zijn rechtvaardiging vindt in de omstandigheid dat de twee eerstgenoemde ondernemingen de bijeenkomsten niet bijwoonden zodat de Commissie niet voldoende elementen had om aan te tonen dat zij er bewust op uit waren de mededinging te beperken.
289 Het Gerecht stelt vast, dat het beginsel van gelijke behandeling slechts wordt geschonden wanneer vergelijkbare situaties op verschillende wijze worden behandeld. In het onderhavige geval was de situatie van Petrofina evenwel niet vergelijkbaar met die van Amoco en BP, aangezien deze laatsten aan geen enkele periodieke bijeenkomst van polypropyleenproducenten hebben deelgenomen. De Commissie kon derhalve op goede gronden oordelen, dat er, anders dan voor verzoekster, niet voldoende bewijzen van hun deelneming aan overleg met het oog op een beperking van de mededinging voorhanden waren. Het bestaan van een dergelijk overleg is echter de basis van de in de beschikking toegepaste bewijsvoering. Derhalve stelt het Gerecht vast, dat het geconstateerde onderscheid tussen de situatie van deze ondernemingen en die van verzoekster het verschil in behandeling rechtvaardigde.
290 Mitsdien kan dit middel niet worden aanvaard.
291 Uit al het voorgaande volgt, dat de aan verzoekster opgelegde geldboete redelijk is, gelet op de zwaarte van de haar te last gelegde inbreuk op het communautaire mededingingsrecht, maar moet worden gehalveerd wegens de kortere duur van deze inbreuk, daar de inbreuk qua duur weliswaar met meer dan de helft (26 van de 47 maanden) is verminderd, maar gedurende de 21 overblijvende maanden zeer intens is geweest.
Beslissing inzake de kostenKosten
292 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voor zover dit is gevorderd. Volgens lid 3 van dit artikel kan het Gerecht evenwel de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk zijn gesteld. Aangezien het beroep ten dele is toegewezen en elk van beide partijen veroordeling van de wederpartij in de kosten heeft gevorderd, zal elke partij haar eigen kosten dragen.
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig artikel 1, derde streepje, van de beschikking van de Commissie van 23 april 1986 (IV/31.149 - Polypropyleen, PB 1986, L 230, blz. 1), voor zover daarin wordt verklaard dat Petrofina tussen 1980 en maart 1982 aan de inbreuk heeft deelgenomen.
2) Bepaalt het bedrag van de in artikel 3 van de beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete op 300 000 ECU ofwel 13 153 050 BFR.
3) Verwerpt het beroep voor het overige.
4) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Top