Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (EERSTE KAMER) VAN 24 OKTOBER 1991. - ATOCHEM SA TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - MEDEDINGING - BEGRIPPEN OVEREENKOMST EN ONDERLING AFGESTEMDE FEITELIJKE GEDRAGING - COLLECTIEVE AANSPRAKELIJKHEID. - ZAAK T-3/89
Jurisprudentie 1991 bladzijde II-01177
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Mededinging - Mededingingsregelingen - Onderling afgestemde feitelijke gedraging - Bewijs van inbreuk - Bewijslast
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
2. Mededinging - Mededingingsregelingen - Overeenkomsten tussen ondernemingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen - Begrip - Wilsovereenstemming met betrekking tot toekomstig marktgedrag
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
3. Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Beschikking tot toepassing van mededingingsregels
(EEG-Verdrag, art. 190)
Samenvatting1. Wanneer de Commissie voldoende nauwkeurig en sluitend bewijsmateriaal heeft verzameld om de overtuiging te schragen, dat het gedrag van verscheidene ondernemingen enkel zijn verklaring kan vinden in het bestaan van een kartel of een onderling afgestemde feitelijke gedraging, staat het aan de betrokken ondernemingen om aan te tonen, dat hun gedrag op bevredigende wijze kan worden verklaard zonder dat een dergelijke schending van de krachtens artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag op hen rustende verplichtingen behoeft te worden aangenomen.
2. Als een door artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag verboden overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedraging zijn te beschouwen periodieke bijeenkomsten van producenten, tijdens welke wilsovereenstemming wordt bereikt met betrekking tot prijsinitiatieven, maatregelen ter vergemakkelijking van de toepassing van die prijsinitiatieven en kwantitatieve verkoopdoelen.
3. De Commissie is krachtens artikel 190 EEG-Verdrag weliswaar gehouden, haar beschikkingen met redenen te omkleden met vermelding van de feitelijke en juridische gegevens waarvan de wettigheid van de maatregel afhangt en van de overwegingen die haar tot het nemen van haar beschikking hebben geleid, doch het is in het geval van een beschikking tot toepassing van de mededingingsregels niet vereist, dat zij ingaat op alle feitelijke en rechtspunten die door elke betrokkene tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen.
PartijenIn zaak T-3/89,
Atochem SA, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Puteaux, Hauts-de-Seine (Frankrijk), vertegenwoordigd door X. de Roux en Ch.-H. Léger, advocaten te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Hoss en Elvinger, advocaten aldaar, Côte d' Eich 15,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur A. McClellan als gemachtigde, aanvankelijk bijgestaan door L. Gyselen, lid van haar juridische dienst, als genmachtigde, en vervolgens door N. Coutrelis, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 EEG-Verdrag (IV/31.149 - Polypropyleen, PB 1986, L 230, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J.-L. Cruz Vilaça, president, R. Schintgen, D. A. O. Edward, H. Kirschner en K. Lenaerts, rechters,
advocaat-generaal: B. Vesterdorf
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden van 10 tot en met 15 december 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 juli 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrestDe feiten
1 De onderhavige zaak heeft betrekking op een beschikking waarbij de Commissie vijftien polypropyleenproducenten een boete heeft opgelegd wegens schending van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag. Het produkt waarop de bestreden beschikking (hierna: de beschikking) betrekking heeft, is een van de voornaamste bulk thermoplastic polymeren. Polypropyleen wordt door de producenten verkocht aan verwerkers, die er eindprodukten of halffabrikaten van maken. De grootste polypropyleenproducenten hebben een assortiment van meer dan honderd verschillende kwaliteiten, die voor zeer uiteenlopende uiteindelijke gebruiksdoeleinden toepassing vinden. De belangrijkste basiskwaliteiten van polypropyleen zijn: raffia, homopolymeer injection moulding, copolymeer injection moulding, high impact copolymeer en folie. Alle ondernemingen tot welke de onderhavige beschikking is gericht, zijn belangrijke petrochemische fabrikanten.
2 De Westeuropese markt voor polypropyleen wordt bijna geheel bevoorraad door in Europa gevestigde produktiefaciliteiten. Vóór 1977 werd de markt bevoorraad door tien producenten, te weten Montedison (later Montepolimeri SpA, die op haar beurt Montedipe SpA is geworden), Hoechst AG, Imperial Chemical Industries plc en Shell International Chemical Company Ltd (de "grote vier"), te zamen goed voor 64 % van de markt, Enichem Anic SpA in Italië, Rhône-Poulenc SA in Frankrijk, Alcudia in Spanje, Chemische Werke Huels en BASF AG in Duitsland en Chemie Linz AG in Oostenrijk. Nadat de duur van de hoofdoctrooien van Montedison was verstreken, dienden zich in 1977 zeven nieuwe producenten in West-Europa aan: Amoco en Hercules Chemicals NV in België, ATO Chimie SA en Solvay & Cie SA in Frankrijk, SIR in Italië, DSM NV in Nederland en Taqsa in Spanje. Saga Petrokjemi AS & Co., een Noorse onderneming, begon haar activiteiten midden 1978, en Petrofina SA in 1980. De komst van nieuwe producenten met een nominale capaciteit van ongeveer 480 000 ton leidde tot een aanzienlijke toename van de in West-Europa aanwezige produktiecapaciteit, die gedurende verschillende jaren niet gepaard ging met een overeenkomstige stijging van de vraag. Dit had een lage bezettingsgraad van de produktiecapaciteit tot gevolg, die echter tussen 1977 en 1983 geleidelijk weer aantrok, namelijk van 60 tot 90 %. Volgens de beschikking waren vraag en aanbod vanaf 1982 weer ongeveer in evenwicht. Dit neemt volgens de beschikking evenwel niet weg, dat de polypropyleenmarkt over het grootste deel van de onderzochte periode (1977-1983) werd gekenmerkt door hetzij een geringe rentabiliteit, hetzij aanzienlijke verliezen, die met name te wijten waren aan hoge vaste kosten en een stijging van de kosten van de grondstof, propyleen. Volgens punt 8 van de beschikking had Montepolimeri in 1983 18 % van de Europese polypropyleenmarkt in handen, hadden Imperial Chemical Industries plc, Shell International Chemical Company Ltd en Hoechst AG elk een marktaandeel van 11 %, nam Hercules Chemicals NV iets minder dan 6 % voor haar rekening, waren ATO Chimie SA, BASF AG, DSM NV, Chemische Werke Huels, Chemie Linz AG, Solvay & Cie SA en Saga Petrokjemi AS & Co. elk goed voor 3 à 5 % en had Petrofina SA een marktaandeel van ongeveer 2 %. Er zou een aanzienlijke handel in polypropyleen tussen de Lid-Staten hebben bestaan, omdat elk van de destijds in de Gemeenschap gevestigde producenten het produkt in de meeste, zoniet alle Lid-Staten verkocht.
3 ATO Chimie SA is een van de zeven producenten die in 1977 hun intrede op de markt deden. Zij was op de polypropyleenmarkt een kleine producent met een marktaandeel tussen 3,1 en 3,2 %
4 Op 13 en 14 oktober 1983 voerden ambtenaren van de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EEG-Verdrag (PB 1962, blz. 204, hierna: verordening nr. 17) tegelijkertijd verificaties uit bij de volgende ondernemingen die polypropyleen vervaardigen en de gemeenschappelijke markt bevoorraden:
- ATO Chimie SA, thans Atochem (hierna: ATO);
- BASF AG (hierna: BASF);
- DSM NV (hierna: DSM);
- Hercules Chemicals NV (hierna: Hercules);
- Hoechst AG (hierna: Hoechst);
- Chemische Werke Huels (hierna: Huels);
- Imperial Chemical Industries plc (hierna: ICI);
- Montepolimeri SpA, thans Montedipe (hierna: Monte);
- Shell International Chemical Company Ltd (hierna: Shell);
- Solvay & Cie SA (hierna: Solvay);
- BP Chimie (hierna: BP).
Er werden geen verificaties verricht bij Rhône-Poulenc SA (hierna: Rhône-Poulenc) en bij Enichem Anic SpA.
5 Na deze verificaties verzocht de Commissie voornoemde ondernemingen krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 om inlichtingen (hierna: het verzoek om inlichtingen). Een zelfde verzoek werd ook gericht tot de volgende ondernemingen:
- Amoco;
- Chemie Linz AG (hierna: Linz);
- Saga Petrokjemi AS & Co., thans een onderdeel van Statoil (hierna: Statoil);
- Petrofina SA (hierna: Petrofina);
- Enichem Anic SpA (hierna: Anic).
De in Oostenrijk gevestigde onderneming Linz betwistte de bevoegdheid van de Commissie en weigerde op het verzoek te antwoorden. Overeenkomstig artikel 14, lid 2, van verordening nr. 17 verrichtten ambtenaren van de Commissie vervolgens verificaties bij Anic en bij Saga Petrochemicals UK Ltd, de Engelse dochtermaatschappij van Saga, alsmede bij de verkoopkantoren van Linz in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. Rhône-Poulenc werd niet om inlichtingen verzocht.
6 Op grond van het in het kader van die verificaties en verzoeken om inlichtingen verzamelde materiaal kwam de Commissie tot de slotsom, dat de betrokken fabrikanten tussen 1977 en 1983 in strijd met artikel 85 EEG-Verdrag in het kader van een reeks "prijsinitiatieven" regelmatig richtprijzen hadden vastgesteld en een systeem van jaarlijkse controle van de verkochte hoeveelheden hadden opgezet, ten einde de beschikbare markt op basis van overeengekomen percentages of hoeveelheden onder elkaar te verdelen. Derhalve besloot de Commissie op 30 april 1984 de procedure van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 in te leiden en deed zij in mei van hetzelfde jaar een schriftelijke mededeling van punten van bezwaar toekomen aan alle genoemde ondernemingen, behalve Anic en Rhône-Poulenc. Alle adressaten dienden schriftelijke opmerkingen in.
7 Op 24 oktober 1984 had de door de Commissie aangewezen Raadadviseur-auditeur een ontmoeting met de juridisch adviseurs van de adressaten van de mededeling van de punten van bezwaar, ten einde bepaalde procedureafspraken te maken voor de in het kader van de administratieve procedure geplande hoorzitting, die op 12 november 1984 zou aanvangen. Tijdens die bijeenkomst kondigde de Commissie bovendien aan, dat zij, gelet op de argumenten die de ondernemingen in hun antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar hadden aangevoerd, hun weldra verdere documenten zou sturen ter aanvulling van het bewijsmateriaal betreffende de toepassing van prijsinitiatieven, waarover zij reeds beschikten. Zo zond zij de juridisch adviseurs van de ondernemingen op 31 oktober 1984 een bundel documenten bestaande uit kopieën van door de fabrikanten aan hun verkoopkantoren gezonden prijsinstructies alsmede uit notities met samenvattingen van die documenten. Ten einde de inachtneming van het zakengeheim te waarborgen, had de Commissie een aantal voorwaarden gesteld, waarvan de voornaamste was dat de verkoopafdelingen van de ondernemingen de betrokken documenten niet onder ogen mochten krijgen. De advocaten van verscheidene ondernemingen weigerden die voorwaarden te aanvaarden en zonden de documenten vóór de hoorzitting terug.
8 Gelet op de in de schriftelijke antwoorden op de mededeling van de punten van bezwaar verstrekte informatie, besloot de Commissie ook Anic en Rhône-Poulenc in de procedure te betrekken. Daartoe deed zij hun op 25 oktober 1984 een mededeling van punten van bezwaar toekomen die in grote lijnen overeenkwam met die welke naar de vijftien andere ondernemingen was gestuurd.
9 Een eerste reeks hoorzittingen vond plaats van 12 tot en met 20 november 1984. In die periode werden alle ondernemingen gehoord, met uitzondering van Shell (die had geweigerd aan de hoorzittingen deel te nemen), Anic, ICI en Rhône-Poulenc (die van mening waren dat zij hun dossier niet hadden kunnen voorbereiden).
10 Tijdens die eerste reeks hoorzittingen weigerden verscheidene ondernemingen in te gaan op de punten die aan de orde waren gesteld in de stukken die hun op 31 oktober 1984 waren toegezonden. Zij voerden hiertoe aan, dat de Commissie de zaak een heel andere draai had gegeven en dat zij toch ten minste in de gelegenheid moesten worden gesteld om schriftelijke opmerkingen te maken. Andere ondernemingen voerden aan, dat zij onvoldoende tijd hadden gehad om de betrokken stukken vóór de hoorzitting te bestuderen. Op 28 november 1984 zonden de advocaten van BASF, DSM, Hercules, Hoechst, ICI, Linz, Monte, Petrofina en Solvay de Commissie een gezamenlijk schrijven, waarin zij de genoemde bezwaren uiteenzetten. Bij schrijven van 4 december 1984 verklaarde Huels, dat zij zich bij dit standpunt aansloot.
11 Om die redenen deed de Commissie de ondernemingen op 29 maart 1985 een nieuwe reeks documenten toekomen, waarin door de ondernemingen aan hun verkoopkantoren gezonden prijsinstructies en -tabellen voorkwamen, alsmede een samenvatting van het bewijsmateriaal in verband met elk prijsinitiatief waaromtrent documenten beschikbaar waren. De ondernemingen werden uitgenodigd om opmerkingen te maken, zowel schriftelijk als tijdens een nieuwe reeks hoorzittingen. De Commissie deelde mee, dat de oorspronkelijke beperkingen met betrekking tot de openbaarmaking van het materiaal aan de verkoopafdelingen, werden ingetrokken.
12 In een ander schrijven van dezelfde datum reageerde de Commissie op het door de advocaten aangevoerde argument, dat zij het beweerde kartel juridisch niet duidelijk had afgebakend in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, en nodigde zij de ondernemingen uit om schriftelijke en mondelinge opmerkingen te maken.
13 Een tweede reeks hoorzittingen vond plaats van 8 tot en met 11 juli 1985 en op 25 juli 1985. Anic, ICI en Rhône-Poulenc dienden in deze tweede periode hun opmerkingen in; de andere ondernemingen (met uitzondering van Shell) maakten opmerkingen ten aanzien van de punten die de Commissie in de twee brieven van 29 maart 1985 aan de orde had gesteld.
14 Het concept van het proces-verbaal van de hoorzittingen werd, te zamen met de andere relevante stukken, op 19 november 1985 aan de leden van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities gezonden (hierna: het Adviescomité), en op 25 november daaraanvolgend aan de ondernemingen. Het Adviescomité bracht zijn advies uit tijdens zijn 170e bijeenkomst, op 5 en 6 december 1985.
15 Aan het einde van deze procedure gaf de Commissie de litigieuze beschikking van 23 april 1986, waarvan het dispositief luidt als volgt:
"Artikel 1
Anic SpA, ATO Chemie SA (thans Atochem), BASF AG, DSM NV, Hercules Chemicals NV, Hoechst AG, Chemische Werke Huels (thans Huels AG), ICI plc, Chemische Werke Linz, Montepolimeri SpA (thans Montedipe), Petrofina SA, Rhône-Poulenc SA, Shell International Chemical Company Ltd., Solvay & Cie en Saga Petrokjemi AG & Co (thans deel uitmakend van Statoil) hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag, door deel te nemen:
- in het geval van Anic, vanaf omstreeks november 1977 tot een tijdstip tegen het einde van 1982 of in het begin van 1983,
- in het geval van Rhône-Poulenc, vanaf omstreeks november 1977 tot einde 1980,
- in het geval van Petrofina, van 1980 tot ten minste november 1983,
- in het geval van Hoechst, ICI, Montepolimeri en Shell, vanaf omstreeks halverwege 1977 tot ten minste november 1983,
- in het geval van Hercules, Linz, (Solvay) en Saga, vanaf omstreeks november 1977 tot ten minste november 1983,
- in het geval van ATO, vanaf ten minste 1978 tot ten minste november 1983,
- in het geval van BASF, DSM en Huels, vanaf een tijdstip tussen 1977 en 1979 tot ten minste november 1983,
aan een midden 1977 gesloten overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen krachtens welke de producenten die polypropyleen op het grondgebied van de EEG aanbieden:
a) met elkaar in contact traden en regelmatig (vanaf begin 1981, tweemaal per maand) in een reeks geheime vergaderingen bijeenkwamen om hun commercieel beleid te bespreken en te bepalen;
b) van tijd tot tijd voor de verkoop van het produkt in elke Lid-Staat van de EEG 'richt' - (of minimum)prijzen bepaalden;
c) verschillende maatregelen overeenkwamen waarmede de toepassing van dergelijke richtprijzen moest worden vergemakkelijkt, met inbegrip van (hoofdzakelijk) tijdelijke beperkingen van de produktie, de uitwisseling van gedetailleerde informatie over hun leveringen, het houden van plaatselijke vergaderingen, en tegen het einde van 1982 een systeem van 'account management' bedoeld om prijsverhogingen voor individuele klanten toe te passen;
d) gelijktijdig hun prijzen verhoogden met het oog op de toepassing van de genoemde richtprijzen;
e) de markt verdeelden door aan elke producent een jaarlijks doel of 'quotum' voor de verkoop toe te kennen (1979, 1980 en voor ten minste een gedeelte van 1983) of bij gebreke van een definitieve zich over het gehele jaar uitstrekkende overeenkomst door van de producenten een beperking te eisen van hun verkoop in elke maand in vergelijking met een voorafgaande periode (1981, 1982).
Artikel 2
De in artikel 1 genoemde ondernemingen moeten de genoemde inbreuken onverwijld beëindigen (indien zij dit niet reeds hebben gedaan) en zich voortaan onthouden van overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die hetzelfde of een soortgelijk doel of gevolg kunnen hebben, met inbegrip van enigerlei uitwisseling van informatie van het type dat gewoonlijk onder het zakengeheim valt en waardoor de deelnemers rechtstreeks of zijdelings in kennis worden gesteld van de produktie, leveranties, voorraden, verkoopprijzen, kosten of investeringen of van iedere uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst of onderling afgestemde gedraging met betrekking tot prijzen of het verdelen van de markten in de EEG. Elke regeling voor de uitwisseling van algemene informatie waaraan de producenten deelnemen (zoals bij voorbeeld Fides) zal op een wijze worden toegepast dat daarvan elke informatie is uitgesloten waaruit het gedrag van individuele producenten kan worden afgeleid; de ondernemingen onthouden zich meer in het bijzonder van de onderlinge uitwisseling van enigerlei aanvullende informatie die voor de mededinging relevant is en niet onder een dergelijke regeling valt.
Artikel 3
Aan de in deze beschikking genoemde ondernemingen worden wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuken de volgende geldboeten opgelegd:
i) Anic SpA, 750 000 ECU, dat is 1 103 692 500 LIT;
ii) Atochem, 1 750 000 ECU, dat is 11 973 325 FF;
iii) BASF AG, 2 500 000 ECU, dat is 5 362 225 DM;
iv) DSM NV, 2 750 000 ECU, dat is 6 657 640 HFL;
v) Hercules Chemicals NV, 2 750 000 ECU, dat is 120 569 620 BFR;
vi) Hoechst AG, 9 000 000 ECU, dat is 19 304 010 DM;
vii) Huels AG, 2 750 000 ECU, dat is 5 898 447,50 DM;
viii) ICI PLC, 10 000 000 ECU; dat is 6 447 970 UKL;
ix) Chemische Werke Linz, 1 000 000 ECU, dat is 1 471 590 000 LIT;
x) Montedipe, 11 000 000 ECU, dat is 16 187 490 000 LIT;
xi) Petrofina SA, 600 000 ECU, dat is 26 306 100 BFR;
xii) Rhône-Poulenc SA, 500 000 ECU, dat is 3 420 950 FF;
xiii) Shell International Chemical Company Ltd, 9 000 000 ECU, dat is 5 803 173 UKL;
xiv) Solvay & Cie, 2 500 000 ECU, dat is 109 608 750 BFR;
xv) Statoil Den Norske Stats Oljeselskap AS (die nu Saga Petrokjemi omvat), 1 000 000 ECU, dat is 644 797 UKL.
Artikelen 4 en 5
(omissis)"
16 Op 8 juli 1986 werd de ondernemingen de definitieve tekst van het proces-verbaal van de hoorzittingen met de door deze verlangde wijzigingen, toevoegingen en weglatingen toegezonden.
Het procesverloop
17 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 25 juli 1986, heeft verzoekster het onderhavige beroep tot nietigverklaring van de beschikking ingesteld. Dertien van de veertien andere adressaten van de beschikking hebben eveneens beroep tot nietigverklaring ingesteld (zaken T-1/89, T-2/89, T-4/89 en T-6/89 tot en met T-15/89).
18 De schriftelijke procedure is geheel voor het Hof afgewikkeld.
19 Bij beschikking van 15 november 1989 heeft het Hof de onderhavige zaak alsmede de dertien andere zaken krachtens artikel 14 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (hierna: besluit van de Raad van 24 oktober 1988) naar het Gerecht verwezen.
20 Krachtens artikel 2, lid 3, van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 heeft de president van het Gerecht een advocaat-generaal aangewezen.
21 Bij schrijven van 3 mei 1990 heeft de griffier van het Gerecht partijen uitgenodigd voor een informele bijeenkomst ten einde de organisatie van de mondelinge behandeling vast te leggen. Deze bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 28 juni 1990.
22 Bij schrijven van 9 juli 1990 heeft de griffier van het Gerecht partijen verzocht, opmerkingen te maken over de eventuele voeging van de zaken T-1/89 tot en met T-4/89 en T-6/89 tot en met T-15/89 voor de mondelinge behandeling. Geen der partijen heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
23 Bij beschikking van 25 september 1990 heeft het Gerecht voornoemde zaken wegens hun verknochtheid voor de mondelinge behandeling gevoegd overeenkomstig artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat toen ingevolge artikel 11, derde alinea, van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 van overeenkomstige toepassing was op de procedure voor het Gerecht.
24 Bij beschikking van 15 november 1990 heeft het Gerecht zich uitgesproken over de door verzoeksters in de zaken T-2/89, T-3/89, T-9/89, T-11/89, T-12/89 en T-13/89 ingediende verzoeken om vertrouwelijke behandeling, waarin het gedeeltelijk heeft bewilligd.
25 Bij tussen 9 oktober en 29 november 1990 ter griffie van het Gerecht neergelegde brieven hebben partijen geantwoord op de hun bij brieven van de griffier van 19 juli door het Gerecht gestelde vragen.
26 Gelet op de antwoorden op zijn vragen heeft het Gerecht, op rapport van de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
27 Tijdens de van 10 tot en met 15 december 1990 gehouden terechtzitting zijn partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij vragen van het Gerecht beantwoord.
28 De advocaat-generaal is in zijn conclusie gehoord ter terechtzitting van 10 juli 1991.
Conclusies van partijen
29 Atochem SA concludeert dat het het Gerecht behage:
- te verklaren dat de vennootschap Atochem geen inbreuk heeft gemaakt op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag;
- nietig te verklaren de beschikking van 23 april 1986, waarbij de Commissie verzoekster een ongeoorloofde gedraging heeft verweten en haar een geldboete heeft opgelegd;
- voor het onwaarschijnlijke geval, dat het van mening mocht zijn dat het gedrag van Atochem onder de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag valt, en mocht vaststellen dat artikel 85, lid 3, zonder aanmelding niet op haar kan worden toegepast, gelet op bovenvermelde feiten tot een aanzienlijke verlaging van de opgelegde geldboete te besluiten.
De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
Ten gronde
30 Het Gerecht is van mening, dat verzoeksters middelen in de hierna beschreven volgorde moeten worden onderzocht: in de eerste plaats het middel inzake schending van het recht van verweer: de Commissie zou zich op onbetrouwbaar bewijsmateriaal hebben gebaseerd; in de tweede plaats de middelen inzake de vaststelling van de inbreuk, die enerzijds betrekking hebben op de door de Commissie vastgestelde feiten (1), en anderzijds op de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag op die feiten (2); in de derde plaats de middelen betreffende de motivering van de beschikking: de motivering zou niet-geïndividualiseerd (1) en ontoereikend (2) zijn; en in de vierde plaats de middelen betreffende de vaststelling van de geldboete: de geldboete zou niet in verhouding staan tot de zwaarte van de gestelde inbreuk.
Het recht van verweer
31 Verzoekster betoogt, dat de bij ICI in beslag genomen interne stukken, waarop de Commissie zich volledig baseert, jegens haar geen bewijskracht hebben. Die beweerde verslagen van bijeenkomsten van polypropyleenproducenten zijn moeilijk te ontcijferen handgeschreven aantekeningen, die het karakter hebben van persoonlijke notities van een overigens onbekend auteur. Bedoelde stukken kunnen niet worden gelijkgesteld met objectieve verslagen van bijeenkomsten, waarin de werkelijke standpunten van de aanwezigen worden weergegeven. Door bij voorbaat aan te nemen, dat die stukken de bijeenkomsten nauwkeurig weergeven, brengt de Commissie de producenten in de onmogelijke positie, dat zij iets negatiefs moeten bewijzen, dat wil zeggen moeten aantonen dat bepaalde uitspraken niet zijn gedaan en bepaalde afspraken niet zijn gemaakt.
32 De Commissie stelt dat zij geen gegronde reden heeft om de betrouwbaarheid van de bij ICI in beslag genomen stukken in twijfel te trekken. Bovendien betwist ATO niet, dat bij andere producenten - waaronder ATO zelf - aangetroffen documenten de in de verslagen van ICI vermelde feiten lijken te bevestigen, ofschoon de Commissie haar daartoe wel heeft uitgedaagd.
33 De Commissie voegt hieraan nog toe, dat verzoekster, om staande te kunnen houden dat zij het slachtoffer is geworden van een soort vermoeden van schuld, stilzwijgend voorbijgaat aan een aantal door de Commissie aangedragen bewijzen en de beschikking op onvolledige, selectieve of onjuiste wijze analyseert.
34 Volgens de rechtspraak van het Hof (arrest van 28 maart 1984, gevoegde zaken 29/83 en 30/83, CRAM en Rheinzink, Jurispr. 1984, blz. 1679, r.o. 16), zo besluit de Commissie, staat het aan ATO om voor de verklaring die de Commissie op basis van het omvangrijke door haar ingebrachte bewijsmateriaal voor de feiten heeft gegeven - en die het meest sluitend en aannemelijk is -, een andere verklaring in de plaats te stellen.
35 Het Gerecht merkt om te beginnen op, dat van de meeste van de van ICI afkomstige verslagen van bijeenkomsten bekend is door wie zij zijn opgesteld, daar ICI dit heeft meegedeeld in antwoord op het verzoek om inlichtingen, dat als bijlage 8 bij de algemene mededeling van de punten van bezwaar (hierna: bijl. a.b.) was gevoegd.
36 Bovendien wordt de inhoud van die verslagen bevestigd door diverse documenten, zoals een aantal tabellen met cijfers betreffende de door de verschillende producenten verkochte hoeveelheden - waarvan er enkele bij verzoekster zijn aangetroffen - alsmede prijsinstructies, die qua bedrag en datum van inwerkingtreding overeenstemmen met de in die notities genoemde richtprijzen. Ook wordt de inhoud van deze verslagen over het geheel genomen bevestigd door de antwoorden die de verschillende ondernemingen op de verzoeken om inlichtingen van de Commissie hebben gegeven.
37 Derhalve kon de Commissie ervan uitgaan, dat de bij ICI aangetroffen verslagen van bijeenkomsten vrij objectief weergaven wat er was besproken op die bijeenkomsten, die werden voorgezeten door verschillende personeelsleden van ICI, waardoor het voor dezen des te meer noodzakelijk was, hun collega' s die op bepaalde bijeenkomsten niet aanwezig waren geweest, door middel van verslagen juiste informatie te verschaffen over hetgeen op die bijeenkomsten aan de orde was geweest.
38 Onder deze omstandigheden staat het aan verzoekster om aan hetgeen tijdens de door haar bijgewoonde bijeenkomsten is besproken, een andere uitlegging te geven. Hiertoe moet zij met nauwkeurige bewijzen komen, zoals bij voorbeeld door haar personeelsleden tijdens de bijeenkomsten gemaakte aantekeningen of getuigenverklaringen van personeelsleden die de bijeenkomsten hebben bijgewoond. Vastgesteld moet worden, dat verzoekster dergelijk bewijsmateriaal niet heeft ingebracht noch heeft aangeboden zulks te doen.
39 Bovendien kan de vraag of de Commissie zich op een algemeen vermoeden van schuld heeft gebaseerd, niet worden onderscheiden van de vraag of de door de Commissie in de beschikking vastgestelde feiten worden gestaafd door het door haar ingebrachte bewijsmateriaal. Deze vraag, die de grond van de zaak betreft en verband houdt met de vaststelling van de inbreuk, moet te zamen met de overige vragen in verband met de vaststelling van de inbreuk worden behandeld.
De vaststelling van de inbreuk
40 Volgens punt 80, eerste alinea, van de beschikking zijn de producenten die polypropyleen in de Gemeenschap verkochten, vanaf 1977 partij geweest bij een geheel complex van stelsels, regelingen en maatregelen waartoe in het kader van een systeem van geregelde bijeenkomsten en voortdurende contacten werd besloten. De algemene opzet van de producenten - aldus punt 80, tweede alinea van de beschikking - was bijeen te komen om overeenstemming te bereiken over specifieke onderwerpen.
41 Onder deze omstandigheden moet om te beginnen worden nagegaan, of de Commissie haar feitelijke vaststellingen met betrekking tot het stelsel van periodieke bijeenkomsten (A), de prijsinitiatieven (B), de maatregelen om de toepassing van de prijsinitiatieven te vergemakkelijken (C) en de vaststelling van streefhoeveelheden en quota (D) rechtens genoegzaam heeft bewezen; daarbij zullen achtereenvolgens de inhoud van de bestreden handeling (a), de argumenten van partijen (b) en de beoordeling door het Gerecht (c) worden gegeven. Vervolgens wordt de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag op die feiten onderzocht.
1. De feitelijke vaststellingen
A - Het stelsel van periodieke bijeenkomsten
a) Bestreden handeling
42 In punt 18, eerste en derde alinea, van de beschikking wordt gesteld, dat ATO aan het stelsel van periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten heeft deelgenomen door het regelmatig bijwonen van de bijeenkomsten die van 1978 tot ten minste eind september 1983 werden gehouden (punt 105, vierde alinea). Dit kan volgens de beschikking worden afgeleid uit het door ATO gegeven antwoord op het verzoek om inlichtingen, waarin deze zou hebben toegegeven de bijeenkomsten vanaf 1978 te hebben bijgewoond (punt 78, vierde alinea, noot 1).
43 Volgens punt 21 van de beschikking hadden die periodieke bijeenkomsten vooral ten doel, richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen en toezicht te houden op de naleving daarvan door de producenten.
b) Argumenten van partijen
44 Verzoekster ontkent niet dat zij aan de bijeenkomsten heeft deelgenomen, doch is van mening dat die deelneming niet de betekenis had die de Commissie eraan toekent, voor zover daarbij in geen enkel opzicht de bedoeling voorzat de mededinging te beperken, getuige haar concurrerende marktgedrag ter zake van zowel de prijzen als de verkoophoeveelheden. Zij nam enkel aan de gewraakte bijeenkomsten deel om een uitwisseling van informatie mogelijk te maken en langs die weg een beter inzicht in de toekomstige marktontwikkeling te krijgen.
45 Volgens de Commissie staat vast, dat verzoekster heeft deelgenomen aan bijeenkomsten van producenten, die erop gericht waren de mededinging te beperken.
46 Over het doel van de bijeenkomsten heeft ATO zich in de loop van de procedure verschillend uitgelaten. Aanvankelijk verklaarde zij, dat die bijeenkomsten louter bedoeld waren voor de uitwisseling van statistische of technische gegevens. Later stelde zij, dat op de bijeenkomsten werd gesproken over de mogelijkheid optimale streefhoeveelheden vast te stellen, die echter nooit zijn bereikt. In haar verzoekschrift ten slotte betoogt zij, dat de producenten niet eens hebben geprobeerd op enigerlei punt overeenstemming te bereiken, doch enkel elkaar over en weer en zonder tegenprestatie over hun toekomstig marktgedrag hebben ingelicht. Volgens de Commissie blijkt uit de duidelijke bewoordingen van de door haar bijeengebrachte bewijsstukken, dat er wel degelijk sprake was van een kartel.
47 Verzoeksters bewering, dat zij aan de bijeenkomsten deelnam zonder de bedoeling de mededinging te beperken, is volgens de Commissie irrelevant. De enkele omstandigheid dat er op de door verzoekster bijgewoonde bijeenkomsten door concurrerende ondernemingen werd gesproken over de te verwachten en/of nagestreefde prijzen en quota, duidt er immers op dat er in elk geval sprake was van overleg met het oog op een beperking van de mededinging.
c) Beoordeling door het Gerecht
48 Het Gerecht stelt in de eerste plaats vast, dat verzoekster zowel in haar antwoord op het verzoek om inlichtingen (bijlage 1 bij de tot ATO gerichte individuele mededeling van de punten van bezwaar; hierna: bijl. i.b. ATO) als in haar bij het Gerecht neergelegde memories heeft verklaard, "van 1978 tot 1983 een aantal bijeenkomsten met andere producenten te hebben bijgewoond", en in de tweede plaats, dat zij volgens het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.) een van de regelmatige deelnemers aan de bijeenkomsten was. Uit deze elementen, in onderlinge samenhang bezien, heeft de Commissie terecht afgeleid, dat verzoekster aanwezig was op de bijeenkomsten die volgens de beschikking vanaf 1978 werden gehouden (zie met name de punten 18 en 29 alsmede tabel 3).
49 Het Gerecht is van mening, dat de Commissie zich op basis van de door ICI in haar antwoord op het verzoek om inlichtingen verstrekte gegevens, die door talrijke verslagen van bijeenkomsten zijn bevestigd, terecht op het standpunt heeft gesteld, dat de bijeenkomsten vooral ten doel hadden, richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen. In dat antwoord van ICI komen namelijk de volgende passages voor: "Generally speaking however, the concept of recommending 'Target prices' was developed during the early meetings which took place in 1978"; "' Target prices' for the basic grade of each principal category of polypropylene as proposed by producers from time to time since 1 January 1979 are set forth in Schedule (...)"; en "A number of proposals for the volume of individual producers were discussed at meetings" (("Globaal gesproken, is het idee om 'richtprijzen' aan te bevelen tijdens de eerste bijeenkomsten in 1978 gerijpt"; de 'richtprijzen' die vanaf 1 januari 1979 van tijd tot tijd door producenten voor de basiskwaliteit van elk van de belangrijkste categorieën polypropyleen zijn voorgesteld, zijn weergegeven in bijlage (...)"; en "Een aantal voorstellen betreffende de hoeveelheden van individuele producenten werd tijdens bijeenkomsten besproken")).
50 Waar ICI in haar antwoord op het verzoek om inlichtingen verklaart, dat er vanaf eind 1978 of begin 1979 naast de bijeenkomsten van "bosses" ook bijeenkomsten van "experts" op het gebied van marketing plaatsvonden, kan uit dat antwoord bovendien worden opgemaakt, dat de discussies over de vaststelling van richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen steeds concretere en preciezere vormen aannamen, terwijl de "bosses" zich in 1978 ertoe hadden beperkt, het idee van de richtprijzen uit te werken.
51 Behalve de voorgaande passages bevat het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen ook de volgende mededeling: "Only 'Bosses' and 'Experts' meetings came to be held on a monthly basis" ("alleen de bijeenkomsten van 'bosses' en 'experts' vonden maandelijks plaats"). Gelet op dat antwoord en gezien het feit dat de bijeenkomsten hetzelfde karakter en hetzelfde doel hadden, mocht de Commissie uit dit antwoord afleiden, dat deze deel uitmaakten van een stelsel van periodieke bijeenkomsten.
52 Met betrekking tot verzoeksters bewering, dat bij haar deelneming aan de bijeenkomsten in geen enkel opzicht de bedoeling voorzat de mededinging te beperken, moet worden opgemerkt dat verzoekster, nu vaststaat dat zij die bijeenkomsten heeft bijgewoond en dat deze vooral tot doel hadden, richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen, bij haar concurrenten op zijn minst de indruk heeft gewekt, met dezelfde ingesteldheid aan de bijeenkomsten te hebben deelgenomen als zij.
53 Onder deze omstandigheden staat het aan verzoekster om elementen aan te voeren waaruit blijkt, dat zij de bijeenkomsten heeft bijgewoond zonder enige bedoeling de mededinging te beperken. Daarbij zal zij moeten aantonen, dat zij met die deelneming iets anders voorhad dan haar concurrenten en dat deze laatsten hiervan op de hoogte waren.
54 De argumenten die verzoekster aan haar marktgedrag ontleent en waarmee zij wil aantonen, dat zij de bijeenkomsten enkel bijwoonde om inzicht in de toekomstige marktontwikkeling te krijgen, zijn geen elementen waaruit blijkt dat zij in geen enkel opzicht de bedoeling had de mededinging te beperken. Zij komt immers met geen enkel element waaruit kan worden opgemaakt, dat haar concurrenten wisten dat zij zich bij haar marktgedrag niet zou laten leiden door de op de bijeenkomsten gemaakte afspraken. Ook al hadden haar concurrenten dat wel geweten, de enkele omstandigheid dat verzoekster van hen informatie trachtte te verkrijgen die een onafhankelijke ondernemer koste wat kost als zakengeheim voor zich pleegt te houden, geeft reeds blijk van de bedoeling de mededinging te beperken.
55 Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen, dat verzoekster van 1978 tot september 1983 regelmatig heeft deelgenomen aan de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten, dat die bijeenkomsten inzonderheid ten doel hadden richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen en stelselmatig plaatsvonden, en dat verzoekster die bijeenkomsten wel degelijk bijwoonde met de bedoeling de mededinging te beperken.
B - De prijsinitiatieven
a) Bestreden handeling
56 Volgens de beschikking (punten 28 tot en met 51) zijn er in elk geval zes prijsinitiatieven geweest, gericht op het stelselmatig vaststellen van richtprijzen: het eerste van juli tot en met december 1979, het tweede van januari tot en met mei 1981, het derde van augustus tot en met december 1981, het vierde in juni en juli 1982, het vijfde van september tot en met november 1982, en het zesde van juli tot en met november 1983.
57 Met betrekking tot het eerste prijsinitiatief merkt de Commissie in punt 29 van de beschikking op, dat er geen nader bewijsmateriaal voorhanden is van bijeenkomsten of prijsinitiatieven in het eerste deel van 1979. Uit een aantekening over een op 26 en 27 september 1979 gehouden bijeenkomst zou echter blijken, dat een prijsinitiatief in het voornemen lag op basis van een prijs voor raffiakwaliteit van 1,90 DM/kg vanaf 1 juli en 2,05 DM/kg vanaf 1 september. De Commissie beschikt over prijsinstructies van bepaalde producenten, waaronder ATO, waaruit blijkt dat die producenten hun verkoopkantoren instructies hadden gegeven, dit prijsniveau of het equivalent daarvan in nationale valuta toe te passen met ingang van 1 september. De meeste van die instructies zijn gegeven vóór de bekendmaking van de voorgenomen verhoging in de vakpers (punt 30 van de beschikking).
58 Aangezien het moeilijk bleek te zijn, de prijzen te verhogen, hebben de producenten echter op de bijeenkomst van 26 en 27 september 1979 besloten, de datum voor de invoering van de richtprijs met enkele maanden te verschuiven, en wel naar 1 december 1979, waarbij volgens het nieuwe programma de toen geldende prijsniveaus nog moesten worden "aangehouden" gedurende de maand oktober, met de mogelijkheid van een tussentijdse gedeeltelijke stijging (tot 1,90 of 1,95 DM/kg) in november (punt 31, eerste en tweede alinea, van de beschikking).
59 Met betrekking tot het tweede prijsinitiatief vermeldt punt 32 van de beschikking, dat over 1980 geen aantekeningen werden verkregen over de bijeenkomsten, hoewel in dat jaar ten minste zeven vergaderingen van fabrikanten werden gehouden (hiervoor wordt verwezen naar tabel 3 van de beschikking). Ofschoon de vakpers in het begin van het jaar had geschreven, dat de fabrikanten voor een sterke prijsstijging in 1980 waren, zijn de marktprijzen aanzienlijk gedaald - tot het niveau van 1,20 DM/kg of minder - alvorens ze zich rond september van dat jaar begonnen te stabiliseren. Uit door een aantal producenten (DSM, Hoechst, Linz, Monte, Saga en ICI) verzonden prijsinstructies blijkt, dat met het oog op herstel van het prijsniveau doelen werden gesteld voor december 1980 tot en met januari 1981, gebaseerd op een prijs van 1,50 DM/kg voor raffia, 1,70 DM/kg voor homopolymeer en 1,95 DM-2,00 DM/kg voor copolymeer. In een intern document van Solvay is een tabel opgenomen, waarin de in oktober en november 1980 "werkelijk toegepaste prijzen" worden vergeleken met hetgeen de "catalogusprijzen" voor januari 1981 van 1,50/1,70/2,00 DM worden genoemd. Oorspronkelijk was het de bedoeling geweest, deze niveaus toe te passen met ingang van 1 december 1980 - van 13 tot 15 oktober vond te Zuerich een bijeenkomst plaats -, maar het initiatief werd uitgesteld tot 1 januari 1981.
60 Volgens punt 33 van de beschikking nam ATO in januari 1981 deel aan twee bijeenkomsten, waarop werd besloten dat de in december 1980 vastgestelde prijsstijging, gebaseerd op een raffiaprijs van 1,75 DM/kg - die op 1 februari 1981 van kracht zou moeten worden -, in twee etappes moest worden doorgevoerd: de richtprijs voor februari bleef 1,75 DM/kg en de prijs van 2,00 DM/kg moest "zonder uitzondering" worden ingevoerd met ingang van 1 maart. Er werd een tabel opgesteld van de richtprijzen in de zes nationale valuta' s voor de zes voornaamste kwaliteiten, die op 1 februari en 1 maart 1981 van kracht moesten worden.
61 Volgens punt 34 van de beschikking scheen het voornemen om de prijs op 1 maart op te trekken tot 2,00 DM/kg, geen succes te hebben gehad. De fabrikanten wijzigden hun verwachtingen en hoopten het niveau van 1,75 DM/kg in maart te bereiken. Op 25 maart 1981 werd in Amsterdam een bijeenkomst van "experts" gehouden, waarvan geen verslag bewaard is gebleven. Onmiddellijk daarna gaven in elk geval BASF, DSM, ICI, Monte en Shell instructies om de richtprijzen (of "catalogusprijzen") met ingang van 1 mei op te trekken tot het equivalent van 2,15 DM/kg voor raffia. Hoechst gaf precies dezelfde instructies voor 1 mei, doch ongeveer vier weken na de andere fabrikanten. Enkele fabrikanten stonden hun verkoopkantoren een zekere soepelheid toe voor de toepassing van minimum- of bodemprijzen die iets beneden de overeengekomen richtprijzen lagen. Gedurende de eerste helft van 1981 zijn de prijzen aanzienlijk gestegen, maar ondanks het feit dat de verhoging van 1 mei door de fabrikanten sterk werd gesteund, hield die opwaartse beweging geen stand. Tegen het midden van 1981 liepen de fabrikanten vooruit op ofwel een stabilisatie van het prijsniveau of zelfs een neerwaartse beweging, aangezien de vraag in de zomer was afgenomen.
62 Met betrekking tot het derde prijsinitiatief vermeldt de beschikking (punt 35), dat Shell en ICI reeds in juni 1981, toen duidelijk werd dat de prijsstijging van het eerste kwartaal afnam, een nieuw prijsinitiatief hadden gepland voor september/oktober 1981. Shell, ICI en Monte kwamen op 15 juni 1981 bijeen om te bespreken hoe op de markt hogere prijzen konden worden toegepast. Binnen enkele dagen na die bijeenkomst gaven ICI en Shell beide hun verkoopkantoren opdracht, de markt voor te bereiden op een aanzienlijke stijging in september, op grond van een nieuwe prijs van 2,30 DM/kg voor raffia. Op 17 juli 1981 herinnerde Solvay haar verkoopkantoor in de Benelux eraan, dat het de klanten ervan moest verwittigen dat op 1 september een aanzienlijke prijsverhoging van kracht zou worden, waarvan het precieze bedrag in de laatste week van juli zou worden vastgesteld, terwijl er voor 28 juli 1981 een bijeenkomst van experts was gepland. Het oorspronkelijke voornemen om de prijs te verhogen tot 2,30 DM/kg in september 1981 werd waarschijnlijk op die bijeenkomst herzien; het niveau voor augustus zou weer 2,00 DM/kg voor raffia bedragen. In september zou de prijs 2,20 DM/kg hebben moeten bedragen. Een met de hand geschreven nota die bij Hercules werd verkregen en gedateerd was op 29 juli 1981 (de dag na de bijeenkomst, die Hercules in geen geval bijwoonde), bevat een overzicht van deze prijzen als zijnde de "officiële" prijzen voor augustus en september, waarbij in cryptische bewoordingen naar de bron van die informatie wordt verwezen. Op 4 augustus vond weer een bijeenkomst plaats te Genève en op 21 augustus 1981 te Wenen. Na deze bijeenkomsten werden door de fabrikanten nieuwe instructies gegeven om met ingang van 1 oktober naar een prijs van 2,30 DM/kg toe te gaan. BASF, DSM, Hoechst, ICI, Monte en Shell gaven nagenoeg eensluidende prijsinstructies met het oog op de invoering van deze prijzen in september en oktober.
63 Volgens punt 36 van de beschikking werd het plan opgevat om in de loop van september en oktober 1981 te gaan in de richting van een "basisprijs"-niveau van 2,20-2,30 DM/kg voor raffia. Uit een document van Shell blijkt, dat oorspronkelijk een nog verdere etappegewijze verhoging tot 2,50 DM/kg op 1 november ter sprake was gebracht, waarvan men echter vervolgens had afgezien. Uit rapporten van de diverse fabrikanten blijkt, dat in september de prijzen stegen en dat die stijging tot in oktober 1981 bleef doorgaan, waarbij uiteindelijk marktprijzen werden bereikt van ongeveer 2,00-2,10 DM/kg voor raffia. Uit een nota van Hercules blijkt, dat in december 1981 de richtprijs van 2,30 DM/kg naar beneden werd bijgesteld tot het meer realistische bedrag van 2,15 DM/kg. In die nota werd echter tevens gesteld, dat "door algemene vastberadenheid de prijzen stegen tot 2,05 DM/kg, welke prijzen nog nooit zo dicht hadden gelegen bij de openbaar gemaakte (sic!) richtprijzen". Tegen het einde van 1981 werd in de vakpers melding gemaakt van polypropyleenmarktprijzen van 1,95-2,10 DM/kg voor raffia, ongeveer 20 Pfennig beneden de richtprijs van de fabrikanten. Vermeld werd, dat de produktiecapaciteit werd benut voor een "gezonde" 80 %.
64 Het vierde prijsinitiatief (juni/juli 1982) vond plaats in het kader van het herstel van het evenwicht tussen vraag en aanbod op de markt. Tot dat initiatief was besloten tijdens de op 13 mei 1982 gehouden bijeenkomst van fabrikanten, die door ATO werd bijgewoond. Tijdens die bijeenkomst werd een gedetailleerde tabel opgesteld met richtprijzen voor 1 juni, waarin de prijzen voor de verschillende kwaliteiten polypropyleen werden aangegeven in de diverse nationale valuta' s (2,00 DM/kg voor raffia; punten 37 tot en met 39, eerste alinea, van de beschikking).
65 Na de bijeenkomst van 13 mei 1982 gaven ATO, BASF, Hoechst, Hercules, Huels, ICI, Linz, Monte en Shell prijsinstructies die, op enkele onbelangrijke uitzonderingen na, overeenkwamen met de tijdens de bijeenkomst vastgestelde richtprijzen (punt 39, tweede alinea, van de beschikking). Toen zij op 9 juni 1982 bijeenkwamen, konden de fabrikanten slechts bescheiden prijsverhogingen rapporteren.
66 Volgens de beschikking (punt 40) nam verzoekster ook deel aan het vijfde prijsinitiatief (september/november 1982), waartoe tijdens de bijeenkomst van 20 en 21 juli 1982 was besloten en dat erop gericht was, de prijs te verhogen tot 2,00 DM/kg op 1 september en tot 2,10 DM/kg op 1 oktober. ATO was aanwezig op de meeste, zo niet alle bijeenkomsten die van juli tot november 1982 zijn gehouden en waarop genoemd prijsinitiatief is gepland en gevolgd (punt 45 van de beschikking). Tijdens de bijeenkomst van 20 augustus 1982 werd de voor 1 september geplande prijsverhoging uitgesteld tot 1 oktober en die beslissing werd op de bijeenkomst van 2 september 1982 bevestigd (punt 41 van de beschikking).
67 Na de bijeenkomsten van 20 augustus en 2 september 1982 gaven ATO, DSM, Hercules, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte en Shell prijsinstructies die overeenkwamen met de tijdens die bijeenkomsten voorgestelde richtprijs (punt 43 van de beschikking).
68 Volgens de beschikking (punt 44) vond er op 21 september 1982 een - ook door verzoekster bijgewoonde - bijeenkomst plaats, waarop werd gesproken over de stappen die waren genomen om het eerder vastgestelde doel te bereiken. Er bleek algemene instemming te bestaan over een voorstel om de prijs met ingang van november/december 1982 te verhogen tot 2,10 DM/kg. Die verhoging was definitief geworden op de bijeenkomst van 6 oktober 1982.
69 Na de bijeenkomst van 6 oktober 1982 gaven BASF, DSM, Hercules, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte, Shell en Saga prijsinstructies om de overeengekomen verhoging toe te passen (punt 44, tweede alinea, van de beschikking).
70 In navolging van BASF, DSM, Hercules, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte en Saga verstrekte verzoekster de aan haar plaatselijke verkoopkantoren gegeven prijsinstructies aan de Commissie. De verschillende prijsinstructies komen qua bedrag en tijdstip niet alleen met elkaar overeen, maar ook met de tabel van richtprijzen die aan het door ICI opgestelde verslag van de "experts"-bijeenkomst van 2 september 1982 was gehecht (punt 45, tweede alinea, van de beschikking).
71 Tijdens de bijeenkomst van december 1982 werd overeengekomen, dat het voor november/december gestelde streefniveau tegen eind januari 1983 moest zijn ingevoerd (punt 46, tweede alinea, van de beschikking).
72 Volgens punt 47 van de beschikking heeft verzoekster tot slot ook aan het zesde prijsinitiatief (juli/november 1983) deelgenomen. Tijdens de bijeenkomst van 3 mei 1983 werd overeengekomen, dat de fabrikanten zouden trachten in juni 1983 een richtprijs van 2,00 DM/kg te berekenen. Op de bijeenkomst van 20 mei 1983 werd dit aanvankelijk gestelde doel echter uitgesteld tot september en werd als tussenstap een doel van 1,85 DM/kg met ingang van 1 juli gesteld. Tijdens een op 1 juni 1983 gehouden bijeenkomst bevestigden de aanwezige fabrikanten - waaronder ATO - vervolgens hun volledige instemming met een stijging tot 1,85 DM/kg. Daarbij werd overeengekomen, dat Shell in het openbaar zou leiden in het vaktijdschrift European Chemical News (hierna: ECN).
73 Volgens punt 49 van de beschikking gaven ICI, DSM, BASF, Hoechst, Linz, Shell, Hercules, ATO, Petrofina en Solvay na de bijeenkomst van 20 mei 1983 instructies aan hun verkoopkantoren om met ingang van 1 juli een prijs van 1,85 DM/kg voor raffia toe te passen. Van ATO en Petrofina werden slechts onvolledige prijsinstructies verkregen, maar die bevestigen dat deze producenten het nieuwe prijsniveau toepasten, zij het in geval van Petrofina en Solvay met enige vertraging. Met uitzondering van Huels (waarvoor de Commissie geen prijsinstructies voor juli 1983 heeft gevonden), blijken derhalve alle producenten die de bijeenkomsten hadden bijgewoond dan wel hun steun voor de nieuwe richtprijs van 1,85 DM/kg hadden toegezegd, instructies te hebben gegeven om de nieuwe prijs toe te passen.
74 Volgens punt 50 van de beschikking vonden er verder nog bijeenkomsten plaats op 16 juni, 6 en 21 juli, 10 en 23 augustus en 5, 15 en 29 september 1983, die door alle vaste deelnemers werden bijgewoond. Eind juli en begin augustus 1983 deden BASF, DSM, Hercules, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Solvay, Monte en Saga aan hun diverse nationale verkoopkantoren prijsinstructies toekomen (gebaseerd op een raffiaprijs van 2,00 DM/kg), die met ingang van 1 september van kracht zouden worden. In een interne nota van Shell van 11 augustus, betreffende haar prijzen in het Verenigd Koninkrijk, wordt vermeld, dat Shell' s dochteronderneming in het Verenigd Koninkrijk "ernaar streefde", dat per 1 september basisprijzen van kracht zouden zijn die overeenstemden met de door de andere producenten vastgestelde richtprijzen. Tegen het einde van de maand gaf Shell haar verkoopkantoor in het Verenigd Koninkrijk echter opdracht, de volle verhoging uit te stellen tot de andere producenten het gewenste basisniveau hadden bereikt. Behoudens onbeduidende afwijkingen waren die instructies identiek voor alle kwaliteiten en nationale valuta' s.
75 Volgens punt 50, laatste alinea, van de beschikking blijkt uit bij de fabrikanten verkregen prijsinstructies, dat later werd besloten door te gaan op de voet van de verhoging van september en de prijs voor raffiakwaliteit per 1 oktober te verhogen tot 2,10 DM/kg en per 1 november tot 2,25 DM/kg. BASF, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte en Solvay - aldus punt 51, eerste alinea, van de beschikking - zonden voor de maanden oktober en november ieder afzonderlijk instructies aan hun verkoopkantoren, waarin identieke prijzen werden vastgesteld. Hercules gaf in eerste instantie iets lagere prijzen op.
76 In punt 51, tweede en derde alinea, van de beschikking wordt opgemerkt dat ATO en Petrofina, ofschoon zij op alle op deze aangelegenheid betrekking hebbende bijeenkomsten aanwezig waren, beweren dat voor zover in de periode juli/november 1983 interne prijsinstructies werden gegeven, dit mondeling geschiedde. In een bij ATO aangetroffen en op 28 september 1983 gedateerde nota komt evenwel een tabel voor met als kop "Rappel du prix de cota (sic)", waarin voor verschillende landen voor september en oktober voor de drie belangrijkste kwaliteiten polypropyleen prijzen worden vastgesteld, die identiek zijn met die van BASF, DSM, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte en Solvay. Tijdens de in oktober 1983 bij ATO verrichte verificatie bevestigden de vertegenwoordigers van het bedrijf, dat die prijzen aan de verkoopkantoren waren meegedeeld.
77 Volgens punt 105, vierde alinea, van de beschikking heeft de inbreuk, welke de datum van de laatste bijeenkomst ook moge zijn geweest, tot november 1983 voortgeduurd; de overeenkomst bleef tot ten minste dat tijdstip effect sorteren, aangezien november de laatste maand is waarvan bekend is dat richtprijzen werden overeengekomen en prijsinstructies werden gegeven.
78 In punt 51, laatste alinea, van de beschikking verklaart de Commissie tot slot, dat eind 1983 in de vakpers gewag werd gemaakt van een stabilisering van de polypropyleenprijzen op een marktprijs voor raffiakwaliteit van 2,08 à 2,15 DM/kg (het nagestreefde doel was zoals gezegd 2,25 DM/kg).
b) Argumenten van partijen VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER : 689A0003.1
79 Verzoekster maakt de algemene opmerking, dat de richtprijzen geen doelen waren die de producenten zich hadden gesteld, maar door hen opgemaakte prognoses met betrekking tot de prijsniveaus die op het betrokken tijdstip op de markt tot stand zouden komen, mede gelet op de marktvoorwaarden en de vermoedelijke ontwikkeling van de kosten van de verschillende produktiefactoren. Die prognoses waren voor de producenten des te meer noodzakelijk, daar het aanbod de vraag overtrof en zij dus ten opzichte van hun afnemers in een zwakke positie verkeerden. Dergelijke pogingen om de prijsontwikkeling te voorspellen, kunnen niet worden gelijkgesteld met een vaststelling van prijzen. Verzoekster concludeert dan ook, dat zij zich nooit heeft verbonden een bepaalde prijs toe te passen en dat de door haar bijgewoonde bijeenkomsten, wat haar betreft, ook nooit een dergelijk doel hebben gehad.
80 Verzoekster merkt op, dat er volgens de beschikking tussen 1979 en 1981 drie prijsinitiatieven zijn geweest, maar dat haar slechts wordt verweten bij één van die initiatieven - dat van juli/december 1979 - betrokken te zijn geweest.
81 Met betrekking tot dat prijsinitiatief voert zij aan, dat zij het volste recht had om op 29 augustus 1979 te besluiten haar prijzen met ingang van 1 september 1979 te verhogen, nadat op 6 augustus van dat jaar in de vakpers was aangekondigd dat de grootste producenten, Monte en ICI, zich opmaakten voor een prijsverhoging. De Commissie stelt overigens niet, dat verzoekster in die periode enige bijeenkomst van producenten heeft bijgewoond en in punt 29 van haar beschikking erkent zij, geen nadere gegevens te hebben over de in die tijd gehouden bijeenkomsten.
82 Met betrekking tot het prijsinitiatief van juni/juli 1982 merkt verzoekster op, dat zij op grond van op 24 mei 1982 in de vakpers verschenen berichten (bijl. 5 bij het verzoekschrift; hierna: bijl. vz.) besloot, haar prijzen met ingang van 1 juni 1982 te verhogen. Hiermee volgde zij de door de grote producenten toegepaste prijsverhoging en speelde zij tegelijkertijd in op de verhoging van de grondstofprijs. Bovendien waren haar prijzen voor homopolymeer en copolymeer hoger dan die van haar concurrenten (bijlage F1 ATO bij de brief van de Commissie van 29 maart 1985; hierna: bijl. ATO bij brief van 29 maart 1985).
83 Aangaande het prijsinitiatief van september/november 1982 merkt verzoekster op, dat de Commissie haar verwijt op 17 september 1982 een telexbericht naar haar verkoopkantoor in Duitsland te hebben gestuurd (bijl. G2 ATO bij brief van 29 maart 1985), terwijl dat telexbericht geenszins in een prijsverhoging voorzag, doch enkel de opdracht bevatte de prijzen te handhaven en de marktontwikkeling te volgen. Bovendien beschouwt de Commissie de in een van ICI afkomstige officiële lijst opgenomen polypropyleenprijzen (bijl. 29 a.b.) als de richtprijzen voor die periode, terwijl niets erop wijst dat de producenten die lijst op enigerlei wijze hebben besproken.
84 Met betrekking tot het prijsinitiatief van juli/november 1983 merkt verzoekster op, dat aan het door haar op 14 juni 1983 aan haar agent in Groot-Brittannië verzonden telexbericht (bijl. H1 ATO bij brief van 29 maart 1985) niet de conclusie kan worden verbonden, dat er sprake was van een prijsovereenkomst. In dat telexbericht was immers het gewenste prijsniveau voor juli 1983 aangegeven - "tenzij de markt een neerwaartse tendens zou vertonen" - en bovendien waren de prijsinstructies van de verschillende ondernemingen uitgesmeerd over de periode van 17 mei tot 26 juli 1983. Volgens verzoekster konden die prijsinstructies evengoed een gevolg zijn van het feit, dat de verschillende producenten de toenmalige markttendens op dezelfde wijze inschatten. Met betrekking tot de laatste fase van het betrokken prijsinitiatief baseert de Commissie zich op de omstandigheid, dat de prijzen van ATO overeenkwamen met de op 28 september 1983 geldende marktprijzen, terwijl die prijzen reeds in juli/augustus van dat jaar door andere producenten in het openbaar waren aangekondigd.
85 De Commissie is van mening dat verzoekster, door de zogeheten "richt"-prijzen aan te merken als eenvoudige individuele prognoses, een zuiver semantisch spel speelt om een met artikel 85 EEG-Verdrag strijdige handelwijze achteraf te rechtvaardigen. Waar de producenten, zoals ATO stelt, ten opzichte van hun afnemers in een zwakke positie verkeerden, trachtten zij de prijsniveaus te beheersen en te verhogen door tegenover die afnemers één front te vormen. Dit sloot weliswaar niet elke mogelijkheid van individuele onderhandelingen met de afnemers uit, maar bij die onderhandelingen moesten de op de bijeenkomsten van producenten overeengekomen prijzen als uitgangspunt worden genomen.
86 Volgens de Commissie blijkt uit de op 29 augustus 1979 door ATO gegeven prijsinstructie (bijl. A1 ATO bij brief van 29 maart 1985), dat zij bij het eerste prijsinitiatief betrokken is geweest. De omstandigheid dat die prijsinstructie werd gegeven nadat Monte op 30 juli en 6 augustus 1979 in ECN (bijl. 4 vz.) een prijsverhoging had aangekondigd, is irrelevant, aangezien andere producenten hun prijsinstructies vóór die aankondiging hadden gegeven, waaruit blijkt dat de producenten tevoren, tijdens een van de destijds gehouden en door verzoekster bijgewoonde bijeenkomsten, overleg moesten hebben gepleegd.
87 Bovendien staat volgens de Commissie vast, dat de polypropyleenproducenten, waaronder ATO, destijds geregeld bijeenkwamen en dat op die bijeenkomsten richtprijzen werden vastgesteld, zoals ICI in antwoord op het verzoek om inlichtingen heeft verklaard (bijl. 8 a.b.).
88 De Commissie merkt op, dat in het verslag van de bijeenkomst van 26 en 27 september 1979 (bijl. 12 a.b.) staat te lezen, dat 2,05 DM/kg "remains the target" ("blijft het doel"). Zij leidt hieruit af, dat de richtprijs al voor die tijd was vastgesteld en dat de gelijktijdige prijsverhoging van juli/augustus 1979 op overleg tussen de producenten berustte.
89 De Commissie geeft toe, dat zij niet over bewijzen voor verzoeksters betrokkenheid bij de uitvoering van het tweede en derde prijsinitiatief beschikt. Zij weet echter wel, dat de ATO aanwezig was op de bijeenkomsten waarop tot die initiatieven werd besloten.
90 Met betrekking tot het vierde prijsinitiatief (juni/juli 1982) merkt de Commissie op, dat blijkens het verslag van de bijeenkomst van 13 mei 1982 (bijl. 24 a.b.) de richtprijs van 2,00 DM/kg, die op 1 juni 1982 van kracht moest worden, op die bijeenkomst werd vastgesteld, dus vóór de bekendmaking van die prijs in ECN op 24 mei van dat jaar. Het is dan ook van weinig belang, dat de prijsinstructie van ATO op 27 mei 1982 - dus na het verschijnen van ECN - werd gegeven.
91 Aangaande het vijfde prijsinitiatief (september/november 1982) merkt de Commissie op, dat het door ATO genoemde telexbericht van 17 september 1982 was voorafgegaan door een ander telexbericht, dat enkele dagen eerder, op 7 september 1982 (bijl. G1 ATO bij brief van 29 maart 1985), was verzonden in aansluiting op een op 2 september 1982 gehouden bijeenkomst van producenten; de in dat telexbericht vastgestelde prijzen komen overeen met de prijzen die worden genoemd in de na die bijeenkomst door ICI opgestelde lijst (bijl. 29 a.b.).
92 Met betrekking tot het zesde prijsinitiatief (juli/november 1983) beklemtoont de Commissie, dat uit het verslag van de bijeenkomst van 3 mei 1983 (bijl. 38 a.b.) in de eerste plaats blijkt, dat op die bijeenkomst werd afgesproken dat de producenten de door de met de prijscontrole belaste Franse instanties toegestane maximumprijs zouden toepassen - waarbij ATO opmerkte dat eventueel toestemming zou kunnen worden verkregen om de prijzen met 4 % te verhogen -, en in de tweede plaats, dat werd overeengekomen voor juni 1983 een prijs van 2,00 DM/kg als doel te stellen.
93 In een interne nota van ICI, opgesteld naar aanleiding van een op 20 mei 1983 gehouden vergadering van producenten (bijl. 39 a.b.), staat te lezen, dat ICI zal trachten vanaf september de prijs van 2,00 DM/kg te berekenen, maar dat zij er zeker niet in zal slagen die verhoging ineens door te voeren, zodat er uiterlijk in juni een tussentijdse verhoging moet plaatsvinden. Tijdens de bijeenkomst van 1 juni 1983 werd dat voorstel gunstig ontvangen en uit het verslag van die bijeenkomst (bijl. 40 a.b.) blijkt, dat de producenten het over die tussenstap eens wwaren geworden en dat Shell daarbij het voortouw zou nemen door in ECN een prijsverhoging aan te kondigen. Uit een en ander leidt de Commissie af, dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die overeenstemming op de bijeenkomst van 20 mei 1983 werd bereikt. Zij beklemtoont dat de prijzen die ATO in haar telex van 14 juni 1983 aan haar Britse agent meedeelde, overeenstemmen met die van haar concurrenten.
94 De Commissie betoogt tot slot, dat de op 28 september 1983 gedateerde interne nota van ATO met als kop "Rappel du prix de cota (sic)" , voor vier landen voor oktober en november 1983 prijzen vaststelt voor de belangrijkste kwaliteiten polypropyleen, die identiek zijn met die van ATO' s concurrenten. Tijdens de in oktober 1983 bij ATO verrichte verificatie bevestigden de vertegenwoordigers van het bedrijf, dat die prijzen aan de verkoopkantoren waren meegedeeld.
c) Beoordeling door het Gerecht
95 Met betrekking tot de aard van de richtprijzen, door verzoekster aangemerkt als "prognoses", stelt het Gerecht vast, dat verzoekster ter terechtzitting geen antwoord heeft kunnen geven op de haar door het Gerecht gestelde vraag, waarom de producenten er bij hun "prognoses" stelselmatig van uitgingen dat de prijzen op de markt zouden stijgen, terwijl zij, doordat het aanbod de vraag overtrof, ten opzichte van hun afnemers in een zwakke positie verkeerden - hetgeen door verzoekster niet wordt betwist - en dus prijsverlagingen hadden kunnen verwachten.
96 In deze omstandigheden waren de tijdens de bijeenkomsten vastgestelde richtprijzen geen eenvoudige prognoses met betrekking tot de prijsniveaus die op een bepaalde datum tot stand zouden komen, doch was er wel degelijk sprake van vaststelling van de prijsniveaus die de producenten de komende tijd wilden halen (punt 21, sub a, van de beschikking) en die als uitgangspunt moesten dienen bij de onderhandelingen met hun respectieve afnemers (punt 74, tweede alinea, in fine, van de beschikking).
97 Uit de verslagen van de geregeld gehouden bijeenkomsten van polypropyleenproducenten blijkt, dat de aan die bijeenkomsten deelnemende producenten de in de beschikking genoemde prijsinitiatieven zijn overeengekomen. Zo staat in het verslag van de bijeenkomst van 13 mei 1982 (bijl. 24 a.b.) te lezen:
"everyone felt that there was a very good opportunity to get a price rise through before the holidays + after some debate settled on DM 2,00 from 1st June (UK 14th June). Individual country figures are shown in the attached table."
("iedereen was van mening, dat de gelegenheid zeer gunstig was om er vóór de vakantie een prijsstijging door te krijgen + na enige discussie is besloten tot DM 2,00 met ingang van 1 juni (14 juni voor het Verenigd Koninkrijk). De cijfers per land zijn vermeld in de bijgevoegde tabel").
98 Zodra rechtens genoegzaam is bewezen, dat verzoekster die bijeenkomsten heeft bijgewoond, kan zij niet verklaren, dat zij de daar overeengekomen, geplande en gevolgde prijsinitiatieven niet heeft gesteund, zonder bewijzen te verstrekken die deze verklaring kunnen staven. Bij gebreke van dergelijke bewijzen is er immers geen enkele reden om aan te nemen dat verzoekster die initiatieven, anders dan de overige deelnemers aan de bijeenkomsten, niet heeft gesteund.
99 Tot staving van haar stelling, dat zij de op de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten overeengekomen prijsinitiatieven niet heeft gesteund, voert verzoekster twee argumenten aan. Zij betoogt allereerst, dat zij de bijeenkomsten heeft bijgewoond zonder de bedoeling de mededinging te beperken, en verder dat zij voor haar prijsgedrag op de markt geen rekening heeft gehouden met de resultaten van die bijeenkomsten.
100 Geen van deze twee argumenten kan worden aanvaard als bewijs voor verzoeksters stelling, dat zij de overeengekomen prijsinitiatieven niet heeft gesteund. De Commissie heeft immers rechtens genoegzaam bewezen, dat verzoekster de bijeenkomsten wel degelijk bijwoonde met de bedoeling de mededinging te beperken, zodat verzoeksters eerste argument feitelijke grondslag mist. Met betrekking tot het tweede argument moet allereerst worden opgemerkt, dat zelfs indien dit feitelijk juist mocht blijken, het verzoeksters betrokkenheid bij de vaststelling van richtprijzen tijdens de bijeenkomsten niet zou ontzenuwen, doch hooguit zou aantonen, dat zij aan de tijdens die bijeenkomsten gemaakte afspraken geen uitvoering heeft gegeven. Nergens in de beschikking wordt overigens gesteld, dat de door verzoekster toegepaste prijzen altijd overeenkwamen met de tijdens de bijeenkomsten overeengekomen richtprijzen, waaruit blijkt dat in de beschikking het bewijs van verzoeksters betrokkenheid bij de vaststelling van deze richtprijzen evenmin wordt gebaseerd op het feit, dat zij aan de tijdens de bijeenkomsten gemaakte afspraken uitvoering zou hebben gegeven.
101 Vervolgens moet worden ingegaan op de specifieke bewijzen die verzoekster heeft aangevoerd tot staving van haar stelling, dat zij niet betrokken is geweest bij de verschillende prijsinitiatieven.
102 Aangaande verzoeksters betrokkenheid bij het prijsinitiatief van juli/december 1979 moet in de eerste plaats worden opgemerkt, dat, anders dan verzoekster betoogt, volgens de beschikking (punt 29) in de eerste helft van 1979 wel degelijk bijeenkomsten van producenten werden gehouden. Bovendien heeft het Gerecht vastgesteld, dat de Commissie verzoeksters deelneming aan die bijeenkomsten rechtens genoegzaam heeft bewezen. Verder blijkt uit de door verzoekster, BASF, Hoechst, ICI, Linz en Shell gegeven, met elkaar overeenstemmende prijsinstructies, dat het initiatief dat erop gericht was, per 1 september 1979 een prijs van 2,05 DM/kg te bereiken, eind juli was overeengekomen en bekendgemaakt. Dat dit initiatief bestond en dat het werd uitgesteld tot 1 december 1979, blijkt uit het verslag van de bijeenkomst van 26 en 27 september 1979 (bijl. 12 a.b.), waarin staat te lezen: "2.05 remains the target. Clearly 2.05 not achievable in Oct., not in Nov. Plan now is 2.05 on 1/12" ("2.05 blijft het doel. Duidelijk 2,05 niet haalbaar in oktober, noch in november. Plan thans: 2,05 op 1/12").
103 Hieruit volgt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen, dat de prijsverhoging van september 1979 niet het gevolg was van een vorm van "price leadership" van een producent, door verzoekster op autonome wijze gevolgd, maar van de vaststelling, door verzoekster en andere producenten, van richtprijzen voor de periode juli/december 1979.
104 Bovendien is verzoekster, door deel te nemen aan de in 1980 en in januari 1981 gehouden bijeenkomsten, tijdens welke het prijsinitiatief van begin 1981 werd overeengekomen, gepland en gevolgd, bij dat prijsinitiatief betrokken geweest.
105 Op dezelfde wijze is verzoekster, door deel te nemen aan de bijeenkomsten tijdens welke het prijsinitiatief van augustus/december 1981 werd overeengekomen, gepland en gevolgd, bij dat prijsinitiatief betrokken geweest.
106 Met betrekking tot het prijsinitiatief van juni/juli 1982 blijkt uit het verslag van de bijeenkomst van 13 mei 1982 (bijl. 24 a.b.), dat tijdens die bijeenkomst, die door verzoekster werd bijgewoond, tot dat initiatief werd besloten. Het is derhalve irrelevant, dat verzoekster de desbetreffende prijsinstructies pas gaf nadat het prijsinitiatief in ECN was bekendgemaakt.
107 Aangaande het prijsinitiatief van september/november 1982 merkt het Gerecht op, dat verzoekster wordt verweten het telexbericht van 7 september 1982 (bijl. G1 ATO bij brief van 29 maart 1985) te hebben verzonden, waarvan dat van 17 september daaraanvolgend (bijl. G2 ATO bij brief van 29 maart 1985) slechts de bevestiging is. De in dit laatste telexbericht vermelde prijs komt overeen met die welke wordt genoemd in een bij het verslag van de bijeenkomst van 2 september 1982 - die door verzoekster werd bijgewoond - gevoegde nota van ICI (bijl. 29 a.b.), zodat mag worden aangenomen dat met dit telexbericht uitvoering werd gegeven aan het door verzoekster en andere producenten overeengekomen prijsinitiatief.
108 Blijkens het verslag van de door verzoekster bijgewoonde bijeenkomst van 1 juni 1983 (bijl. 40 a.b.), die worden bevestigd door een interne nota die ICI op 23 mei 1983 naar aanleiding van een op 20 mei 1983 gehouden bijeenkomst had opgesteld (bijl. 39 a.b.), werd tijdens die bijeenkomsten een prijsinitiatief voor september 1983 overeengekomen en stelde verzoekster haar verkoopafdelingen in Groot-Brittannië daarvan op 14 juni 1983 in kennis (bijl. H1 ATO bij brief van 29 maart 1985).
109 Het door verzoekster aangevoerde argument, dat de verschillende producenten te maken hadden met dezelfde wetmatigheden, biedt geen verklaring voor het feit, dat hun prijsinstructies in de verschillende nationale valuta' s parallel liepen. Weliswaar verkeerden zij met betrekking tot bepaalde produktiefactoren, zoals de prijs van de grondstoffen, in dezelfde situatie, maar dit gold niet voor de algemene kosten, de loonkosten of de belastingtarieven, zodat de rentabiliteitsdrempel van de verschillende producenten aanzienlijk verschilde. Dit blijkt onder meer uit het verslag van de - door verzoekster niet bijgewoonde - bijeenkomst van de "European Association for Textile Polyolefins" van 22 november 1977 (bijl. 6 a.b.), volgens hetwelk Hoechst een prijs van 1,85 DM/kg wenste om de rentabiliteitsdrempel te bereiken, terwijl ICI, Rhône-Poulenc en Shell hiervoor een prijs van 1,60 DM/kg, 3,50 FF/kg respectievelijk 1,50 DM/kg noodzakelijk achtten.
110 Met betrekking tot de laatste fase van het prijsinitiatief van juli/november 1983 is het Gerecht van oordeel, dat verzoekster de omstandigheid dat haar prijzen op 28 september 1983 overeenkwamen met die van haar concurrenten, niet kan verklaren met een beroep op de openbare aankondiging van de prijzen in ECN. Uit het verslag van de bijeenkomst van 1 juni 1983 blijkt immers duidelijk, dat wanneer destijds een prijsinitiatief werd overeengekomen, daarvan in de vakpers melding werd gemaakt. In dat verslag staat namelijk te lezen: "Shell was reported to have committed themselves to the move and would lead publicly in ECN" ("Shell sloot zich, naar werd gemeld, bij het initiatief aan en zou in het openbaar leiden in ECN").
111 Voorts moet worden opgemerkt, dat uit de parallellie van de door de verschillende producenten gegeven prijsinstructies blijkt, dat de producenten aan die prijsinitiatieven uitvoering hebben gegeven.
112 Bovendien mocht de Commissie uit het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.), waarin staat te lezen dat "' Target prices' for the basic grade of each principal category of polypropylene as proposed by producers from time to time since 1 January 1979 are set forth in Schedule (...)" (("De sinds 1 januari 1979 door de producenten geregeld voorgestelde 'richtprijzen' voor de basiskwaliteit van elke hoofdcategorie polypropyleen zijn opgenomen in bijlage (...)")), afleiden, dat die prijsinitiatieven werden genomen in het kader van een stelselmatige vaststelling van richtprijzen.
113 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen dat verzoekster een van de polypropyleenproducenten was die wilsovereenstemming hebben bereikt met betrekking tot de in de beschikking genoemde prijsinitiatieven en dat die initiatieven stelselmatig zijn genomen.
C - De maatregelen ter vergemakkelijking van de toepassing van de prijsinitiatieven
a) Bestreden handeling
114 In de beschikking (artikel 1, sub c, en punt 27; zie ook punt 42) wordt verzoekster verweten, met de overige producenten verschillende maatregelen te zijn overeengekomen waarmee de toepassing van de richtprijzen moest worden vergemakkelijkt, zoals tijdelijke beperkingen van de produktie, de uitwisseling van gedetailleerde informatie over haar leveringen, het houden van plaatselijke vergaderingen, en, vanaf eind september 1982 een systeem van "account management", bedoeld om prijsverhogingen voor individuele klanten toe te passen.
115 Wat het systeem van "account management" betreft, waarvan de later bijgeschaafde vorm vanaf december 1982 bekend stond als "account leadership", werd verzoekster - evenals alle andere producenten - aangewezen als cooerdinator of "leader" voor ten minste één belangrijke klant. Dit betekende, dat zij de contacten van die klant met diens leveranciers in het geheim moest cooerdineren. In het kader van genoemd systeem werden klanten aangewezen in België, Italië, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk en werd voor elk van hen een "cooerdinator" benoemd. In december 1982 werd een meer algemene aanvaarding van het systeem voorgesteld, waarbij een "account leader" werd benoemd, die prijsinitiatieven zou leiden, bespreken en organiseren. Andere producenten, die geregeld met de klanten zaken hadden gedaan, stonden bekend als "contenders" ("betwisters") en zouden met de "account leader" samenwerken bij offertes aan de betrokken klant. Ten einde de "account leader" en de "contenders" te "beschermen", moesten alle andere fabrikanten die door de klant werden benaderd, hogere prijzen dan de nagestreefde richtprijs noemen. ICI beweert, dat de regeling na slechts enkele maanden instortte wegens gedeeltelijke en ondoeltreffende toepassing. Uit volledige aantekeningen van de op 3 mei 1983 gehouden bijeenkomst blijkt echter, aldus de beschikking, dat op die bijeenkomst uitgebreide besprekingen plaatsvonden over afzonderlijke klanten, over de aan dezen door elke fabrikant opgegeven of op te geven prijzen en over de geleverde of bestelde hoeveelheden.
116 In de beschikking (punt 20) wordt ATO tevens verweten, te hebben deelgenomen aan plaatselijke bijeenkomsten ter bespreking van de toepassing op nationaal niveau van de op de plenaire bijeenkomsten overeengekomen maatregelen.
b) Argumenten van partijen
117 Verzoekster ontkent, maatregelen te hebben genomen om de inachtneming van de richtprijzen te verzekeren, om de eenvoudige reden dat zij met de andere producenten geen gemeenschappelijk prijsbeleid had. Overigens beperkt de Commissie zich in haar beschikking tot een reeks van beschuldigingen aan het adres van niet met name genoemde producenten, die bepaalde gedragingen worden aangewreven waarvan in de regel niet wordt gepreciseerd, wanneer zij hebben plaatsgevonden. In elk geval heeft de Commissie geen enkel bewijs voor ATO' s betrokkenheid bij dergelijke praktijken geleverd.
118 Verzoekster ontkent, haar verkoopkantoren instructies te hebben gegeven om liever minder te verkopen dan toegevingen te doen met betrekking tot de prijzen, op andere producenten druk te hebben uitgeoefend om een "gemeenschappelijk prijsbeleid" te voeren, leveranties te hebben verlegd naar overzeese markten of informatie te hebben uitgewisseld over fabriekssluitingen.
119 Met betrekking tot de vermindering van bepaalde verkopen merkt verzoekster op, dat op elke markt waar de prijzen dalen, de verkopers zich voor de keuze geplaatst zien, hetzij hun prijzen te handhaven ten koste van hun verkopen, hetzij hun verkopen te handhaven en toegevingen te doen met betrekking tot de prijzen. De Commissie kan de keuze voor een van die strategieën niet zien als een uitvloeisel van deelneming aan een kartel.
120 Aangaande haar beweerde betrokkenheid bij een systeem van "account management" of "account leadership" merkt verzoekster op, dat de verwijten van de Commissie ongegrond zijn: in de eerste plaats kon zij niet als "account leader" van de vennootschap Bihr worden aangewezen, omdat zij deze al jaren niet meer als klant had en dus geenszins met haar over de prijzen kon onderhandelen, en in de tweede plaats heeft het verslag van een in het voorjaar van 1983 gehouden bijeenkomst (bijl. 37 a.b.), waarmee de Commissie verzoeksters betrokkenheid bij een systeem van "account leadership" in Italië wil aantonen, geen bewijskracht, omdat hierin uitsluitend achteraf verslag wordt gedaan van twee specifieke verkopen.
121 De Commissie brengt hiertegen in, dat verzoekster tijdens de bijeenkomst van 2 september 1982 heeft erkend, dat de overeengekomen richtprijzen enkel konden worden gehaald wanneer bepaalde verkopen werden verminderd. Zij verwijst in dit verband naar het verslag van die bijeenkomst (bijl. 29 a.b.), waarin staat te lezen:
"The ground rules were restated and the meaning of commitment to the proposals clarified. It was made clear that companies should be prepared to lose business rather than break the prices."
("De basisregels werden geherformuleerd en de betekenis van de gebondenheid aan de voorstellen werd gepreciseerd. Er werd duidelijk te verstaan gegeven, dat de ondernemingen bereid moesten zijn hun verkopen te verminderen ten einde de prijzen te kunnen handhaven.").
122 Volgens de Commissie blijkt verzoeksters betrokkenheid bij het systeem van "account leadership" uit het verslag van de bijeenkomst van 2 december 1982 (bijl. 33 a.b.), waarin ATO naast Shell als "account leader" van de vennootschap Bihr wordt genoemd. Dat de naam ATO tussen haakjes staat, duidt er vermoedelijk op dat ATO wegens haar specifieke kennis van de Franse marktstructuur en de Franse prijsvoorschriften Shell moest bijstaan. Dit wordt bevestigd door het door ICI opgestelde verslag van de bijeenkomst van 3 mei 1983 (bijl. 38 a.b.), waarin wordt gesproken van de aan ATO opgedragen taak om aan te tonen, hoe het systeem van "account leadership" in het kader van het Franse prijscontrolestelsel zou kunnen functioneren.
123 De Commissie is voorts van mening, dat uit het verslag van een in het voorjaar van 1983 gehouden bijeenkomst (bijl. 37 a.b.) blijkt, dat ATO bij het systeem van "account leadership" betrokken is geweest en dat zij heeft meegewerkt aan de toepassing daarvan in Italië. Zo kreeg ATO bepaalde hoeveelheden toegekend, die zij tegen een voor de maand april vastgestelde prijs moest leveren aan twee klanten waarvoor Monte als "account leader" was aangesteld. Ten opzichte van die ondernemingen trad zij dus op als "contender".
124 De Commissie betoogt tot slot, dat een systeem van "account leadership" zoals dat door de polypropyleenproducenten was bedacht, enkel goed kan functioneren wanneer allen daaraan hun medewerking verlenen.
c) Beoordeling door het Gerecht
125 Punt 27 van de beschikking moet, gelet op punt 26, tweede alinea, niet aldus worden uitgelegd, dat daarin elk van de producenten wordt verweten, zich individueel te hebben verbonden alle daar genoemde maatregelen te nemen, doch wel in die zin, dat elk der producenten wordt verweten, op diverse bijeenkomsten met de andere producenten te hebben besloten tot een aantal - in de beschikking genoemde - maatregelen, waarmee gunstige omstandigheden voor een prijsverhoging moesten worden geschapen, in het bijzonder door het aanbod van polypropyleen kunstmatig te verminderen, waarbij de uitvoering van deze reeks maatregelen elk afzonderlijk in onderlinge overeenstemming werd verdeeld over de verschillende producenten met inachtneming van hun specifieke situatie.
126 Door deel te nemen aan de bijeenkomsten tijdens welke deze reeks van maatregelen werd vastgesteld ((met name die van 13 mei en van 2 en 21 september 1982 (bijl. 24, 29 en 30 a.b.) )), heeft verzoekster die maatregelen gesteund, aangezien zij niets aanvoert dat op het tegendeel wijst. Zo blijkt de vaststelling van het systeem van "account leadership" uit de volgende passage van het verslag van de bijeenkomst van 2 september 1982:
"about the dangers of everyone quoting exactly DM 2.00 A.' s point was accepted but rather than go below DM 2.00 it was suggested & generally agreed that others than the major producers at individual accounts should quote a few pfs higher. Whilst customers tourism was clearly to be avoided for the next month or two it was accepted that it would be very difficult for companies to refuse to quote at all when, as was likely, customers tried to avoid paying higher prices to the regular suppliers. In such cases producers would quote but at above the minimum levels for October".
("de opmerking van A. met betrekking tot de risico' s, indien alle producenten precies DM 2,00 zouden opgeven, werd aanvaard; maar in plaats van onder DM 2,00 te zakken, werd de - algemeen aanvaarde - suggestie gedaan, dat de andere producenten dan de voornaamste leveranciers van een bepaalde klant een prijs zouden opgeven die een paar Pfennig hoger was. Terwijl klantentoerisme de eerstkomende maand (of twee maanden) zeer zeker moest worden vermeden, werd aanvaard, dat ondernemingen moeilijk konden weigeren een offerte te doen, indien, zoals waarschijnlijk was, afnemers trachtten te vermijden hogere prijzen te betalen aan hun vaste leveranciers. In dergelijke gevallen zouden de producenten een offerte doen, maar boven de minimumniveaus voor oktober").
Ook werd tijdens de door verzoekster bijgewoonde bijeenkomst van 21 september 1982 verklaard: "In support of the move, BASF, Hercules and Hoechst said they would be taking plant off line temporarily" ("Ter ondersteuning van de actie kondigden BASF, Hercules en Hoechst aan, dat zij een fabriek tijdelijk buiten werking zouden stellen"), en zei Fina op de bijeenkomst van 13 mei 1982: "Plant will be shut down for twenty days in August" ("Fabriek zal in augustus twintig dagen gesloten zijn").
127 Met betrekking tot de "account leadership" stelt het Gerecht vast, dat ATO in tabel 3 bij het verslag van de door haar bijgewoonde bijeenkomst van 2 december 1982 (bijl. 33 a.b.) naast Shell als "account leader" van de vennootschap Bihr wordt genoemd, zij het dat haar naam tussen haakjes staat. Bovendien komt haar naam ook voor in twee verslagen van in het voorjaar van 1983 gehouden bijeenkomsten (bijl. 37 en 38 a.b.), volgens welke die bijeenkomsten inzonderheid aan het systeem van "account leadership" waren gewijd.
128 Verzoeksters deelneming aan die bijeenkomsten en de omstandigheid dat in de desbetreffende verslagen naast haar naam de naam van andere producenten worden genoemd dan wel verkochte hoeveelheden worden vermeld, wijzen erop dat zij in het systeem van "account leadership" een actieve rol heeft gespeeld, of zij hierbij nu als "account leader", "contender" of "supplier" optrad dan wel enkel tot taak had, informatie over haar verkopen of over het Franse prijscontrolestelsel te verschaffen.
129 Bovendien ontkent verzoekster niet, dat zij heeft deelgenomen aan de plaatselijke bijeenkomsten voor de Franse markt, die, zoals blijkt uit het verslag van de bijeenkomst van 12 augustus 1982 (bijl. 27 a.b.), de toepassing van een bepaald prijsinitiatief op plaatselijk niveau moesten verzekeren.
130 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen dat verzoekster een van de polypropyleenproducenten was die wilsovereenstemming hebben bereikt met betrekking tot maatregelen ter vergemakkelijking van de toepassing van de in de beschikking genoemde prijsinitiatieven.
D - Streefhoeveelheden en quota
a) Bestreden handeling
131 Volgens de beschikking (punt 31, derde alinea) werd op de bijeenkomst van 26 en 27 september 1979 "erkend dat een strak quotasysteem van fundamenteel belang was". In het verslag van die bijeenkomst werd ook verwezen naar een te Zuerich voorgesteld of goedgekeurd plan om de maandelijkse verkopen te beperken tot 80 % van het over de eerste acht maanden van het jaar behaalde gemiddelde.
132 Punt 52 van de beschikking vermeldt nog, dat al vóór augustus 1982 diverse systemen waren toegepast om de markt onderling te verdelen. Ofschoon aan alle producenten procentuele aandelen van de naar schatting te verdelen handel werden toegewezen, werd in dit stadium vooraf nog geen systematische beperking van de totale produktie opgelegd. De ramingen van de totale markt moesten uiteraard permanent worden herzien en de verkopen van iedere producent, uitgedrukt in ton, moesten worden aangepast om in overeenstemming te blijven met het percentage waarop hij recht had.
133 Voor 1979 werden streefhoeveelheden (uitgedrukt in ton) vastgesteld, die, althans gedeeltelijk, waren gebaseerd op de werkelijke verkopen in de drie voorafgaande jaren. In bij ICI aangetroffen tabellen werd de "herziene streefhoeveelheid" voor iedere producent voor 1979 vergeleken met de tijdens die periode in West-Europa werkelijk verkochte hoeveelheden. Het feit dat er in 1979 wel degelijk een systeem tot verdeling van de markt bestond, wordt bevestigd door bescheiden die bij ATO zijn aangetroffen en waarin de streefhoeveelheden van de vier Franse producenten (ATO, Rhône-Poulenc, Solvay en Hoechst France) voor elke nationale markt zijn vermeld (punt 54 van de beschikking).
134 Volgens punt 55 van de beschikking werd eind februari 1980 door de fabrikanten overeenstemming bereikt over de streefhoeveelheden voor 1980, andermaal uitgedrukt in ton, waarbij werd uitgegaan van een geraamde markt van 1 390 000 ton. Bij ATO en ICI werd een aantal tabellen aangetroffen waarin de voor iedere producent voor 1980 "overeengekomen streefhoeveelheden" waren aangegeven. Aangezien de oorspronkelijke raming van de totale te verdelen markt te optimistisch bleek te zijn, moesten de quota van alle producenten worden verminderd om aan de totale jaarconsumptie van slechts 1 200 000 ton te worden aangepast. Behalve bij ICI en DSM kwamen de werkelijke verkopen bij de verschillende producenten in grote lijnen overeen met hun streefpercentage.
135 Volgens punt 56 van de beschikking werden over de verdeling van de markt voor 1981 langdurige en complexe onderhandelingen gevoerd. Tijdens de in januari 1981 gehouden bijeenkomsten werd overeengekomen, dat alle producenten, als tijdelijke maatregel om bij te dragen tot het welslagen van het prijsinitiatief van februari/maart, de maandelijkse verkopen zouden beperken tot een twaalfde van 85 % van hun "streefhoeveelheid" voor 1980. Ter voorbereiding van een duurzamer quotasysteem deelde iedere producent de vergadering mee, welke hoeveelheid hij in 1981 hoopte te verkopen. Samengeteld overtroffen deze "aspiraties" echter ruimschoots de geraamde totale vraag. Ondanks verschillende door Shell en ICI ingediende compromisvoorstellen werd voor 1981 geen definitieve quotaovereenkomst bereikt. Als lapmiddel werd het quotum van iedere producent van het voorafgaande jaar als theoretisch recht beschouwd en brachten de producenten iedere maand aan de vergadering verslag uit over hun werkelijke verkopen. Op die manier werd toezicht uitgeoefend op de feitelijke verkopen, als een correctie op de louter abstracte verdeling van de markt op grond van de quota voor 1980 (punt 57 van de beschikking).
136 Volgens punt 58 van de beschikking dienden de producenten voor 1982 ingewikkelde quotavoorstellen in, waarin werd getracht uiteenlopende factoren, zoals vroegere verkoopcijfers, marktaspiraties en de te verdelen capaciteit met elkaar te verzoenen. De totale te verdelen markt werd geschat op 1 450 000 ton. Enkele fabrikanten dienden gedetailleerde plannen in voor een verdeling van de markt, terwijl anderen slechts hun eigen aspiraties qua hoeveelheid bekendmaakten. Tijdens de bijeenkomst van 10 maart 1982 trachtten Monte en ICI een overeenkomst te bereiken. Volgens punt 58, laatste alinea, van de beschikking werd er echter, evenals in 1981, geen definitief akkoord bereikt en werden gedurende de eerste helft van het jaar de maandelijkse verkopen van iedere producent aan de vergadering meegedeeld en vergeleken met hun werkelijke procentuele marktaandeel in het voorgaande jaar. Volgens punt 59 van de beschikking werden de onderhandelingen met het oog op de vaststelling van een quotaovereenkomst voor 1983 tijdens de bijeenkomst van augustus 1982 voortgezet en voerde ICI over dit nieuwe systeem bilaterale gesprekken met elk van de fabrikanten. In afwachting van de invoering van een dergelijk quotasysteem moesten de fabrikanten echter in de tweede helft van 1982 streven naar een beperking van hun maandelijkse verkopen tot hetzelfde percentage van de totale markt als zij in de eerste zes maanden van 1982 werkelijk voor hun rekening hadden genomen. Zo bereikten de marktaandelen van de middelgrote producenten - zoals ATO - in 1982 een relatief evenwicht (door ATO omschreven als een "bijna-eensgezindheid") en bleven zij voor de meeste producenten stabiel in vergelijking met de vorige jaren.
137 Volgens punt 60 van de beschikking nodigde ICI voor 1983 elk der fabrikanten uit, zijn eigen ambities mee te delen en suggesties te doen over het percentage dat aan elk van de anderen zou moeten worden toegestaan. Zo deden Monte, Anic, ATO, DSM, Linz, Saga en Solvay, alsmede de Duitse producenten - via BASF - gedetailleerde voorstellen. De verschillende voorstellen werden vervolgens op computer verwerkt, waarbij een gemiddelde werd berekend dat werd vergeleken met de individuele aspiraties van iedere fabrikant. Op basis daarvan kon ICI richtlijnen voor een nieuwe kaderovereenkomst voor 1983 voorstellen. Die voorstellen werden tijdens de in november en december 1982 gehouden bijeenkomsten besproken. Tijdens de bijeenkomst van 2 december 1982 werd een voorstel besproken dat in eerste instantie beperkt was tot het eerste kwartaal van 1983. Blijkens het door ICI opgestelde verslag van die bijeenkomst achtten ATO, DSM, Hoechst, Huels, ICI, Monte, Solvay en Hercules de hun toegewezen quota "aanvaardbaar" (punt 63 van de beschikking). Dit wordt bevestigd door een notitie van een op 3 december 1982 tussen ICI en Hercules gevoerd telefoongesprek.
138 Volgens punt 63, derde alinea, van de beschikking blijkt uit een bij Shell aangetroffen document, dat er inderdaad een akkoord was bereikt, aangezien deze onderneming probeerde het haar toegewezen quotum niet te overschrijden. Dat document bevestigt bovendien, dat ook in het tweede kwartaal van 1983 nog een systeem voor de controle van de hoeveelheden van kracht bleef: om haar marktaandeel in het tweede kwartaal rond 11 % te houden, gaf Shell aan de nationale verkoopmaatschappijen van het concern opdracht, hun verkopen te verminderen. Het bestaan van dat akkoord wordt bevestigd door het verslag van de bijeenkomst van 1 juni 1983. Ofschoon tijdens die bijeenkomst niet uitdrukkelijk melding werd gemaakt van quota, werden door de experts gegevens uitgewisseld over de door ieder van hen in de loop van de vorige maand verkochte hoeveelheden, hetgeen erop wijst dat er wel degelijk een quotasysteem van toepassing was, aldus punt 64 van de beschikking.
b) Argumenten van partijen
139 Verzoekster merkt vooraf op, dat haar betrokkenheid bij de quotaovereenkomsten wordt ontzenuwd door de snelle en constante groei van haar marktaandeel, dat in de jaren 1979, 1980, 1981, 1982 en 1983 respectievelijk 3,27, 3,35, 3,36, 3,51 en 3,59 % bedroeg, door de verzadiging van haar produktiecapaciteit en door de omstandigheid dat haar werkelijke verkopen de beweerde quota altijd ruimschoots overschreden.
140 Ten bewijze van verzoeksters betrokkenheid bij een quotastelsel baseert de Commissie zich op tabellen waarvan niet bekend is wie ze heeft opgesteld, volgens welke regels zij zijn samengesteld en waar de erin opgenomen cijfers vandaan komen. De Commissie kan niet stellen dat die tabellen overeenkomsten tot verdeling van de markt weergeven, zonder te bewijzen dat alle producenten het erover eens waren dat het marktaandeel van elk van hen tot een bepaald niveau moest worden beperkt. Dat niveau kon in elk geval niet het in de gewraakte tabellen vastgestelde niveau zijn, aangezien de optelsom van de individuele streefhoeveelheden niet overeenstemt met de werkelijke markt, maar met een ideale markt waarop ieders wensen worden bevredigd. In feite heeft de Commissie een louter statistische registratie van de marktontwikkeling door ICI voor het bewijs van een quota-afspraak aangezien.
141 Met betrekking tot het jaar 1979 merkt verzoekster op, dat noch in de bij ICI aangetroffen tabel (bijl. 55 a.b.) waarin naast de verkoopcijfers van de verschillende producenten voor de jaren 1976-1979 "revised targets" ("herziene streefhoeveelheden") voor 1979 worden genoemd, noch in het bij ATO aangetroffen document (bijl. bij brief van 3 april 1985) waarin de streefhoeveelheden van de Franse producenten worden weergegeven, enig bewijs van een marktverdelingsovereenkomst kan worden gezien. Van het eerste document is immers niet bekend, wie het heeft opgesteld, waar de erin opgenomen cijfers vandaan komen en waarvoor het bedoeld was, en in het tweede document zijn enkel de individuele streefcijfers van de Franse producenten voor 1979 naast elkaar gezet.
142 De tabellen waarop de Commissie zich voor 1980 baseert, zijn tegenstrijdig, aangezien de erin opgenomen cijfers niet met elkaar overeenstemmen. Deze discrepanties kunnen niet worden afgedaan met de opmerking , dat de oorspronkelijke voorstellen werden herzien, aangezien er enkel sprake kan zijn van een marktverdelingsovereenkomst wanneer de markt tevoren is bepaald. In de door de Commissie gebruikte tabellen is het totaal van de voor elke producent vermelde cijfers telkens verschillend, waaruit moet worden opgemaakt dat die tabellen enkel de individuele streefcijfers van de verschillende producenten weergeven.
143 De Commissie heeft erkend, dat ofschoon er voor 1981 geen definitieve quotaovereenkomst werd bereikt, de producenten dat jaar hun "aspiraties" meedeelden, die samengeteld de geraamde totale vraag ruimschoots overtroffen. Uit de omstandigheid dat ICI de door de verschillende producenten in 1981 gerealiseerde verkopen vergeleek met hun marktaandeel in 1980, leidt de Commissie af, dat er sprake was van een positieve maatregel op basis waarvan elke producent een quotum kreeg toegekend dat overeenstemde met een percentage van zijn marktaandeel in het voorgaande jaar. Hiermee ziet zij volgens verzoekster een loutere registratie van de marktontwikkeling voor het bewijs van een quota-afspraak aan.
144 Met betrekking tot 1982 beklemtoont verzoekster, dat de Commissie zelf erkent dat er geen quotaovereenkomst heeft bestaan. Zij herinnert eraan, dat de cijfers die de producenten elkaar meedeelden, niet meer dan hun individuele streefcijfers waren.
145 Met betrekking tot 1983 merkt verzoekster op, dat de stukken die de Commissie tegen haar in stelling brengt, bewijskracht ontberen. Een bij een derde aangetroffen document (bijl. 85 a.b.), dat het resultaat is van de verwerking op computer van gegevens waarvan de oorsprong en de betekenis ATO onbekend zijn, rechtvaardigt niet de bewering, dat verzoekster en andere producenten aan ICI voorstellen hebben gedaan over het aan elk der producenten toe te wijzen quotum. ATO ontkent, dergelijke voorstellen te hebben gedaan. Zij is bovendien van mening, dat de Commissie onjuist handelt door een verband te leggen tussen het cijfer dat in bovengenoemd, op computergegevens gebaseerde document bij haar naam staat vermeld, en het cijfer dat wordt genoemd in een bij haar aangetroffen, niet-gedateerde en moeilijk leesbare handgeschreven notitie (bijl. 17 a.b.).
146 De omstandigheid dat de naam ATO voorkomt in een op 8 december 1982 gedateerde interne nota van ICI (bijl. 77 a.b.), waarin wordt ingeschat of ATO een bepaald quotum voor een kwartaal van 1983 zou aanvaarden, bewijst volgens verzoekster niet, dat zijn met een quotum heeft ingestemd.
147 Verzoekster betoogt tot slot, dat haar naam niet voorkomt in het interne document van Shell (bijl. 90 a.b.), waarmee de Commissie wil aantonen dat er voor het tweede kwartaal van 1983 een quotaovereenkomst werd gesloten, zodat dit document niet kan worden aangevoerd als bewijs voor haar betrokkenheid bij een quotaovereenkomst voor die periode. Bovendien kan de Commissie uit het in het verslag van de bijeenkomst van 1 juni 1983 (bijl. 40 a.b.) vermelde feit, dat de producenten gegevens uitwisselden over de door hen verkochte hoeveelheden, niet afleiden, dat er een quotastelsel van toepassing was.
148 Volgens de Commissie kan de groei van verzoeksters marktaandeel, als hiervan al sprake is geweest, niet afdoen aan haar conclusie, dat deze onderneming betrokken is geweest bij de afspraak die ertoe strekte de markt eerlijk tussen de producenten te verdelen. Een dergelijke groei toont hooguit - doch niet noodzakelijkerwijs - aan, dat ATO zich bij de uitvoering van die afspraak niet volledig heeft ingezet. De inbreuk bestaat echter niet in de daadwerkelijke verwezenlijking van een bepaald quotum, doch in de betrokkenheid bij het over de marktverdeling gevoerde overleg. Wat hiervan ook zij, volgens de gegevens van de Commissie is verzoeksters marktaandeel tussen 1979 en 1983 min of meer stabiel gebleven: het heeft in die jaren geschommeld tussen 3,14 en 3,20 %.
149 Volgens de Commissie kan verzoekster dank zij een subjectieve selectie van de bewijsstukken betreffende de toewijzing van quota staande houden, dat die stukken in werkelijkheid slechts de individuele streefcijfers van de verschillende producenten weergeven, die niet overeenstemmen met de werkelijke markt, maar met een ideale markt waarop ieders wensen worden bevredigd. Overigens valt moeilijk in te zien waarom een producent wiens verkoopdoel voor een bepaald jaar is vastgesteld, de behoefte zou gevoelen zijn concurrenten daarvan "zonder tegenprestatie" in kennis te stellen.
150 Verzoeksters betrokkenheid bij de vaststelling van quota voor de jaren 1979 en 1980 en van voorlopige maatregelen voor 1981 blijkt volgens de Commissie uit het feit, dat haar naam voorkomt in diverse tabellen waarin voor de verschillende producenten eerder verkochte hoeveelheden en quota worden vermeld. Vijf van die documenten worden door de Commissie met name genoemd.
151 In de eerste plaats een bij ICI aangetroffen, niet-gedateerde tabel (bijl. 55 a.b.), getiteld "Producers' Sales to West Europe" ("Verkopen van producenten in West-Europa"), waarin voor alle Westeuropese polypropyleenproducenten de verkoopcijfers, uitgedrukt in kiloton, voor 1976, 1977 en 1978 worden gegeven en die kolommen bevat met als kop "1979 actual" ("werkelijke cijfers 1979") en "revised target 1979" ("herziene streefhoeveelheid 1979"). In die tabel is verzoeksters herziene streefhoeveelheid op 38,3 kiloton bepaald. Volgens de Commissie blijkt uit dit document, dat ATO betrokken is geweest bij een marktverdelingsplan voor 1979, aangezien hierin het aan elke producent voor 1979 toegewezen quotum wordt vermeld.
152 In de tweede plaats het verslag van de bijeenkomst van 26 en 27 september 1979 (bijl. 12 a.b.), blijkens welke op die bijeenkomst werd overeengekomen de quota te beperken tot 80 % van de oorspronkelijke, in het eerste document vastgestelde quota.
153 In de derde plaats een aantal bij ATO aangetroffen tabellen (bijl. bij brief van 3 april 1985), waarin voor de vier Franse producenten (ATO, Rhône-Poulenc, Solvay en Hoechst France) een overzicht wordt gegeven van de door hen in de laatste vier maanden van 1979 in de verschillende Westeuropese landen gerealiseerde verkoopcijfers. Onder een aantal van deze tabellen treft men een vergelijking aan tussen de gerealiseerde cijfers en de quota: "85 % van de quota" of "84,7 % van de quota". Dit document toont aan, dat ATO niet alleen betrokken is geweest bij een marktverdelingsplan voor 1979, maar ook bij het toezicht op de uitvoering van dit plan door de vier Franse producenten.
154 Een en ander vindt bevestiging in een vierde document, te weten een bij zowel ATO als ICI aangetroffen tabel (bijl. 59 en 61 a.b.), waarin voor alle producenten een overzicht wordt gegeven van hun verkopen, uitgedrukt in ton en in marktaandeel, en wel in de volgende rubrieken: "1979 actual", "1980 target" ("streefhoeveelheid 1980"), "(1980) actual" en "1981 aspirations" ("aspiraties 1981"). In haar antwoord op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.) heeft ICI met betrekking tot deze tabel verklaard, dat "the source of information for actual historic figures in this table would have been the producers themselves" ("de in deze tabel opgenomen reeds gerealiseerde cijfers moeten wel afkomstig zijn van de producenten zelf").
155 Volgens de Commissie blijkt uit genoemde stukken, dat de producenten het eens werden over het aan elk van hen toe te wijzen quotum en dat zij daarbij de individuele streefcijfers als onderhandelingsbasis gebruikten. De fluctuaties van de aan de verschillende producenten toegewezen hoeveelheden waren toe te schrijven aan een aanvankelijk te optimistische raming van de te verdelen markt, als gevolg waarvan de met de - in termen van marktaandeel - overeengekomen quota corresponderende hoeveelheden met de nieuwe raming van de totale markt in overeenstemming moesten worden gebracht. Deze conclusie vindt steun in een laatste document, te weten het verslag van twee in januari 1981 gehouden bijeenkomsten (bijl. 17 a.b.), waarin staat te lezen: "compared with target tonnages based on a 1,2 million tonne market in Western Europe in 1980 individual companies performances were reported as follows: (...) ATO: Target (kt) 37,2/Actual (kt) 38,2" (("vergeleken met verkoopdoelen die zijn gebaseerd op een Westeuropese markt van 1,2 miljoen in 1980, zijn de volgende individuele resultaten gerapporteerd: (...) ATO: streefhoeveelheid 37,2 kt/werkelijke hoeveelheid 38,2 kt")).
156 De Commissie erkent, dat er voor 1981 geen quotaovereenkomst werd bereikt. Wel werden er tijdelijke maatregelen genomen. Zo blijkt uit het verslag van voornoemde bijeenkomsten van januari 1981, dat de producenten hun werkelijke verkopen vergeleken met de vastgestelde streefhoeveelheden, en uit een bij ICI aangetroffen, maar van een Italiaanse producent afkomstige tabel (bijl. 65 a.b.), dat de producenten hun verkopen voor 1981 vergeleken met die van het voorgaande jaar. De Commissie leidt hieruit af, dat bij gebreke van een algemene markt-verdelingsovereenkomst voor 1981, voor dat jaar tijdelijke maatregelen werden genomen.
157 Uit verschillende van Monte en ICI afkomstige stukken (bijl. 69-71 a.b.) blijkt, dat ofschoon deze producenten voor 1982 quotavoorstellen hadden ingediend, voor dat jaar geen quotaovereenkomst werd bereikt.
158 Uit de bij het verslag van de bijeenkomsten van 9 juni en 20 augustus 1982 gevoegde tabellen (bijl. 25 en 28 a.b.) blijkt, dat de producenten in de eerste helft van 1982 hun maandelijkse verkopen vergeleken met de in 1981 gerealiseerde verkopen. Bovendien blijkt uit het verslag van laatstgenoemde bijeenkomst, dat de producenten in de tweede helft van 1982 moesten streven naar een beperking van hun maandelijkse verkopen tot het percentage dat zij in de eerste zes maanden van het jaar voor hun rekening hadden genomen. Uit de bij de verslagen van de bijeenkomsten van 6 oktober, 2 november en 2 december 1982 gevoegde tabellen (bijl. 31-33 a.b.) blijkt, dat de producenten de in het tweede halfjaar gerealiseerde verkopen vergeleken met die van de eerste zes maanden. VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER : 689A0003.2
159 Vervolgens stelt de Commissie, dat zij beschikt over de eigen ambities en de voorstellen met betrekking tot het aan andere fabrikanten toe te wijzen quotum, die verschillende producenten op verzoek van ICI aan deze onderneming hadden meegedeeld (bijl. 74-76 en 78-84 a.b.) met het oog op het sluiten van een quotaovereenkomst voor 1983. Die voorstellen zijn op computer verwerkt, waarbij een gemiddelde werd berekend dat werd vergeleken met de aspiraties van iedere producent. Het op basis hiervan opgestelde document is becommentarieerd in een interne nota van ICI, getiteld "Polypropylene framework" ("Polypropyleenschema") (bijl. 87 a.b.), waarin met name de aspiraties van ATO volkomen "onredelijk" worden genoemd. Het streefcijfer van ATO komt niet alleen voor in het op de computergegevens gebaseerde document, maar ook in een handgeschreven notitie van ATO (bijl. 17 i.b. ATO). De Commissie noemt verder nog een interne nota van ICI, met als titel "Polypropylene framework 1983"("Polypropyleenschema 1983"; bijl. 86 a.b.), waarin ICI een globale beschrijving geeft van een toekomstige quotaovereenkomst.
160 De Commissie merkt op, dat uit het verslag van de bijeenkomst van 2 december 1982 (bijl. 33 a.b.) blijkt, dat de experts een quotavoorstel hadden besproken dat beperkt was tot het eerste kwartaal van 1983. Bovendien blijkt uit een op 8 december 1982 gedateerde interne nota van ICI (bijl. 77 a.b.), dat (onder meer) ATO het haar voor dat kwartaal toegewezen quotum "aanvaardbaar" achtte, ofschoon zij het eigenlijk te laag vond en het niet zou accepteren indien het de basis voor een voor het gehele jaar geldende overeenkomst zou vormen.
161 De Commissie merkt tot slot op, dat uit een van Shell verkregen intern document (bijl. 90 a.b.) blijkt, dat voor het tweede kwartaal van 1983 een quotaovereenkomst werd gesloten. Volgens dat document gaf Shell namelijk met het oog op de naleving van het haar toegewezen quotum haar nationale verkoopmaatschappijen opdracht, hun verkopen te verminderen. Bovendien blijkt uit het verslag van de bijeenkomst van 1 juni 1983 (bijl. 40 a.b.), dat er tijdens die bijeenkomst gegevens werden uitgewisseld over de in de maand mei verkochte hoeveelheden.
c) Beoordeling door het Gerecht
162 Verzoekster heeft vanaf 1978 regelmatig deelgenomen aan de bijeenkomsten van polypropyleenproducenten tijdens welke de verkoophoeveelheden van de verschillende producenten werden besproken en dienaangaande gegevens werden uitgewisseld.
163 Niet alleen heeft ATO deelgenomen aan de bijeenkomsten, haar naam komt ook voor in verschillende tabellen, die blijkens hun inhoud duidelijk bedoeld waren om kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen (bijl. 55 e.v. a.b.). In hun antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft het merendeel van verzoeksters erkend, dat de bij ICI, ATO en Hercules gevonden tabellen niet hadden kunnen worden opgesteld op basis van de statistieken van het Fidessysteem voor de uitwisseling van gegevens. Bovendien heeft ICI in haar antwoord op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.) met betrekking tot een van die tabellen opgemerkt, dat "the source of information for actual historic figures in this table would have been the producers themselves" ("de in deze tabel opgenomen reeds gerealiseerde cijfers moeten wel afkomstig zijn van de producenten zelf"). De Commissie mocht er dus van uitgaan, dat ATO de in die tabellen opgenomen gegevens op de door haar bijgewoonde bijeenkomsten had verstrekt.
164 De terminologie die is gebezigd in de verschillende door de Commissie overgelegde documenten betreffende de jaren 1979 en 1980 ((zoals "revised target" ("herziene streefhoeveelheid"), "opening suggestions" ("openingsvoorstellen"), "proposed adjustments" ("voorgestelde aanpassingen"), "agreed targets" ("overeengekomen streefhoeveelheden") )) rechtvaardigt de conclusie, dat de producenten wilsovereenstemming hebben bereikt.
165 Wat meer in het bijzonder het jaar 1979 betreft, moet op basis van het verslag van de bijeenkomst van 26 en 27 september 1979 (bijl. 12 a.b.) en op basis van de bij ICI aangetroffen, niet-gedateerde tabel (bijl. 55 a.b.), getiteld "Producers' Sales to West Europe" ("Verkopen van producenten in West-Europa"), waarin voor alle Westeuropese polypropyleenproducenten de verkoopcijfers, uitgedrukt in kiloton, voor 1976, 1977 en 1978 worden gegeven en die kolommen bevat met als kop "1979 actual" ("werkelijke cijfers 1979"), "revised target" en "79", worden opgemerkt, dat tijdens die bijeenkomst werd erkend, dat de voor 1979 overeengekomen quotaregeling voor het laatste kwartaal van dat jaar moest worden aangescherpt. Uit het woord "tight" ("strak"), gezien in samenhang met de beperking tot 80 % van een twaalfde van de voorziene jaarlijkse verkopen, blijkt immers, dat de oorspronkelijk voor 1979 geplande regeling voor het laatste kwartaal moest worden aangescherpt. Die uitlegging van het verslag wordt bevestigd door bovengenoemde tabel, aangezien deze in de laatste kolom, rechts van de kolom "revised target", onder de kop "79" cijfers bevat die moeten overeenstemmen met de oorspronkelijk vastgestelde quota. Die quota moesten worden herzien, dat wil zeggen aangescherpt, omdat zij - evenals in 1980 - op basis van een te optimistische raming van de markt waren vastgesteld. De in punt 31, derde alinea, van de beschikking opgenomen verwijzing naar een plan "dat te Zuerich was voorgesteld of goedgekeurd, om de maandelijkse verkopen te beperken tot 80 % van het over de eerste acht maanden van het jaar behaalde gemiddelde", doet aan deze vaststellingen niets af. Gelezen in samenhang met punt 54 van de beschikking moet die verwijzing immers aldus worden opgevat, dat oorspronkelijk reeds kwantitatieve verkoopdoelen waren vastgesteld voor de verkopen van de eerste acht maanden van 1979.
166 Bovendien wisselden de Franse producenten, waaronder verzoekster, gedurende de laatste vier maanden van 1979 stelselmatig - dat wil zeggen maandelijks - hun verkoopcijfers uit en vergeleken zij deze met de "quota" (bijl. bij brief van 3 april 1985). Hieruit mag worden afgeleid, dat de Franse producenten op zijn minst hebben geprobeerd toezicht te houden op de naleving van de overeengekomen doelen.
167 Het feit dat voor het gehele jaar 1980 kwantitatieve verkoopdoelen werden vastgesteld, blijkt uit de bij ATO aangetroffen tabel de dato 26 februari 1980 (bijl. 60 a.b.), waarin een kolom "agreed targets 1980" ("overeengekomen streefhoeveelheden 1980") voorkomt, alsmede uit het verslag van de in januari 1981 gehouden bijeenkomsten (bijl. 17 a.b.), tijdens welke de producenten - waaronder verzoekster - de werkelijk verkochte hoeveelheden ("Actual kt") vergeleken met de vastgestelde streefhoeveelheden ("Target kt"). Die bescheiden worden bovendien bevestigd door een op 8 oktober 1980 gedateerde tabel (bijl. 57 a.b.), waarin twee kolommen voorkomen betreffende de verschillende producenten: de "1980 Nameplate capacity" ("nominale capaciteit") en de "1980 Quota".
168 Met betrekking tot het jaar 1981 wordt de producenten verweten dat zij hebben deelgenomen aan onderhandelingen die erop gericht waren, voor dat jaar een quotaovereenkomst tot stand te brengen; dat zij in dat verband hun "aspiraties" kenbaar hebben gemaakt; dat zij, in afwachting van een dergelijke overeenkomst, zijn overeengekomen om als tijdelijke maatregel in de maanden februari en maart 1981 hun maandelijkse verkopen te beperken tot een twaalfde van 85 % van de voor 1980 overeengekomen "streefhoeveelheid"; dat zij voor de rest van het jaar het quotum van elke producent van het vorige jaar als een theoretisch recht hebben beschouwd; dat zij iedere maand tijdens de bijeenkomsten verslag hebben uitgebracht over hun verkopen, en tot slot dat zij hebben gecontroleerd, of hun verkopen het hun toegewezen theoretisch quotum niet overschreden.
169 Dat de producenten hebben onderhandeld om tot de invoering van een quotastelsel te komen en dat zij tijdens die onderhandelingen hun "aspiraties" kenbaar maakten, blijkt uit verschillende bewijsstukken, zoals tabellen waarin voor elke producent de "actual" cijfers en de "targets" voor de jaren 1979 en 1980, alsmede de "aspiraties" voor 1981 worden gegeven (bijl. 59 en 61 a.b.); een in het Italiaans opgestelde tabel (bijl. 62 a.b.), waarin voor elke producent het quotum voor 1980, de voorstellen van andere producenten met betrekking tot het hem voor 1981 toe te wijzen quotum, en zijn eigen "ambities" voor dat jaar zijn aangegeven, alsmede een interne nota van ICI (bijl. 63 a.b.), waarin het verloop van de onderhandelingen wordt beschreven en waarin onder meer staat te lezen:
"Taking the various alternatives discussed at yesterday' s meeting we would prefer to limit the volume to be shared to no more than the market is expected to reach in 1981, say 1.35 million tonnes. Although there has been no further discussion with Shell, the four majors could set the lead by accepting a reduction in their 1980 target market share of about 0.35 % provided the more ambitious smaller producers such as Solvay, Saga, DSM, Chemie Linz, Anic/SIR also tempered their demands. Provided the majors are in agreement the anomalies could probably be best handled by individual discussions at Senior level, if possible before the meeting in Zurich."
("Van de verschillende op de bijeenkomst van gisteren besproken oplossingen zouden wij die oplossing verkiezen waarbij de te verdelen hoeveelheid wordt beperkt tot niet meer dan de markt naar verwachting in 1981 zal realiseren, namelijk 1,35 miljoen ton. Ook al zijn er geen verdere besprekingen gevoerd met Shell, de vier grote producenten zouden het voorbeeld kunnen geven door een verlaging van hun voor 1980 nagestreefde marktaandeel met ongeveer 0,35 % te aanvaarden, mits de meer ambitieuze, kleinere producenten zoals Solvay, Saga, DSM, Chemie Linz en Anic/SIR hun eisen ook zouden matigen. Indien de grote fabrikanten het eens zijn, kunnen afwijkingen vermoedelijk het best worden geregeld tijdens individuele besprekingen op het niveau van de "bosses", zo mogelijk vóór de bijeenkomst te Zuerich").
Dit document gaat vergezeld van een met cijfers onderbouwd compromisvoorstel waarin voor elke producent het behaalde resultaat wordt vergeleken met 1980 ("% of 1980 target").
170 Dat er tijdelijke maatregelen werden genomen, inhoudende dat in de maanden februari en maart 1981 de maandelijkse verkopen werden beperkt tot een twaalfde van 85 % van de voor het voorgaande jaar overeengekomen streefhoeveelheid, blijkt uit de verslagen van de in januari 1981 gehouden bijeenkomsten, waarin staat te lezen:
"In the meantime (februari/maart) monthly volume would be restricted to 1/12 of 85 % of the 1980 target with a freeze on customers."
(("In de tussentijd (februari/maart) zou de maandelijkse hoeveelheid worden verminderd tot 1/12 van 85 % van de streefhoeveelheid voor 1980, met een klantenstop.") )
171 Dat de producenten voor de rest van het jaar hetzelfde theoretische quotum werd toegewezen als het vorige jaar en dat zij, door een maandelijkse uitwisseling van hun verkoopcijfers, controleerden of de verkopen met dat quotum overeenstemden, blijkt uit drie documenten, in onderlinge samenhang bezien: in de eerste plaats een op 21 december 1981 gedateerde tabel (bijl. 67 a.b.), waarin voor elke producent de maandelijkse verkopen zijn aangegeven en waarvan de laatste drie kolommen - betreffende de maanden november en december en het jaartotaal - met de hand zijn toegevoegd; in de tweede plaats een niet-gedateerde en in het Italiaans opgestelde tabel met als kop "Scarti per società" ("afwijkingen per onderneming"), die bij ICI is aangetroffen (bijl. 65 a.b.) en waarin voor elke producent voor de periode januari/december 1981 de "actual" verkoopcijfers worden vergeleken met de "theoretic" ("theoretische") cijfers, en tot slot een bij ICI aangetroffen, niet-gedateerde tabel (bijl. 68 a.b.), waarin voor elke producent voor de periode januari/november 1981 de verkoopcijfers en de marktaandelen worden vergeleken met die van 1979 en 1980, door middel van een prognose voor het einde van het jaar.
172 De eerste tabel laat namelijk zien, dat de producenten hun maandelijkse verkoopcijfers hebben uitgewisseld. In samenhang met de vergelijkingen van die cijfers met de cijfers betreffende 1980 - in de twee andere tabellen, die betrekking hebben op dezelfde periode -, staaft een dergelijke uitwisseling van gegevens die een onafhankelijke ondernemer koste wat kost als "zakengeheimen" voor zich pleegt te houden, de in de beschikking getrokken conclusies.
173 Dat verzoekster bij die verschillende activiteiten betrokken is geweest, blijkt in de eerste plaats uit haar deelneming aan de bijeenkomsten - inzonderheid die van januari 1981 - tijdens welke die handelingen plaatsvonden, en in de tweede plaats uit het feit, dat haar naam in de verschillende bovenvermelde stukken wordt genoemd. In die stukken komen overigens cijfers voor ten aanzien waarvan ICI in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht - waarnaar andere verzoeksters in hun antwoord verwijzen - heeft verklaard, dat zij niet hadden kunnen worden opgesteld op basis van de statistieken van het Fidessysteem.
174 Met betrekking tot het jaar 1982 wordt de producenten verweten, dat zij hebben deelgenomen aan onderhandelingen die erop gericht waren, voor dat jaar een quotaovereenkomst tot stand te brengen; dat zij in dat verband hun aspiraties qua hoeveelheden kenbaar hebben gemaakt; dat zij, aangezien geen definitief akkoord werd bereikt, gedurende de eerste helft van het jaar tijdens de bijeenkomsten hun maandelijkse verkoopcijfers hebben meegedeeld en deze hebben vergeleken met hun werkelijke procentuele marktaandeel in het voorgaande jaar, en tot slot dat zij in de tweede helft van het jaar ernaar hebben gestreefd hun maandelijkse verkopen te beperken tot hetzelfde percentage van de totale markt als zij in het eerste halfjaar voor hun rekening hadden genomen.
175 Dat de producenten onderhandelden om tot de invoering van een quotastelsel te komen en dat zij in dit kader hun aspiraties kenbaar maakten, blijkt uit een aantal documenten: in de eerste plaats een document met de titel "Scheme for discussions 'quota system 1982' " ("Schema voor discussies inzake een quotasysteem voor 1982") (bijl. 69 a.b.), waarin voor alle ondernemingen tot welke de beschikking is gericht, met uitzondering van Hercules, wordt vermeld op welke hoeveelheid zij recht meenden te hebben, en daarnaast voor sommige ondernemingen (alle behalve Anic, Linz, Petrofina, Shell en Solvay) wordt aangegeven, welke hoeveelheid huns inziens aan de andere producenten moest worden toegewezen; in de tweede plaats een nota van ICI, getiteld "Polypropylene 1982, Guidelines" ("Polypropyleen 1982, richtlijnen"; bijl. 70a a.b.), waarin ICI de lopende onderhandelingen analyseert; in de derde plaats een op 17 februari 1982 gedateerde tabel (bijl. 70b a.b.), die een vergelijking bevat van verschillende voorstellen voor een verdeling van de verkopen - waarvan er één, getiteld "ICI Orginal Scheme" ("Oorspronkelijk Schema ICI"), in een andere, met de hand geschreven tabel door Monte enigszins is aangepast in een kolom met de kop "Milliavacca 27/1/82" (de naam van een personeelslid van Monte; bijl. 70c a.b.) -, en tot slot een in het Italiaans opgestelde tabel (bijl. 71 a.b.) die een ingewikkeld voorstel (beschreven in punt 58, tweede alinea, in fine, van de beschikking) weergeeft.
176 Het bewijs van de voor het eerste halfjaar genomen maatregelen wordt geleverd door het verslag van de bijeenkomst van 13 mei 1982 (bijl. 24 a.b.), waarin onder meer staat te lezen:
"To support the move a number of other actions are needed a) limit sales volume to some agreed prop. of normal sales."
("Ter ondersteuning is een aantal andere maatregelen noodzakelijk a) een beperking van de verkoophoeveelheden tot een zeker overeengekomen percentage van de normale verkopen").
Dat aan die maatregelen uitvoering is gegeven, blijkt uit het verslag van de bijeenkomst van 9 juni 1982 (bijl. 25 a.b.), waaraan een tabel is gehecht die voor elke producent het "actual" verkoopcijfer voor de maanden januari tot en met april 1982 aangeeft, vergeleken met een theoretisch cijfer "based on 1981 av(erage) market share" ("gebaseerd op het gemiddelde marktaandeel van 1981"), alsmede uit het verslag van de bijeenkomst van 20 en 21 juli 1982 (bijl. 26 a.b.), met betrekking tot de periode januari/mei 1982, en die van de bijeenkomst van 20 augustus 1982 (bijl. 28 a.b.), met betrekking tot de periode januari/juli 1982.
177 Het bewijs van de voor het tweede halfjaar genomen maatregelen is te vinden in het verslag van de bijeenkomst van 6 oktober 1982 (bijl. 31 a.b.), waarin staat te lezen: "In October this would also mean restraining sales to the Jan/June achieved market share of a market estimated at 100 kt" ("In oktober zou dit ook betekenen, dat de verkopen worden beperkt tot het in de periode januari/juni gerealiseerde marktaandeel op een op 100 kt geraamde markt"), alsmede "Performance against target in September was reviewed" ("Resultaten, afgezet tegen streefhoeveelheid voor september, werden onderzocht"). Aan dit verslag is een tabel gehecht met als titel: "September provisional sales versus target ((based on Jan/June market share applied to demand est(imated) at 120 kt))" (("Voorlopige verkopen september versus streefhoeveelheid (gebaseerd op marktaandeel januari/juni, toegepast op geraamde vraag van 120 kt)")). Dat die maatregelen werden gehandhaafd, wordt bevestigd door het verslag van de vergadering van 2 december 1982 (bijl. 33 a.b.), waaraan een tabel is gehecht waarin voor november 1982 de "Actual" ("werkelijke") verkopen werden vergeleken met de "Theoretical" ("theoretische") cijfers, berekend op basis van "J-June % of 125 kt" ("januari/juni % van 125 kt").
178 Met betrekking tot 1981 en de twee semesters van 1982 heeft de Commissie uit het feit dat er tijdens regelmatig gehouden bijeenkomsten over en weer toezicht werd uitgeoefend op de uitvoering van een regeling waarbij de maandelijkse verkopen in vergelijking met een voorafgaande periode werden beperkt, terecht afgeleid, dat die regeling door de deelnemers aan de bijeenkomsten was vastgesteld.
179 Met betrekking tot 1983 blijkt uit de door de Commissie overgelegde stukken (bijl. 33, 77, 85 en 87 a.b.), dat de polypropyleenproducenten eind 1982 en begin 1983 besprekingen voerden over een quotaregeling voor 1983, dat verzoekster aanwezig was bij de bijeenkomsten tijdens welke die besprekingen plaatsvonden, dat zij daarbij gegevens verstrekte over haar verkopen, dat in de bij het verslag van de bijeenkomst van 2 december 1982 gevoegde tabel naast het tegenover verzoeksters naam vermelde quotum het woord "acceptable" ("aanvaardbaar") staat, en dat ICI in een interne nota heeft opgemerkt, dat verzoekster "feels that the proposed figure is too low. If the intention is to drift from the first quarter into an agreement for the whole year, ATO would not accept" (bijl. 77 a.b.; "acht het voorgestelde cijfer te laag. Indien het de bedoeling is, van het eerste kwartaal over te gaan op een overeenkomst voor het gehele jaar, zou ATO er niet mee instemmen").
180 Hieruit volgt, dat verzoekster heeft deelgenomen aan de onderhandelingen die erop gericht waren, voor 1983 een quotaregeling tot stand te brengen.
181 Met betrekking tot de vraag, of die onderhandelingen voor de eerste twee kwartalen van 1983 daadwerkelijk resultaat hebben gehad, zoals in de beschikking (punten 63, derde alinea, en 64) wordt vermeld, zij opgemerkt, dat uit het verslag van de bijeenkomst van 1 juni 1983 (bijl. 40 a.b.) blijkt, dat verzoekster, evenals negen andere ondernemingen, tijdens die bijeenkomst haar verkoopcijfers voor de maand mei heeft bekendgemaakt. Bovendien staat in het verslag van een op 17 maart 1983 gehouden interne bijeenkomst van de Shell-groep (bijl. 90 a.b.) te lezen:
"(...) and would lead to a market share of approaching 12 % and well above the agreed Shell target of 11 %. Accordingly the following reduced sales targets were set and agreed by the integrated companies".
(("(...) en zou leiden tot een marktaandeel van bijna 12 %, dat beduidend hoger zou zijn dan de voor Shell overeengekomen streefhoeveelheid van 11 %. Daarom werden door de werkmaatschappijen van de groep de volgende - lagere - verkoopdoelen vastgesteld en overeengekomen")).
De nieuwe hoeveelheden worden meegedeeld, waarna wordt opgemerkt:
"this would be 11.2 Pct. of a market of 395 kt. The situation will be monitored carefully and any change from this agreed plan would need to be discussed beforehand with the other Pims members."
("dit zou neerkomen op 11,2 % van een markt van 395 kt. De situatie zal nauwlettend in de gaten worden gehouden en iedere afwijking van het aldus overeengekomen schema zal eerst met de andere Pims-leden moeten worden besproken").
182 Uit die twee documenten, in onderlinge samenhang bezien, heeft de Commissie terecht afgeleid, dat de onderhandelingen tussen de producenten tot de invoering van een quotaregeling hebben geleid. Uit de interne nota van de Shell-groep blijkt immers, dat deze onderneming haar nationale werkmaatschappijen verzocht, hun verkopen te reduceren, niet om de totale verkopen van de Shell-groep te verminderen, maar om het totale marktaandeel van de groep te beperken tot 11 %. Een dergelijke beperking, uitgedrukt in marktaandeel, is slechts verklaarbaar in het kader van een quotaregeling. Bovendien vormt het verslag van de bijeenkomst van 1 juni 1983 een extra aanwijzing voor het bestaan van een dergelijke regeling, aangezien een uitwisseling van gegevens betreffende de maandelijkse verkopen van de verschillende producenten primair ten doel heeft, de naleving van de aangegane verplichtingen te controleren.
183 Tot slot wordt opgemerkt, dat het cijfer van 11 % - het marktaandeel van Shell - niet alleen voorkomt in de interne nota van Shell, maar ook in twee andere documenten, te weten een interne nota van ICI, waarin deze opmerkt dat Shell dit percentage voorstelt voor haarzelf, voor Hoechst en voor ICI (bijl. 87 a.b.), en het door ICI opgestelde verslag van een op 29 november 1982 met Shell gehouden bijeenkomst, tijdens welke dat voorstel in herinnering werd gebracht (bijl. 99 a.b.).
184 Daar komt nog bij, dat aangezien de verschillende maatregelen tot beperking van de verkoop hetzelfde doel hadden - te weten een vermindering van de druk op de prijzen door het te grote aanbod -, de Commissie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij een onderdeel van een quotaregeling vormden.
185 De door verzoekster aangevoerde argumenten kunnen de feitelijke vaststellingen van de Commissie niet ontzenuwen.
186 In de eerste plaats doet verzoeksters argument betreffende de groei van haar marktaandeel, de verzadiging van haar produktiecapaciteit en de overschrijding van de beweerde quota niets af aan de vaststelling in de beschikking, dat er verkoopquota werden overeengekomen, waarbij in het midden wordt gelaten of die quota werden nageleefd. Bovendien waren de overeengekomen quota verkoopquota en geen produktiequota, zodat de verzadiging van verzoeksters produktiecapaciteit irrelevant is.
187 In de tweede plaats vertonen de cijfers in de verschillende op 1980 betrekking hebbende tabellen slechts verwaarloosbare verschillen, die het bestaan van een quotastelsel niet ontzenuwen. De omstandigheid dat de hoeveelheden die overeenkomen met de aan de verschillende producenten toegewezen marktaandelen, worden aangepast aan de ontwikkeling van de markt in haar geheel, moet worden beschouwd als een verrichting die in het kader van een quotasysteem normaal is wanneer, zoals dat in het onderhavige geval voor 1980 het geval was, de deelnemers aan dat stelsel de totale vraag verkeerd hebben ingeschat, hetgeen voor 1980 het geval was.
188 In de derde plaats is het niet noodzakelijk, dat de Commissie van elk document dat zij tegen een bepaalde onderneming in stelling wil brengen, aangeeft van wie het afkomstig is en hoe het is opgesteld, althans wanneer het betrokken document verband houdt met bijeenkomsten waarvan is aangetoond dat zij inzonderheid ten doel hadden, richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen.
189 In de vierde plaats wordt verzoeksters bewering, dat de Commissie bij haar analyse van het bewijsmateriaal een louter statistische registratie van de marktontwikkeling voor het bewijs van een afspraak heeft aangezien, niet door argumenten of feiten gestaafd. Die bewering is bovendien ongeloofwaardig.
190 In de vijfde en laatste plaats betekent de omstandigheid dat in sommige tabellen de aan de verschillende producenten toegewezen marktaandelen of quota samengeteld 100 % of de raming van de totale markt overschrijden, nog niet, dat die tabellen bewijskracht ontberen. In de tabellen waaruit de Commissie het bestaan van wilsovereenstemming afleidt ("revised" of "agreed target"; bijl. 55 en 60 a.b.), is immers van een dergelijke overschrijding geen sprake. Dat tabellen die slechts een fase van het onderhandelingsproces weergeven, die overschrijding wel vertonen, is volkomen normaal, omdat de producenten daarin hun "aspiraties" kenbaar maakten.
191 Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen dat verzoekster een van de polypropyleenproducenten was die wilsovereenstemming hebben bereikt met betrekking tot de in de beschikking genoemde kwantitatieve verkoopdoelen voor de jaren 1979 en 1980 en de eerste helft van 1983, en de in de beschikking bedoelde beperking van hun maandelijkse verkopen ten opzichte van een eerdere periode voor de jaren 1981 en 1982, en dat deze maatregelen een onderdeel van een quotaregeling vormden.
2. De toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag
A - Bestreden handeling
192 In punt 89, eerste alinea, van de beschikking wordt eraan herinnerd, dat artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag uitdrukkelijk als voorbeeld van de mededingingsbeperkende overeenkomsten noemt die overeenkomsten welke rechtstreeks of zijdelings de verkoopprijzen bepalen of de markten tussen de producenten verdelen. Dit nu zijn volgens de beschikking de wezenlijke kenmerken van de in deze zaak in geding zijnde overeenkomsten.
193 In het onderhavige geval was het wezenlijke oogmerk van de organisatie van het systeem van geregelde bijeenkomsten en de voortgezette heimelijke verstandhouding van de producenten, door middel van een complex van overeenkomsten en regelingen prijsverhogingen te bewerkstelligen. Door gemeenschappelijke prijsinitiatieven te plannen waarbij richtprijzen voor elke kwaliteit en voor elke nationale valuta werden vastgesteld, die op een overeengekomen datum van kracht werden, streefden de producenten ernaar de risico' s uit te schakelen die met elke eenzijdige poging tot verhoging van de prijzen gepaard zouden gaan. De verschillende quotastelsels en andere mechanismen waarmee de uiteenlopende belangen van de gevestigde producenten en de nieuwkomers met elkaar moesten worden verzoend, hadden dan ook uiteindelijk alle ten doel artificiële voorwaarden inzake stabiliteit te scheppen die gunstig waren voor prijsverhogingen (punt 89, tweede, derde en vierde alinea, van de beschikking).
194 Daarvoor streefden de producenten naar een zodanige organisatie van de polypropyleenmarkt, dat het vrije spel van de krachten van de mededinging werd vervangen door een geïnstitutionaliseerde en systematische heimelijke verstandhouding tussen producenten, en een en ander in een kartel uitmondde (punt 89, vijfde alinea, van de beschikking).
195 Gezien het klaarblijkelijk met de mededinging strijdige doel van de overeenkomst is het voor de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag niet absoluut noodzakelijk aan te tonen, dat zich ook nadelige gevolgen voor de mededinging hebben voorgedaan. In de onderhavige zaak blijkt echter uit het bewijsmateriaal, dat de overeenkomst wel degelijk een aanmerkelijke invloed op de mededingingsvoorwaarden heeft uitgeoefend (punt 90, eerste en tweede alinea, van de beschikking).
196 De op de bijeenkomsten gesloten overeenkomsten inzake richtprijzen voor elke kwaliteit en elke nationale valuta werden door de producenten ten uitvoer gelegd door prijsinstructies te geven aan hun nationale verkoopkantoren of -agenten, die vervolgens op hun beurt de afnemers op de hoogte moesten stellen van het nieuwe prijsniveau. Derhalve stonden de afnemers tegenover een uniforme basisprijs op de markt in elke valuta en voor elke belangrijke kwaliteit. Sommige afnemers kregen weliswaar bijzondere voorwaarden of kortingen en sommige producenten stelden de geplande prijsverhoging uit of deden toegevingen. Sommige producenten stelden hun werkelijke prijzen voor bepaalde kwaliteiten of in bepaalde landen iets beneden de richtprijzen, waarbij zij hun prijzen niettemin bepaalden met inachtneming van een algemene aanpassing door de andere producenten. Een en ander neemt echter niet weg, dat de vaststelling van een bepaald prijsniveau - dat dan op de markt als de "catalogusprijs" of de "officiële prijs" werd voorgesteld - inhield, dat de afnemers nog maar een beperkte marge hadden om met de producenten over de prijs te onderhandelen en dat zij verstoken bleven van tal van voordelen die de vrije mededinging hun anders zou opleveren (punt 90, derde en vierde alinea, van de beschikking).
197 In punt 90, laatste alinea, van de beschikking wordt beklemtoond, dat uit het schriftelijke bewijsmateriaal, waaronder de marktrapporten van de producenten zelf, blijkt, dat op de markt onderling afgestemde prijsinitiatieven werden genomen waarbij alle producenten betrokken waren en dat er een nauwe band bestond tussen die initiatieven en het systeem van regelmatige bijeenkomsten.
198 Het is juist, dat het werkelijke prijsniveau over het algemeen achterbleef bij de "richtprijzen" en dat de prijsinitiatieven de tendens hadden om te verwateren en uiteindelijk soms in een sterke prijsdaling uitmondden, aldus punt 91, eerste alinea, van de beschikking. Uit de door de producenten zelf overgelegde grafieken blijkt evenwel, dat gedurende een aantal jaren de nagestreefde en feitelijke prijsniveaus zich regelmatig op onderling geringe afstand parallel hebben ontwikkeld. Gedurende de periode waarvan prijsinitiatieven bekend zijn, bewoog het feitelijke prijsniveau zich elke maand opwaarts in de richting van de overeengekomen richtprijs. Indien zich een plotselinge prijsinzinking voordeed (bij voorbeeld wanneer de propyleenprijzen zakten), kon deze worden opgevangen door de vaststelling van een nieuwe en veel lagere richtprijs en werd de opwaartse trend hersteld. Die tactiek werd in juli/november 1983 met bijzonder veel succes toegepast.
199 Tijdens de jaren waarin een systeem van kracht was, weken de door de meeste producenten geleverde hoeveelheden over het algemeen niet sterk af van het voor hen gestelde quotum of doel, aldus punt 91, tweede alinea, van de beschikking.
200 Verzoekster heeft gewezen op verschillen tussen haar oorspronkelijke richthoeveelheid en de in het betrokken jaar (in het bijzonder in 1980) daadwerkelijk door haar geleverde hoeveelheid en zij heeft hieraan de conclusie verbonden, dat er geen sprake was van enig quotastelsel. In punt 91, derde alinea, van de beschikking wordt hiertegen ingebracht, dat in het betrokken jaar de richthoeveelheden voortdurend werden gewijzigd en de overeengekomen verdeling van de markt - uitgedrukt in marktaandeel - globaal werd gehandhaafd. Verzoekster mag dan wijzen op de geleidelijke toeneming van de hoeveelheden die zij elk jaar in West-Europa had verkocht (van 39 000 ton in 1979 tot 45 000 ton in 1982), in feite bleef het door haar behaalde marktaandeel procentueel gezien steeds gelijk (tussen 3,1 en 3,2 %) en kwam dit nagenoeg precies overeen met haar procentuele richthoeveelheid voor elk jaar. Ook de wijzigingen die zich sedert 1977 in het marktaandeel van enige producenten hebben voorgedaan, houden niet het bewijs van een onbeperkte mededinging in. Er werden immers quota en richthoeveelheden overeengekomen om rekening te houden met de ambities van de nieuwkomers en de grotere ondernemingen waren bereid een vermindering van hun eigen marktaandeel te accepteren, omdat zij belang hadden bij een verhoging van het prijsniveau (punt 91, laatste alinea, van de beschikking).
201 In punt 92, eerste alinea, van de beschikking wordt geconcludeerd, dat het feit dat de kartellering van de markt onvolledig was en de werking van de krachten van de mededinging daardoor niet volledig werd uitgesloten, geen belemmering voor de toepassing van artikel 85 EEG-Verdrag vormt. Gezien het grote aantal producenten, hun uiteenlopende commerciële belangen en de afwezigheid van dwangmaatregelen die ten uitvoer konden worden gelegd ten aanzien van een producent die de overeengekomen regelingen niet nakwam, was geen enkel kartel in staat de activiteiten van de deelnemers volledig te controleren. Voorts verwerpt de Commissie het door de ondernemingen aangevoerde argument, dat de marktontwikkeling hetzelfde zou zijn geweest wanneer zij geen regelingen zouden zijn overeengekomen. De vraag, wat zou zijn gebeurd wanneer er geen overeenkomst ware geweest, zo stelt zij in punt 92, laatste alinea, van de beschikking, is van zuiver speculatieve aard, maar het is wel opvallend dat de producenten zelf erkenden hoe doeltreffend hun bijeenkomsten wel waren, toen zij in mei 1982 het voorstel verwierpen niet meer bijeen te komen, aangezien zij het beter vonden om wanneer vraag en aanbod in evenwicht waren, actieve stappen te ondernemen voor het optrekken van de prijzen in plaats van een en ander aan de markt over te laten.
202 De Commissie heeft in ieder geval nooit beweerd - aldus punt 73 van de beschikking -, dat het systeem van regelmatige bijeenkomsten alle verrichtingen en verkopen van de fabrikanten volledig beheerste, of dat het de enige factor was die het prijsniveau van polypropyleen bepaalde. Uit het door de Commissie in aanmerking genomen bewijsmateriaal blijkt juist, dat de fabrikanten zich er rekenschap van gaven dat de markt werd beïnvloed door factoren die aan hun controle ontsnapten, zoals wijzigingen in de vraag of verhogingen van de grondstofprijzen. Bij het nemen van een besluit over het bedrag, het tijdstip en de wijze van invoering alsmede de kans van slagen van een voorgenomen prijsinitiatief, moesten de fabrikanten met dergelijke marktfactoren rekening houden. Eén van de hoofddoelstellingen van de bijeenkomsten was echter juist, te trachten de reactie van de fabrikanten op dergelijke factoren te cooerdineren. Het is overigens best mogelijk, dat de prijs in ruime mate door het mechanisme van vraag en aanbod werd bepaald, maar blijkens het schriftelijke bewijsmateriaal probeerden de producenten met hun controle op de verkochte hoeveelheden of met hun quotaregelingen dit mechanisme te manipuleren.
B - Argumenten van partijen
203 Verzoekster betoogt, dat artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag "overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen" niet alleen verbiedt wanneer deze de handel tussen Lid-Staten ongunstig beïnvloeden, maar ook wanneer deze een beperking van de mededinging ten doel of ten gevolge hebben. In verzoeksters geval is aan geen van deze twee voorwaarden voldaan, aangezien haar onafhankelijke commerciële beleid uitsluit, dat haar gedrag erop gericht was de vrije mededinging te belemmeren.
204 Volgens verzoekster is de Commissie er evenmin in geslaagd een effect op de markt aan te tonen: haar bewijs bestaat uitsluitend uit petitiones principii (punten 90 tot en met 92 van de beschikking), terwijl zij elders in haar beschikking (punt 73) erkent, dat de prijs mogelijkerwijs door het mechanisme van vraag en aanbod werd bepaald, waarbij zij de producenten wel verwijt, dat deze met hun controle op de verkochte hoeveelheden of hun quotasystemen "probeerden" dit mechanisme te manipuleren.
205 Verzoekster voert aan, dat artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag niet op haar kan worden toegepast. Gesteld al dat een dergelijke poging zou zijn gedaan, dan heeft deze geen effect op de markt gehad en bovendien heeft ATO niet deelgenomen of zich onderworpen aan een systeem waarbij de verkochte hoeveelheden werden gecontroleerd, noch aan een systeem waarbij quota of prijzen werden vastgesteld.
206 De Commissie heeft zich in een tegenspraak verstrikt waar zij niet uitkomt. Zij is immers van mening, in de stukken waarover zij beschikt - met name in de geschriften van één van de betrokken ondernemingen - het absolute bewijs te hebben gevonden van het bestaan van de overeenkomst zoals zij die elders beschrijft, maar die theoretische beschrijving stemt geenszins overeen met hetgeen werkelijk met betrekking tot verzoeksters gedrag of de werking van de polypropyleenmarkt is vastgesteld.
207 De Commissie beroept zich op de door verzoekster genoemde punten van de beschikking om verzoeksters bewering, dat de markt niet is beïnvloed en dat derhalve de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag is uitgesloten, te weerspreken.
C - Beoordeling door het Gerecht
208 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster met haar betoog uitsluitend wil aantonen, dat haar deelneming aan de geregeld gehouden bijeenkomsten van polypropyleenproducenten niet onder de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag viel, aangezien uit haar concurrerende marktgedrag zou blijken dat die deelneming noch ertoe strekte noch ten gevolge had dat de mededinging werd beperkt .
209 Volgens artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden alle overeenkomsten tussen ondernemingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, met name die welke bestaan in het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden, en in het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen.
210 Er zij aan herinnerd, dat uit de beoordeling van de door de Commissie vastgestelde feiten blijkt, dat de door verzoekster en haar concurrenten bijgewoonde periodieke bijeenkomsten ten doel hadden, de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te beperken, met name door de vaststelling van richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen, en dat bijgevolg verzoeksters deelneming aan die bijeenkomsten wel degelijk ertoe strekte dat de mededinging werd beperkt, in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag.
211 Derhalve mocht de Commissie zich op het standpunt stellen, dat verzoekster, door tussen 1978 en september 1983 deel te nemen aan de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten, zich heeft aangesloten bij de polypropyleenproducenten die wilsovereenstemming hebben bereikt met betrekking tot prijsinitiatieven, maatregelen ter vergemakkelijking van de toepassing van die prijsinitiatieven en kwantitatieve verkoopdoelen voor de jaren 1979 en 1980 en de eerste helft van 1983, alsmede met betrekking tot maatregelen tot beperking van hun maandelijkse verkopen ten opzichte van een eerdere periode voor de jaren 1981 en 1982, en dat zij daarmee in strijd met artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag heeft deelgenomen aan een overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen.
212 Uit een en ander volgt, dat alle middelen van verzoekster betreffende de door de Commissie in de bestreden handeling vastgestelde feiten en de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag moeten worden afgewezen.
De motivering
1. Vaststelling van één enkele beschikking
213 Verzoekster betoogt, dat de Commissie haar betrokkenheid bij een kartel niet naar behoren heeft bewezen. Waar de adressaten van de beschikking niet alle in dezelfde economische situatie verkeren, is het moeilijk, gevaarlijk en kunstmatig alle ondernemingen onder de gemeenschappelijke noemer van een "horizontaal" kartel te brengen. Dit heeft de Commissie echter wel gedaan door het gedrag van de polypropyleenproducenten in dikwijls zeer algemene bewoordingen aan de kaak te stellen, waardoor alle of nagenoeg alle producenten gedragingen worden aangewreven waaraan maar een aantal van hen zich hebben schuldig gemaakt. Door deze algemene voorstelling van zaken is het moeilijk de aan elk van de producenten ten laste gelegde feiten en handelingen, op basis waarvan de Commissie heeft bepaald in hoeverre elk van hen aansprakelijk moet worden geacht, precies te achterhalen. De beschikking is dan ook onvoldoende geïndividualiseerd en te algemeen van aard, wat overigens blijkt uit het feit dat maar een klein aantal passages specifiek tegen ATO is gericht en dat op de door ATO aangevoerde argumenten niet apart wordt ingegaan.
214 Verzoekster verwijt de Commissie bovendien, zich op een algemeen vermoeden van schuld te baseren. In haar beschikking leidt zij uit de feiten en documenten stelselmatig het bestaan van een kartel af, zonder ook maar in aanmerking te nemen dat dezelfde feiten ook anders kunnen worden verklaard. Als gevolg hiervan is ATO gevangen in een netwerk van bewijzen, waardoor elke producent wordt geacht medeplichtig te zijn aan de gedragingen van andere producenten, terwijl die gedragingen zelf, al zijn zij nog zo onschuldig, stelselmatig worden geacht de mededinging te beperken.
215 De Commissie brengt hiertegen in, dat de op verzoekster betrekking hebbende passages van de beschikking voldoende nauwkeurig zijn om haar te doen begrijpen, welke grieven er tegen haar bestaan. Bovendien is de beschikking niet alleen gebaseerd op de algemene mededeling van de punten van bezwaar, maar ook op de tot de verschillende ondernemingen gerichte individuele mededelingen, waarvan er één uitsluitend op verzoekster betrekking heeft. De Commissie merkt voorts op, dat verzoekster in de beschikking en de daaraan gehechte tabellen herhaaldelijk wordt genoemd.
216 Het Gerecht is van mening, dat uit de overwegingen met betrekking tot de vaststelling van de inbreuk blijkt, dat verzoekster - evenals het Gerecht - met voldoende nauwkeurigheid heeft kunnen vaststellen welke grieven er tegen haar bestaan.
217 Het feit dat er één enkele beschikking is gegeven, heeft er niet toe geleid dat verzoekster voor gedragingen van andere producenten moet opdraaien, aangezien de Commissie alle in de beschikking tegen verzoekster in aanmerking genomen grieven rechtens genoegzaam heeft gestaafd.
218 Ten slotte moet worden opgemerkt, dat uit de overwegingen van het Gerecht met betrekking tot de vaststelling van de inbreuk blijkt, dat die inbreuk bestaat in een "horizontaal" kartel waaraan de verschillende polypropyleenproducenten, elk met zijn eigen economische kenmerken, hebben deelgenomen, en dat verzoekster niet heeft aangegeven in hoeverre die kenmerken eraan in de weg staan, dat de Commissie de verschillende producenten onder de gemeenschappelijke noemer van het "horizontale" kartel plaatst.
219 Uit het voorgaande volgt, dat het middel niet kan worden aanvaard.
2. Ontoereikende motivering
220 Verzoekster merkt op, dat zij uit de beschikking niet kan opmaken in hoeverre de Commissie rekening heeft gehouden met de informatie die zij in antwoord op de tot haar gerichte mededelingen van punten van bezwaar had verstrekt. De Commissie heeft immers het merendeel van die punten van bezwaar in de beschikking overgenomen zonder een woord te wijden aan de door verzoekster aangevoerde elementen - al was het maar om deze te weerleggen -, met name die betreffende de groei van verzoeksters marktaandeel tot het punt van verzadiging van haar produktiecapaciteit en die waaruit blijkt dat verzoekster haar prijsinstructies had gegeven na bekendmakingen in de vakpers en derhalve louter de aanwijzingen van de markt had gevolgd.
221 De Commissie brengt hiertegen in, dat zij alle ter zake dienende argumenten van verzoekster heeft weerlegd.
222 Het Gerecht merkt op dat volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie onder meer de arresten van 29 oktober 1980, gevoegde zaken 209/78 tot en met 215/78 en 218/78, Van Landewyck, Jurispr. 1980, blz. 3125, r.o. 66, en 10 december 1985, gevoegde zaken 240/82 tot en met 242/82, 261/82, 262/82, 268/82 en 269/82, Stichting Sigarettenindustrie, Jurispr. 1985, blz. 3831, r.o. 88) de Commissie krachtens artikel 190 EEG-Verdrag weliswaar gehouden is, haar beschikkingen met redenen te omkleden met vermelding van de feitelijke en juridische gegevens waarvan de wettigheid van de maatregel afhangt en van de overwegingen die haar tot het nemen van haar beschikking hebben geleid, doch dat niet vereist is dat zij ingaat op alle feitelijke en rechtspunten die door elke betrokkene tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen. Dit betekent, dat de Commissie niet behoeft in te gaan op de punten die haar volstrekt irrelevant lijken.
223 In dit verband zij erop gewezen, dat het eerste door verzoekster aangevoerde argument is beantwoord in punt 91, derde alinea, van de beschikking. Dat antwoord was specifiek tot verzoekster gericht, aangezien het uitdrukkelijk betrekking heeft op de toename van haar verkopen. Gelijk het Gerecht in het kader van de vaststelling van de inbreuk heeft verklaard, is dit eerste element irrelevant voor zover het betrekking heeft op de verzadiging van verzoeksters produktiecapaciteit. Het tweede argument is weliswaar in de beschikking (punt 30) in aanmerking genomen, doch niet aanvaard. Bovendien blijkt uit de overwegingen van het Gerecht met betrekking tot de vaststelling van de inbreuk, dat dit argument ongegrond is.
224 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
De geldboete
225 Verzoekster erkent, dat zij wellicht onvoorzichtig heeft gehandeld door de bijeenkomsten van polypropyleenproducenten bij te wonen en zich onvoldoende te distantiëren van de op die bijeenkomsten gemaakte afspraken. Zij is echter van mening, dat die eventuele onvoorzichtigheid de veel te hoge boete die haar door de Commissie is opgelegd, niet rechtvaardigt. Op die bijeenkomsten was het verzoekster enkel erom te doen, informatie te verkrijgen over een voor haar nieuwe markt. Uitwisseling van informatie is volgens verzoekster trouwens een van de voorwaarden voor mededinging.
226 De Commissie is van mening, dat de zwaarte van de door haar vastgestelde inbreuk de aan verzoekster opgelegde geldboete ruimschoots rechtvaardigt. Het door verzoekster aangevoerde argument, dat de uitwisseling van informatie een gunstige invloed op de mededinging heeft, acht zij onaanvaardbaar, aangezien voor mededinging is vereist, dat de markt voor alle marktdeelnemers, zowel aan de aanbod- als aan de vraagzijde, transparent is, terwijl de gewraakte informatie-uitwisseling uitsluitend aan de aanbodzijde plaatsvond.
227 Het Gerecht stelt vast, dat uit de ernst van de vastgestelde feiten - met name de vaststelling van richtprijzen en verkoopdoelen - blijkt, dat verzoekster niet onvoorzichtig of uit onachtzaamheid, doch opzettelijk heeft gehandeld. In dit verband is inzonderheid van belang, dat er sprake was van een zeer duidelijke inbreuk op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag - met name de letters a, b en c daarvan - en dat de polypropyleenproducenten zich hiervan welbewust waren.
228 Bovendien moet verzoeksters argument betreffende de uitwisseling van informatie categorisch van de hand worden gewezen, niet alleen om de door de Commissie uiteengezette redenen, maar ook omdat aanvaarding van dit argument aan de mededingingsbepalingen van het Verdrag iedere nuttige werking zou ontnemen.
229 Uit al het voorgaande volgt, dat de aan verzoekster opgelegde geldboete redelijk is, gelet op zowel de duur als de zwaarte van de haar ten laste gelegde inbreuk op het communautaire mededingingsrecht.
Beslissing inzake de kostenKosten
230 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld en de Commissie heeft geconcludeerd, verzoekster in de kosten te verwijzen, dient zij in de kosten te worden verwezen.
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekster in de kosten van het geding.
Top