Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (EERSTE KAMER) VAN 17 DECEMBER 1991. - DSM NV TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - MEDEDINGING - BEGRIPPEN OVEREENKOMST EN ONDERLING AFGESTEMDE FEITELIJKE GEDRAGING - COLLECTIEVE AANSPRAKELIJKHEID. - ZAAK T-8/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde II-01833
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Mededinging - Administratieve procedure - Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld - Bewijselementen die in aanmerking kunnen worden genomen
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
2. Mededinging - Mededingingsregelingen - Overeenkomsten tussen ondernemingen - Begrip - Wilsovereenstemming met betrekking tot toekomstig marktgedrag
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
3. Mededinging - Mededingingsregelingen - Verbod - Mededingingsregelingen die na formele beëindiging effect blijven sorteren - Toepassing van artikel 85 EEG-Verdrag
(EEG-Verdrag, art. 85)
4. Mededinging - Mededingingsregelingen - Onderling afgestemde feitelijke gedraging - Begrip - Cooerdinatie en samenwerking in strijd met verplichting van elke onderneming om marktgedrag zelfstandig te bepalen - Bijeenkomsten waarop concurrenten informatie uitwisselen die bepalend is voor commerciële strategie van deelnemers
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
5. Mededinging - Mededingingsregelingen - Complexe inbreuk met kenmerken van overeenkomst en kenmerken van onderling afgestemde feitelijke gedraging - Eén enkele kwalificatie als "overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedraging" - Toelaatbaarheid - Gevolgen voor aan te dragen bewijselementen
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
6. Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Beschikking tot toepassing van mededingingsregels (EEG-Verdrag, art. 190)
7. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Vroeger gedrag van onderneming
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
Samenvatting1. Een krachtens artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag tot een onderneming gerichte beschikking kan tegen die onderneming enkel als bewijsmiddelen gebruiken die documenten waarvan al in de fase van de mededeling van de punten van bezwaar - doordat de documenten in die mededeling of in de daarbij gevoegde bijlagen werden genoemd -duidelijk was, dat de Commissie ze in stelling wilde brengen, en over de bewijskracht waarvan de onderneming zich dus tijdig heeft kunnen uitlaten.
2. Het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag kan reeds worden aangenomen indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen. Hiervan is sprake wanneer verscheidene ondernemingen wilsovereenstemming hebben bereikt met betrekking tot richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen.
3. Artikel 85 EEG-Verdrag is van toepassing op overeenkomsten die niet meer van kracht zijn, doch na hun formele beëindiging effect blijven sorteren.
4. De voor de definitie van het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging gebezigde criteria van cooerdinatie en samenwerking moeten worden verstaan in het licht van de in de mededingingsvoorschriften voorschriften van het EEG-Verdrag besloten voorstelling, dat elke ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren. Deze eis van zelfstandigheid sluit weliswaar niet uit, dat de ondernemer gerechtigd is zijn beleid intelligent aan het vastgestelde of te verwachten marktgedrag van zijn concurrenten aan te passen, doch zij staat onverbiddelijk in de weg aan enigerlei tussen zulke ondernemers al dan niet rechtstreeks opgenomen contact strekkend hetzij tot beïnvloeding van het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent, hetzij tot beduiding aan zulk een concurrent van het aangenomen of voorgenomen marktgedrag.
Ondernemingen die deelnemen aan bijeenkomsten die ertoe strekken richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen en tijdens welke concurrenten informatie uitwisselen over de prijzen die zij voornemens zijn toe te passen, hun rentabiliteitsdrempel, de door hen noodzakelijk geachte beperkingen van de verkopen of hun verkoopcijfers, maken zich schuldig aan onderlinge afstemming, want het kan nagenoeg niet anders, dat zij bij de bepaling van hun marktgedrag rekening houden met de hun op die bijeenkomsten verstrekte informatie.
5. Artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag voorziet niet in een specifieke kwalificatie voor een complexe inbreuk die, doordat zij een voortgezette gedraging vormt die wordt gekenmerkt door één enkel doel en waarvan sommige bestanddelen als overeenkomst en andere als onderling afgestemde feitelijke gedraging moeten worden gekwalificeerd, niettemin als één inbreuk moet worden beschouwd. Derhalve kan een dergelijke inbreuk als "een overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen" worden gekwalificeerd, zonder dat gelijktijdig en cumulatief behoeft te worden bewezen dat elk van de feitelijke bestanddelen zowel de karakteristieken van een overeenkomst als van een onderling afgestemde feitelijke gedraging vertoont.
6. De Commissie is krachtens artikel 190 EEG-Verdrag weliswaar gehouden, haar beschikkingen met redenen te omkleden met vermelding van de feitelijke en juridische gegevens waarvan de wettigheid van de maatregel afhangt en van de overwegingen die haar tot het nemen van haar beschikking hebben geleid, doch het is in het geval van een beschikking tot toepassing van de mededingingsregels niet vereist, dat zij ingaat op alle feitelijke en rechtspunten die door elke betrokkene tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen.
7. Bij de vaststelling van het bedrag van de wegens schending van de mededingingsregels van het Verdrag op te leggen geldboete, kan het feit dat de Commissie een bepaalde onderneming al eens een inbreuk op de mededingingsregels heeft ten laste gelegd en eventueel uit dien hoofde een boete heeft opgelegd, tegen die onderneming, in voorkomend geval, als een verzwarende omstandigheid in aanmerking worden genomen. Daarentegen is de afwezigheid van een eerdere inbreuk een normale omstandigheid, die de Commissie niet als verzachtende omstandigheid in aanmerking behoeft te nemen.
PartijenIn zaak T-8/89,
DSM NV, te Heerlen, vertegenwoordigd door I. G. F. Cath, advocaat te Maastricht, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij L. H. Dupong, advocaat aldaar, Rue des Bains 14a,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur A. McClellan als gemachtigde, bijgestaan door T. R. Ottervanger, advocaat te Rotterdam, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, lid van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 EEG-Verdrag (IV/31.149-Polypropyleen, PB 1986, L 230, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J. L. Cruz Vilaça, president, R. Schintgen, D. Edward, H. Kirschner en K. Lenaerts, rechters,
advocaat-generaal: B. Vesterdorf
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden van 10 tot en met 15 december 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 juli 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrestDe feiten
1 De onderhavige zaak heeft betrekking op een beschikking van de Commissie waarbij zij vijftien polypropyleenproducenten een boete heeft opgelegd wegens schending van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag. Het produkt waarop de bestreden beschikking (hierna: de beschikking) betrekking heeft, is een van de voornaamste bulk thermoplastic polymeren. Polypropyleen wordt door de producenten verkocht aan verwerkers, die er eindprodukten of halffabrikaten van maken. De grootste polypropyleenproducenten hebben een reeks van meer dan honderd verschillende kwaliteiten, die in zeer uiteenlopende uiteindelijke gebruiksdoeleinden toepassing vinden. De belangrijkste basiskwaliteiten van polypropyleen zijn: raffia, homopolymeer injection moulding, copolymeer injection moulding, high impact copolymeer en folie. Alle ondernemingen tot welke de onderhavige beschikking is gericht, zijn belangrijke petrochemische fabrikanten.
2 De Westeuropese markt voor polypropyleen wordt bijna geheel bevoorraad door in Europa gevestigde produktiefaciliteiten. Vóór 1977 werd de markt bevoorraad door tien producenten, te weten Montedison (later Montepolimeri SpA), Hoechst AG, Imperial Chemical Industries PLC en Shell International Chemical Company Ltd (de "grote vier"), te zamen goed voor 64 % van de markt, Enichem Anic SpA in Italië, Rhône-Poulenc SA in Frankrijk, Alcudia in Spanje, Chemische Werke Huels en BASF AG in Duitsland en Chemie Linz AG in Oostenrijk. Nadat de duur van de hoofdoctrooien van Montedison was verstreken, dienden zich in 1977 zeven nieuwe producenten aan in West-Europa: Amoco en Hercules Chemicals NV in België, ATO Chimie SA en Solvay & Cie SA in Frankrijk, SIR in Italië, DSM NV in Nederland en Taqsa in Spanje. Saga Petrokjemi AS & Co., een Noorse onderneming, begon haar activiteiten midden 1978, en Petrofina SA in 1980. De komst van nieuwe producenten met een nominale capaciteit van ongeveer 480 000 ton leidde tot een aanzienlijke toename van de in West-Europa aanwezige produktiecapaciteit, die gedurende enkele jaren niet gepaard ging met een overeenkomstige stijging van de vraag. Dit had een lage bezettingsgraad van de produktiecapaciteit tot gevolg, die echter tussen 1977 en 1983 geleidelijk weer aantrok, namelijk van 60 tot 90 %. Volgens de beschikking waren vraag en aanbod vanaf 1982 weer ongeveer in evenwicht. Dit neemt niet weg, aldus de beschikking, dat de polypropyleenmarkt over het grootste deel van de onderzochte periode (1977-1983) werd gekenmerkt door hetzij een geringe rentabiliteit, hetzij aanzienlijke verliezen, die met name te wijten waren aan hoge vaste kosten en een stijging van de kosten van de grondstof, propyleen. Volgens punt 8 van de beschikking had Montepolimeri in 1983 18 % van de Europese polypropyleenmarkt in handen, hadden Imperial Chemical Industries PLC, Shell International Chemical Company Ltd en Hoechst AG elk een marktaandeel van 11 %, nam Hercules Chemicals NV iets minder dan 6 % voor haar rekening, waren ATO Chimie SA, BASF AG, DSM NV, Chemische Werke Huels, Chemie Linz AG, Solvay & Cie SA en Saga Petrokjemi AS & Co. elk goed voor 3 à 5 % en had Petrofina SA een marktaandeel van ongeveer 2 %. Er zou een aanzienlijke handel in polypropyleen tussen de Lid-Staten hebben bestaan, omdat elk van de destijds in de Gemeenschap gevestigde producenten het produkt in de meeste, zoniet alle Lid-Staten verkocht.
3 DSM NV is een van de zeven producenten die in 1977 hun intrede deden op de markt. Zij was op de polypropyleenmarkt een middelgrote producent, met een marktaandeel tussen de 3,1 en 4,8 %.
4 Op 13 en 14 oktober 1983 voerden ambtenaren van de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EEG-Verdrag (PB 1962, blz.204, hierna: verordening nr. 17) tegelijkertijd verificaties uit bij de volgende ondernemingen die polypropyleen vervaardigen en de gemeenschappelijke markt bevoorraden:
- ATO Chimie SA, thans Atochem (hierna: ATO),
- BASF AG (hierna: BASF),
- DSM NV (hierna: DSM),
- Hercules Chemicals NV (hierna: Hercules),
- Hoechst AG (hierna: Hoechst),
- Chemische Werke Huels (hierna: Huels),
- Imperial Chemical Industries PLC (hierna: ICI),
- Montepolimeri SpA, thans Montedipe (hierna: Monte),
- Shell International Chemical Company Ltd (hierna: Shell),
- Solvay & Cie SA (hierna: Solvay),
- BP Chimie (hierna: BP).
Er werden geen verificaties verricht bij Rhône-Poulenc SA (hierna: Rhône-Poulenc) en bij Enichem Anic SpA.
5 Na de verificaties verzocht de Commissie voornoemde ondernemingen krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 om inlichtingen. Een zelfde verzoek werd ook gericht tot de volgende ondernemingen:
- Amoco,
- Chemie Linz AG (hierna: Linz),
- Saga Petrokjemi AS & Co., thans een onderdeel van Statoil (hierna: Statoil),
- Petrofina SA (hierna: Petrofina),
- Enichem Anic SpA (hierna: Anic).
De in Oostenrijk gevestigde onderneming Linz betwistte de bevoegdheid van de Commissie en weigerde op het verzoek te antwoorden. Overeenkomstig artikel 14, lid 2, van verordening nr. 17 verrichtten ambtenaren van de Commissie vervolgens verificaties bij Anic en bij Saga Petrochemicals UK Ltd, de Engelse dochteronderneming van Saga, alsmede bij de wederverkopers van Linz in het Verenigd Koninkrijk en de Bondsrepubliek Duitsland. Rhône-Poulenc werd niet om inlichtingen verzocht.
6 Op grond van het in het kader van die verificaties en verzoeken om inlichtingen verzamelde materiaal kwam de Commissie tot de slotsom, dat de betrokken fabrikanten tussen 1977 en 1983 in strijd met artikel 85 EEG-Verdrag in het kader van een reeks "prijsinitiatieven" regelmatig richtprijzen hadden vastgesteld en een jaarlijks controlesysteem hadden opgezet voor de verkochte hoeveelheden, ten einde de beschikbare markt op basis van overeengekomen percentages of hoeveelheden onder elkaar te verdelen. Derhalve besloot de Commissie op 30 april 1984 de procedure, bedoeld in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17, in te leiden en deed zij in mei van hetzelfde jaar een schriftelijke mededeling van punten van bezwaar toekomen aan alle genoemde ondernemingen, behalve Anic en Rhône-Poulenc. Alle adressaten dienden schriftelijke opmerkingen in.
7 Op 24 oktober 1984 had de door de Commissie aangewezen Raadadviseur-auditeur een ontmoeting met de juridisch adviseurs van de adressaten van de mededeling van de punten van bezwaar, ten einde bepaalde procedureafspraken te maken voor de in het kader van de administratieve procedure geplande hoorzitting, die op 12 november 1984 zou aanvangen. Tijdens die bijeenkomst kondigde de Commissie bovendien aan, dat zij, gelet op de argumenten die de ondernemingen in hun antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar hadden aangevoerd, weldra verdere documenten zou sturen ter aanvulling van het bewijsmateriaal betreffende de toepassing van prijsinitiatieven, waarover zij reeds beschikten. Zo zond zij de juridisch adviseurs van de ondernemingen op 31 oktober 1984 een aantal documenten in de vorm van kopieën van door de fabrikanten aan hun verkoopkantoren gezonden prijsinstructies alsmede notities met samenvattingen van die documenten. Ten einde de inachtneming van het zakengeheim te waarborgen, had de Commissie een aantal voorwaarden gesteld; met name mochten de verkoopafdelingen van de ondernemingen de betrokken documenten niet onder ogen krijgen. De advocaten van verscheidene ondernemingen weigerden die voorwaarden te aanvaarden en zonden de documenten vóór de hoorzitting terug.
8 Gelet op de in de schriftelijke antwoorden op de mededeling van de punten van bezwaar verstrekte informatie, besloot de Commissie ook Anic en Rhône-Poulenc in de procedure te betrekken. Daartoe deed zij hun op 25 oktober 1984 een mededeling van punten van bezwaar toekomen die in grote lijnen overeenkwam met die welke naar de vijftien andere ondernemingen was gestuurd.
9 Een eerste reeks hoorzittingen vond plaats van 12 tot en met 20 november 1984. In die periode werden alle ondernemingen gehoord, met uitzondering van Shell (die had geweigerd aan de hoorzittingen deel te nemen), Anic, ICI en Rhône-Poulenc (die van mening waren, dat zij hun dossier niet hadden kunnen voorbereiden).
10 Tijdens die eerste reeks hoorzittingen weigerden verscheidene ondernemingen in te gaan op de punten die aan de orde waren gesteld in de stukken die hun op 31 oktober 1984 waren toegezonden. Zij voerden hiertoe aan, dat de Commissie de zaak een heel andere draai had gegeven en dat zij toch ten minste in de gelegenheid moesten worden gesteld om schriftelijke opmerkingen te maken. Andere ondernemingen voerden aan, dat zij onvoldoende tijd hadden gehad om de betrokken stukken voor de hoorzitting te bestuderen. Op 28 november 1984 zonden de advocaten van BASF, DSM, Hercules, Hoechst, ICI, Linz, Monte, Petrofina en Solvay de Commissie een gezamenlijk schrijven, waarin zij de genoemde bezwaren uiteenzetten. Bij schrijven van 4 december 1984 verklaarde Huels, dat zij zich bij dit standpunt aansloot.
11 Derhalve deed de Commissie de ondernemingen op 29 maart 1985 een nieuwe reeks documenten toekomen, waarin door de ondernemingen aan hun verkoopkantoren gezonden prijsinstructies en -tabellen voorkwamen, alsmede een samenvatting van het bewijsmateriaal in verband met elk prijsinitiatief waaromtrent documenten beschikbaar waren. De ondernemingen werden uitgenodigd om opmerkingen te maken, zowel schriftelijk als tijdens een nieuwe reeks hoorzittingen. De Commissie deelde mee, dat de oorspronkelijke beperkingen met betrekking tot de openbaarmaking van het materiaal aan de verkoopafdelingen, werden ingetrokken.
12 In een ander schrijven van dezelfde datum reageerde de Commissie op het door de advocaten aangevoerde argument, dat zij het beweerde kartel in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag niet duidelijk juridisch had afgebakend, en nodigde zij de ondernemingen uit om schriftelijke en mondelinge opmerkingen te maken.
13 Een tweede reeks hoorzittingen vond plaats van 8 tot en met 11 juli 1985 en op 25 juli 1985. Anic, ICI en Rhône-Poulenc dienden in deze tweede periode hun opmerkingen in; de andere ondernemingen (uitgezonderd Shell) maakten opmerkingen ten aanzien van de punten die de Commissie in de twee brieven van 29 maart 1985 aan de orde had gesteld.
14 Het concept van het proces-verbaal van de hoorzittingen werd, te zamen met de andere relevante stukken, op 19 november 1985 aan de leden van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities gezonden (hierna: het Adviescomité), en op 25 november daaraanvolgend aan de ondernemingen. Het Adviescomité bracht zijn advies uit tijdens zijn 170e bijeenkomst, op 5 en 6 december 1985.
15 Aan het einde van deze procedure gaf de Commissie de litigieuze beschikking van 23 april 1986, waarvan het dispositief luidt als volgt:
"Artikel 1
Anic SpA, ATO Chemie SA (thans Atochem), BASF AG, DSM NV, Hercules Chemicals NV, Hoechst AG, Chemische Werke Huels (thans Huels AG), ICI plc, Chemische Werke Linz, Montepolimeri SpA (thans Montedipe), Petrofina SA, Rhône-Poulenc SA, Shell International Chemical Company Ltd, Solvay & Cie en Saga Petrokjemi AG & Co. (thans deel uitmakend van Statoil) hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag, door deel te nemen:
- in het geval van Anic, vanaf omstreeks november 1977 tot een tijdstip tegen het einde van 1982 of in het begin van 1983,
- in het geval van Rhône-Poulenc, vanaf omstreeks november 1977 tot einde 1980,
- in het geval van Petrofina, van 1980 tot ten minste november 1983,
- in het geval van Hoechst, ICI, Montepolimeri en Shell, vanaf omstreeks halverwege 1977 tot ten minste november 1983,
- in het geval van Hercules, Linz, ((Solvay)) en Saga, vanaf omstreeks november 1977 tot ten minste november 1983,
- in het geval van ATO, vanaf ten minste 1978 tot ten minste november 1983,
- in het geval van BASF, DSM en Huels, vanaf een tijdstip tussen 1977 en 1979 tot ten minste november 1983,
aan een midden 1977 gesloten overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen krachtens welke de producenten die polypropyleen op het grondgebied van de EEG aanbieden:
a) met elkaar in contact traden en regelmatig (vanaf begin 1981, tweemaal per maand) in een reeks geheime vergaderingen bijeenkwamen om hun commercieel beleid te bespreken en te bepalen;
b) van tijd tot tijd voor de verkoop van het produkt in elke Lid-Staat van de EEG 'richt' - (of minimum)prijzen bepaalden;
c) verschillende maatregelen overeenkwamen waarmede de toepassing van dergelijke richtprijzen moest worden vergemakkelijkt, met inbegrip van (hoofdzakelijk) tijdelijke beperkingen van de produktie, de uitwisseling van gedetailleerde informatie over hun leveringen, het houden van plaatselijke vergaderingen, en tegen het einde van 1982 een systeem van 'account management' bedoeld om prijsverhogingen voor individuele klanten toe te passen;
d) gelijktijdig hun prijzen verhoogden met het oog op de toepassing van de genoemde richtprijzen;
e) de markt verdeelden door aan elke producent een jaarlijks doel of 'quotum' voor de verkoop toe te kennen (1979, 1980 en voor ten minste een gedeelte van 1983) of bij gebreke van een definitieve zich over het gehele jaar uitstrekkende overeenkomst door van de producenten een beperking te eisen van hun verkoop in elke maand in vergelijking met een voorafgaande periode (1981, 1982).
Artikel 2
De in artikel 1 genoemde ondernemingen moeten de genoemde inbreuken onverwijld beëindigen (indien zij dit niet reeds hebben gedaan) en zich voortaan onthouden van overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die hetzelfde of een soortgelijk doel of gevolg kunnen hebben, met inbegrip van enigerlei uitwisseling van informatie van het type dat gewoonlijk onder het zakengeheim valt en waardoor de deelnemers rechtstreeks of zijdelings in kennis worden gesteld van de produktie, leveranties, voorraden, verkoopprijzen, kosten of investeringen of van iedere uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst of onderling afgestemde gedraging met betrekking tot prijzen of het verdelen van de markten in de EEG. Elke regeling voor de uitwisseling van algemene informatie waaraan de producenten deelnemen (zoals bij voorbeeld Fides) zal op een wijze worden toegepast dat daarvan elke informatie is uitgesloten waaruit het gedrag van individuele producenten kan worden afgeleid; de ondernemingen onthouden zich meer in het bijzonder van de onderlinge uitwisseling van enigerlei aanvullende informatie die voor de mededinging relevant is en niet onder een dergelijke regeling valt.
Artikel 3
Aan de in deze beschikking genoemde ondernemingen worden wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuken de volgende geldboeten opgelegd:
i) Anic SpA, 750 000 ECU, dat is 1 103 692 500 LIT;
ii) Atochem, 1 750 000 ECU, dat is 11 973 325 FF;
iii) BASF AG, 2 500 000 ECU, dat is 5 362 225 DM;
iv) DSM NV, 2 750 000 ECU, dat is 6 657 640 HFL;
v) Hercules Chemicals NV, 2 750 000 ECU, dat is 120 569 620 BFR;
vi) Hoechst AG, 9 000 000 ECU, dat is 19 304 010 DM;
vii) Huels AG, 2 750 000 ECU, dat is 5 898 447,50 DM;
viii) ICI PLC, 10 000 000 ECU; dat is 6 447 970 UKL;
ix) Chemische Werke Linz, 1 000 000 ECU, dat is 1 471 590 000 LIT;
x) Montedipe, 11 000 000 ECU, dat is 16 187 490 000 LIT;
xi) Petrofina SA, 600 000 ECU, dat is 26 306 100 BFR;
xii) Rhône-Poulenc SA, 500 000 ECU, dat is 3 420 950 FF;
xiii) Shell International Chemical Company Ltd, 9 000 000 ECU, dat is 5 803 173 UKL;
xiv) Solvay & Cie, 2 500 000 ECU, dat is 109 608 750 BFR;
xv) Statoil Den Norske Stats Oljeselskap AS (die nu Saga Petrokjemi omvat), 1 000 000 ECU, dat is 644 797 UKL.
Artikelen 4 en 5
(omissis)"
16 Op 8 juli 1986 werd de ondernemingen de definitieve tekst van het proces-verbaal van de hoorzittingen toegezonden, met de door hen verlangde wijzigingen, toevoegingen en weglatingen.
Het procesverloop
17 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 31 juli 1986, heeft verzoekster het onderhavige beroep tot nietigverklaring van de beschikking ingesteld. Dertien van de veertien andere adressaten van de beschikking hebben eveneens beroep tot nietigverklaring ingesteld (zaken T-1/89 tot en met T-4/89, T-6/89, T-7/89 en T-9/89 tot en met T-15/89).
18 De schriftelijke procedure is geheel voor het Hof afgewikkeld.
19 Krachtens artikel 14 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (hierna: besluit van de Raad van 24 oktober 1988) heeft het Hof de onderhavige zaak alsmede de dertien andere zaken bij beschikking van 15 november 1989 naar het Gerecht verwezen.
20 Krachtens artikel 2, lid 3, van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 heeft de president van het Gerecht een advocaat-generaal aangewezen.
21 Bij schrijven van 3 mei 1990 heeft de griffier van het Gerecht partijen uitgenodigd voor een informele bijeenkomst ten einde de tijdens de mondelinge behandeling te volgen procedure vast te leggen. Deze bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 28 juni 1990.
22 Bij schrijven van 9 juli 1990 heeft de griffier van het Gerecht partijen verzocht, opmerkingen te maken over de eventuele voeging van de zaken T-1/89 tot en met T-4/89 en T-6/89 tot en met T-15/89 voor de mondelinge behandeling. Geen der partijen heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
23 Bij beschikking van 25 september 1990 heeft het Gerecht voornoemde zaken wegens hun verknochtheid voor de mondelinge behandeling gevoegd overeenkomstig artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat toen ingevolge artikel 11, derde alinea, van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 van overeenkomstige toepassing was op de procedure voor het Gerecht.
24 Bij beschikking van 15 november 1990 heeft het Gerecht zich uitgesproken over de door verzoeksters in de zaken T-2/89, T-3/89, T-9/89, T-11/89, T-12/89 en T-13/89 ingediende verzoeken om vertrouwelijke behandeling, waarin het gedeeltelijk heeft bewilligd.
25 Bij tussen 9 oktober en 29 november 1990 ter griffie van het Gerecht neergelegde brieven hebben partijen geantwoord op de hun bij brieven van de griffier van 19 juli door het Gerecht gestelde vragen.
26 Gelet op de antwoorden op zijn vragen heeft het Gerecht, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
27 Tijdens de van 10 tot en met 15 december 1990 gehouden terechtzitting zijn partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij vragen van het Gerecht beantwoord.
28 De advocaat-generaal is in zijn conclusie gehoord ter terechtzitting van 10 juli 1991.
Conclusies van partijen
29 DSM concludeert dat het het Gerecht behage:
1) geheel of gedeeltelijk te vernietigen dan wel nietig te verklaren de beschikking van de Commissie van 23 mei 1986 (IV/31.149-Polypropyleen), waartegen bij deze beroep is ingesteld;
2) te annuleren dan wel te verminderen de aan verzoekster krachtens deze beschikking opgelegde geldboete;
3) zodanige verdere voorzieningen en maatregelen te nemen, als het Hof (het Gerecht) zal vermenen te behoren;
4) de Commissie in de kosten te verwijzen.
De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
Ten gronde
30 Het Gerecht is van mening, dat verzoeksters middelen in de hierna beschreven volgorde moeten worden onderzocht: in de eerste plaats de middelen die zijn ontleend aan schending van het recht van verweer: de Commissie zou een aantal documenten waarop zij haar beschikking heeft gebaseerd, niet aan verzoekster hebben overgelegd (1) en, door zich op ontoereikend bewijsmateriaal te baseren, zou zij de bewijslast hebben omgekeerd (2); in de tweede plaats de middelen ter zake van de vaststelling van de inbreuk, die enerzijds betrekking hebben op de door de Commissie vastgestelde feiten (1), en anderzijds op de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag op die feiten (2): bij die toepassing zou de Commissie de inbreuk onjuist hebben gekwalificeerd (A) alsmede de mededingingsbeperkende gevolgen (B) respectievelijk de nadelige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen Lid-Staten (C) onjuist hebben beoordeeld; in de derde plaats de middelen betreffende de motivering van de beschikking, en in de vierde plaats de middelen betreffende de vaststelling van de boete, die niet in verhouding zou staan tot de duur (1) en de zwaarte (2) van de gestelde inbreuk.
Het recht van verweer
1. Niet-overlegging van documenten bij de mededeling van de punten van bezwaar
31 Verzoekster betoogt, dat de Commissie heeft nagelaten haar bij de mededeling van de punten van bezwaar een aantal - in veertien punten van de beschikking genoemde - documenten over te leggen, zodat zij zich daarover niet heeft kunnen uitspreken. Het zou gaan om de volgende documenten: een notitie van een werknemer van Hercules betreffende een bijeenkomst van 13 mei 1982 (punt 15, sub b, van de beschikking; zie ook punt 37); een document gedateerd 6 september 1977, dat bij Solvay zou zijn aangetroffen (punt 16, laatste alinea, van de beschikking); de reactie van Shell op de mededeling van de punten van bezwaar (punt 17 van de beschikking); notulen van twee interne Shell-bijeenkomsten, de ene op 5 juli 1979 (punt 29, tweede alinea, van de beschikking) en de andere op 12 september 1979 (punt 31 van de beschikking); een intern document van Solvay (punt 32 van de beschikking); een herinnering van Solvay aan haar verkoopkantoren van 17 juli 1981 (punt 35 van de beschikking); eind 1981 in de vakpers gepubliceerde artikelen (punt 36 van de beschikking); een interne nota van ICI met betrekking tot het "solide klimaat" (punt 46 van de beschikking); bescheiden van Shell betreffende het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, alsmede een document van Shell met de titel "PP W. Europe-Pricing" en "Market quality report" (punt 49 van de beschikking); diverse documenten van ATO, onder andere een interne nota van 28 september 1983 (punt 51 van de beschikking); bij ICI aangetroffen tabellen met betrekking tot de herziene streefhoeveelheden voor 1979 (punt 54 van de beschikking); door een werknemer van ICI opgestelde notities betreffende de bijeenkomst van 10 maart 1982 (punt 58 van de beschikking) en ten slotte een niet-gedateerde nota van ICI die moest dienen ter voorbereiding van een bijeenkomst met Shell in mei 1983 en een bij Shell aangetroffen werkdocument met betrekking tot het eerste kwartaal van 1983 (punt 63 van de beschikking).
32 In dit verband stelt verzoekster schending van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 99/63 van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1963, nr. 127, blz. 2268; hierna: verordening nr. 99/63), volgens hetwelk de Commissie de ondernemingen schriftelijk op de hoogte moet stellen van de tegen hen in aanmerking genomen punten van bezwaar. Die punten van bezwaar zouden vergezeld moeten gaan van de bescheiden waarmee de Commissie haar beweringen wil staven. Ofschoon het niet nodig is, de betrokken ondernemingen van het volledige dossier mededeling te doen, zouden zij wél in kennis moeten worden gesteld van de gegevens waarop de bezwaren van de Commissie berusten (arrest van het Hof van 13 juli 1966, gevoegde zaken 56/84 en 58/64, Consten en Grundig, Jurispr. 1966, blz. 450). Indien die gegevens bestaan in specifieke documenten, zou de Commissie deze aan de ondernemingen moeten overleggen, of, wanneer zij bekend kunnen worden geacht, moeten aangeven welke stukken er worden bedoeld. Bovendien zou het oordeel over het belang van een document of over de zin van een reactie door een onderneming, moeten worden overgelaten aan die onderneming.
33 De Commissie brengt hiertegen in, dat alle op verzoekster betrekking hebbende stukken, die haar betrokkenheid bij het kartel aantoonden, met de mededeling van de punten van bezwaar op volstrekt identificeerbare wijze aan haar zijn overgelegd, met uitzondering van de door een werknemer van ICI opgestelde notities betreffende een bijeenkomst op 10 maart 1982 (punt 58 van de beschikking). Die notities zouden echter slechts een toelichting vormen op de inhoud van een bij ICI en Hercules aangetroffen voorbereidend stuk (bijlage 71 bij de algemene mededeling van de punten van bezwaar, hierna: bijl. a.b.), dat wél zou zijn overgelegd. Bovendien zouden zij betrekking hebben op het jaar 1982, waarvoor verzoekster - in haar verzoekschrift - haar betrokkenheid bij het kartel zou hebben toegegeven.
34 Bovendien, aldus de Commissie, is verzoekster van een aantal van de stukken die haar, naar haar zeggen, niet zijn overgelegd, inzage gegeven tijdens de procedure "toegang tot het dossier".
35 De Commissie merkt verder op, dat de in de punten 46 en 54 van de beschikking bedoelde documenten verzoekster zijn overgelegd als bijlagen 35 en 55 bij de algemene mededeling van de punten van bezwaar.
36 Ten slotte geeft de Commissie toe, dat sommige van de in de beschikking genoemde stukken verzoekster niet zijn overgelegd omdat zij volstrekt niet op verzoekster betrekking hebben en dus niet ten grondslag lagen aan de beschikking voor zover deze haar betrof. Die stukken zouden dan ook volstrekt irrelevant zijn voor de beoordeling van verzoeksters positie in het kartel.
37 Het Gerecht stelt vast dat het volgens de rechtspraak van het Hof niet aankomt op de documenten als zodanig, doch op de conclusies die de Commissie daaruit heeft getrokken. In zoverre deze documenten niet in de mededeling van de punten van bezwaar zijn vermeld, mocht de betrokken onderneming ervan uitgaan dat zij voor de zaak niet van belang waren. Door een onderneming niet mee te delen dat bepaalde documenten in haar beschikking zouden worden aangevoerd, heeft de Commissie deze belet, tijdig haar standpunt over de bewijskracht van deze stukken te kennen te geven. Bijgevolg kunnen deze stukken met betrekking tot die onderneming niet als geldige bewijsmiddelen worden beschouwd (arrest van 25 oktober 1983, zaak 107/82, AEG, Jurispr. 1983, blz. 3151, r.o. 27; zie laatstelijk het arrest van 3 juli 1991, zaak C-62/86, AKZO Chemie, Jurispr. 1991, blz. I-3359, r.o. 21).
38 In casu kunnen alleen de documenten die werden genoemd in de algemene of de individuele mededeling van de punten van bezwaar of in de brieven van 8 oktober 1984 en 29 maart 1985, of de documenten die bij deze stukken waren gevoegd, maar er niet met zoveel woorden in werden genoemd, worden beschouwd als bewijsmiddelen die in het kader van de onderhavige zaak aan verzoekster kunnen worden tegengeworpen. De documenten die bij de mededelingen van de punten van bezwaar waren gevoegd, doch hierin niet werden genoemd, kunnen in de beschikking slechts tegen verzoekster in stelling worden gebracht voor zover deze uit de mededelingen van de punten van bezwaar redelijkerwijze kon opmaken, welke conclusies de Commissie eruit wenste te trekken.
39 Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat van de door verzoekster genoemde stukken alleen de interne nota van ICI over het "solide klimaat" (punt 46 van de beschikking) en de bij ICI aangetroffen tabellen met betrekking tot de herziene streefhoeveelheden voor 1979 (punt 54 van de beschikking) als bewijsmiddelen tegen verzoekster kunnen worden gebruikt, omdat zij werden genoemd in de punten 71 respectievelijk 93 van de tot haar gerichte algemene mededeling van de punten van bezwaar en bovendien als bijlagen 35 en 55 bij die mededeling waren gevoegd. De overige door verzoekster genoemde stukken kunnen niet worden beschouwd als bewijsmiddelen die in het kader van de onderhavige zaak aan haar kunnen worden tegengeworpen.
40 De vraag, of de feiten die de Commissie in de beschikking ten aanzien van verzoekster heeft vastgesteld, zonder laatstgenoemde documenten niet gestaafd kunnen worden, dient aan de orde te komen bij het onderzoek van de gegrondheid van die vaststellingen.
2. Ontoereikendheid van het door de Commissie ingebrachte bewijsmateriaal
41 Verzoekster betoogt, dat de door de Commissie overgelegde documenten niet betrouwbaar zijn. Met name de notities van ICI zouden subjectieve bedoelingen of interpretaties zijn van de opstellers ervan, die zich lieten leiden door hun eigen bedrijfspolitieke oogmerken binnen de onderneming waarvan zij deel uitmaakten.
42 Verzoekster stelt verder, dat de Commissie niet mag proberen aan een zaak een bredere reikwijdte te geven dan de vaststaande feiten objectief rechtvaardigen. Bovendien zou zij het beginsel van de "praesumptio innocentiae" en het beginsel "in dubio pro reo" moeten toepassen. De Commissie zou echter algemene gevolgtrekkingen hebben verbonden aan incidentele feiten en omstandigheden, die, in het juiste verband geplaatst, een ander licht op het marktgedrag of de marktpositie van verzoekster hadden kunnen werpen; zij zou in die incidentele feiten en omstandigheden het bewijs van schuld hebben gezien en zich dus hebben gebaseerd op onvoldoende, onzeker en niet-sluitend bewijsmateriaal. Dit heeft volgens verzoekster tot een omkering van de bewijslast geleid: DSM moest aantonen dat in het algemeen haar optreden op de markt heel anders was geweest dan de Commissie wilde doen geloven, of aan de feiten een andere uitlegging geven, terwijl het juist de taak van de Commissie is, haar versie van de feiten aannemelijk te maken ten opzichte van de door de ondernemingen gegeven uitlegging.
43 De Commissie brengt hiertegen in, dat DSM niet aangeeft waarom de betrouwbaarheid van de door de Commissie overgelegde documenten in twijfel zou moeten worden getrokken.
44 Zij is van mening, dat zij aan de verschillende aangevoerde feiten geen bredere reikwijdte heeft gegeven dan deze feiten rechtvaardigen. Zij wijst erop, dat bij het bewijs van een inbreuk op artikel 85 EEG-Verdrag noodzakelijkerwijs moet worden verwezen naar het gedrag van meerdere ondernemingen. Bovendien zou het, anders dan DSM suggereert, verzoeksters taak zijn om, rekening houdend met al het door de Commissie ingebrachte bewijsmateriaal, een andere lezing van de feiten aannemelijk te maken.
45 De Commissie is tot slot van mening dat, gezien de omvang van het in het dossier voorkomende bewijsmateriaal, de grief betreffende de schending van het beginsel "in dubio pro reo" geen doel kan treffen.
46 Het Gerecht merkt op dat de inhoud van de van ICI afkomstige verslagen van bijeenkomsten wordt bevestigd door diverse documenten, zoals een aantal tabellen met cijfers betreffende de door de verschillende producenten verkochte hoeveelheden alsmede enkele prijsinstructies, die qua bedrag en datum van inwerkingtreding overeenstemmen met de in die notities genoemde richtprijzen. Ook wordt de inhoud van deze verslagen over het geheel genomen bevestigd door de antwoorden die de verschillende ondernemingen op de verzoeken om inlichtingen van de Commissie hebben gegeven.
47 Derhalve kon de Commissie ervan uitgaan, dat de bij ICI aangetroffen verslagen van bijeenkomsten vrij objectief weergaven wat er was besproken op die bijeenkomsten die werden voorgezeten door verschillende personeelsleden van ICI, waardoor het voor dezen des te meer noodzakelijk was, hun collega' s die op bepaalde bijeenkomsten niet aanwezig waren geweest, door middel van verslagen juiste informatie te verschaffen over hetgeen op die bijeenkomsten aan de orde was geweest.
48 Onder deze omstandigheden staat het aan verzoekster om aan hetgeen tijdens de door haar bijgewoonde bijeenkomsten is besproken, een andere uitlegging te geven. Hiertoe moet zij met nauwkeurige bewijzen komen, zoals bij voorbeeld door haar personeelsleden tijdens de bijeenkomsten gemaakte aantekeningen of getuigenverklaringen van personeelsleden die de bijeenkomsten hebben bijgewoond. Vastgesteld moet worden, dat verzoekster dergelijk bewijsmateriaal niet heeft aangebracht noch heeft aangeboden zulks te doen.
49 Bovendien kan de vraag of de Commissie aan het beschikbare bewijsmateriaal te algemene conclusies heeft verbonden en daardoor het beginsel van de "praesumptio innocentiae" en het beginsel "in dubio pro reo" heeft geschonden, niet worden onderscheiden van de vraag of de door de Commissie in de beschikking vastgestelde feiten worden gestaafd door het door haar ingebrachte bewijsmateriaal. Deze vraag, die de grond van de zaak betreft en verband houdt met de vaststelling van de inbreuk, moet te zamen met de overige vragen in verband met de vaststelling van de inbreuk worden behandeld.
De vaststelling van de inbreuk
50 Volgens de beschikking (punt 80, eerste alinea) zijn de producenten die polypropyleen verkochten in de Gemeenschap, vanaf 1977 partij geweest bij een geheel complex van stelsels, regelingen en maatregelen waartoe in het kader van een systeem van geregelde bijeenkomsten en voortdurende contacten werd besloten. De algemene opzet van de producenten - aldus punt 80, tweede alinea van de beschikking - was bijeen te komen om overeenstemming te bereiken over specifieke onderwerpen.
51 Onder deze omstandigheden moet om te beginnen worden nagegaan, of de Commissie haar feitelijke vaststellingen met betrekking tot het stelsel van periodieke bijeenkomsten (A), de prijsinitiatieven (B), de maatregelen om de toepassing van de prijsinitiatieven te vergemakkelijken (C) en de vaststelling van streefhoeveelheden en quota (D) rechtens genoegzaam heeft bewezen, waarbij achtereenvolgens wordt beschreven wat in de bestreden handeling is verklaard (a), de argumenten van partijen worden weergegeven (b) en de beoordeling van het Gerecht wordt gegeven (c). Vervolgens wordt de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag op die feiten onderzocht.
1. De feitelijke vaststellingen
A - Het stelsel van periodieke bijeenkomsten
a) Bestreden handeling
52 Volgens de beschikking (punten 78, vierde alinea, en 104, derde alinea) trad het stelsel van periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten rond eind 1977 in werking - in 1978 vonden zes bijeenkomsten plaats (punt 18, eerste alinea) -, maar is het niet mogelijk precies te achterhalen, op welke datum elk van de producenten ze begon bij te wonen. DSM, een van de producenten van wie niet met zekerheid kan worden bepaald dat zij het initiatief van december 1977 "steunden", beweert niet te weten, wanneer met de bijeenkomsten een aanvang werd gemaakt en zij geeft slechts toe, dat zij deze vanaf 1980 heeft bijgewoond.
53 Volgens punt 105, eerste en tweede alinea, van de beschikking kan de precieze datum waarop iedere producent aan de regelmatige plenaire vergaderingen begon deel te nemen, niet met zekerheid worden vastgesteld. De datum waarop Anic, ATO, BASF, DSM en Huels aan de regelingen begonnen deel te nemen, kan niet later dan 1979 zijn geweest, aangezien is gebleken dat deze vijf producenten allen betrokken waren bij de verdeling van de markt of de quotastelsels die in dat jaar voor het eerst van kracht waren.
54 Volgens de beschikking (punten 104, derde alinea, en 105, tweede en vierde alinea) heeft ICI verklaard, dat DSM tot de regelmatige deelnemers aan de bijeenkomsten behoorde, en duurde het stelsel van regelmatige bijeenkomsten van polypropyleenproducenten tot ten minste eind september 1983. DSM wordt verweten aan dat systeem te hebben deelgenomen (punt 18, eerste en derde alinea).
55 Volgens punt 21 van de beschikking hadden de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten vooral ten doel, richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen en toezicht te houden op de naleving daarvan door de producenten.
b) Argumenten van partijen
56 Verzoekster merkt op, dat zij volgens de beschikking "vanaf een tijdstip tussen 1977 en 1979" aan het kartel zou hebben deelgenomen. Zij beklemtoont, dat de Commissie hoe dan ook niet zoveel onduidelijkheid mocht laten bestaan over het moment van aanvang van de inbreuk. De Commissie had dat moment duidelijk moeten vaststellen en, indien zulks niet mogelijk was, verzoekster het voordeel van de twijfel moeten laten.
57 Verzoekster moge hebben erkend, vanaf 1 januari 1981 regelmatig aan bijeenkomsten van producenten te hebben deelgenomen, maar zij heeft altijd met klem ontkend, vóór die datum met een zekere regelmaat of volgens enig schema aan dergelijke bijeenkomsten te hebben deelgenomen.
58 Wanneer de Commissie niettemin stelt, dat de datum waarop DSM aan de regelingen begon deel te nemen, niet na 1979 kan liggen, dan baseert zij zich hierbij op van ICI afkomstige stukken, die geen enkele bewijskracht hebben of waaraan een onjuiste uitlegging is gegeven. Het betreft enkel tabellen met produktiecijfers van de verschillende producenten.
59 Bovendien, aldus verzoekster in repliek, pleit tegen de bewijskracht van die stukken ten aanzien van haar deelname aan de bijeenkomsten, dat daarin Amoco wordt genoemd, een onderneming waarvan de Commissie heeft erkend dat zij niet aan de bijeenkomsten heeft deelgenomen. Een notitie van 27 februari 1978 (bijlage III bij het verweerschrift (hierna: bijl. vw.)) heeft evenmin bewijskracht.
60 De Commissie merkt op, dat DSM erkent, na 1 januari 1981 met een zekere regelmaat aan de bijeenkomsten te hebben deelgenomen, en dat zij, ofschoon zij ontkent vóór dat jaar met een zekere regelmaat of volgens enig schema aan de bijeenkomsten te hebben deelgenomen, niet betwist daaraan op onregelmatige of incidentele wijze te hebben deelgenomen.
61 Volgens de Commissie blijkt uit een groot aantal stukken, dat verzoekster vóór 1981 aan de bijeenkomsten heeft deelgenomen. In dit verband noemt zij: punt 23 van het antwoord van DSM op de mededeling van de punten van bezwaar, waarin deze in bedekte termen zou hebben toegegeven, vóór 1981 op bijeenkomsten vertegenwoordigd te zijn geweest; het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen, volgens hetwelk DSM als "regular participant" ("regelmatig deelneemster") bijeenkomsten bijwoonde (bijl. 8 a.b.); de op de algemene vergadering van de "European Association of Textile polyolefines" (hierna: EATP) van 26 mei 1978 afgelegde verklaringen, waaruit zou blijken dat DSM "will support the movement to get prices at a reasonable level" ("het initiatief om de prijzen op te trekken naar een redelijk niveau, zou ondersteunen") (bijl. 7 a.b.); de bijlagen 55 en volgende bij de algemene mededeling van de punten van bezwaar, die precieze gegevens zouden bevatten die enkel door DSM zouden kunnen zijn verstrekt, en, ten slotte, een notitie van DSM van 27 februari 1978, waaruit zou blijken dat DSM de overeenkomsten vanaf die datum naleefde en zich bezorgd maakte over het feit, dat een aantal van haar concurrenten daaraan minder streng de hand hield.
c) Beoordeling van het Gerecht
62 Het Gerecht stelt vooraf vast, dat de vaststelling in artikel 1 van de beschikking, dat verzoekster vanaf een tijdstip tussen 1977 en 1979 aan de inbreuk begon deel te nemen, gelet op de motivering van de beschikking, aldus moet worden begrepen, dat dat tijdstip ergens tussen begin en eind 1978 ligt. Immers, enerzijds wordt verzoekster noch in de tot haar gerichte algemene en individuele mededeling van de punten van bezwaar noch in de beschikking iets verweten ten aanzien van de periode vóór 1978 - in de beschikking wordt verzoekster zelfs met zoveel woorden van het prijsinitiatief van 1977 uitgesloten (punt 78) -, terwijl anderzijds de Commissie in punt 105, tweede alinea, van de beschikking verklaart, dat de datum waarop DSM aan de regelingen begon deel te nemen, niet later dan begin 1979 kan zijn geweest.
63 Op basis van de aanwijzingen, gevormd door in de eerste plaats de interne nota van DSM van 27 februari 1978 (bijl. III vw.), die was opgesteld ter voorbereiding van een bijeenkomst op 28 februari 1978 en waarin onder meer staat te lezen, dat "clinging to agreements even when heavy violations of our partners become obvious" ("het blijven naleven van overeenkomsten, zelfs wanneer onze partners deze klaarblijkelijk ernstig schenden") een van de fouten was die DSM in het kader van haar prijsbeleid had begaan, terwijl uit de context van dit citaat blijkt, dat met de "partners" niet de afnemers en de leveranciers kunnen zijn bedoeld, die elders in het document als zodanig worden aangeduid, en in de tweede plaats de door verzoekster op de tijdens de EATP-bijeenkomst van 26 mei 1978 afgelegde verklaringen (bijl. 7 a.b.), volgens welke:
"It is our conviction that stability in supply and in pricing is most important (...). Therefore we will support the move to get prices at a reasonable level. This morning we have heard some comments indicating the November initiative has not been fully carried through, nevertheless we are of the opinion that it is absolutely necessary to pursue this goal further",
(("Wij zijn ervan overtuigd, dat stabiliteit in het aanbod en in de prijsstelling van het grootste belang is (...). Daarom zullen wij het initiatief om de prijzen op te trekken naar een redelijk niveau, ondersteunen. Ofschoon vanmorgen uit enige commentaren viel op te maken, dat het novemberinitiatief niet volledig zou zijn doorgevoerd, zijn wij van mening dat het absoluut noodzakelijk is, dit doel te blijven nastreven")),
moet worden aangenomen dat verzoekster vanaf een tijdstip ergens in 1978 heeft deelgenomen aan de door de polypropyleenproducenten georganiseerde bijeenkomsten van "Senior Managers" ("bosses"), waarop het idee om richtprijzen vast te stellen is gerijpt, zoals blijkt uit het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.), volgens hetwelk "Generally speaking however, the concept of recommending 'Target prices' was developed during the early meetings which took place in 1978" ("Globaal gesproken, is het idee om 'richtprijzen' aan te bevelen tijdens de eerste bijeenkomsten in 1978 gerijpt").
64 Met betrekking tot de daaropvolgende periode stelt het Gerecht vast, dat DSM blijkens het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen vanaf eind 1978 of begin 1979 regelmatig aan de geregeld gehouden bijeenkomsten van "bosses" en "experts" heeft deelgenomen. In dat antwoord noemt ICI DSM namelijk, in tegenstelling tot twee andere producenten, als een van de regelmatige deelnemers aan die bijeenkomsten, en stelt zij bovendien:
"By late 1978/early 1979 it was determined that the 'ad hoc' meetings of Senior Managers should be supplemented by meetings of lower level managers with more marketing knowledge. This two-tier level of representatives became identified as (a) 'Bosses' and (b) 'Experts' ."
(("Eind 1978/begin 1979 werd besloten, dat de 'ad hoc' -bijeenkomsten van Senior Managers moesten worden aangevuld met bijeenkomsten van lagere managers die meer wisten van marketing. Deze twee niveaus van vertegenwoordigers werden al gauw aangeduid als (a) 'Bosses' respectievelijk (b) 'Experts' ")).
65 Verder moet worden opgemerkt, dat het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen wordt bevestigd door verzoeksters antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar, waarin zij weliswaar verklaart, pas vanaf januari 1981 met een zekere regelmaat aan de bijeenkomsten te hebben deelgenomen, doch niet ontkent ook vóór die tijd op de bijeenkomsten aanwezig te zijn geweest, en bovendien door het feit, dat in verschillende bij ICI en ATO aangetroffen tabellen (bijl. 55 tot en met 61 a.b.) naast verzoeksters naam haar verkoopcijfers voor verschillende maanden en jaren worden genoemd. Het merendeel van verzoeksters nu heeft in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht erkend, dat de bij ICI, ATO en Hercules gevonden tabellen niet hadden kunnen worden opgesteld op basis van de statistieken van het Fides-systeem voor de uitwisseling van gegevens. Bovendien heeft ICI in antwoord op het verzoek om inlichtingen met betrekking tot een van die tabellen opgemerkt, dat "the source of information for actual historic figures in this table would have been the producers themselves" ("de in deze tabel opgenomen, reeds gerealiseerde cijfers moeten wel afkomstig zijn van de producenten zelf"). Hierbij zij evenwel aangetekend, dat dit laatste element als zodanig nog geen bewijs is voor verzoeksters deelname aan de bijeenkomsten - evenmin als dit voor Amoco het geval was -, maar dat het enkel de inhoud van de andere bewijsstukken op basis waarvan die deelname bewezen moet worden geacht - en die in het geval van Amoco ontbreken - bevestigt.
66 Ten slotte blijkt uit de bij verzoeksters antwoord op het verzoek om inlichtingen gevoegde tabellen, dat zij heeft deelgenomen aan bijna alle bijeenkomsten van producenten die - volgens de beschikking - in 1982 en 1983 hebben plaatsgevonden.
67 Het Gerecht is van mening, dat de Commissie op basis van de door ICI in antwoord op het verzoek om inlichtingen verstrekte gegevens, die door talrijke verslagen van bijeenkomsten zijn bevestigd, zich terecht op het standpunt heeft gesteld, dat de bijeenkomsten vooral ten doel hadden, richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen. In dat antwoord van ICI komen namelijk de volgende passages voor: "' Target prices' for the basic grade of each principal category of polypropylene as proposed by producers from time to time since 1 January 1979 are set forth in Schedule (...)"; en "A number of proposals for the volume of individual producers were discussed at meetings" (("De 'richtprijzen' die vanaf 1 januari 1979 van tijd tot tijd door producenten voor de basiskwaliteit van elk van de belangrijkste categorieën polypropyleen zijn voorgesteld, zijn weergegeven in bijlage (...)", en "Een aantal voorstellen betreffende de hoeveelheden van individuele producenten werd tijdens bijeenkomsten besproken")).
68 Waar ICI in antwoord op het verzoek om inlichtingen verklaart, dat er vanaf eind 1978 of begin 1979 naast de bijeenkomsten van "bosses" ook bijeenkomsten van "experts" op het gebied van marketing plaatsvonden, kan uit dat antwoord bovendien worden opgemaakt, dat de discussies over de vaststelling van richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen steeds concretere en preciezere vormen aannamen, terwijl de "bosses" zich in 1978 ertoe hadden beperkt, het idee van de richtprijzen uit te werken.
69 Behalve de voorgaande passages bevat het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen ook de volgende mededeling: "Only 'Bosses' and 'Experts' meetings came to be held on a monthly basis" ("alleen de bijeenkomsten van 'bosses' en 'experts' vonden maandelijks plaats"). Gelet op dat antwoord en gezien het feit dat de bijeenkomsten hetzelfde karakter en hetzelfde doel hadden, mocht de Commissie uit dit antwoord afleiden, dat deze deel uitmaakten van een stelsel van periodieke bijeenkomsten.
70 Uit bovenstaande overwegingen blijkt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen, dat verzoekster vanaf een tijdstip tussen 1977 en 1979 tot september 1983 heeft deelgenomen aan de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten, en dat die bijeenkomsten inzonderheid ten doel hadden richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen en stelselmatig plaatsvonden.
B - De prijsinitiatieven
a) Bestreden handeling
71 Volgens de beschikking (punten 28 tot en met 51) zijn er in elk geval zes prijsinitiatieven geweest, gericht op het stelselmatig vaststellen van richtprijzen: het eerste van juli tot en met december 1979, het tweede van januari tot en met mei 1981, het derde van augustus tot en met december 1981, het vierde in juni en juli 1982, het vijfde van september tot en met november 1982, en het zesde van juli tot en met november 1983.
72 Met betrekking tot het eerste van die prijsinitiatieven merkt de Commissie in punt 29 van de beschikking op, dat er geen nader bewijsmateriaal voorhanden is van bijeenkomsten of prijsinitiatieven in het eerste deel van 1979. Uit een aantekening over een op 26 en 27 september 1979 gehouden bijeenkomst zou echter blijken, dat een prijsinitiatief in het voornemen lag op basis van een prijs voor raffiakwaliteit van 1,90 DM/kg vanaf 1 juli en 2,05 DM/kg vanaf 1 september. De Commissie beschikt over prijsinstructies van bepaalde producenten - overigens niet van verzoekster -, waaruit blijkt dat die producenten hun verkoopkantoren instructies hadden gegeven, dit prijsniveau of het equivalent daarvan in nationale valuta toe te passen met ingang van 1 september. De meeste van die instructies zijn gegeven vóór de bekendmaking van de voorgenomen verhoging in de vakpers (punt 30 van de beschikking).
73 Aangezien het moeilijk bleek te zijn, de prijzen te verhogen, hebben de producenten echter op de bijeenkomst van 26 en 27 september 1979 besloten, de datum voor de invoering van de richtprijs met enkele maanden te verschuiven, en wel naar 1 december 1979, waarbij volgens het nieuwe programma de toen geldende prijsniveaus nog moesten worden "aangehouden" gedurende de maand oktober, met de mogelijkheid van een tussentijdse gedeeltelijke stijging (tot 1,90 DM of 1,95 DM/kg) in november (punt 31, eerste en tweede alinea, van de beschikking).
74 Wat het tweede prijsinitiatief betreft, volgens punt 32 van de beschikking werden over 1980 geen aantekeningen verkregen over de bijeenkomsten, hoewel in dat jaar ten minste zeven vergaderingen van fabrikanten werden gehouden (hiervoor wordt verwezen naar tabel 3 van de beschikking). Ofschoon de vakpers in het begin van het jaar had geschreven, dat de fabrikanten voor een sterke prijsstijging in 1980 waren, zijn de marktprijzen aanzienlijk gedaald - tot het niveau van 1,20 DM/kg of minder - alvorens ze zich rond september van dat jaar begonnen te stabiliseren. Uit door verzoekster en door Hoechst, Linz, Monte, Saga en ICI verzonden prijsinstructies blijkt, dat met het oog op herstel van het prijsniveau doelen werden gesteld voor december 1980 tot en met januari 1981, gebaseerd op een prijs van 1,50 DM/kg voor raffia, 1,70 DM/kg voor homopolymeer en 1,95 DM à 2,00 DM/kg voor copolymeer. In een intern document van Solvay is een tabel opgenomen, waarin de in oktober en november 1980 "werkelijk toegepaste prijzen" worden vergeleken met hetgeen de "catalogusprijzen" voor januari 1981 van 1,50/1,70/2,00 DM wordt genoemd. Oorspronkelijk was het de bedoeling geweest, deze niveaus toe te passen met ingang van 1 december 1980 - van 13 tot 15 oktober vond te Zuerich een bijeenkomst plaats -, maar het initiatief werd uitgesteld tot 1 januari 1981.
75 Volgens punt 33 van de beschikking nam DSM in januari 1981 deel aan twee bijeenkomsten, waarop werd besloten dat de in december 1980 vastgestelde prijsstijging, gebaseerd op een raffiaprijs van 1,75 DM/kg - die op 1 februari 1981 van kracht zou moeten worden -, in twee etappes moest worden doorgevoerd: de richtprijs voor februari bleef op 1,75 DM/kg en de prijs van 2,00 DM/kg moest "zonder uitzondering" worden ingevoerd met ingang van 1 maart. Er werd een tabel opgesteld van de richtprijzen in de zes nationale valuta' s voor de zes voornaamste kwaliteiten, die op 1 februari en 1 maart 1981 van kracht moesten worden. Uit bij DSM aangetroffen documenten blijkt onder meer, dat zij stappen ondernam om de voor februari vastgestelde richtprijzen in te voeren. VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER : 689A0008.1
76 Volgens punt 34 van de beschikking scheen het voornemen om de prijs op 1 maart op te trekken tot 2,00 DM/kg, geen succes te hebben gehad. De fabrikanten wijzigden hun verwachtingen en hoopten het niveau van 1,75 DM/kg in maart te bereiken. Op 25 maart 1981 werd in Amsterdam een bijeenkomst van "experts" gehouden, waarvan geen notulen bewaard zijn gebleven. Onmiddellijk daarna gaven in elk geval BASF, DSM, ICI, Monte en Shell instructies om de richtprijzen (of "catalogusprijzen") met ingang van 1 mei op te trekken tot het equivalent van 2,15 DM/kg voor raffia. Hoechst gaf precies dezelfde instructies voor 1 mei, doch ongeveer vier weken na de andere fabrikanten. Enkele fabrikanten stonden hun verkoopkantoren een zekere soepelheid toe voor de toepassing van minimum- of bodemprijzen die iets beneden de overeengekomen richtprijzen lagen. Gedurende de eerste helft van 1981 zijn de prijzen aanzienlijk gestegen, maar ondanks het feit dat de verhoging van 1 mei sterk werd gesteund door de fabrikanten, hield die opwaartse beweging geen stand. Tegen midden 1981 liepen de fabrikanten vooruit op ofwel een stabilisatie van het prijsniveau of zelfs een neerwaartse beweging, aangezien de vraag in de zomer was afgenomen.
77 Met betrekking tot het derde prijsinitiatief vermeldt de beschikking (punt 35), dat Shell en ICI reeds in juni 1981, toen duidelijk werd dat de prijsstijging van het eerste kwartaal afnam, een nieuw prijsinitiatief hadden gepland voor september-oktober 1981. Shell, ICI en Monte kwamen op 15 juni 1981 bijeen om te bespreken hoe op de markt hogere prijzen konden worden toegepast. Binnen enkele dagen na die bijeenkomst gaven ICI en Shell beide hun verkoopkantoren opdracht, de markt voor te bereiden op een aanzienlijke stijging in september, op grond van een nieuwe prijs van 2,30 DM/kg voor raffia. Op 17 juli 1981 herinnerde Solvay haar verkoopkantoor in de Benelux eraan, dat het de klanten ervan moest verwittigen dat op 1 september een aanzienlijke prijsverhoging van kracht zou worden, waarvan het precieze bedrag in de laatste week van juli zou worden vastgesteld, terwijl er voor 28 juli 1981 een bijeenkomst van experts was gepland. Het oorspronkelijke voornemen om de prijs te verhogen tot 2,30 DM/kg in september 1981 werd waarschijnlijk op die bijeenkomst herzien; het niveau voor augustus zou weer 2,00 DM/kg voor raffia bedragen. In september zou de prijs 2,20 DM/kg hebben moeten bedragen. Een met de hand geschreven nota die bij Hercules werd verkregen en gedateerd was op 29 juli 1981 (de dag na de bijeenkomst, die Hercules in geen geval bijwoonde), bevat een overzicht van deze prijzen als zijnde de "officiële" prijzen voor augustus en september, waarbij in cryptische bewoordingen naar de bron van die informatie wordt verwezen. Op 4 augustus vond weer een bijeenkomst plaats te Genève en op 21 augustus 1981 te Wenen. Na deze bijeenkomsten werden door de fabrikanten nieuwe instructies gegeven om met ingang van 1 oktober naar een prijs van 2,30 DM/kg toe te gaan. BASF, DSM, Hoechst, ICI, Monte en Shell gaven nagenoeg eensluidende prijsinstructies met het oog op de invoering van deze prijzen in september en oktober.
78 Volgens punt 36 van de beschikking werd het plan opgevat om in de loop van september en oktober 1981 te gaan in de richting van een "basisprijs"-niveau van 2,20 à 2,30 DM/kg voor raffia. Uit een document van Shell blijkt, dat oorspronkelijk een nog verdere etappegewijze verhoging tot 2,50 DM/kg op 1 november ter sprake was gebracht, waarvan men echter vervolgens had afgezien. Uit rapporten van de diverse fabrikanten blijkt, dat in september de prijzen stegen en dat die stijging tot in oktober 1981 bleef doorgaan, waarbij uiteindelijk marktprijzen werden bereikt van ongeveer 2,00-2,10 DM/kg voor raffia. Uit een nota van Hercules blijkt, dat in december 1981 de richtprijs van 2,30 DM/kg naar beneden werd bijgesteld tot het meer realistische bedrag van 2,15 DM/kg. In die nota werd echter tevens gesteld, dat "door algemene vastberadenheid de prijzen stegen tot 2,05 DM/kg, welke prijzen nog nooit zo dicht hadden gelegen bij de openbaar gemaakte (sic!) richtprijzen". Tegen eind 1981 werd in de vakpers melding gemaakt van polypropyleenmarktprijzen van 1,95 à 2,10 DM/kg voor raffia, ongeveer 20 Pfennig beneden de richtprijs van de fabrikanten. Vermeld werd, dat de produktiecapaciteit werd benut voor een "gezonde" 80 %.
79 Het vierde prijsinitiatief (juni-juli 1982) vond plaats in het kader van het herstel van het evenwicht tussen vraag en aanbod op de markt. Tot dat initiatief was besloten tijdens de op 13 mei 1982 gehouden bijeenkomst van fabrikanten, die door DSM werd bijgewoond. Tijdens die bijeenkomst werd een gedetailleerde tabel opgesteld met richtprijzen voor 1 juni, waarin de prijzen voor de verschillende kwaliteiten polypropyleen werden aangegeven in de diverse nationale valuta' s (2,00 DM/kg voor raffia) (punten 37 tot en met 39, eerste alinea, van de beschikking).
80 Na de bijeenkomst van 13 mei 1982 gaven ATO, BASF, Hoechst, Hercules, Huels, ICI, Linz, Monte en Shell prijsinstructies die, op enkele onbelangrijke uitzonderingen na, overeenkwamen met de tijdens de bijeenkomst vastgestelde richtprijzen (punt 39, tweede alinea, van de beschikking). Ofschoon volgens de beschikking (punt 39, derde alinea) met betrekking tot DSM geen prijsinstructies voor juni beschikbaar zijn, wordt in een door verzoekster opgesteld verkooprapport verwezen naar voor juni geplande prijsverhogingen, waarvan werd gehoopt dat zij een succes zouden worden. Toen zij op 9 juni 1982 bijeenkwamen, konden de fabrikanten slechts bescheiden prijsverhogingen rapporteren.
81 Volgens de beschikking (punt 40) nam verzoekster ook deel aan het vijfde prijsinitiatief (september-november 1982), waartoe tijdens de bijeenkomst van 20 en 21 juli 1982 werd besloten en dat erop gericht was, de prijs te verhogen tot 2,00 DM/kg op 1 september en tot 2,10 DM/kg op 1 oktober. DSM was aanwezig op de meeste, zo niet alle bijeenkomsten die van juli tot november 1982 werden gehouden en waarop genoemd prijsinitiatief werd gepland en gevolgd (punt 45 van de beschikking). Tijdens de bijeenkomst van 20 augustus 1982 werd de voor 1 september geplande prijsverhoging uitgesteld tot 1 oktober en die beslissing werd op de bijeenkomst van 2 september 1982 bevestigd (punt 41 van de beschikking).
82 Na de bijeenkomsten van 20 augustus en 2 september 1982 gaven ATO, DSM, Hercules, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte en Shell prijsinstructies die overeenkwamen met de tijdens die bijeenkomsten voorgestelde richtprijs (punt 43 van de beschikking).
83 Volgens de beschikking (punt 44) vond er op 21 september 1982 een - ook door verzoekster bijgewoonde - bijeenkomst plaats, waarop werd gesproken over de stappen die waren genomen om het eerder vastgestelde doel te bereiken. Er bleek algemene instemming te bestaan over een voorstel om de prijs met ingang van november-december 1982 te verhogen tot 2,10 DM/kg. Die verhoging was definitief geworden op de bijeenkomst van 6 oktober 1982.
84 Na de bijeenkomst van 6 oktober 1982 gaven BASF, DSM, Hercules, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte, Shell en Saga prijsinstructies om de overeengekomen verhoging toe te passen (punt 44, tweede alinea, van de beschikking).
85 In navolging van ATO, BASF, Hercules, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte en Saga verstrekte verzoekster de aan haar plaatselijke verkoopkantoren gegeven prijsinstructies aan de Commissie. De verschillende prijsinstructies komen qua bedrag en tijdstip niet alleen met elkaar overeen, maar ook met de tabel van richtprijzen die aan de door ICI opgestelde notulen van de "experts"-bijeenkomst van 2 september 1982 was gehecht (punt 45, tweede alinea, van de beschikking).
86 Tijdens de bijeenkomst van december 1982 werd overeengekomen, dat het voor november/december gestelde streefniveau tegen eind januari 1983 moest zijn ingevoerd (punt 46, tweede alinea, van de beschikking).
87 Volgens punt 47 van de beschikking heeft verzoekster tot slot ook aan het zesde prijsinitiatief (juli-november 1983) deelgenomen. Tijdens de bijeenkomst van 3 mei 1983 werd overeengekomen, dat de fabrikanten zouden trachten in juni 1983 een richtprijs van 2,00 DM/kg te berekenen. Op de bijeenkomst van 20 mei 1983 werd dit aanvankelijk gestelde doel echter uitgesteld tot september en werd als tussenstap een doel van 1,85 DM/kg met ingang van 1 juli gesteld. Tijdens een op 1 juni 1983 gehouden bijeenkomst bevestigden de aanwezige fabrikanten - waaronder DSM - vervolgens hun volledige instemming met een stijging tot 1,85 DM/kg. Daarbij werd overeengekomen, dat Shell in het openbaar zou leiden in het vaktijdschrift European Chemical News (hierna: ECN).
88 Volgens punt 49 van de beschikking gaven ICI, DSM, BASF, Hoechst, Linz, Shell, Hercules, ATO, Petrofina en Solvay na de bijeenkomst van 20 mei 1983 instructies aan hun verkoopkantoren om met ingang van 1 juli een prijs van 1,85 DM/kg voor raffia toe te passen. Van ATO en Petrofina werden slechts onvolledige prijsinstructies verkregen, maar die bevestigen dat deze producenten het nieuwe prijsniveau toepasten, zij het in geval van Petrofina en Solvay met enige vertraging. Met uitzondering van Huels (waarvan de Commissie geen prijsinstructies voor juli 1983 heeft gevonden), blijken derhalve alle producenten die de bijeenkomsten hadden bijgewoond dan wel hun steun hadden toegezegd voor de nieuwe richtprijs van 1,85 DM/kg, instructies te hebben gegeven om de nieuwe prijs toe te passen.
89 Volgens punt 50 van de beschikking vonden er verder nog vergaderingen plaats op 16 juni, 6 en 21 juli, 10 en 23 augustus en 5, 15 en 29 september 1983, die door alle vaste deelnemers werden bijgewoond. Eind juli en begin augustus 1983 deden BASF, DSM, Hercules, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Solvay, Monte en Saga aan hun diverse nationale verkoopkantoren prijsinstructies toekomen (gebaseerd op een raffiaprijs van 2,00 DM/kg), die met ingang van 1 september van kracht zouden worden. In een interne nota van Shell van 11 augustus, betreffende haar prijzen in het Verenigd Koninkrijk, wordt vermeld, dat Shell' s dochteronderneming in het Verenigd Koninkrijk "ernaar streefde", dat per 1 september basisprijzen van kracht zouden zijn die overeenstemden met de door de andere producenten vastgestelde richtprijzen. Tegen het einde van de maand gaf Shell haar verkoopkantoor in het Verenigd Koninkrijk echter opdracht, de volle verhoging uit te stellen tot de andere producenten het gewenste basisniveau hadden bereikt. Behoudens onbeduidende afwijkingen waren die instructies identiek voor alle kwaliteiten en nationale valuta' s.
90 Volgens punt 50, laatste alinea, van de beschikking blijkt uit bij de fabrikanten verkregen prijsinstructies, dat later werd besloten door te gaan op de voet van de verhoging van september en de prijs voor raffiakwaliteit per 1 oktober te verhogen tot 2,10 DM/kg en per 1 november tot 2,25 DM/kg. BASF, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte en Solvay - aldus punt 51, eerste alinea, van de beschikking - zonden voor de maanden oktober en november ieder afzonderlijk instructies aan hun verkoopkantoren, waarin identieke prijzen werden vastgesteld. Hercules gaf in eerste instantie iets lagere prijzen op. DSM beweert, dat voor oktober of november geen prijsinstructies werden gegeven, maar haar "catalogusprijzen" zijn voor alle kwaliteiten en alle valuta' s identiek met die van alle andere producenten.
91 In punt 51, tweede alinea, van de beschikking wordt opgemerkt dat in een bij ATO aangetroffen en op 28 september 1983 gedateerde nota evenwel een tabel voorkomt met als kop "Rappel du prix de cota (sic)", waarin voor verschillende landen voor september en oktober prijzen worden vastgesteld voor de drie belangrijkste kwaliteiten polypropyleen, die identiek zijn met die van BASF, DSM, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte en Solvay. Tijdens de in oktober 1983 bij ATO verrichte verificatie bevestigden de vertegenwoordigers van het bedrijf, dat die prijzen aan de verkoopkantoren werden meegedeeld.
92 Volgens punt 105, vierde alinea, van de beschikking heeft de inbreuk, welke de datum van de laatste bijeenkomst ook moge zijn geweest, tot november 1983 voortgeduurd: de overeenkomst bleef tot ten minste dat tijdstip effect sorteren, aangezien november de laatste maand is waarvan bekend is dat richtprijzen werden overeengekomen en prijsinstructies werden gegeven.
93 In punt 51, laatste alinea, verklaart de Commissie tot slot, dat eind 1983 in de vakpers gewag werd gemaakt van een stabilisering van de polypropyleenprijzen op een marktprijs voor raffiakwaliteit van 2,08 à 2,15 DM/kg (het nagestreefde doel was zoals gezegd 2,25 DM/kg).
b) Argumenten van partijen
94 Volgens verzoekster is het centrale verwijt van de Commissie aan de ondernemingen tot welke de beschikking is gericht, dat zij in 1977 een overeenkomst zouden hebben gesloten over bodemprijzen, die periodiek moesten worden bijgesteld. Die overeenkomst zou vervolgens in een zestal individualiseerbare perioden zijn geconcretiseerd middels zogeheten "prijsinitiatieven". De Commissie zou in dit verband spreken van "kaderovereenkomst" en "deelovereenkomsten". Verzoekster is derhalve van mening, dat zo het Gerecht deze centrale grief van de hand mocht wijzen, zulks zou moeten leiden tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beschikking en van de geldboeten.
95 Ofschoon verzoekster erkent, dat zij sinds januari 1981 met een zekere regelmaat aan de bijeenkomsten heeft deelgenomen, ontkent zij met klem, dat deze bijeenkomsten hebben plaatsgevonden in het kader van een gestructureerde regeling dan wel - a fortiori - in het kader van een "bodemprijsovereenkomst".
96 Zij stelt, nooit enige verbintenis te zijn aangegaan en zich juridisch of moreel nooit gebonden te hebben geacht aan hetgeen op de bijeenkomsten werd besproken. A fortiori heeft zij zich bij de bepaling en de uitvoering van haar commercieel beleid nooit door de uitkomsten van die bijeenkomsten laten leiden. Dat beleid kenmerkte zich daarentegen door een stelselmatig agressieve opstelling, zoals blijkt uit de vergroting van haar marktaandeel. De Commissie, op wie volgens verzoekster toch de bewijslast rust, heeft zich dienaangaande beperkt tot enkele algemene opmerkingen, die geenszins aantonen dat DSM haar wil op die van andere ondernemingen heeft afgestemd. Verzoekster verklaart bovendien, dat de redenering waarmee de Commissie het de facto bestaan van een verbintenis wil aantonen, haar ontgaat. De Commissie is er dus niet in geslaagd, te bewijzen dat DSM aan een prijsovereenkomst heeft deelgenomen.
97 Verzoekster is van mening, dat haar interne prijsbeleid de conclusie van de Commissie op dit punt niet rechtvaardigt. Zij verwijst in dit verband naar de door haar op de markt toegepaste verkoopprijzen.
98 Zij beklemtoont, dat wat haar betreft vier soorten prijzen moeten worden onderscheiden: de "richtprijzen", dat wil zeggen de door de onderneming nagestreefde prijzen; de "catalogusprijzen", dat wil zeggen de prijzen zoals deze - in beginsel maandelijks en voor elk produkt - aan de verkoopkantoren worden opgegeven; de "bodemprijzen", dat wil zeggen de prijzen die te zamen met de catalogusprijzen aan de verkoopkantoren worden gegeven en die de zelfstandige onderhandelingsmarge van deze verkoopkantoren bepalen, en, tot slot, de effectieve verkoopprijzen.
99 Verzoekster legt enkele grafieken over die betrekking hebben op verschillende kwaliteiten polypropyleen en op verschillende markten. Uit deze grafieken blijkt: 1) dat de catalogusprijzen nooit samenvielen met de "richtprijzen"; 2) dat er altijd aanzienlijke verschillen (van gemiddeld meer dan 20 %) bestonden tussen de catalogusprijzen en de "richtprijzen"; 3) dat bij de prijsonderhandelingen de "bodemprijzen" en niet de "richtprijzen" tot uitgangspunt werden genomen, en 4) dat de verkoopkantoren altijd over een vrij ruime marge beschikten om bij de vaststelling van de verkoopprijzen af te wijken van de "bodemprijzen". Hiermee is de centrale stelling van de Commissie, dat de bijeenkomsten het marktgedrag van DSM daadwerkelijk beïnvloedden, feitelijk weergelegd. De Commissie heeft namelijk niet kunnen aantonen, dat er enig verband bestond tussen het op de bijeenkomsten besprokene en de op de markt toegepaste prijzen, of enig parallellisme tussen de verschillende door de ondernemingen op de markt toegepaste prijzen. Verzoekster beklemtoont, dat de Commissie in punt 73 van de beschikking zelf heeft erkend, dat het "overigens best mogelijk is dat de prijs in ruime mate werd bepaald door het mechanisme van vraag en aanbod".
100 Vervolgens tracht verzoekster aan te tonen, dat zij niet heeft deelgenomen aan de verschillende prijsinitiatieven.
101 Wat het initiatief van juli-december 1979 betreft, verzoekster wordt niet in de beschikking genoemd, aangezien zij iedere vorm van betrokkenheid bij de inbreuken vóór 1 januari 1981 ontkent.
102 Met betrekking tot het prijsinitiatief van januari-mei 1981 verklaart zij dat uit de prijsinstructies van DSM (bijlagen 6 en 7 bij het verzoekschrift; hierna: bijl. vz.), waarop de Commissie zich baseert, niet blijkt, dat DSM zich aan bepaalde "richtprijzen" wilde aanpassen, aangezien in de prijsonderhandelingen met de afnemers in werkelijkheid de marktprijzen tot uitgangspunt zijn genomen. Uit die instructies zou blijken, dat de door de Commissie aangegeven prijzen eenvoudig werden gebruikt als "verkooprichtlijnen" voor de betrokken produkten, maar dat het hier geen minimumprijzen betrof, welke prijzen in haar prijsinstructies ook werden genoemd en overigens aanzienlijk lager waren. De Commissie heeft aan de prijsinstructies van DSM dus geen juiste uitlegging gegeven.
103 Met betrekking tot het initiatief van augustus-december 1981 merkt verzoekster op, dat de in haar prijsinstructies aangegeven prijzen aanzienlijk afweken van de vastgestelde "richtprijzen" en van de door andere producenten gegeven instructies. Hetgeen ten aanzien van de vorige periode is opgemerkt, geldt ook voor deze periode.
104 Met betrekking tot het prijsinitiatief van juni-juli 1982 verklaart verzoekster dat, in tegenstelling tot hetgeen de Commissie in punt 39 van de beschikking en in haar bij het Gerecht neergelegde memories stelt, de prijsinstructie van DSM voor juni 1982 bestond in de notitie die DSM aan de Commissie had overgelegd als bijlage 43 bij haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar. Ook uit deze prijsinstructie, die was gegeven vóór de bijeenkomst waarop een "richtprijs" zou zijn overeengekomen en die door de Commissie zou zijn genegeerd, blijkt, dat de erin gestelde prijzen afweken van de zogeheten "richtprijzen" van de Commissie. In repliek betoogt verzoekster voorts, dat het van haar afkomstige document van 13 juli 1982, dat als bijlage 9 is gevoegd bij de tot haar gerichte individuele mededeling van de punten van bezwaar (hierna: bijl. i.b. DSM) en door de Commissie is beschouwd als de door DSM voor juni 1982 gegeven prijsinstructie, gelet op de datum ervan niet die instructie kan zijn, aangezien het duidelijk is dat een voor juni geplande prijsverhoging niet in juli kon zijn opgesteld.
105 Voor het initiatief van september-november 1982 verwijst verzoekster naar haar verklaringen betreffende de periode januari-mei 1981. Zij voegt hieraan toe, dat zij met de waarschuwing aan haar verkoopkantoren, dat de "bodemprijzen" "with care" moesten worden gebruikt, enkel de neiging van die kantoren wilde tegengaan om zelfs nog onder de "bodemprijzen" te gaan.
106 Wat ten slotte het prijsinitiatief van juli-november 1983 betreft, verzoekster maakt onderscheid tussen het begin en het einde van deze periode. Met betrekking tot het begin van de periode stelt zij, dat de door de Commissie bedoelde prijsinstructie van 25 mei 1983 (bijl. 11 vz.), die parallel lijkt te lopen met andere instructies, moet worden bezien tegen de achtergrond van een aantrekkende markt, waarop verzoekster niet kon achterblijven. Met betrekking tot het einde van bedoelde periode verklaart verzoekster, dat er geen sprake was van schriftelijke instructies voor bodemprijzen, zoals blijkt uit een op 2 augustus 1983 aan de verkoopkantoren gestuurd telexbericht (bijl. 12 vz.), volgens hetwelk verdere instructies voor bodemprijzen zullen volgen.
107 Concluderend stelt verzoekster, dat de Commissie enkel een interne intentie van de onderneming aan de kaak stelt, terwijl de mededingingsregels ertoe strekken de concurrentiestructuur te beschermen, en niet beogen interne intenties strafbaar te stellen die niet door daadwerkelijke gedragingen op de markt tot gevolgen voor deze concurrentiestructuur hebben geleid. De Commissie voert hiermee in feite een novum in: zij stelt namelijk dat de gemeenschappelijke intentie tot parallelgedrag op zich reeds strafbaar is.
108 Naar het oordeel van de Commissie valt uit de verschillende elementen, zoals de prijsinstructies van verzoekster, die zowel qua bedrag als qua datum van invoering overeenstemmen met de door andere producenten gegeven instructies (bijlage bij de brief van de Commissie van 29 maart 1985), redelijkerwijs geen andere conclusie te trekken, dan dat DSM heeft deelgenomen aan de uitvoering van een met die andere producenten overeengekomen plan. De Commissie is ervan overtuigd, dat DSM zich de facto werkelijk aan de uitvoering van de in het kader van het kartel gemaakte afspraken gebonden heeft geweten, zoals uit haar prijsinstructies blijkt. Gelet op die concrete deelname aan het kartel is het beeld dat verzoekster van haar gebondenheid had, niet van belang, zomin als haar agressieve marktgedrag. Evenmin is het van belang, of de in het kader van het kartel genomen "besluiten" aan controle waren onderworpen, dan wel of DSM haar gedrag op het gebied van de prijzen slechts in beperkte mate op dat van de anderen afstemde.
109 Bovendien zijn er volgens de Commissie, anders dan DSM wil doen geloven, gegevens waaruit blijkt, dat de bij het kartel betrokken ondernemingen, waaronder DSM, voor elke Lid-Staat van de Gemeenschap "richtprijzen" vaststelden.
110 Volgens de Commissie wenst DSM aan te tonen dat het onjuist is, dat het op de bijeenkomsten besprokene zou hebben kunnen leiden tot daadwerkelijke beïnvloeding van het marktgebeuren dan wel van de interne beleidsbepaling van de onderneming. De Commissie acht dit verweer niet relevant, aangezien het er om gaat, dat alle producenten, waaronder DSM, nadat op bijeenkomsten "richtprijzen" waren overeengekomen, hun verkoopafdelingen instructies gaven om te streven naar de toepassing van de overeengekomen prijsniveaus, en dat de "richtprijzen" dus werden gehanteerd als uitgangspunt bij prijsonderhandelingen met afnemers. Wat dit aangaat, blijkt uit tabel 9 van de beschikking, dat er een onmiskenbaar verband bestond tussen de op de markt gerealiseerde prijzen en het tussen de producenten overeengekomene.
111 De Commissie betoogt bovendien, dat er sprake was van samenspanning, zelfs al werden de "richtprijzen" op de markt niet altijd gerealiseerd. Ook blijkt uit tabel 7 van de beschikking het onbetwistbare parallellisme tussen de door de verschillende producenten gegeven prijsinstructies.
112 De opmerking van DSM, dat de discussies over de prijzen uitsluitend betrekking hadden op de marktprijzen en dat de "bodemprijzen" daarbij als een soort "vangnet" fungeerden, kan volgens de Commissie niet serieus worden genomen. Dat zou namelijk betekenen, dat de "richtprijzen" jarenlang voor niets waren vastgesteld, dat de verkoopafdelingen er geen acht op behoefden te slaan en dat de afnemers zich er niets van behoefden aan te trekken.
113 Vervolgens gaat de Commissie in op verzoeksters deelname aan de verschillende prijsinitiatieven. Met betrekking tot het initiatief van juli-december 1979 stelt zij, dat ofschoon DSM in dit verband in de beschikking niet wordt genoemd, haar betrokkenheid bij de samenspanning in deze periode blijkt uit andere documenten die haar deelname aan de bijeenkomsten aantonen, zoals het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.), de tabellen betreffende quota (bijl. 55 tot en met 60 a.b.), de interne nota van 27 februari 1978 (bijl. III vw.), of de door DSM tijdens de EATP-bijeenkomst van 26 mei 1978 afgelegde verklaringen (bijl. 7 a.b.).
114 Met betrekking tot het initiatief van januari-mei 1981 merkt de Commissie op, dat uit de door DSM zelf overgelegde stukken blijkt, dat de "richtprijzen" als uitgangspunt bij prijsonderhandelingen met afnemers werden gehanteerd. Ook bevestigen die stukken de gelijktijdige en uniforme toepassing van die richtprijzen in vergelijking met die van andere producenten. Zoals hiervoor reeds is te kennen gegeven, is de verwijzing van DSM naar de "bodemprijzen" niet relevant.
115 Aangaande het initiatief van augustus-december 1981 merkt de Commissie op, dat de in de prijsinstructies van DSM genoemde catalogusprijzen gelijk zijn aan de in de beschikking genoemde overeengekomen "richtprijzen". Voor het overige verwijst de Commissie naar hetgeen zij ten aanzien van de voorgaande periode heeft opgemerkt.
116 Met betrekking tot het prijsinitiatief van juni-juli 1982 merkt de Commissie op, dat het document dat door DSM wordt voorgesteld als haar prijsinstructie voor juni 1982, is gedateerd op 18 maart 1982 en geen enkele prijs voor juni vermeldt (bijl. 43 bij het antwoord van DSM op de mededeling van de punten van bezwaar). De Commissie is van mening, dat zij dat document dus buiten beschouwing kon laten en zich ten bewijze van de betrokkenheid van DSM bij het prijsinitiatief kon baseren op een door de onderneming op 13 juli 1982 - na de bijeenkomst van experts van 13 mei 1982 - opgemaakt verkooprapport (bijl. 9 i.b. DSM).
117 Ten aanzien van het prijsinitiatief van september-november 1982 voert de Commissie soortgelijke argumenten aan als ten aanzien van januari-mei 1981.
118 Aangaande het prijsinitiatief van juli-november 1983, verklaart de Commissie, dat, gelet op het haar ter beschikking staande bewijsmateriaal, het argument van DSM met betrekking tot de optimalisering van de mogelijkheden op een stijgende markt niet overtuigend is. Het staat namelijk vast, dat de prijzen van DSM voor september 1983 voor alle kwaliteiten en in alle valuta' s identiek waren met die van alle andere producenten (bijl. I bij brief van 29 maart 1985).
119 Concluderend stelt de Commissie, dat aan de gemeenschappelijke intentie tot parallel gedrag onmiskenbaar uitvoering is gegeven door de door haar gereleveerde prijsinitiatieven, die, zoals uit tabel 9 van de beschikking blijkt, een invloed op de markt hebben gehad.
c) Beoordeling van het Gerecht
120 Vooraf zij opgemerkt, dat aangezien geen van de tegen verzoekster in aanmerking genomen punten van bezwaar betrekking had op de periode vóór 1978, in de beschikking niet wordt gesteld, dat zij betrokken is geweest bij de medio 1977 gesloten bodemprijsovereenkomst of bij het prijsinitiatief van december 1977 (punt 78, vierde alinea, noot 1).
121 Uit de notulen van de geregeld gehouden bijeenkomsten van polypropyleenproducenten blijkt, dat de aan die bijeenkomsten deelnemende producenten de in de beschikking genoemde prijsinitiatieven zijn overeengekomen. Zo staat in de notulen van de bijeenkomst van 13 mei 1982 (bijl. 24 a.b.) te lezen:
"everyone felt that there was a very good opportunity to get a price rise through before the holidays + after some debate settled on DM 2,00 from 1st June (UK 14th June). Individual country figures are shown in the attached table".
(("iedereen was van mening, dat de gelegenheid zeer gunstig was om er vóór de vakantie een prijsstijging door te krijgen + na enige discussie is besloten tot 2,00 DM met ingang van 1 juni (14 juni voor het Verenigd Koninkrijk). De cijfers per land zijn vermeld in de bijgevoegde tabel")).
122 Zodra rechtens genoegzaam is bewezen, dat verzoekster die bijeenkomsten heeft bijgewoond, kan zij niet verklaren, dat zij de daar overeengekomen, geplande en gevolgde prijsinitiatieven niet heeft gesteund, zonder bewijzen te verstrekken die deze verklaring kunnen staven. Bij gebreke van dergelijke bewijzen is er immers geen enkele reden om aan te nemen dat verzoekster die initiatieven, anders dan de overige deelnemers aan de bijeenkomsten, niet heeft gesteund.
123 Om aan te tonen dat zij de op de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten overeengekomen prijsinitiatieven niet heeft gesteund, voert verzoekster aan, dat zij zich bij de bepaling van haar marktgedrag op het gebied van de prijzen nooit door de uitkomsten van de bijeenkomsten heeft laten leiden, zoals zou blijken uit haar agressieve prijsbeleid op de markt. Overigens heeft de Commissie, naar haar zeggen, verzoeksters prijsinstructies verkeerd uitgelegd, omdat zij geen rekening heeft gehouden met het feit dat DSM bij de vaststelling van haar prijzen vier soorten prijzen hanteert.
124 Deze argumenten kunnen niet als bewijs worden aanvaard voor verzoeksters verklaring, dat zij de overeengekomen prijsinitiatieven niet heeft gesteund. Zelfs indien deze argumenten feitelijk juist mochten blijken, zouden zij verzoeksters betrokkenheid bij de vaststelling van richtprijzen tijdens de bijeenkomsten niet ontzenuwen, doch hooguit aantonen, dat zij aan de tijdens die bijeenkomsten gemaakte afspraken geen uitvoering heeft gegeven. Nergens in de beschikking wordt overigens gesteld, dat de door verzoekster toegepaste prijzen altijd overeenkwamen met de tijdens de bijeenkomsten overeengekomen richtprijzen, waaruit blijkt dat in de beschikking het bewijs van verzoeksters betrokkenheid bij de vaststelling van deze richtprijzen evenmin wordt gebaseerd op het feit, dat zij aan de tijdens de bijeenkomsten gemaakte afspraken uitvoering zou hebben gegeven.
125 In dit verband zij ook opgemerkt, dat de Commissie het accountantsrapport Coopers en Lybrand, volgens hetwelk er tussen de werkelijk toegepaste prijzen en de richtprijzen aanzienlijke verschillen zouden hebben bestaan, niet betwist. Hierbij zij evenwel aangetekend, dat uit de analyses die de producenten zelf tijdens de bijeenkomsten van 21 september, 6 oktober, 2 november en 2 december 1982 hebben verricht om de invloed van hun prijsinitiatieven op de op de markt toegepaste prijzen te volgen, lijkt te kunnen worden opgemaakt, dat zij de resultaten van die initiatieven over het geheel genomen als positief beoordeelden (bijl. 30 tot en met 33 a.b.).
126 In elk geval heeft verzoekster zich meer gelegen laten liggen aan de op de bijeenkomsten gemaakte afspraken dan zij wil doen geloven. Het feit dat zij vier soorten prijzen hanteert, veronderstelt namelijk, dat al die prijzen bij de vaststelling van de aan de afnemers in rekening gebrachte prijzen een rol spelen. In dit verband zij opgemerkt, dat uit de door verzoekster aan haar verkoopkantoren gezonden prijsinstructies blijkt, dat de "target price" ("richtprijs") bijna altijd overeenkomt met de "list price" ("catalogusprijs"), en dat die twee prijzen iets boven de "Rock bottoms" ("bodemprijzen") liggen, die "have to be used with care by each product manager or area sales manager at certain specific accounts (for instance certain key customers)" (("door iedere produktmanager of plaatselijke sales manager behoedzaam moeten worden gebruikt voor bepaalde specifieke klanten (bij voorbeeld bepaalde belangrijke klanten)")). Bovendien werden de tijdens de bijeenkomsten vastgestelde richtprijzen in verzoeksters prijsinstructies overgenomen als richtprijzen en catalogusprijzen, ook al konden de verkoopkantoren bij wijze van uitzondering ervan afwijken en de "bodemprijzen" toepassen. Verzoeksters verklaring voor het feit dat zij haar verkoopkantoren had opgedragen, de "bodemprijzen" "with care" te gebruiken, is niet overtuigend. Uit de bewoordingen van die prijsinstructies zelf blijkt namelijk niet, dat de verkoopkantoren slechts "with care" onder die prijzen mochten gaan, doch enkel, dat zij die prijzen "with care" moesten gebruiken.
127 Derhalve moet worden geconcludeerd, dat verzoekster, ofschoon zij verschillende soorten prijzen hanteerde, haar best heeft gedaan om - voor zover mogelijk en met toepassing van haar eigen prijsstellingstechniek - de tijdens de bijeenkomsten vastgestelde richtprijzen door te berekenen aan haar verkoopkantoren en dus aan haar afnemers.
128 Vervolgens moet worden ingegaan op de specifieke bewijzen die verzoekster heeft aangevoerd tot staving van haar stelling, dat zij niet betrokken is geweest bij de verschillende prijsinitiatieven.
129 Aangaande verzoeksters betrokkenheid bij het prijsinitiatief van juli-december 1979 moet in de eerste plaats worden opgemerkt, dat volgens punt 29 van de beschikking in de eerste helft van 1979 bijeenkomsten van producenten werden gehouden, ook al kunnen de plaats en het tijdstip van die bijeenkomsten niet precies worden vastgesteld. Bovendien heeft het Gerecht vastgesteld, dat de Commissie verzoeksters deelname aan die bijeenkomsten rechtens genoegzaam heeft bewezen. Verder blijkt uit de door ATO, BASF, Hoechst, ICI, Linz en Shell gegeven, met elkaar overeenstemmende prijsinstructies, dat het initiatief dat erop gericht was, per 1 september 1979 een prijs van 2,05 DM/kg te bereiken, eind juli was overeengekomen en bekendgemaakt. Dat dit initiatief bestond en dat het werd uitgesteld tot 1 december 1979, blijkt uit de notulen van de bijeenkomst van 26 en 27 september 1979 (bijl. 12 a.b.), waarin staat te lezen: "2.05 remains the target. Clearly 2.05 not achievable in Oct., not in Nov. Plan now is 2.05 on 1/12" ("2.05 blijft het doel. Duidelijk 2,05 niet haalbaar in oktober, noch in november. Plan thans: 2,05 op 1/12").
130 Hieruit volgt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen, dat de prijsverhoging van september 1979 het gevolg was van de vaststelling, door verzoekster en andere producenten, van richtprijzen voor de periode juli-december 1979.
131 Bovendien is verzoekster, door deel te nemen aan de in 1980 en in januari 1981 gehouden bijeenkomsten, tijdens welke het prijsinitiatief van begin 1981 werd overeengekomen, gepland en gevolgd, en door prijsinstructies te geven die overeenstemden met de tijdens die bijeenkomsten vastgestelde richtprijzen, bij dat prijsinitiatief betrokken geweest en kan zij zich niet beroepen op het feit, dat de tijdens de bijeenkomsten bepaalde richtprijzen in haar prijsinstructies niet als minimumprijzen, maar als catalogusprijzen werden gebruikt.
132 Op dezelfde wijze is verzoekster, door deel te nemen aan de bijeenkomsten tijdens welke het initiatief van augustus-december 1981 werd overeengekomen, gepland en gevolgd, en door prijsinstructies te geven die overeenstemden met die welke voor dezelfde periode door andere producenten werden gegeven, bij dat prijsinitiatief betrokken geweest.
133 Wat het initiatief van juni-juli 1982 betreft, uit de notulen van de bijeenkomst van 13 mei 1982 (bijl. 24 a.b.) blijkt dat tijdens die bijeenkomst, die door verzoekster werd bijgewoond, tot dat initiatief werd besloten. Met betrekking tot de vraag of verzoekster, zoals zij beweert, de Commissie haar prijsinstructie voor juni 1982 heeft verstrekt, moet worden vastgesteld, dat bij onderzoek van het door verzoekster overgelegde stuk (bijl. 43 bij het antwoord van DSM op de algemene mededeling van de punten van bezwaar), gedateerd 18 maart 1982 en getiteld "Price list Stamylan P./April/May/June" ("prijslijst Stamylan P./april/mei/juni"), blijkt, dat het, ondanks zijn opschrift, geen "richtprijzen" voor juni 1982 bevat, aangezien naast de op de maand juni betrekking hebbende kolom staat geschreven: "In case of need to be discussed with marketing Stamylan P." ("Zo nodig te bespreken met marketing van Stamylan P."). Het gaat hier dus niet om verzoeksters prijsinstructie voor juni 1982. Dit betekent, dat die instructie niet werd gegeven vóór de bijeenkomst van 13 mei 1982, tijdens welke een richtprijs voor juni was overeengekomen.
134 Wat de initiatieven van september-november 1982 en juli-november 1983 betreft, verzoeksters betrokkenheid bij die initiatieven blijkt uit haar aanwezigheid bij de bijeenkomsten tijdens welke die prijsinitiatieven werden overeengekomen, gepland en gevolgd, alsmede uit het feit dat de door haar gegeven prijsinstructies overeenstemden met de tijdens die bijeenkomsten vastgestelde richtprijzen en met de door andere producenten gegeven prijsinstructies.
135 Aangaande het laatste prijsinitiatief betwist verzoekster niet dat haar prijsinstructies parallel lopen met die van andere producenten. Die parallellie kan zij niet verklaren met een beroep op het feit, dat de markt een opwaartse beweging vertoonde. Deze achtergrond moge namelijk verklaren, dat zij instructies gaf om hogere prijzen toe te passen, doch hij kan niet verklaren, dat de door de verschillende producenten voorziene prijsverhogingen even hoog uitvielen. Bovendien moet met betrekking tot de maand september worden vastgesteld, dat de door verzoekster op 2 augustus 1983 opgestelde prijslijst (bijl. 12 vz.), die op 1 september 1983 van kracht moest worden, voor alle kwaliteiten en in alle valuta' s dezelfde prijzen vermeldt als die van de andere producenten. Weliswaar beschikt men niet over prijsinstructies van verzoekster voor de maanden oktober en november 1983, maar haar betrokkenheid bij het einde van bedoeld prijsinitiatief mag worden afgeleid uit haar deelname aan de bijeenkomsten tijdens welke dat initiatief werd overeengekomen en gepland.
136 Bovendien mocht de Commissie uit het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.), waarin staat te lezen dat "' Target prices' for the basic grade of each principal category of polypropylene as proposed by producers from time to time since 1 January 1979 are set forth in Schedule (...)". (("De sinds 1 januari 1979 door de producenten geregeld voorgestelde 'richtprijzen' voor de basiskwaliteit van elke hoofdcategorie polypropyleen zijn opgenomen in bijlage (...)")), afleiden, dat de prijsinitiatieven werden genomen in het kader van een stelselmatige vaststelling van richtprijzen.
137 Bovendien heeft de Commissie tot staving van bovenstaande feitelijke vaststellingen geen gebruik hoeven te maken van stukken die zij niet had genoemd in haar mededelingen van de punten van bezwaar dan wel niet aan verzoekster had overgelegd.
138 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen dat verzoekster een van de polypropyleenproducenten was die wilsovereenstemming hebben bereikt met betrekking tot de in de beschikking genoemde prijsinitiatieven en dat die initiatieven stelselmatig werden genomen.
C - De maatregelen ter vergemakkelijking van de toepassing van de prijsinitiatieven
a) Bestreden handeling
139 In de beschikking (artikel 1, sub c, en punt 27; zie ook punt 42) wordt verzoekster verweten, met de overige producenten verschillende maatregelen te zijn overeengekomen waarmee de toepassing van de richtprijzen moest worden vergemakkelijkt, zoals tijdelijke beperkingen van de produktie, de uitwisseling van gedetailleerde informatie over haar leveringen, het houden van plaatselijke vergaderingen, en, vanaf eind september 1982 een systeem van "account management", bedoeld om prijsverhogingen voor individuele klanten toe te passen.
140 Wat het systeem van "account management" betreft, waarvan de later bijgeschaafde vorm vanaf december 1982 bekend stond als "account leadership", werd verzoekster - evenals alle andere producenten - aangewezen als cooerdinator of "leader" voor ten minste één belangrijke klant. Dit betekende, dat zij de contacten van die klant met diens leveranciers in het geheim moest cooerdineren. In het kader van genoemd systeem werden klanten aangewezen in België, Italië, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, en werd voor elk van hen een "cooerdinator" benoemd. In december 1982 werd een meer algemene aanvaarding van het systeem voorgesteld, waarbij een "account leader" werd benoemd, die prijsinitiatieven zou leiden, bespreken en organiseren. Andere producenten, die geregeld met de klanten zaken hadden gedaan, stonden bekend als "betwisters" en zouden met de "account leader" samenwerken bij offertes aan de betrokken klant. Ten einde de "account leader" en de "betwisters" te "beschermen" moesten alle andere fabrikanten die door de klant werden benaderd, hogere prijzen dan de nagestreefde richtprijs noemen. ICI beweert, dat de regeling na slechts enkele maanden instortte wegens gedeeltelijke en ondoeltreffende toepassing. Uit volledige aantekeningen van de op 3 mei 1983 gehouden bijeenkomst blijkt echter, aldus de beschikking, dat op die bijeenkomst uitgebreide besprekingen plaatsvonden over afzonderlijke klanten, over de aan dezen door elke fabrikant opgegeven of op te geven prijzen en over de geleverde of bestelde hoeveelheden.
141 In de beschikking (punt 20) wordt DSM tevens verweten, te hebben deelgenomen aan plaatselijke bijeenkomsten ter bespreking van de toepassing op nationaal niveau van de op de plenaire bijeenkomsten overeengekomen maatregelen.
b) Argumenten van partijen
142 Verzoekster merkt op, dat de stukken waarmee de Commissie haar betrokkenheid bij het systeem van "account leadership" wil aantonen, op zijn hoogst de conclusie rechtvaardigen, dat dit systeem tijdens de besprekingen aan de orde is geweest. Op grond van die stukken kan echter niet het bestaan en de toepassing van een dergelijk systeem bewezen worden geacht, laat staan de deelname van DSM aan dat systeem.
143 De Commissie acht het bestaan van een systeem van "account management" of "account leadership" alsmede de betrokkenheid van DSM bij dat systeem, wel bewezen. Die betrokkenheid blijkt uit de tijdens een bijeenkomst van 2 september 1982 (bijl. 29 a.b.) - waarbij DSM aanwezig was - gevoerde besprekingen, volgens welke dat systeem algemeen was aanvaard ("generally agreed"). Op een bijeenkomst van 3 mei 1983 was ook de uitvoering van dat systeem aan de orde geweest (bijl. 38 a.b.).
c) Beoordeling van het Gerecht
144 Punt 27 van de beschikking moet, gelet op punt 26, tweede alinea, niet aldus worden uitgelegd, dat daarin elk van de producenten wordt verweten, zich individueel te hebben verplicht alle daar genoemde maatregelen te nemen, doch in die zin, dat elk der producenten wordt verweten, op diverse bijeenkomsten met de andere producenten te hebben besloten tot een reeks van - in de beschikking genoemde - maatregelen, waarmee gunstige omstandigheden voor een prijsverhoging moesten worden geschapen, in het bijzonder door het aanbod van polypropyleen kunstmatig te verminderen, waarbij de uitvoering van deze reeks maatregelen elk afzonderlijk in onderlinge overeenstemming werd verdeeld over de verschillende producenten met inachtneming van hun specifieke situatie.
145 Door deel te nemen aan de bijeenkomsten tijdens welke deze reeks van maatregelen werd vastgesteld ((met name die van 13 mei en van 2 en 21 september 1982 (bijl. 24, 29 en 30 a.b.) )), heeft verzoekster die maatregelen gesteund, aangezien zij niets aanvoert dat op het tegendeel wijst. Zo blijkt de vaststelling van het systeem van "account leadership" uit de volgende passage van de notulen van de bijeenkomst van 2 september 1982:
"about the dangers of everyone quoting exactly DM 2.00 A.' s point was accepted but rather than go below DM 2.00 it was suggested & generally agreed that others than the major producers at individual accounts should quote a few pfs higher. Whilst customer tourism was clearly to be avoided for the next month or two it was accepted that it would be very difficult for companies to refuse to quote at all when, as was likely, customers tried to avoid paying higher prices to the regular suppliers. In such cases producers would quote but at above the minimum levels for October".
(("de opmerking van A. met betrekking tot de risico' s, indien alle producenten precies 2,00 DM zouden opgeven, werd aanvaard; maar in plaats van onder de 2,00 DM te zakken, werd de - algemeen aanvaarde - suggestie gedaan, dat de andere producenten dan de voornaamste leveranciers van een bepaalde klant een prijs zouden opgeven die een paar Pfennig hoger was. Terwijl klantentoerisme de eerstkomende maand (of twee maanden) zeer zeker moest worden vermeden, werd aanvaard, dat ondernemingen moeilijk konden weigeren een offerte te doen, indien, zoals waarschijnlijk was, afnemers trachtten te vermijden hogere prijzen te betalen aan hun vaste leveranciers. In dergelijke gevallen zouden de producenten een offerte doen, maar boven de minimumniveaus voor oktober")).
Ook werd tijdens de door verzoekster bijgewoonde bijeenkomst van 21 september 1982 verklaard: "In support of the move, BASF, Hercules and Hoechst said they would be taking plant off line temporarily" ("Ter ondersteuning van de actie kondigden BASF, Hercules en Hoechst aan, dat zij een fabriek tijdelijk buiten werking zouden stellen"), en zei Fina op de bijeenkomst van 13 mei 1982: "Plant will be shut down for 20 days in August" ("Fabriek zal in augustus 20 dagen gesloten zijn").
146 Met betrekking tot de "account leadership" stelt het Gerecht vast, dat verzoekster drie bijeenkomsten (die van 2 september en 2 december 1982 en van 3 mei 1983) heeft bijgewoond tijdens welke producenten over dat systeem hebben gesproken (bijl. 29, 33 en 38 a.b.). Tijdens de bijeenkomsten van 2 december 1982 (bijl. 33 a.b.) en 3 mei 1983 (bijl. 38 a.b.) onderzochten de producenten de wijze waarop het systeem functioneerde, waartoe op 2 september 1982 was besloten (bijl. 29 a.b.), en wisselden zij gegevens uit over hun afnemers.
147 Bovendien heeft verzoekster in haar antwoord op het verzoek om inlichtingen een opsomming gegeven van de talrijke plaatselijke bijeenkomsten waaraan zij in 1982 en 1983 heeft deelgenomen en die, zoals blijkt uit de notulen van de bijeenkomsten van 12 augustus en 2 november 1982 (bijl. 27 en 32 a.b.), de toepassing van een bepaald prijsinitiatief op plaatselijk niveau moesten verzekeren.
148 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen dat verzoekster een van de polypropyleenproducenten was die wilsovereenstemming hebben bereikt met betrekking tot maatregelen waarmee de toepassing van de in de beschikking genoemde prijsinitiatieven moest worden vergemakkelijkt.
D - Streefhoeveelheden en quota
a) Bestreden handeling
149 Volgens de beschikking (punt 31, derde alinea) werd op de bijeenkomst van 26 en 27 september 1979 "erkend dat een strak quotasysteem van fundamenteel belang was". In de notulen van die bijeenkomst werd ook verwezen naar een te Zuerich voorgesteld of goedgekeurd plan om de maandelijkse verkopen te beperken tot 80 % van het over de eerste acht maanden van het jaar behaalde gemiddelde.
150 Punt 52 van de beschikking vermeldt nog, dat al vóór augustus 1982 diverse systemen waren toegepast om de markt onderling te verdelen. Ofschoon aan alle producenten procentuele aandelen van de naar schatting te verdelen handel werden toegewezen, werd in dit stadium vooraf nog geen systematische beperking van de totale produktie opgelegd. De ramingen van de totale markt, aldus de beschikking, moesten uiteraard permanent worden herzien en de verkopen van iedere producent, uitgedrukt in ton, moesten worden aangepast om in overeenstemming te blijven met het percentage waarop hij recht had.
151 Voor 1979 werden streefhoeveelheden (uitgedrukt in ton) vastgesteld, die, althans gedeeltelijk, waren gebaseerd op de werkelijke verkopen in de drie voorafgaande jaren. In bij ICI aangetroffen tabellen werd de "herziene streefhoeveelheid" voor iedere producent voor 1979 vergeleken met de werkelijk tijdens die periode in West-Europa verkochte hoeveelheden (punt 54 van de beschikking).
152 Volgens punt 55 van de beschikking werd eind februari 1980 door de fabrikanten overeenstemming bereikt over de streefhoeveelheden voor 1980, andermaal uitgedrukt in ton, waarbij werd uitgegaan van een geraamde markt van 1 390 000 ton. Bij ATO en ICI werd een aantal tabellen aangetroffen waarin de voor iedere producent voor 1980 "overeengekomen streefhoeveelheden" waren aangegeven. Aangezien de oorspronkelijke raming van de totale te verdelen markt te optimistisch bleek te zijn, moesten de quota van alle producenten worden verminderd om aan de totale jaarconsumptie van slechts 1 200 000 ton te worden aangepast. Behalve bij ICI en DSM kwamen de werkelijke verkopen bij de verschillende producenten in grote lijnen overeen met hun streefpercentage. DSM, die niet bereid was "de toezegging te doen haar oorspronkelijke quotum te verlagen", overschreed in noemenswaardige mate de haar toegewezen hoeveelheid (verkopen van 46 100 ton in plaats van 38 400 ton).
153 Volgens punt 56 van de beschikking werden over de verdeling van de markt voor 1981 langdurige en complexe onderhandelingen gevoerd. Tijdens de in januari 1981 gehouden bijeenkomsten werd overeengekomen, dat alle producenten, als tijdelijke maatregel om bij te dragen tot het welslagen van het prijsinitiatief van februari/maart, de maandelijkse verkopen zouden beperken tot een twaalfde van 85 % van hun "streefhoeveelheid" voor 1980. Ter voorbereiding van een duurzamer quotasysteem deelde iedere producent de vergadering mee, welke hoeveelheid hij in 1981 hoopte te verkopen. Samengeteld overtroffen deze "aspiraties" echter ruimschoots de geraamde totale vraag. Ondanks verschillende door Shell en ICI ingediende compromisvoorstellen werd voor 1981 geen definitieve quotaovereenkomst bereikt. Als lapmiddel werd het quotum van iedere producent van het voorafgaande jaar als theoretisch recht beschouwd en brachten de producenten iedere maand aan de vergadering verslag uit over hun werkelijke verkopen. Op die manier werd toezicht uitgeoefend op de feitelijke verkopen, als een correctie op de louter abstracte verdeling van de markt op grond van de quota voor 1980 (punt 57 van de beschikking). VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER : 689A0008.2
154 Volgens punt 58 van de beschikking dienden de producenten voor 1982 ingewikkelde quotavoorstellen in, waarin werd getracht uiteenlopende factoren, zoals vroegere verkoopcijfers, marktaspiraties en de te verdelen capaciteit met elkaar te verzoenen. De totale te verdelen markt werd geschat op 1 450 000 ton. Enkele fabrikanten dienden gedetailleerde plannen in voor een verdeling van de markt, terwijl anderen slechts hun eigen aspiraties qua hoeveelheid bekendmaakten. Tijdens de bijeenkomst van 10 maart 1982 trachtten Monte en ICI een overeenkomst te bereiken. Volgens punt 58, laatste alinea, van de beschikking werd er echter, evenals in 1981, geen definitief akkoord bereikt en werden gedurende de eerste helft van het jaar de maandelijkse verkopen van iedere producent aan de vergadering meegedeeld en vergeleken met hun werkelijke procentuele marktaandeel in het voorgaande jaar. Volgens punt 59 van de beschikking werden de onderhandelingen met het oog op de vaststelling van een quotaovereenkomst voor 1983 tijdens de bijeenkomst van augustus 1982 voortgezet en voerde ICI over dit nieuwe systeem bilaterale gesprekken met elk van de fabrikanten. In afwachting van de invoering van een dergelijk quotasysteem moesten de fabrikanten echter in de tweede helft van 1982 streven naar een beperking van hun maandelijkse verkopen tot hetzelfde percentage van de totale markt als zij in de eerste zes maanden van 1982 werkelijk voor hun rekening hadden genomen. Zo bereikten marktaandelen van de middelgrote producenten - zoals ATO - in 1982 een relatief evenwicht (door ATO omschreven als een "bijna-eensgezindheid") en bleven zij voor de meeste producenten stabiel in vergelijking met de vorige jaren, met als enige uitzondering DSM, die andermaal haar vaste vooruitgang van 0,5 % per jaar boekte.
155 Volgens punt 60 van de beschikking nodigde ICI voor 1983 elk der fabrikanten uit, zijn eigen ambities mee te delen en suggesties te doen over het percentage dat aan elk van de anderen zou moeten worden toegestaan. Zo deden Monte, Anic, ATO, DSM, Linz, Saga en Solvay, alsmede de Duitse producenten - via BASF - gedetailleerde voorstellen. De verschillende voorstellen werden vervolgens op computer verwerkt, waarbij een gemiddelde werd berekend dat werd vergeleken met de individuele aspiraties van iedere fabrikant. Op basis daarvan kon ICI richtlijnen voor een nieuwe kaderovereenkomst voor 1983 voorstellen. Die voorstellen werden tijdens de in november en december 1982 gehouden bijeenkomsten besproken. Tijdens de bijeenkomst van 2 december 1982 werd een voorstel besproken dat in eerste instantie beperkt was tot het eerste kwartaal van 1983. Blijkens de door ICI opgestelde notulen van die bijeenkomst achtten ATO, DSM, Hoechst, Huels, ICI, Monte, Solvay en Hercules de hun toegewezen quota "aanvaardbaar" (punt 63 van de beschikking). Dit wordt bevestigd door een notitie van een op 3 december 1982 tussen ICI en Hercules gevoerd telefoongesprek.
156 Volgens punt 63, derde alinea, van de beschikking blijkt uit een bij Shell aangetroffen document, dat er inderdaad een akkoord was bereikt, aangezien deze onderneming probeerde het haar toegewezen quotum niet te overschrijden. Dat document bevestigt bovendien, dat ook in het tweede kwartaal van 1983 nog een systeem voor de controle van de hoeveelheden van kracht bleef: om haar marktaandeel in het tweede kwartaal rond de 11 % te houden, gaf Shell aan de nationale verkoopmaatschappijen van het concern opdracht, hun verkopen te verminderen. Het bestaan van dat akkoord wordt bevestigd door de notulen van de bijeenkomst van 1 juni 1983. Ofschoon tijdens die bijeenkomst niet uitdrukkelijk melding werd gemaakt van quota, werden door de experts gegevens uitgewisseld over de door ieder van hen in de loop van de vorige maand verkochte hoeveelheden, hetgeen erop wijst dat er wel degelijk een quotasysteem van toepassing was, aldus punt 64 van de beschikking.
b) Argumenten van partijen
157 Volgens verzoekster valt uit de beschikking moeilijk op te maken, of, en zo ja, in welke mate de Commissie de mening is toegedaan, dat een daadwerkelijk quotastelsel tot stand is gebracht. Het lijkt er haars inziens evenwel op, dat de Commissie de mening is toegedaan dat zulks niet het geval is geweest, en dat haar verwijt zich ertoe beperkt, dat de producenten tijdens de bijeenkomsten verslag zouden hebben uitgebracht over de hoeveelheden die elk van hen de vorige maand zou hebben verkocht (punten 52 en 53 van de beschikking).
158 Verzoekster ontkent ten ene male, dat er tussen de betrokken ondernemingen een quotastelsel tot stand is gekomen. Mocht er wél van een dergelijk stelsel sprake zijn geweest, dan staat nog niet vast, dat DSM erbij betrokken is geweest dan wel zich hierdoor juridisch of moreel gebonden heeft geacht. In de punten 54 en 59 van de beschikking wordt door de Commissie zelf erkend en onderstreept, dat zulks niet het geval is geweest.
159 Bovendien blijkt uit de fluctuaties van de marktaandelen van de verschillende producenten en uit de uitbreiding van verzoeksters marktaandeel niet alleen, dat er van een dergelijke overeenkomst geen sprake was, maar ook, dat verzoekster er niet bij betrokken was.
160 Met betrekking tot 1979 merkt verzoekster op, dat uit de tekst van de beschikking op generlei wijze blijkt, dat zij bij een quotastelsel betrokken is of kan zijn geweest. Overigens kunnen haar voor de periode vóór januari 1981 geen inbreuken worden verweten, aangezien zij vóór die datum niet regelmatig aan de bijeenkomsten deelnam. Uit de door de Commissie overgelegde tabel met gegevens over de produktie- en verkoopcijfers en met "streefhoeveelheden" (bijl. 55 a.b.) kan verzoeksters betrokkenheid niet worden afgeleid, aangezien de herkomst en het oogmerk van die stukken onbekend zijn en er een andere uitlegging aan kan worden gegeven dan de Commissie heeft gedaan. Bovendien wordt de bewijskracht ervan nog verder ontkracht door het feit, dat in bedoelde tabel ook niet in de procedure betrokken producenten, zoals Amoco, worden genoemd.
161 Met betrekking tot 1980 verklaart verzoekster, dat om de zojuist genoemde redenen uit het door de Commissie ingebrachte materiaal (bijl. 56 tot en met 61 a.b.) geen enkel bewijs ten laste van DSM kan worden afgeleid. Integendeel: uit een verslag van twee in januari 1981 gehouden bijeenkomsten (bijl. 17 a.b.) blijkt niet alleen, dat DSM een zeer vijandige houding aannam ten aanzien van een quotastelsel, maar ook, dat men bij de besprekingen over quota nooit verder is gekomen dan het doen van voorstellen.
162 Met betrekking tot 1981 blijkt uit de beschikking zelf (punt 57, tweede alinea), dat geen definitieve quotaovereenkomst is bereikt. In tegenstelling tot hetgeen de Commissie op basis van aan DSM onbekende documenten stelt, werden er bovendien geen "lapmiddelen" in het leven geroepen om toezicht te kunnen uitoefenen op de feitelijke verkopen.
163 Ondanks het feit dat er in 1982 over quota werd gesproken, werd geen quotaovereenkomst bereikt. Bovendien boekte DSM andermaal vooruitgang op het punt van haar marktaandeel, zoals in de beschikking (punt 59, derde alinea) is vastgesteld.
164 Met betrekking tot 1983 merkt verzoekster op, dat de Commissie zich niet op bewijzen maar op veronderstellingen baseert om het bestaan van een quotastelsel aan de kaak te stellen. Als er al gegevens werden uitgewisseld over de door elk van de producenten verkochte hoeveelheden, dan werd daarmee beoogd, de markttransparantie te vergroten, en niet, de naleving van een quotasysteem te controleren.
165 De Commissie merkt op dat, in tegenstelling tot hetgeen DSM stelt, de punten 54 en volgende van de beschikking een algemeen overzicht geven van het quotastelsel dat gedurende een aantal jaren werd toegepast en waaraan DSM zich gebonden achtte.
166 Met betrekking tot 1979 blijkt verzoeksters betrokkenheid bij een quotaovereenkomst uit een bij ICI aangetroffen, niet-gedateerde tabel (bijl. 55 a.b.), getiteld "Producers' Sales to West Europe" ("Verkopen van producenten in West-Europa"), waarin voor alle Westeuropese polypropyleenproducenten de verkoopcijfers, uitgedrukt in kiloton, voor 1976, 1977 en 1978 worden gegeven en die kolommen bevat met als kop "1979 actual" ("werkelijke cijfers 1979") en "revised target 1979" ("herziene streefhoeveelheid 1979"). De in die tabel opgenomen nauwkeurige gegevens zijn bij een "normale" mededinging namelijk niet bij concurrenten bekend en wijzen dus op de betrokkenheid van DSM bij de opstelling ervan.
167 Ook voor 1980 blijkt verzoeksters betrokkenheid bij het kartel duidelijk uit de stukken waarover de Commissie beschikt. Het betreft hier in de eerste plaats een bij ATO aangetroffen, op 26 februari 1980 gedateerde tabel (bijl. 60 a.b.), getiteld "Polypropylene - Sales target 1980 (kt)" ("Polypropylène - Verkoopdoelen 1980 (kt)"), die voor alle Westeuropese producenten een overzicht geeft van de "1980 target" ("streefhoeveelheid 1980") en van de "opening suggestions" ("openingsvoorstellen"), "proposed adjustments" ("voorgestelde aanpassingen") en "agreed targets" ("overeengekomen streefhoeveelheden"). Dit document laat zien, hoe de quota tot stand kwamen. In de tweede plaats gaat het om een zowel bij ATO als bij ICI aangetroffen tabel (bijl. 59 en 61 a.b.), waarin voor alle producenten een overzicht wordt gegeven van hun verkopen, uitgedrukt in ton en in marktaandeel, en wel in de volgende rubrieken: "1979 actual", "1980 target" ("streefhoeveelheid 1980"), "((1980)) actual" en "1981 aspirations" ("aspiraties 1981"). In haar antwoord op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.) heeft ICI met betrekking tot deze tabel verklaard, dat "the source of information for actual historic figures in this table would have been the producers themselves" ("de in deze tabel opgenomen reeds gerealiseerde cijfers moeten wel afkomstig zijn van de producenten zelf"). De in de notulen van twee in januari 1981 gehouden bijeenkomsten (bijl. 17 a.b.) voorkomende zinsnede, volgens welke "DSM disputed any undertaking to cut back from their original target" ("DSM was niet bereid toe te zeggen dat zij haar oorspronkelijke streefhoeveelheid zou verlagen"), is van weinig belang, want zelfs indien het woord "target" moet worden gelezen als "interne aspiratie", is alleen al de bekendmaking van die interne aspiraties onverenigbaar met artikel 85 EEG-Verdrag.
168 De Commissie erkent, dat er voor 1981 geen quotaovereenkomst werd bereikt. Wel zijn er echter tijdelijke maatregelen genomen. Zo blijkt uit de notulen van voornoemde bijeenkomsten van januari 1981, dat de producenten hun werkelijke verkopen vergeleken met de vastgestelde richthoeveelheden, en blijkt uit een bij ICI aangetroffen, maar van een Italiaanse producent afkomstige tabel (bijl. 65 a.b.), dat de producenten hun verkopen voor 1981 vergeleken met die van het voorafgaande jaar. De Commissie leidt hieruit af, dat voor 1981 weliswaar geen algemene overeenkomst werd bereikt over de verdeling van verkoopquota, maar in plaats daarvan tijdelijke maatregelen werden genomen. Dit wordt door andere stukken (bijl. 66 tot en met 68 a.b.) bevestigd.
169 Uit verschillende van Monte en ICI afkomstige stukken (bijl. 69 tot en met 71 a.b.) blijkt, dat ofschoon deze producenten voor 1982 quotavoorstellen hebben ingediend, voor dat jaar geen quotaovereenkomst werd bereikt.
170 Uit de bij de notulen van de bijeenkomsten van 9 juni en 20 augustus 1982 gevoegde tabellen (bijl. 25 en 28 a.b.) blijkt, dat de producenten in de eerste helft van 1982 hun maandelijkse verkopen vergeleken met de in 1981 gerealiseerde verkopen. Bovendien blijkt uit de notulen van laatstgenoemde bijeenkomst, dat de producenten in de tweede helft van 1982 moesten streven naar een beperking van hun maandelijkse verkopen tot het percentage dat zij in de eerste zes maanden van het jaar voor hun rekening hadden genomen. Uit de bij de notulen van de bijeenkomsten van 6 oktober, 2 november en 2 december 1982 gevoegde tabellen (bijl. 31 tot en met 33 a.b.) blijkt, dat de producenten de in het tweede halfjaar gerealiseerde verkopen hebben vergeleken met die van de eerste zes maanden.
171 Vervolgens stelt de Commissie, dat zij beschikt over de eigen ambities en de voorstellen met betrekking tot het aan andere fabrikanten toe te wijzen quotum, die verschillende producenten op verzoek van ICI aan deze onderneming hadden meegedeeld (bijl. 74 tot en met 76 en 78 tot en met 84 a.b.) met het oog op het sluiten van een quotaovereenkomst voor 1983. Die voorstellen zijn op computer verwerkt, waarbij een gemiddelde werd berekend dat werd vergeleken met de aspiraties van iedere producent. Het op basis hiervan opgestelde document is becommentarieerd in een interne nota van ICI, getiteld "Polypropylene Framework" ("Polypropyleen-schema") (bijl. 87 a.b.). De Commissie noemt verder nog een interne nota van ICI, met als titel "Polypropylene framework 1983" ("Polypropyleen-schema 1983") (bijl. 86 a.b.), waarin ICI een globale beschrijving geeft van een toekomstige quotaovereenkomst. Uit de notulen van de bijeenkomst van 2 december 1982 (bijl. 33 a.b.) blijkt, dat de experts een quotavoorstel hadden besproken dat beperkt was tot het eerste kwartaal van 1983.
172 De Commissie merkt tot slot op, dat uit een bij Shell aangetroffen intern document (bijl. 90 a.b.) blijkt, dat voor het tweede kwartaal van 1983 een quotaovereenkomst werd gesloten. Volgens dat document gaf Shell namelijk met het oog op de naleving van het haar toegewezen quotum haar nationale verkoopmaatschappijen opdracht, hun verkopen te verminderen. Bovendien blijkt uit de notulen van de bijeenkomst van 1 juni 1983 (bijl. 40 a.b.), dat er tijdens die bijeenkomst gegevens werden uitgewisseld over de in de maand mei verkochte hoeveelheden.
173 In reactie op verzoeksters verklaring, dat de uitwisseling van gegevens tussen producenten en de daaruit voortvloeiende grotere markttransparantie positief moesten worden beoordeeld, stelt de Commissie, dat die gegevensuitwisseling in werkelijkheid een uitvloeisel was van overleg om tot een quotaregeling te komen, en dat daarmee niet een vergroting van de markttransparantie werd gediend, maar een controle op de naleving van een quotaovereenkomst. De Commissie merkt op, dat DSM niet ontkent dat zij nauw betrokken is geweest bij dat overleg, noch dat zij aan ICI quotavoorstellen heeft gedaan, zoals het voorstel dat is opgenomen in bijlage 79 bij de algemene mededeling van de punten van bezwaar, noch ook dat de in november en december 1982 gedane quotavoorstellen voor haar aanvaardbaar waren.
c) Beoordeling van het Gerecht
174 Verzoekster heeft regelmatig deelgenomen aan de bijeenkomsten van polypropyleenproducenten tijdens welke de verkoophoeveelheden van de verschillende producenten werden besproken en dienaangaande gegevens werden uitgewisseld.
175 Niet alleen heeft DSM deelgenomen aan de bijeenkomsten, maar haar naam komt ook voor in verschillende tabellen, die blijkens hun inhoud duidelijk bedoeld waren om kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen (bijl. 55 e.v. a.b.). In hun antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft het merendeel van verzoeksters erkend, dat de bij ICI, ATO en Hercules gevonden tabellen niet hadden kunnen worden opgesteld op basis van de statistieken van het Fides-systeem voor de uitwisseling van gegevens. Bovendien heeft ICI in antwoord op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.) met betrekking tot een van die tabellen opgemerkt, dat "the source of information for actual historic figures in this table would have been the producers themselves" ("de in deze tabel opgenomen reeds gerealiseerde cijfers moeten wel afkomstig zijn van de producenten zelf"). De Commissie mocht er dus van uitgaan, dat DSM de in die tabellen opgenomen haar betreffende gegevens had verstrekt in het kader van de door haar bijgewoonde bijeenkomsten.
176 De terminologie die is gebezigd in de verschillende door de Commissie overgelegde documenten betreffende de jaren 1979 en 1980 ((zoals "revised target" ("herziene streefhoeveelheid"), "opening suggestions" ("openingsvoorstellen"), "proposed adjustments" ("voorgestelde aanpassingen"), "agreed targets" ("overeengekomen streefhoeveelheden") )) rechtvaardigt de conclusie, dat de producenten wilsovereenstemming hebben bereikt.
177 Wat meer in het bijzonder het jaar 1979 betreft, op basis van de notulen van de bijeenkomst van 26 en 27 september 1979 (bijl. 12 a.b.) en op basis van de bij ICI aangetroffen, niet-gedateerde tabel (bijl. 55 a.b.), getiteld "Producers' Sales to West Europe" ("Verkopen van producenten in West-Europa"), waarin voor alle Westeuropese polypropyleenproducenten de verkoopcijfers, uitgedrukt in kiloton, voor 1976, 1977 en 1978 worden gegeven en die kolommen bevat met als kop "1979 actual" ("werkelijke cijfers 1979"), "revised target" en "79", moet worden opgemerkt, dat tijdens die bijeenkomst werd erkend, dat de voor 1979 overeengekomen quotaregeling voor het laatste kwartaal van dat jaar moest worden aangescherpt. Uit het woord "tight" ("strak"), gezien in samenhang met de beperking tot 80 % van een twaalfde van de voorziene jaarlijkse verkopen, blijkt immers, dat de oorspronkelijk voor 1979 geplande regeling voor het laatste kwartaal moest worden aangescherpt. Die uitlegging van de notulen wordt bevestigd door bovengenoemde tabel, aangezien deze in de laatste kolom, rechts van de kolom "revised target", onder de kop "79" cijfers bevat die moeten overeenstemmen met de oorspronkelijk vastgestelde quota. Die quota moesten worden herzien, dat wil zeggen aangescherpt, omdat zij - evenals in 1980 - op basis van een te optimistische raming van de markt waren vastgesteld. De in punt 31, derde alinea, van de beschikking opgenomen verwijzing naar een plan "dat te Zuerich was voorgesteld of goedgekeurd, om de maandelijkse verkopen te beperken tot 80 % van het over de eerste acht maanden van het jaar behaalde gemiddelde", doet aan deze vaststellingen niets af. Gelezen in samenhang met punt 54 van de beschikking moet die verwijzing immers aldus worden opgevat, dat oorspronkelijk reeds kwantitatieve verkoopdoelen waren vastgesteld voor de verkopen van de eerste acht maanden van 1979.
178 Het feit dat voor het gehele jaar 1980 kwantitatieve verkoopdoelen werden vastgesteld, blijkt uit de bij ATO aangetroffen tabel gedateerd 26 februari 1980 (bijl. 60 a.b.), waarin een kolom "agreed targets 1980" ("overeengekomen streefhoeveelheden 1980") voorkomt, alsmede uit de notulen van de in januari 1981 gehouden bijeenkomsten (bijl. 17 a.b.), tijdens welke de producenten - waaronder verzoekster - de werkelijk verkochte hoeveelheden ("Actual kt") vergeleken met de vastgestelde streefhoeveelheden ("Target kt"). Die bescheiden worden bovendien bevestigd door een op 8 oktober 1980 gedateerde tabel (bijl. 57 a.b.), waarin twee kolommen voorkomen betreffende de verschillende producenten: de "1980 Nameplate Capacity" ("nominale capaciteit") en de "1980 Quota". Dat DSM op de twee bijeenkomsten van januari 1981 "disputed any undertaking to cut back from their original target" ("niet bereid was toe te zeggen dat zij haar oorspronkelijke streefhoeveelheid zou verlagen"), doet niets af aan het feit, dat er voor 1980 een streefhoeveelheid was vastgesteld en dat verzoekster daarbij betrokken was, aangezien er een "oorspronkelijke streefhoeveelheid" was waarmee verzoekster volledig instemde.
179 Bovendien is, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster verklaart, de herkomst van de stukken waarmee de Commissie haar betrokkenheid bij de vaststelling van kwantitatieve verkoopdoelen voor de jaren 1979 en 1980 wil staven, bekend; die stukken zijn immers aangetroffen bij ICI of ATO (bijl. 12 en 55 tot en met 61 a.b.). Verder is het niet noodzakelijk, dat de Commissie van elk document dat zij tegen een bepaalde onderneming in stelling wil brengen, aangeeft van wie het afkomstig is en hoe het is opgesteld, althans wanneer het betrokken document deel uitmaakt van een omvangrijke reeks van documenten, die alle verband houden met bijeenkomsten waarvan is aangetoond dat zij inzonderheid ten doel hadden, richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen.
180 Dat de Commissie dezelfde feiten niet eveneens heeft ten laste gelegd aan Amoco, waarvan de naam ook in voornoemde tabellen voorkomt, doet aan deze vaststellingen niets af. Het geval van Amoco onderscheidt zich van dat van verzoekster, aangezien eerstgenoemde onderneming niet aanwezig was bij de bijeenkomsten van producenten die er inzonderheid op gericht waren, kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen. Derhalve mocht de Commissie ervan uitgaan, dat de in de verschillende tabellen opgenomen cijfers die betrekking hadden op Amoco, niet meer dan ruwe schattingen waren van de positie van deze onderneming, die door de andere producenten waren gemaakt omdat Amoco zelf geen gegevens betreffende haarzelf had verstrekt. Deze conclusie wordt overigens bevestigd door het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen, waarin staat te lezen: "However figures for Amoco/Hercules (...) would have been estimated from industry figures generally avaible from Fides" (("De voor Amoco/Hercules vermelde cijfers (...) zouden echter zijn geschat op basis van via het Fides-systeem beschikbare en algemeen toegankelijke cijfers betreffende de bedrijfstak")).
181 Met betrekking tot het jaar 1981 wordt de producenten verweten dat zij hebben deelgenomen aan onderhandelingen die erop gericht waren, voor dat jaar een quotaovereenkomst tot stand te brengen, dat zij in dat verband hun "aspiraties" kenbaar hebben gemaakt en dat zij, in afwachting van een dergelijke overeenkomst, zijn overeengekomen om als tijdelijke maatregel in de maanden februari en maart 1981 hun maandelijkse verkopen te beperken tot een twaalfde van 85 % van de voor 1980 overeengekomen "streefhoeveelheid", dat zij voor de rest van het jaar het quotum van elke producent van het vorige jaar als een theoretisch recht hebben beschouwd, dat zij iedere maand tijdens de bijeenkomsten verslag hebben uitgebracht over hun verkopen en ten slotte dat zij hebben onderzocht, of hun verkopen het hun toegewezen theoretisch quotum niet overschreden.
182 Dat de producenten hebben onderhandeld om tot de invoering van een quotastelsel te komen en dat zij tijdens die onderhandelingen hun "aspiraties" kenbaar maakten, blijkt uit verschillende bewijsstukken, zoals tabellen waarin voor elke producent de "actual" cijfers en de "targets" voor de jaren 1979 en 1980, alsmede de "aspiraties" voor 1981 worden gegeven (bijl. 59 en 61 a.b.); een in het Italiaans opgestelde tabel (bijl. 62 a.b.), waarin voor elke producent het quotum voor 1980, de voorstellen van andere producenten met betrekking tot het hem voor 1981 toe te wijzen quotum, en zijn eigen "ambities" voor dat jaar zijn aangegeven, alsmede een interne nota van ICI (bijl. 63 a.b.), waarin het verloop van de onderhandelingen wordt beschreven en waarin onder meer staat te lezen:
"Taking the various alternatives discussed at yesterday' s meeting we would prefer to limit the volume to be shared to no more than the market is expected to reach in 1981, say 1.35 million tonnes. Although there has been no further discussion with Shell, the four majors could set the lead by accepting a reduction in their 1980 target market share of about 0.35 % provided the more ambitious smaller producers such as Solvay, Saga, DSM, Chemie Linz, Anic/SIR also tempered their demands. Provided the majors are in agreement the anomalies could probably be best handled by individual discussions at Senior level, if possible before the meeting in Zurich."
("Van de verschillende op de bijeenkomst van gisteren besproken oplossingen zouden wij die oplossing verkiezen waarbij de te verdelen hoeveelheid wordt beperkt tot niet meer dan de markt naar verwachting in 1981 zal realiseren, namelijk 1,35 miljoen ton. Ook al zijn er geen verdere besprekingen gevoerd met Shell, de vier grote producenten zouden het voorbeeld kunnen geven door een verlaging van hun voor 1980 nagestreefde marktaandeel met ongeveer 0,35 % te aanvaarden, mits de meer ambitieuze, kleinere producenten zoals Solvay, Saga, DSM, Chemie Linz en Anic/SIR hun eisen ook zouden matigen. Indien de grote fabrikanten het eens zijn, kunnen afwijkingen vermoedelijk het best worden geregeld tijdens individuele besprekingen op het niveau van de 'bosses' , zo mogelijk vóór de bijeenkomst te Zuerich").
Dit document gaat vergezeld van een met cijfers onderbouwd compromisvoorstel waarin voor elke producent het behaalde resultaat wordt vergeleken met 1980 (" % of 1980 target").
183 Dat er tijdelijke maatregelen werden genomen, inhoudende dat in de maanden februari en maart 1981 de maandelijkse verkopen werden beperkt tot een twaalfde van 85 % van de voor het voorgaande jaar overeengekomen streefhoeveelheid, blijkt uit de notulen van de in januari 1981 gehouden bijeenkomsten, waarin staat te lezen:
"In the meantime ((februari-maart)) monthly volume would be restricted to 1/12 of 85 % of the 1980 target with a freeze on customers."
(("In de tussentijd (februari-maart) zou de maandelijkse hoeveelheid worden verminderd tot 1/12e van 85 % van de streefhoeveelheid voor 1980, met een klantenstop")).
184 Dat de producenten voor de rest van het jaar hetzelfde theoretische quotum werd toegewezen als het vorige jaar en dat zij, door een maandelijkse uitwisseling van hun verkoopcijfers, controleerden of de verkopen met dat quotum overeenstemden, blijkt uit drie documenten, in onderlinge samenhang bezien: in de eerste plaats een op 21 december 1981 gedateerde tabel (bijl. 67 a.b.), waarin voor elke producent de maandelijkse verkopen zijn aangegeven en waarvan de laatste drie kolommen - betreffende de maanden november en december en het jaartotaal - met de hand zijn toegevoegd; in de tweede plaats een niet-gedateerde en in het Italiaans opgestelde tabel met als kop "Scarti per società" ("afwijkingen per onderneming"), die bij ICI is aangetroffen (bijl. 65 a.b.) en waarin voor elke producent voor de periode van januari tot december 1981 de "actual" verkoopcijfers worden vergeleken met de "theoretic" ("theoretische") cijfers, en tot slot een bij ICI aangetroffen, niet-gedateerde tabel (bijl. 68 a.b.), waarin voor elke producent voor de periode van januari tot november 1981 de verkoopcijfers en de marktaandelen worden vergeleken met die van 1979 en 1980, door middel van een prognose voor het einde van het jaar.
185 De eerste tabel laat namelijk zien, dat de producenten hun maandelijkse verkoopcijfers hebben uitgewisseld. In samenhang met de vergelijkingen van die cijfers met de cijfers betreffende 1980 - in de twee andere tabellen, die betrekking hebben op dezelfde periode -, staaft een dergelijke uitwisseling van gegevens die een onafhankelijke ondernemer koste wat kost als "zakengeheimen" voor zich pleegt te houden, de in de beschikking getrokken conclusies.
186 Dat verzoekster bij die verschillende activiteiten betrokken is geweest, blijkt in de eerste plaats uit haar deelname aan de bijeenkomsten - inzonderheid die van januari 1981 - tijdens welke die handelingen plaatsvonden, en in de tweede plaats uit het feit, dat haar naam in de verschillende bovenvermelde stukken wordt genoemd. In die stukken komen overigens cijfers voor ten aanzien waarvan ICI in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht - waarnaar andere verzoeksters in hun antwoord verwijzen - heeft verklaard, dat zij niet hadden kunnen worden opgesteld op basis van de statistieken van het Fides-systeem.
187 Met betrekking tot het jaar 1982 wordt de producenten verweten, dat zij hebben deelgenomen aan onderhandelingen die erop gericht waren, voor dat jaar een quotaovereenkomst tot stand te brengen; dat zij in dat verband hun aspiraties qua hoeveelheden kenbaar hebben gemaakt; dat zij, aangezien geen definitief akkoord werd bereikt, gedurende de eerste helft van het jaar tijdens de bijeenkomsten hun maandelijkse verkoopcijfers hebben meegedeeld en deze hebben vergeleken met hun werkelijke procentuele marktaandeel in het voorgaande jaar, en tot slot dat zij in de tweede helft van het jaar ernaar hebben gestreefd hun maandelijkse verkopen te beperken tot hetzelfde percentage van de totale markt als zij in het eerste halfjaar voor hun rekening hadden genomen.
188 Dat de producenten onderhandelden om tot de invoering van een quotastelsel te komen en dat zij in dit kader hun aspiraties kenbaar maakten, blijkt uit een aantal documenten: in de eerste plaats een document met de titel "Scheme for discussions 'quota system 1982' " ("Schema voor discussies inzake een quotasysteem voor 1982") (bijl. 69 a.b.), waarin voor alle ondernemingen tot welke de beschikking is gericht, met uitzondering van Hercules, wordt vermeld op welke hoeveelheid zij recht meenden te hebben, en daarnaast voor sommige ondernemingen (alle behalve Anic, Linz, Petrofina, Shell en Solvay) wordt aangegeven, welke hoeveelheid huns inziens aan de andere producenten moest worden toegewezen; in de tweede plaats een nota van ICI, getiteld "Polypropylene 1982, Guidelines" ("Polypropyleen 1982, richtlijnen") (bijl. 70, sub a, a.b.), waarin ICI de lopende onderhandelingen analyseert; in de derde plaats een op 17 februari 1982 gedateerde tabel (bijl. 70, sub b, a.b.), die een vergelijking bevat van verschillende voorstellen voor een verdeling van de verkopen - waarvan er één, getiteld "ICI Orginal Scheme" ("Oorspronkelijk Schema ICI"), in een andere, met de hand geschreven tabel door Monte enigszins is aangepast in een kolom met de kop "Milliavacca 27/1/82" (de naam van een personeelslid van Monte) (bijl. 70, sub c, a.b.) -, en tot slot een in het Italiaans opgestelde tabel die een ingewikkeld voorstel (beschreven in punt 58, tweede alinea, in fine, van de beschikking) weergeeft.
189 Het bewijs van de voor het eerste halfjaar genomen maatregelen wordt geleverd door de notulen van de bijeenkomst van 13 mei 1982 (bijl. 24 a.b.), waarin onder meer staat te lezen:
"To support the move a number of other actions are needed a) limit sales volume to some agreed prop. of normal sales."
(("Ter ondersteuning is een aantal andere maatregelen noodzakelijk: a) een beperking van de verkoophoeveelheden tot een zeker overeengekomen percentage van de normale verkopen")).
Dat aan die maatregelen uitvoering is gegeven, blijkt uit de notulen van de bijeenkomst van 9 juni 1982 (bijl. 25 a.b.), waaraan een tabel is gehecht die voor elke producent het "actual" verkoopcijfer voor de maanden januari tot en met april 1982 aangeeft, vergeleken met een theoretisch cijfer "based on 1981 av(erage) market share" ("gebaseerd op het gemiddelde marktaandeel van 1981"), alsmede uit de notulen van de bijeenkomst van 20 en 21 juli 1982 (bijl. 26 a.b.), met betrekking tot de periode van januari tot mei 1982, en die van de bijeenkomst van 20 augustus 1982 (bijl. 28 a.b.), met betrekking tot de periode van januari tot juli 1982.
190 Het bewijs van de voor het tweede halfjaar genomen maatregelen is te vinden in de notulen van de bijeenkomst van 6 oktober 1982 (bijl. 31 a.b.), waarin staat te lezen: "In October this would also mean restraining sales to the Jan/June achieved market share of a market estimated at 100 kt" ("In oktober zou dit ook betekenen, dat de verkopen worden beperkt tot het in de periode van januari tot juni gerealiseerde marktaandeel op een op 100 kt geraamde markt"), alsmede "Performance against target in September was reviewed" ("Resultaten, afgezet tegen streefhoeveelheid voor september, werden onderzocht"). Aan deze notulen is een tabel gehecht met als titel: "September provisional sales versus target (based on Jan-June market share applied to demand est((imated)) at 120 kt)") (("Voorlopige verkopen september versus streefhoeveelheid (gebaseerd op marktaandeel januari-juni, toegepast op geraamde vraag van 120 kt)")). Dat die maatregelen werden gehandhaafd, wordt bevestigd door de notulen van de vergadering van 2 december 1982 (bijl. 33 a.b.), waaraan een tabel is gehecht waarin voor november 1982 de "Actual" ("werkelijke") verkopen werden vergeleken met de "Theoretical" ("theoretische") cijfers, berekend op basis van "J-June % of 125 kt" ("j-juni % van 125 kt").
191 Met betrekking tot 1981 en de twee semesters van 1982 heeft de Commissie uit het feit dat er tijdens regelmatig gehouden bijeenkomsten over en weer toezicht werd uitgeoefend op de uitvoering van een regeling waarbij de maandelijkse verkopen in vergelijking met een voorafgaande periode werden beperkt, terecht afgeleid, dat die regeling door de deelnemers aan de bijeenkomsten was vastgesteld.
192 Met betrekking tot 1983 blijkt uit de door de Commissie overgelegde stukken (bijl. 33 en 74 tot en met 87 a.b.), dat de polypropyleenproducenten eind 1982 en begin 1983 besprekingen voerden over een quotaregeling voor 1983, dat verzoekster aanwezig was bij de bijeenkomsten tijdens welke die besprekingen plaatsvonden, dat zij daarbij gegevens verstrekte over haar verkopen, dat in de bij de notulen van de bijeenkomst van 2 december 1982 gevoegde tabel 2 naast het tegenover verzoeksters naam vermelde quotum het woord "acceptable" ("aanvaardbaar") staat. Tot slot blijkt uit een interne nota van ICI, getiteld "DSM-proposal, 1983" ("DSM-voorstel, 1983") (bijl. 79 a.b.), dat verzoekster een - in ton uitgedrukt - voorstel heeft ingediend om de markt tussen de verschillende producenten te verdelen; dit voorstel is, omgerekend naar marktaandelen, overgenomen in de door ICI opgestelde samenvattende tabel (bijl. 85 a.b., blz. 2).
193 Hieruit volgt, dat verzoekster heeft deelgenomen aan de onderhandelingen die erop gericht waren, voor 1983 een quotaregeling tot stand te brengen.
194 Met betrekking tot de vraag, of die onderhandelingen voor de eerste twee kwartalen van 1983 daadwerkelijk resultaat hebben gehad, zoals in de beschikking (punten 63, derde alinea, en 64) wordt vermeld, zij opgemerkt dat uit de notulen van de bijeenkomst van 1 juni 1983 (bijl. 40 a.b.) blijkt, dat verzoekster, evenals negen andere ondernemingen, tijdens die bijeenkomst haar verkoopcijfers voor de maand mei heeft bekendgemaakt. Bovendien staat in de notulen van een op 17 maart 1983 gehouden interne bijeenkomst van de Shell-groep (bijl. 90 a.b.) te lezen:
"(...) and would lead to a market share of approaching 12 % and well above the agreed Shell target of 11 %. Accordingly the following reduced sales targets were set and agreed by the integrated companies."
(("(...) en zou leiden tot een marktaandeel van bijna 12 %, dat beduidend hoger zou zijn dan de voor Shell overeengekomen streefhoeveelheid van 11 %. Daarom werden door de werkmaatschappijen van de groep de volgende - lagere - verkoopdoelen vastgesteld en overeengekomen."))
De nieuwe hoeveelheden worden meegedeeld, waarna wordt opgemerkt:
"this would be 11.2 % of a market of 395 kt. The situation will be monitored carefully and any change from this agreed plan would need to be discussed beforehand with the other Pims members."
(("dit zou neerkomen op 11,2 % van een markt van 395 kt. De situatie zal nauwlettend in de gaten worden gehouden en iedere afwijking van het aldus overeengekomen schema zal eerst met de andere Pims-leden moeten worden besproken".))
195 Uit die twee documenten, in onderlinge samenhang bezien, heeft de Commissie terecht afgeleid, dat de onderhandelingen tussen de producenten tot de invoering van een quotaregeling hebben geleid. Uit de interne nota van de Shell-groep blijkt immers, dat deze onderneming haar nationale werkmaatschappijen verzocht, hun verkopen te reduceren, niet om de totale verkopen van de Shell-groep te verminderen, maar om het totale marktaandeel van de groep te beperken tot 11 %. Een dergelijke beperking, uitgedrukt in marktaandeel, is slechts verklaarbaar in het kader van een quotaregeling. Bovendien vormen de notulen van de bijeenkomst van 1 juni 1983 een extra aanwijzing voor het bestaan van een dergelijke regeling, aangezien een uitwisseling van gegevens betreffende de maandelijkse verkopen van de verschillende producenten primair ten doel heeft, de naleving van de aangegane verplichtingen te controleren.
196 Tot slot wordt opgemerkt, dat het cijfer van 11 % - het marktaandeel van Shell - niet alleen voorkomt in de interne nota van Shell, maar ook in twee andere documenten, te weten een interne nota van ICI, waarin deze opmerkt dat Shell dit percentage voorstelt voor haarzelf, voor Hoechst en voor ICI (bijl. 87 a.b.), en de door ICI opgestelde notulen van een op 29 november 1982 met Shell gehouden bijeenkomst, waarin dat voorstel in herinnering werd gebracht (bijl. 99 a.b.).
197 Het argument dat verzoekster ontleent aan de uitbreiding van haar marktaandeel, de fluctuaties van de marktaandelen van de andere producenten en de overschrijding van de beweerde quota, doet niets af aan haar betrokkenheid bij de vaststelling van kwantitatieve verkoopdoelen, zoals vastgesteld in de beschikking. In de beschikking wordt de producenten immers niet verweten, dat zij de hun toegewezen quota in acht hebben genomen, doch enkel, dat zij die quota zijn overeengekomen. Bovendien heeft de Commissie de vooruitgang van DSM, in termen van haar marktaandeel, in de beschikking zelf (punt 59, laatste alinea) uitdrukkelijk vermeld en daarmee dus rekening gehouden.
198 Daar komt nog bij, dat aangezien de verschillende maatregelen tot beperking van de verkochte hoeveelheden hetzelfde doel hadden - te weten een vermindering van de druk op de prijzen door het te grote aanbod -, de Commissie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij een onderdeel vormden van een quotaregeling.
199 Bovendien heeft de Commissie tot staving van bovenstaande feitelijke vaststellingen geen gebruik hoeven te maken van stukken die zij niet had genoemd in haar mededelingen van de punten van bezwaar dan wel niet aan verzoekster had overgelegd.
200 Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen, dat verzoekster een van de polypropyleenproducenten was die wilsovereenstemming hebben bereikt met betrekking tot de in de beschikking genoemde kwantitatieve verkoopdoelen voor de jaren 1979 en 1980 en de eerste helft van 1983, en de in de beschikking bedoelde beperking van hun maandelijkse verkopen ten opzichte van een eerdere periode voor de jaren 1981 en 1982, en dat deze maatregelen een onderdeel vormden van een quotaregeling.
2. De toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag
A - Juridische kwalificatie
a) Bestreden handeling
201 Volgens de beschikking (punt 81, eerste alinea) is het gehele complex van stelsels en regelingen, waartoe in de context van een systeem van regelmatige en geïnstitutionaliseerde bijeenkomsten werd besloten, één enkele voortgezette "overeenkomst" als bedoeld in artikel 85, lid 1.
202 In het onderhavige geval namen de producenten, door zich aan te sluiten bij een gemeenschappelijk plan om hun commerciële gedragingen op de polypropyleenmarkt te regelen, deel aan een kaderovereenkomst, die concreet gestalte kreeg in een aantal meer gedetailleerde deelovereenkomsten, die op gezette tijden werden uitgewerkt (punt 81, tweede alinea, van de beschikking).
203 Bij de concrete uitwerking van het algemene plan - aldus punt 82, eerste alinea, van de beschikking - werd op vele gebieden uitdrukkelijke overeenstemming bereikt (individuele prijsinitiatieven en quotaregelingen). In sommige gevallen mogen de producenten dan wel geen overeenstemming over een definitieve regeling hebben bereikt - zoals met betrekking tot de quota voor 1981 en 1982 -, maar het feit dat zij noodoplossingen toepasten - zoals de uitwisseling van informatie en de toetsing van de maandelijkse verkopen aan de in een vroegere referentieperiode behaalde resultaten -, houdt niet alleen een uitdrukkelijke overeenkomst in tot het opzetten en toepassen van dergelijke maatregelen, maar wijst ook op een stilzwijgende overeenkomst om de respectieve posities van de producenten zoveel mogelijk te handhaven.
204 Aan de conclusie dat hier sprake is van één voortgezette overeenkomst, wordt niet afgedaan door het feit, dat sommige producenten onvermijdelijk niet bij elke bijeenkomst aanwezig waren. Voor het opzetten en ten uitvoer leggen van een "initiatief" waren enige maanden nodig en het maakte voor de betrokkenheid van een producent dan ook weinig uit, dat hij af en toe een bijeenkomst niet bijwoonde (punt 83, eerste alinea, van de beschikking).
205 Volgens punt 86, eerste alinea, van de beschikking komt het functioneren van het kartel, dat gebaseerd is op een gemeenschappelijk en gedetailleerd plan, neer op een "overeenkomst" in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag.
206 Er is een onderscheid tussen het begrip "overeenkomst" en het begrip "onderling afgestemde feitelijke gedraging", maar in sommige gevallen kan de heimelijke verstandhouding aspecten van beide vormen van verboden samenwerking vertonen, aldus punt 86, tweede alinea, van de beschikking.
207 Onderling afgestemde feitelijke gedragingen houden een vorm van samenwerking tussen ondernemingen in waarmee, zonder dat het tot het sluiten van een overeenkomst in de volle betekenis van het woord is gekomen, doelbewust de aan mededinging verbonden risico' s worden ontlopen door een pragmatische samenwerking (punt 86, derde alinea, van de beschikking).
208 Volgens punt 87, eerste alinea, van de beschikking zat bij de invoering van het afzonderlijke begrip "onderling afgestemde feitelijke gedraging" in het Verdrag de bedoeling voor, de ondernemingen de mogelijkheid te ontnemen om de toepassing van artikel 85, lid 1, te ontgaan door in het geheim, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, op een de mededinging verstorende manier samen te werken door (bij voorbeeld) elkaar steeds vooraf in kennis te stellen van hun beleidsintenties, zodat ieder van hen zijn commercieel gedrag kan bepalen in de wetenschap dat zijn concurrenten zich op dezelfde manier zullen gedragen (arrest van het Hof van 14 juli 1972, zaak 48/69, ICI, Jurispr. 1972, blz. 619).
209 In zijn arrest van 16 december 1975 (gevoegde zaken 40/73 tot en met 48/73, 50/73, 54/73 tot en met 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Suiker Unie, Jurispr. 1975, blz. 1663) stelde het Hof, dat de begrippen van cooerdinatie en samenwerking welke in 's Hofs jurisprudentie worden aangenomen, allerminst inhouden dat er een werkelijk "plan" zou moeten zijn opgesteld en dienen te worden verstaan in het licht van de in de verdragsvoorschriften inzake de mededinging besloten voorstelling, dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren. Deze eis van zelfstandigheid sluit weliswaar niet uit dat de ondernemer gerechtigd is zijn beleid intelligent aan het vastgestelde of te verwachten marktgedrag der concurrenten aan te passen, doch staat anderzijds onverbiddelijk in de weg aan enigerlei tussen zulke ondernemers al dan niet rechtstreeks opgenomen contact strekkend hetzij tot beïnvloeding van het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent, hetzij tot beduiding aan zulk een concurrent van het aangenomen of voorgenomen marktgedrag (punt 87, tweede alinea, van de beschikking). Een gedraging kan derhalve als "onderling afgestemde feitelijke gedraging" onder de toepassing van artikel 85, lid 1, vallen, zelfs wanneer de partijen vooraf geen volledige overeenstemming hebben bereikt over een gemeenschappelijk plan waarin hun marktgedrag is vastgelegd, maar wel gebruik maken van of deelnemen aan op heimelijke verstandhouding berustende systemen die de cooerdinatie van hun commerciële gedragingen vergemakkelijken (punt 87, derde alinea, eerste volzin, van de beschikking).
210 Voorts - aldus punt 87, derde alinea, derde volzin, van de beschikking - is het in een complex kartel best mogelijk, dat sommige producenten op bepaalde ogenblikken hun uiteindelijke instemming met een bepaalde, door de anderen overeengekomen gedragslijn niet tot uiting brengen, maar niettemin hun algemene steun voor de betrokken regeling te kennen geven en zich daarnaar ook gedragen. In sommige opzichten kan de voortgezette samenwerking en heimelijke verstandhouding tussen de producenten bij de toepassing van de algemene overeenkomst dan ook de kenmerken van een onderling afgestemde feitelijke gedraging vertonen (punt 87, vierde alinea, tweede volzin, van de beschikking).
211 Volgens punt 87, vijfde alinea, van de beschikking ligt het belang van het begrip "onderling afgestemde feitelijke gedraging" dan ook niet zozeer in het onderscheid tussen een dergelijke gedraging en een "overeenkomst", als wel in het verschil tussen een heimelijke verstandhouding die onder artikel 85, lid 1, valt en louter gelijklopend gedrag waarmee geen overleg gemoeid is. In de onderhavige zaak hangt dan ook niets af van de precieze vorm die de op heimelijke verstandhouding berustende regelingen hebben aangenomen.
212 In punt 88, eerste en tweede alinea, van de beschikking wordt vastgesteld, dat de meeste producenten, die tijdens de administratieve procedure hebben betoogd, dat hun gedrag met betrekking tot de beweerde "prijsinitiatieven" niet was gebaseerd op een "overeenkomst" in de zin van artikel 85 (zie punt 82 van de beschikking), voorts stellen dat dit gedrag evenmin een aanleiding kan vormen voor het vaststellen van een onderling afgestemde feitelijke gedraging. Dat begrip veronderstelt volgens hen een "openlijke daad" op de markt, welke (naar hun zeggen) in het onderhavige geval geheel ontbreekt, aangezien geen prijslijsten of "richtprijzen" aan de afnemers werden medegedeeld. Dit argument wordt in de beschikking verworpen. Mocht het in het onderhavige geval namelijk noodzakelijk zijn geweest, te steunen op het bewijs van een onderling afgestemde feitelijke gedraging, dan was het vereiste dat bewezen moet zijn dat de deelnemers bepaalde stappen hebben gedaan om hun gemeenschappelijk doel te bereiken, geheel vervuld. De diverse prijsinitiatieven staan onomstotelijk vast. Voorts kan niet worden ontkend, dat de individuele producenten gelijklopende maatregelen namen om die initiatieven ten uitvoer te leggen. De zowel individueel als collectief door de producenten genomen maatregelen blijken duidelijk uit het schriftelijk bewijsmateriaal: notulen van bijeenkomsten, interne memoranda, instructies en circulaires aan de verkoopkantoren, alsmede brieven aan afnemers. Het doet volstrekt niet ter zake, of al dan niet prijslijsten werden "gepubliceerd". De prijsinstructies zelf leveren niet alleen het best mogelijke bewijs van de door iedere producent genomen maatregelen om het gemeenschappelijk streven ten uitvoer te leggen, maar maken door hun inhoud en het tijdstip waarop ze werden gegeven, het bewijs van de heimelijke verstandhouding nog overtuigender.
b) Argumenten van partijen
213 Volgens verzoekster was de Commissie niet gerechtigd, pas in haar verweerschrift het aan het Amerikaanse recht ontleende en in het EEG-Verdrag onbekende begrip "samenspanning" te introduceren. Overigens blijft het begrip "conspiracy" (samenspanning) zowel begripsmatig als bewijstechnisch onderworpen aan een zelfde tweedeling als die welke in het gemeenschapsrecht wordt gehanteerd. Derhalve mag de Commissie de begrippen "overeenkomst" en "onderling afgestemde feitelijke gedraging" niet in elkaar laten overvloeien ten einde de precisering van de toe te passen kwalificatie te vermijden.
214 Verzoekster beklemtoont, dat het verschil tussen "overeenkomst" en "onderling afgestemde feitelijke gedraging" niet enkel een kwestie van kwalificatie is, maar tevens een zeker praktisch belang heeft voor het bewijs. In geval van een overeenkomst zou immers in beginsel geen acht hoeven te worden geslagen op de concrete gevolgen. In geval van een onderling afgestemde feitelijke gedraging daarentegen moet zowel het bewijs worden geleverd van een bepaalde gedraging als van een verband tussen deze gedraging en een op voorhand opgesteld plan, opdat van het gemeenschappelijk opzet in concreto blijkt. In dit licht bezien, is het ontbreken van concrete gevolgen op de markt van de door de Commissie gestelde gedragingen en afspraken van bijzonder belang. De Commissie heeft volgens verzoekster echter niet gepreciseerd of zij doelde op een overeenkomst dan wel op een onderling afgestemde feitelijke gedraging, waardoor het de ondernemingen onmogelijk werd gemaakt, kennis te nemen van hetgeen hun in concreto werd verweten, en zich tegen dit verwijt te verweren.
215 Volgens verzoekster is er bij een overeenkomst sprake van een op wilsovereenstemming berustende binding tussen ondernemingen, ter regeling van hun marktgedrag. Voor het bewijs van dit begrip moet bewezen worden: de wil van partijen; het bestaan van overeenstemming hieromtrent; het aanvaarden van enige binding in dit verband en het tot uitdrukking komen van de overeenstemming in manifest marktgedrag. Bij een onderling afgestemde feitelijke gedraging moet er niet enkel sprake zijn van cooerdinatie, maar ook van manifest marktgedrag.
216 In casu is het belang van de kwalificatie en de definitie van de inbreuk gelegen in het feit, dat de Commissie niet heeft bewezen dat DSM aan een overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging heeft deelgenomen wanneer men ervan uitgaat, dat voor een onderling afgestemde feitelijke gedraging is vereist, dat er sprake is van een daadwerkelijk gecooerdineerd marktgedrag. Verzoekster acht de definitie van het begrip "onderling afgestemde feitelijke gedraging" dan ook van bijzonder belang, te meer omdat het de eerste keer zou zijn dat de gemeenschapsrechter zich over deze specifieke kwestie moet uitspreken. In de tot nog toe aan het Hof voorgelegde gevallen was het immers altijd zo, dat het marktgedrag als zodanig niet werd betwist en het enkel ging om de vraag, of op grond daarvan ook onderlinge afstemming kon worden aangenomen.
217 Volgens de Commissie daarentegen is de vraag of een heimelijke verstandhouding of een kartel juridisch als een overeenkomst of als een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 85 EEG-Verdrag moet worden aangemerkt, dan wel of die samenspanning elementen van beide begrippen in zich draagt, van ondergeschikt belang. De uitdrukkingen "overeenkomst" en "onderling afgestemde feitelijke gedraging" kunnen haars inziens namelijk de verschillende soorten regelingen omvatten waardoor concurrenten hun toekomstige gedragslijn op het stuk van de mededinging niet in volkomen zelfstandigheid bepalen, doch op basis van rechtstreekse of onrechtstreekse onderlinge contacten wederzijds beperkingen aanvaarden voor hun vrijheid van handelen op de markt. VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER : 689A0008.3
218 Met het gebruik van de verschillende termen in artikel 85 wordt volgens de Commissie beoogd, het gehele gamma van middelen tot samenspanning te verbieden, en niet, een verschillende behandeling voor elk van die middelen voor te schrijven. De vraag, waar de demarcatielijn moet worden getrokken tussen termen die ertoe strekken het hele terrein van verboden gedrag te omvatten, is daarom irrelevant. De ratio legis van het opnemen in artikel 85 van het begrip "onderling afgestemde feitelijke gedraging" bestaat hierin, dat men onder de verboden van deze bepaling behalve overeenkomsten ook vormen van samenspanning wil begrijpen, die, ofschoon er slechts sprake is van een de facto cooerdinatie of feitelijke samenwerking, niettemin de mededinging kunnen vervalsen (arrest van het Hof van 14 juli 1972, zaak 48/69, reeds aangehaald, r.o. 64 tot en met 66).
219 De Commissie betoogt, dat er blijkens de rechtspraak van het Hof (arrest van 16 december 1975, gevoegde zaken 40/73 tot en met 48/73, 50/73, 54/73 tot en met 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, reeds aangehaald, r.o. 173 en 174) geen sprake mag zijn van enigerlei tussen ondernemers al dan niet rechtstreeks opgenomen contact, strekkend hetzij tot beïnvloeding van het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent, hetzij tot beduiding aan zulk een concurrent van het aangenomen of voorgenomen marktgedrag. Er is dus reeds sprake van een onderling afgestemde feitelijke gedraging op het moment dat concurrenten, alvorens op enigerlei wijze op de markt op te treden, contact met elkaar opnemen.
220 Volgens de Commissie is er sprake van een onderling afgestemde feitelijke gedraging, zodra er onderlinge overeenstemming is die ertoe strekt de zelfstandigheid van de ondernemingen ten opzichte van elkaar te beperken, zelfs indien er geen feitelijk marktgedrag is geconstateerd. Het debat gaat in feite over de betekenis van het woord "feitelijke gedraging". De door verzoekster verdedigde stelling, dat dit woord de beperkte betekenis van "marktgedrag" heeft, acht de Commissie onjuist. Haars inziens kan reeds de enkele betrokkenheid bij bepaalde contacten als een "feitelijke gedraging" worden aangemerkt, zolang die contacten er maar toe strekken, de zelfstandigheid van de ondernemingen te beperken.
221 Aanvaarding van het door verzoekster verdedigde standpunt, dat er pas van een onderling afgestemde feitelijke gedraging kan worden gesproken indien aan beide elementen - onderlinge afstemming en marktgedrag - is voldaan, zou volgens de Commissie bovendien betekenen, dat een heel gamma van feitelijke gedragingen die ertoe strekken, maar niet noodzakelijkerwijs ten gevolge hebben, dat de mededinging op de gemeenschappelijke markt wordt vervalst, buiten de werkingssfeer van artikel 85 valt. Op die manier zou artikel 85 een deel van zijn betekenis verliezen. Verzoeksters opvatting strookt bovendien niet met de rechtspraak van het Hof met betrekking tot het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging (arresten van 14 juli 1972, zaak 48/69, reeds aangehaald, r.o. 66; 16 december 1975, gevoegde zaken 40/73 tot en met 48/73, 50/73, 54/73 tot en met 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, r.o. 26, en 14 juli 1981, zaak 172/80, Zuechner, Jurispr. 1981, blz. 2021, r.o. 14). In die rechtspraak wordt weliswaar telkens gesproken van een bepaald marktgedrag, maar dat gedrag is niet, zoals verzoekster beweert, een van de elementen waaruit de inbreuk is opgebouwd, doch een feitelijk gegeven waaruit de onderlinge afstemming kan worden afgeleid. Volgens die rechtspraak is er geen daadwerkelijk marktgedrag vereist. De enige eis die wordt gesteld, is dat er op enigerlei wijze contact is opgenomen tussen marktdeelnemers, waaruit blijkt dat zij hun noodzakelijke zelfstandigheid hebben prijsgegeven. Ook de Amerikaanse rechtspraak met betrekking tot de Sherman Act gaat in deze richting.
222 Volgens de Commissie is voor een inbreuk op artikel 85 dus niet nodig, dat de ondernemingen datgene waarover zij overeenstemming hebben bereikt, ook in de praktijk hebben gebracht. Aan de omschrijving van artikel 85, lid 1, is ten volle voldaan, zodra aan het voornemen om de risico' s van de concurrentie te vervangen door samenwerking, gestalte wordt gegeven door onderlinge afstemming. Het is niet vereist, dat die onderlinge afstemming wordt vertaald in een bepaald marktgedrag. Anders dan verzoekster stelt, is het dus zeer goed denkbaar, dat een onderling afgestemde feitelijke gedraging er weliswaar toe strekt de mededinging te beperken, doch niet een dergelijke beperking ten gevolge heeft.
223 Voor de bewijsvoering betekent dit, dat overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen kunnen worden bewezen met behulp van zowel directe als indirecte bewijzen. In casu behoefde de Commissie niet haar toevlucht te nemen tot indirecte bewijzen, zoals parallel marktgedrag, aangezien zij beschikte over directe bewijzen van de samenspanning, zoals met name de notulen van bijeenkomsten.
224 Concluderend stelt de Commissie, dat zij gerechtigd was de inbreuk in casu primair als overeenkomst en subsidiair, voor zover nodig, als onderling afgestemde feitelijke gedraging te kwalificeren.
c) Beoordeling van het Gerecht
225 Vastgesteld moet worden, dat de Commissie, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster verklaart, elk van de tegen verzoekster in aanmerking genomen feiten hetzij als een overeenkomst, hetzij als een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag heeft gekwalificeerd. Uit de punten 80, tweede alinea, 81, tweede alinea, en 82, eerste alinea, van de beschikking, in onderlinge samenhang bezien, blijkt namelijk, dat de Commissie elk van die verschillende feiten primair als een "overeenkomst" heeft gekwalificeerd.
226 Zo ook blijkt uit de punten 86, tweede en derde alinea, 87, derde alinea, en 88 van de beschikking, in onderlinge samenhang bezien, dat de Commissie bepaalde bestanddelen van de inbreuk subsidiair als een "onderling afgestemde feitelijke gedraging" heeft gekwalificeerd, namelijk wanneer op grond daarvan niet kon worden geconcludeerd dat de partijen vooraf volledige overeenstemming hadden bereikt over een gemeenschappelijk plan waarin hun marktgedrag was vastgelegd, doch wel gebruik hadden gemaakt van of hadden deelgenomen aan op heimelijke verstandhouding berustende systemen die de cooerdinatie van hun commerciële gedragingen vergemakkelijkten, dan wel wanneer op grond daarvan, gelet op het complexe karakter van het kartel, van sommige producenten, die weliswaar hun algemene steun voor een bepaalde regeling te kennen hadden gegeven en zich daarnaar ook hadden gedragen, niet kon worden vastgesteld dat zij tevoren uitdrukkelijk met die regeling hadden ingestemd. De beschikking verbindt hieraan de conclusie dat in sommige opzichten de voortgezette samenwerking en heimelijke verstandhouding tussen de producenten bij de toepassing van de algemene overeenkomst de kenmerken van een onderling afgestemde feitelijke gedraging kan vertonen.
227 Waar blijkens de rechtspraak van het Hof het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag reeds kan worden aangenomen indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen (zie de arresten van 15 juli 1970, zaak 41/69, ACF Chemiefarma, Jurispr. 1970, blz. 661, r.o. 112, en 29 oktober 1980, gevoegde zaken 209/78 tot en met 215/78 en 218/78, Van Landewyck, Jurispr. 1980, blz. 3125, r.o. 86), mocht de Commissie de door haar rechtens genoegzaam bewezen wilsovereenstemming tussen verzoekster en andere polypropyleenproducenten met betrekking tot prijsinitiatieven, maatregelen die de toepassing van de prijsinitiatieven moesten vergemakkelijken, kwantitatieve verkoopdoelen voor 1979, 1980 en de eerste helft van 1983, alsmede maatregelen om de maandelijkse verkopen ten opzichte van een eerdere periode te beperken voor de jaren 1981 en 1982, als een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag kwalificeren.
228 Bovendien mocht de Commissie, waar zij rechtens genoegzaam heeft bewezen dat de gevolgen van de prijsinitiatieven zich tot in november 1983 deden gevoelen, zich op het standpunt stellen, dat de inbreuk in elk geval tot november 1983 heeft voortgeduurd. Volgens de rechtspraak van het Hof is artikel 85 namelijk ook van toepassing op overeenkomsten die niet meer van kracht zijn, doch na hun formele beëindiging effect blijven sorteren (arrest van 3 juli 1985, zaak 243/83, Binon, Jurispr. 1985, blz. 2015, r.o. 17).
229 Voor de definitie van het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging zij verwezen naar de rechtspraak van het Hof, waaruit blijkt dat de eerder door het Hof gestelde criteria van cooerdinatie en samenwerking moeten worden verstaan in het licht van de in de voorschriften van het EEG-Verdrag inzake de mededinging besloten voorstelling, dat elke ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren. Deze eis van zelfstandigheid sluit weliswaar niet uit, dat de ondernemer gerechtigd is zijn beleid intelligent aan het vastgestelde of te verwachten marktgedrag van zijn concurrenten aan te passen, doch zij staat onverbiddelijk in de weg aan enigerlei tussen zulke ondernemers al dan niet rechtstreeks opgenomen contact strekkend hetzij tot beïnvloeding van het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent, hetzij tot beduiding aan zulk een concurrent van het aangenomen of voorgenomen marktgedrag (arrest van 16 december 1975, gevoegde zaken 40/73 tot en met 48/73, 50/73, 54/73 tot en met 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, reeds aangehaald, r.o. 173 en 174).
230 In casu heeft verzoekster deelgenomen aan bijeenkomsten die ertoe strekten, richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen. Tijdens die bijeenkomsten wisselden concurrenten informatie uit over de prijzen die zij op de markt toegepast wensten te zien, de prijzen die zij voornemens waren zelf toe te passen, hun rentabiliteitsdrempel, de door hen noodzakelijke geachte beperkingen van de verkoophoeveelheden, hun verkoopcijfers of de identiteit van hun afnemers. Door die bijeenkomsten bij te wonen heeft verzoekster met haar concurrenten deelgenomen aan een onderlinge afstemming, strekkende tot beïnvloeding van elkaars marktgedrag en tot beduiding aan elkaar van het voorgenomen marktgedrag.
231 Verzoekster streefde er dus niet alleen naar, de onzekerheid over het toekomstig gedrag van haar concurrenten bij voorbaat uit te sluiten; bij de bepaling van haar marktbeleid moest zij noodzakelijkerwijs ook - al dan niet rechtstreeks - rekening houden met de tijdens de bijeenkomsten verkregen informatie. Op hun beurt moesten haar concurrenten bij de bepaling van hun marktbeleid - al dan niet rechtstreeks - rekening houden met de informatie die zij hun had verstrekt met betrekking tot haar aangenomen of voorgenomen marktgedrag.
232 Bijgevolg mocht de Commissie de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten, die verzoekster vanaf een tijdstip tussen 1977 en 1979 tot en met september 1983 bijwoonde, op grond van het ermee nagestreefde doel subsidiair als onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag kwalificeren.
233 Met betrekking tot de vraag, of de Commissie mocht concluderen dat er sprake was van één enkele inbreuk, in artikel 1 van de beschikking gekwalificeerd als "een (...) overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen", zij eraan herinnerd, dat de verschillende waargenomen onderling afgestemde feitelijke gedragingen en de verschillende gesloten overeenkomsten, waar zij alle hetzelfde doel hadden, stelsels vormden van regelmatige bijeenkomsten en van vaststellingen van richtprijzen en quota.
234 Alle in het verband van deze stelsels door de betrokken ondernemingen ondernomen stappen waren gericht op één economisch doel: het verstoren van de normale ontwikkeling van de prijzen op de polypropyleenmarkt. Het zou derhalve kunstmatig zijn, deze voortgezette gedraging, die wordt gekenmerkt door één enkel doel, op te splitsen in verschillende gedragingen en als even zovele inbreuken te beschouwen. Verzoekster is immers jarenlang betrokken geweest bij een geïntegreerd complex van stelsels, die één enkele inbreuk uitmaken, waaraan geleidelijk gestalte is gegeven door zowel verboden overeenkomsten als verboden onderling afgestemde feitelijke gedragingen.
235 De Commissie was bovendien gerechtigd, die inbreuk te kwalificeren als "een (...) overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen", aangezien sommige bestanddelen van de inbreuk als "overeenkomst" moesten worden gekwalificeerd en andere als "onderling afgestemde feitelijke gedraging". Gezien het complexe karakter van de inbreuk moet de dubbele kwalificatie in artikel 1 van de beschikking van de Commissie niet worden opgevat als een kwalificatie ten aanzien waarvan gelijktijdig en cumulatief moet worden bewezen dat elk van deze feitelijke bestanddelen zowel de karakteristieken van een overeenkomst als van een onderling afgestemde gedraging vertoont, doch als een kwalificatie die een complex geheel van feitelijke bestanddelen aanduidt, waarvan sommige zijn aangemerkt als overeenkomst en andere als onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, dat voor dit type van complexe inbreuk niet in een specifieke kwalificatie voorziet.
236 Mitsdien moet verzoeksters middel worden afgewezen.
B - Mededingingsbeperkend gevolg
a) Bestreden handeling
237 Gezien het klaarblijkelijk met de mededinging strijdige doel van de overeenkomst - aldus punt 90, eerste alinea, van de beschikking - is het voor de toepassing van artikel 85, lid 1, niet absoluut noodzakelijk, aan te tonen dat zich ook nadelige gevolgen voor de mededinging hebben voorgedaan. In casu wijst echter alles erop, dat de overeenkomst wel degelijk een aanmerkelijke invloed op de mededingingsvoorwaarden heeft uitgeoefend (punt 90, tweede alinea).
b) Argumenten van partijen
238 Verzoekster merkt op, dat voor een inbreuk op het Verdrag is vereist, dat het gedrag van de ondernemingen de mededinging beperkt en dus effect heeft op de markt. Derhalve had de Commissie de markt en de mededingingsstructuur aan een economische analyse moeten onderwerpen, hetgeen zij in casu niet heeft gedaan. Om zich aan deze verplichting te onttrekken, stelt de Commissie, dat ook intenties of pogingen om de gewraakte gedragingen te verrichten reeds onder de regels van het Verdrag vallen. Hiermee introduceert zij een vorm van "Gesinnungsstrafrecht", die het gemeenschapsrecht vreemd is en bovendien in het geheel niet aansluit bij de in artikel 1 van de beschikking gestelde inbreuken.
239 De Commissie brengt hiertegen in, dat aangezien hoe dan ook is aangetoond, dat de gewraakte overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen ten doel hadden de mededinging te beperken, niet ook behoeft te worden bewezen, dat zij een beperking van de mededinging ten gevolge hadden. Voor het overige verwijst zij naar de tekst van de beschikking.
c) Beoordeling van het Gerecht
240 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster met haar betoog wil aantonen, dat haar deelname aan de geregeld gehouden bijeenkomsten van polypropyleenproducenten niet onder de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag viel, aangezien uit haar concurrerende marktgedrag zou blijken dat die deelname noch ertoe strekte, noch ten gevolge had dat de mededinging werd beperkt.
241 Volgens artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden alle overeenkomsten tussen ondernemingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, met name die welke bestaan in het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden, en in het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen.
242 Er zij aan herinnerd, dat uit de beoordeling van de door de Commissie vastgestelde feiten blijkt, dat de door verzoekster en haar concurrenten bijgewoonde periodieke bijeenkomsten ten doel hadden, de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te beperken, met name door de vaststelling van richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen, en dat bijgevolg verzoeksters deelname aan die bijeenkomsten wel degelijk ertoe strekte dat de mededinging werd beperkt, in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag.
243 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
C - Ongunstige beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten
a) Bestreden handeling
244 Volgens punt 93, eerste alinea, van de beschikking kon de overeenkomst tussen de producenten de handel tussen de Lid-Staten merkbaar beïnvloeden.
245 In het onderhavige geval moest - aldus punt 93, derde alinea, van de beschikking - op grond van het alomtegenwoordige karakter van de door heimelijke verstandhouding getroffen overeenkomst, die de handel in een belangrijk industrieel produkt in de gehele Gemeenschap (en in andere Westeuropese landen) zo goed als volledig bestreek, de handel noodzakelijkerwijs via andere kanalen verlopen dan het geval zou zijn geweest indien een dergelijke overeenkomst had ontbroken. Volgens punt 93, vierde alinea, van de beschikking wordt aan de structuur van de mededinging in de Gemeenschap afbreuk gedaan wanneer bij overeenkomst prijzen op een kunstmatig niveau worden vastgesteld in plaats van het aan de markt over te laten zijn eigen evenwicht te vinden. De ondernemingen werden bevrijd van de dringende noodzaak, te reageren op de krachten van de markt en een oplossing te vinden voor het vraagstuk van de overcapaciteit die door hen was vastgesteld.
246 In punt 94 van de beschikking wordt verklaard, dat ofschoon het bij de vaststelling van de richtprijzen voor elke Lid-Staat - waarover in nationale bijeenkomsten uitvoerig werd gediscussieerd - nodig was enigszins rekening te houden met de omstandigheden ter plaatse, deze vaststelling een verstorende invloed moet hebben gehad op het handelspatroon en het effect dat produktiviteitsverschillen tussen de producenten op het prijsverschil hebben. Het systeem van de "account leadership" versterkte nog het effect van de prijsregelingen, omdat afnemers naar bepaalde met name genoemde producenten werden gedirigeerd. De Commissie erkent, dat de producenten bij de vaststelling van quota of streefhoeveelheden het aandeel niet per Lid-Staat of per regio specificeerden. Alleen al het bestaan van een quotum of streefhoeveelheid zal echter ertoe leiden dat de kansen worden beperkt die voor een producent openstaan.
b) Argumenten van partijen
247 Verzoekster merkt op, dat voor een inbreuk op het EEG-Verdrag is vereist, dat het gedrag van de ondernemingen al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel de handelsstromen tussen Lid-Staten beïnvloedt. De Commissie heeft nagelaten, de markt en de mededingingsstructuur aan een economische analyse te onderwerpen om aan te tonen dat aan die voorwaarde is voldaan.
248 De Commissie brengt hiertegen in, dat zij mocht concluderen dat de interstatelijke handel en de mededingingsstructuur ongunstig werden beïnvloed, aangezien het kartel de handelsstromen noodzakelijkerwijs had doen afwijken van het verloop dat zij anders zouden hebben gehad (arrest van het Hof van 29 oktober 1980, gevoegde zaken 209/78 tot en met 215/78 en 218/78, reeds aangehaald, r.o. 172).
c) Beoordeling van het Gerecht
249 In tegenstelling tot hetgeen verzoekster stelt, was de Commissie niet gehouden, door een economische analyse van de markt en van de mededingingsstructuur aan te tonen, dat het feitelijk gedrag van de polypropyleenproducenten het handelsverkeer tussen Lid-Staten merkbaar had beïnvloed. Artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag eist immers alleen, dat de concurrentiebeperkende overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden. In dit verband moet worden vastgesteld, dat de geconstateerde concurrentiebeperkingen de handelsstromen konden doen afwijken van het verloop dat zij anders zouden hebben gehad (zie het arrest van het Hof van 29 oktober 1980, gevoegde zaken 209/78 tot en met 215 en 218/78, reeds aangehaald, r.o. 172).
250 Hieruit volgt, dat de Commissie in de punten 93 en 94 van haar beschikking rechtens genoegzaam heeft aangetoond, dat de inbreuk waaraan verzoekster heeft deelgenomen, het handelsverkeer tussen Lid-Staten ongunstig kon beïnvloeden.
251 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
3. Conclusie
252 Uit een en ander volgt, dat alle middelen van verzoekster betreffende de door de Commissie in de bestreden handeling vastgestelde feiten en de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag moeten worden afgewezen.
De motivering
253 Verzoekster merkt op, dat zij de Commissie een groot aantal stukken en argumenten had verschaft die op de door de Commissie gestelde feiten een ander licht wierpen en voor die feiten een verklaring konden bieden die voor de in de beschikking gegeven verklaring in de plaats kon treden (zie het arrest van het Hof van 28 maart 1984, gevoegde zaken 29/83 en 30/83, CRAM en Rheinzink, Jurispr. 1984, blz. 1679, r.o. 16). De Commissie had volgens verzoekster op al die elementen moeten ingaan, omdat anders de beschikking onvoldoende gemotiveerd was of de bewijslast werd omgekeerd. Ten aanzien van dit laatste punt merkt verzoekster bovendien op, dat er geen enkel rechtstreeks bewijs bestaat voor de betrokkenheid van DSM bij de door de Commissie verweten gedragingen.
254 Volgens verzoekster bestaat de beschikking hoofdzakelijk uit algemene beschouwingen en stellingen, zonder dat de argumenten van de ondernemingen nauwkeurig worden geanalyseerd of worden weerlegd, of een volledig consistent betoog wordt opgebouwd. Dit geldt met name voor de individuele argumenten van verzoekster, zoals die betreffende de prijsinitiatieven, de maatregelen die de toepassing van de prijsinitiatieven moesten vergemakkelijken en het parallellisme van de prijsinstructies. Met deze algemene voorstelling van zaken wil de Commissie het gebrek aan geldigheid en de intrinsieke tegenstrijdigheid van haar feitelijke vaststellingen, vermoedens en redeneringen maskeren.
255 De Commissie brengt hiertegen in, dat noch artikel 190 EEG-Verdrag, noch enig beginsel van procesrecht haar verplicht, in een collectieve beschikking aanvullende feiten en argumenten met betrekking tot een bepaalde verzoekster te verwerken, op grond dat deze haar eigen visie ten aanzien van haar marktgedrag in de plaats zou hebben gesteld van die in de mededeling van de punten van bezwaar. De Commissie moet in haar beschikking duidelijk aangeven, op welke feitelijke en juridische gegevens de vaststelling van de inbreuk berust. Zij moet tevens aangeven, welke overwegingen haar tot het nemen van haar beschikking hebben geleid. De Commissie is van mening, dat zij in casu aan die verplichtingen heeft voldaan. Daarentegen behoefde zij in haar beschikking niet in te gaan op alle door verzoekster aangevoerde argumenten en overgelegde stukken (arrest van het Hof van 10 december 1985, gevoegde zaken 240/82 tot en met 242/82, 261/82, 262/82, 268/82 en 269/82, Stichting Sigarettenindustrie, Jurispr. 1985, blz. 3831).
256 Verder ontkent de Commissie de bewijslast te hebben omgekeerd. Zij heeft de beschikking juist op een overstelpende hoeveelheid bewijsmateriaal gebaseerd.
257 Het Gerecht merkt op dat volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie onder meer de arresten van 29 oktober 1980, gevoegde zaken 209/78 tot en met 215/78 en 218/78, reeds aangehaald, r.o. 66, en 10 december 1985, gevoegde zaken 240/82 tot en met 242/82, 261/82, 262/82, 268/82 en 269/82, reeds aangehaald, r.o. 88) de Commissie krachtens artikel 190 EEG-Verdrag weliswaar gehouden is, haar beschikkingen met redenen te omkleden met vermelding van de feitelijke en juridische gegevens waarvan de wettigheid van de maatregel afhangt en van de overwegingen die haar tot het nemen van haar beschikking hebben geleid, doch dat niet vereist is dat zij ingaat op alle feitelijke en rechtspunten die door elke betrokkene tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen. Dit betekent, dat de Commissie niet behoeft in te gaan op de punten die haar volstrekt irrelevant lijken.
258 In dit verband zij erop gewezen, dat uit de overwegingen van het Gerecht met betrekking tot de vaststelling van verzoeksters inbreuk blijkt, dat de door haar aangevoerde argumenten en overgelegde stukken geen ander licht werpen op de door de Commissie vastgestelde feiten. Dit geldt in het bijzonder voor de stukken en argumenten die betrekking hebben op de prijsinitiatieven, de maatregelen die de toepassing van de prijsinitiatieven moesten vergemakkelijken en het parallellisme van de prijsinstructies.
259 Hieruit volgt in de eerste plaats, dat de beschikking genoegzaam is gemotiveerd om het bestaan van de aan verzoekster verweten inbreuk te staven, en in de tweede plaats, dat de Commissie, nu zij de feiten op basis waarvan zij die inbreuk heeft vastgesteld, rechtens genoegzaam heeft bewezen, de bewijslast niet ten nadele van verzoekster heeft omgekeerd. Bovendien is het Gerecht niet gebleken van enige innerlijke tegenstrijdigheid in deze vastgestelde feiten.
260 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
De geldboete
261 Volgens verzoekster is de beschikking in strijd met artikel 15 van verordening nr. 17, aangezien daarin de duur en de zwaarte van de haar verweten inbreuk onjuist zijn beoordeeld.
1. De duur van de inbreuk
262 Verzoekster herhaalt nog eens, dat het aanvangstijdstip van haar betrokkenheid bij de gestelde inbreuk niet vóór 1 januari 1981 kan liggen en dat de Commissie derhalve ten onrechte heeft gesteld, dat dat tijdstip ergens tussen 1977 en 1979 lag. Bovendien, zo stelt zij, moeten de verschillende gedragingen die haar in artikel 1 van de beschikking worden verweten, als afzonderlijke inbreuken worden beschouwd. Derhalve had de Commissie van elke door haar aangenomen specifieke inbreuk de duur moeten vaststellen.
263 De Commissie is van mening, dat zij terecht heeft gesteld, dat verzoekster vanaf een tijdstip tussen 1977 en 1979 aan de inbreuk heeft deelgenomen. Zij heeft er echter rekening mee gehouden, dat de zwaarder wegende aspecten van de inbreuk zich pas vanaf eind 1978/begin 1979 manifesteerden.
264 Bovendien, zo vervolgt de Commissie, moeten de aan de ondernemingen ten laste gelegde gedragingen niet als afzonderlijke inbreuken worden beschouwd, aangezien het hele complex van stelsels en regelingen, waartoe in de context van een systeem van regelmatige en geïnstitutionaliseerde bijeenkomsten werd besloten, moet worden aangemerkt als één voortgezette inbreuk op de mededingingsregels.
265 Het Gerecht herinnert eraan, dat het heeft vastgesteld dat de Commissie de periode gedurende welke verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan schending van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, juist heeft beoordeeld en dat zij er met recht van uit is gegaan, dat er sprake was van één enkele inbreuk.
266 Bijgevolg moet dit middel worden afgewezen.
2. De zwaarte van de inbreuk
A - Het feit dat er sprake was van één enkele inbreuk en de beperkte rol van verzoekster
267 Verzoekster betwist de door de Commissie gegeven omschrijving van de inbreuk, volgens welke deze zou worden gekenmerkt door een complex van stelsels en regelingen, waartoe in de context van regelmatige en geïnstitutionaliseerde bijeenkomsten werd besloten. Deze globale benadering van de Commissie, die weigert alle aan de ondernemingen verweten inbreuken apart te individualiseren, is onverenigbaar met de systematiek van het EEG-Verdrag, de rechtspraak van het Hof (arresten van 8 november 1983, gevoegde zaken 96/82 tot en met 102/82, 104/82, 105/82, 108/82 en 110/82, IAZ, Jurispr. 1983, blz. 3369, en 10 december 1985, gevoegde zaken 240/82 tot en met 242/82, 261/82, 262/82, 268/82 en 269/82, reeds aangehaald), de door de Commissie in haar eerdere beschikkingen gevolgde praktijk en het dispositief van de bestreden handeling.
268 Met betrekking tot de verdragssystematiek preciseert verzoekster, dat in artikel 85, lid 1, sub a tot en met e, een aantal voorbeelden van inbreuken op deze bepaling wordt gegeven om aan te tonen, dat de ene inbreuk de andere nog niet is.
269 Uit de door de Commissie in eerdere beschikkingen gevolgde praktijk blijkt haars inziens, dat het mogelijk is dat in een zelfde zaak voor bepaalde inbreuken wél en voor andere inbreuken niet een geldboete wordt opgelegd.
270 Wat het dispositief van de beschikking betreft, merkt verzoekster op, dat in de punten a tot en met e een aantal verschillende delicten worden genoemd, die elkaar niet overlappen. De Commissie zelf is dus van mening, dat er sprake is van verschillende inbreuken. Wat de boetetoemeting betreft, zou aanvaarding van de opvatting van de Commissie, te weten één boete voor een complex van feiten en gedragingen, betekenen, dat een discussie hieromtrent bij voorbaat zinloos is. Het complex blijft immers in stand, ook indien blijkt dat het gedeeltelijk niet bewezen is of het niet strafbaar blijkt, waardoor elke vermindering van de boete is uitgesloten.
271 Verder beklemtoont verzoekster de beperkte rol die zij heeft gespeeld, doordat zij pas in een vrij laat stadium op regelmatige wijze aan de bijeenkomsten is gaan deelnemen. Haar houding tijdens de bijeenkomsten was in het algemeen vrij passief geweest en haar marktgedrag had zich altijd gekenmerkt door volledige onafhankelijkheid. Uit de beschikking blijkt echter nergens, dat met die positieve factoren rekening is gehouden.
272 De Commissie brengt hiertegen in, dat zij in artikel 1 van de beschikking zorgvuldig heeft aangegeven uit welke elementen de aan verzoekster verweten inbreuk is opgebouwd. Ter rechtvaardiging van de hoogte van de boete was zij echter niet gehouden, de zwaarte van al die met elkaar samenhangende elementen afzonderlijk te onderzoeken, ook al volgt uit de rechtspraak van het Hof en uit haar eerdere beschikkingen, dat de aard van de inbreuk één van de factoren is die bij de vaststelling van de geldboeten in aanmerking moeten worden genomen.
273 Verzoekster doet het voorkomen alsof deze zaak betrekking heeft op een serie individuele en onafhankelijke gedragingen, die niet of nauwelijks, of slechts bij toeval, iets met elkaar te maken hadden. Het bewijsmateriaal laat zien, dat de gedragingen van elke onderneming facetten waren van een groter geheel en met elkaar verbonden waren door een raamwerk van periodieke bijeenkomsten. Het gaat erom, of DSM deel uitmaakte van het kartel, en niet, of zij af en toe een bijeenkomst niet bijwoonde of bij tijd en wijle afweek van hetgeen op een bijeenkomst was overeengekomen.
274 Verder beklemtoont de Commissie het bijzonder ernstige karakter van de aan verzoekster verweten inbreuk.
275 Het Gerecht merkt op dat wat de vaststelling van de geldboeten betreft, het feit dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond, dat er sprake was van één enkele inbreuk, nog niet betekent, dat het criterium van de door verzoekster bij de inbreuk spelende rol, niet meer van belang is. Indien immers was vastgesteld, dat verzoekster bij een bepaald aspect van die inbreuk niet betrokken was geweest, zou die inbreuk minder zwaar zijn uitgevallen, hetgeen tot een verlaging van de geldboete had moeten leiden.
276 Uit de overwegingen van het Gerecht met betrekking tot de vaststelling van de inbreuk blijkt evenwel, dat de Commissie op juiste wijze heeft vastgesteld welke rol verzoekster - in de periode waarin zij bij de inbreuk betrokken was - in het geheel heeft gespeeld, en dat zij bij de berekening van de aan verzoekster op te leggen boete dus terecht van die rol is uitgegaan.
277 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
B - Het niet-individualiseren van de criteria voor de vaststelling van de geldboeten
278 Verzoekster betoogt, dat de haar opgelegde boete, zowel op zichzelf beschouwd als vergeleken met de aan de andere ondernemingen opgelegde boeten, oncontroleerbaar is vastgesteld. Ondanks herhaalde verzoeken aan de Commissie om inzicht te verschaffen in de boetesleutel, heeft deze haar keuzen niet gemotiveerd. Daardoor kan niet worden bepaald, welk gewicht elk der verschillende factoren bij de vaststelling van het boetebedrag heeft gekregen, en is niet te achterhalen, of en in hoeverre de Commissie rekening heeft gehouden met bijzondere omstandigheden.
279 Met name heeft de Commissie volgens verzoekster bij de vaststelling van de hoogte van de haar opgelegde boete de door verzoekster met betrekking tot haar individuele betrokkenheid aangevoerde argumenten buiten beschouwing gelaten.
280 Volgens de Commissie zijn de geldboeten in de beschikking uitvoerig en genoegzaam gemotiveerd. Bij het opleggen van de geldboeten in de onderhavige zaak heeft de Commissie gehandeld in overeenstemming met haar vaste beleid en met de ter zake door het Hof vastgestelde beginselen. De Commissie beklemtoont, dat sedert 1979 haar beleid de vorm heeft gekregen, dat inbreuken op de mededingingsregels zwaarder worden bestraft, in het bijzonder wanneer het gaat om categorieën van inbreuken die duidelijk onder de toepassing van de mededingingsvoorschriften vallen, of inbreuken die - zoals in casu - bijzonder ernstig worden geacht. Dat beleid is er met name op gericht, de preventieve werking van geldboeten te versterken. In zijn arrest van 7 juni 1983 (gevoegde zaken 100/80 tot en met 103/80, Pioneer, Jurispr. 1983, blz. 1825, r.o. 106 en 109) heeft het Hof zijn goedkeuring verleend aan dat beleid. Ook heeft het herhaaldelijk erkend, dat met de vaststelling van de geldboeten een complex samenstel van factoren gemoeid is (arresten van 7 juni 1983, gevoegde zaken 100/80 tot en met 103/80, reeds aangehaald, r.o. 120, en 8 november 1983, gevoegde zaken 96/82 tot en met 102/82, 104/82, 105/82, 108/82 en 110/82, reeds aangehaald, r.o. 52).
281 De Commissie is bij uitstek in staat om deze factoren te beoordelen en ten aanzien van deze beoordeling kan alleen worden ingegrepen indien zij hierbij een wezenlijke feitelijke of juridische vergissing heeft begaan. Bovendien heeft het Hof bevestigd, dat het oordeel van de Commissie over de door haar noodzakelijk geachte geldboeten van zaak tot zaak kan variëren, zelfs indien zich in de betrokken zaken soortgelijke situaties voordoen (arresten van het Hof van 12 juli 1979, gevoegde zaken 32/78, 36/78 tot en met 82/78, BMW Belgium, Jurispr. 1979, blz. 2435, r.o. 53, en 9 november 1983, zaak 322/81, Michelin, Jurispr. 1983, blz. 3461, r.o. 111, e.v.).
282 Het Gerecht constateert, dat de Commissie voor de bepaling van het aan verzoekster opgelegde boetebedrag in de eerste plaats criteria heeft vastgesteld ter bepaling van het algemene niveau van de geldboeten die moesten worden opgelegd aan de ondernemingen tot wie de beschikking was gericht (punt 108 van de beschikking), en in de tweede plaats criteria voor een billijke afweging van de aan elk van deze ondernemingen op te leggen boete (punt 109 van de beschikking).
283 Het algemene niveau van de aan de betrokken ondernemingen opgelegde geldboeten wordt door de in punt 108 van de beschikking genoemde criteria meer dan voldoende gerechtvaardigd. In dit verband is inzonderheid van belang, dat er sprake was van een zeer duidelijke inbreuk op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag - inzonderheid de letters a, b en c daarvan - en dat de polypropyleenproducenten, die opzettelijk en in het grootste geheim handelden, zich hiervan welbewust waren.
284 Ook zijn de vier in punt 109 van de beschikking genoemde criteria relevant en toereikend voor een billijke afweging van de aan elk van de ondernemingen op te leggen boete.
285 Met betrekking tot de eerste twee criteria die in punt 109 van de beschikking worden genoemd, te weten de rol die elk van de ondernemingen bij de geheime regelingen speelde en de tijd gedurende welke zij aan de inbreuk deelnamen, zij eraan herinnerd, dat aangezien de motivering van de vaststelling van het boetebedrag moet worden uitgelegd met inachtneming van de motivering van de beschikking in haar geheel, de Commissie duidelijk genoeg heeft aangegeven, hoe die criteria bij de vaststelling van de aan verzoekster opgelegde geldboete in aanmerking zijn genomen.
286 Met betrekking tot de laatste twee criteria, te weten de respectieve leveranties van de verschillende polypropyleenproducenten in de Gemeenschap en hun individuele totale omzet, stelt het Gerecht op basis van de door de Commissie op zijn verzoek overgelegde cijfers - waarvan verzoekster de juistheid niet heeft betwist - vast, dat deze criteria bij de vaststelling van de aan verzoekster opgelegde geldboete, gelet op de aan andere producenten opgelegde boeten, niet op onbillijke wijze zijn toegepast.
287 Gelet op het door het Gerecht uitgesproken oordeel omtrent de feitelijke bevindingen op basis waarvan de Commissie de inbreuk heeft vastgesteld, ontberen de verschillende argumenten waarop de Commissie volgens verzoekster niet zou hebben gereageerd, feitelijke grondslag.
288 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
C - Inaanmerkingneming van de gevolgen van de inbreuk
289 Verzoekster beklemtoont, dat de gestelde gedragingen geen effect hebben gehad op de markt. Door de Commissie zelf werd erkend (punt 73 van de beschikking), dat de prijsstelling in de litigieuze periode "in ruime mate werd bepaald door het mechanisme van vraag en aanbod". Uit de door verschillende ondernemingen verrichte studies blijkt, dat de markt zich zonder de gestelde overeenkomsten op dezelfde wijze zou hebben ontwikkeld. Volgens de rechtspraak van het Hof (arresten van 13 juli 1966, gevoegde zaken 56/64 en 58/64, reeds aangehaald, en 14 juli 1981, zaak 172/80, reeds aangehaald) moet dat punt bij de beoordeling van de beperkingen van de mededinging in aanmerking worden genomen. Het standpunt van de Commissie, dat zij bij de vaststelling van de geldboete geen rekening behoeft te houden met de gevolgen van de samenspanning, vindt geen steun in de rechtspraak van het Hof (arresten van 15 juli 1970, zaak 41/69, reeds aangehaald; 16 december 1975, gevoegde zaken 40/73 tot en met 48/73, 50/73, 54/73 tot en met 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, reeds aangehaald, en 10 december 1985, gevoegde zaken 240/82 tot en met 242/82, 261/82, 262/82, 268/82 en 269/82, reeds aangehaald), noch in de door de Commissie bij de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag gevolgde praktijk.
290 De Commissie brengt hiertegen in, dat zij, gelet op de rechtstreekse en overstelpende bewijzen voor het gedrag van de producenten, geen reden zag om de markt aan een nader onderzoek te onderwerpen.
291 Bovendien had zij bij de bepaling van het bedrag van de geldboeten rekening gehouden met het feit, dat de prijsinitiatieven in het algemeen hun doel niet volledig hebben bereikt (punt 108 van de beschikking), ofschoon zij daartoe niet verplicht was, aangezien niet alleen de mededingingsregelingen die een beperking van de mededinging ten gevolge hebben, onder het verbod van artikel 85 vallen, maar ook die welke een dergelijke beperking ten doel hebben.
292 Het Gerecht stelt vast, dat de Commissie twee soorten van gevolgen van de inbreuk heeft onderscheiden. In de eerste plaats het feit, dat de producenten, na op de bijeenkomsten richtprijzen te zijn overeengekomen, hun verkoopafdelingen instructies gaven om te streven naar de toepassing van dat prijsniveau, zodat de "richtprijzen" bij de prijsonderhandelingen met de afnemers tot uitgangspunt werden genomen. Op grond daarvan kon de Commissie concluderen, dat in casu alles erop wijst, dat de overeenkomst wel degelijk de mededingingsvoorwaarden merkbaar heeft beïnvloed (punt 74, tweede alinea, van de beschikking, waarin wordt verwezen naar punt 90). In de tweede plaats het feit, dat de ontwikkeling van de aan de verschillende afnemers in rekening gebrachte prijzen, in vergelijking met de ter gelegenheid van bepaalde prijsinitiatieven vastgestelde prijzen, klopt met de versie die in de bij ICI en andere producenten aangetroffen bescheiden betreffende de uitvoering van de prijsinitiatieven tot uiting komt (punt 74, zesde alinea, van de beschikking).
293 Dat de eerstgenoemde gevolgen zich hebben voorgedaan, heeft de Commissie rechtens genoegzaam aangetoond aan de hand van de talrijke door de verschillende producenten gegeven prijsinstructies, die niet alleen onderling overeenstemmen, maar ook met de op de bijeenkomsten vastgestelde richtprijzen, en die duidelijk bedoeld waren om als uitgangspunt te dienen voor de met de afnemers te voeren onderhandelingen over de prijzen.
294 Met betrekking tot de tweede soort van gevolgen zij in de eerste plaats opgemerkt, dat de Commissie geen reden had te twijfelen aan de juistheid van de door de producenten zelf tijdens hun bijeenkomsten verrichte analyses (zie onder meer de notulen van de bijeenkomsten van 21 september, 6 oktober, 2 november en 2 december 1982, bijl. 30 tot en met 33 a.b.), waaruit blijkt dat de tijdens de bijeenkomsten vastgestelde prijsinitiatieven op grote schaal bleken te worden toegepast op de markt, en in de tweede plaats, dat zo uit het rapport Coopers en Lybrand en uit de op verzoek van sommige producenten verrichte economische studies mocht blijken, dat de door de producenten zelf tijdens de bijeenkomsten verrichte analyses onjuist zijn, dit niet tot een verlaging van de geldboete kan leiden: in punt 108, laatste streepje, van de beschikking heeft de Commissie namelijk verklaard, dat zij bij de bepaling van de boetebedragen als verzachtende omstandigheid in aanmerking heeft genomen, dat de prijsinitiatieven over het algemeen hun doel niet volledig bereikten en dat er in laatste instantie geen dwangmaatregelen bestonden om de nakoming van de quota of van andere regelingen te verzekeren.
295 Waar de motivering van de beschikking inzake de vaststelling van de boetebedragen moet worden gezien in samenhang met de motivering van de beschikking als geheel, moet worden aangenomen dat de Commissie de eerste soort van gevolgen terecht volledig in aanmerking heeft genomen en dat zij rekening heeft gehouden met het beperkte karakter van de tweede soort van gevolgen. In dit verband zij opgemerkt, dat verzoekster niet heeft aangegeven in hoeverre de Commissie dat beperkte karakter bij de matiging van de boetebedragen onvoldoende zou hebben laten meewegen.
296 Bijgevolg moet het door verzoekster aangevoerde middel worden afgewezen.
D - Ontoereikende inaanmerkingneming van de economische crisissituatie
297 Volgens verzoekster heeft de Commissie geen rekening gehouden met de uitgesproken crisissituatie waarin de polypropyleenindustrie zich bevond, noch met de aanzienlijke verliezen die hiervan het gevolg waren. Haars inziens was er - zoals de Commissie erkent - geen sprake van een structurele crisis, hetgeen blijkt uit het feit dat vraag en aanbod op de polypropyleenmarkt in 1983 geleidelijk weer in evenwicht kwamen op een prijs die een redelijke gemiddelde capaciteitsbenutting mogelijk maakte. De oplossing voor deze crisis moest volgens verzoekster dus niet worden gezocht in een structurele vermindering van de bestaande produktiecapaciteit. Dat was echter wel de enige oplossing die de Commissie tijdens haar besprekingen met de polypropyleenindustrie had voorgesteld. Door na te laten een meer diepgaande analyse van de markt te maken en door niet aan te geven welke opties waren te overwegen voor verdere discussie, had de Commissie de ondernemingen onvoldoende mogelijkheden gelaten om de door de marktsituatie veroorzaakte problemen op te lossen.
298 Bovendien was het de ondernemingen onder bepaalde omstandigheden toegestaan - of waren zij soms zelfs verplicht geweest - tijdelijke concurrentiebeperkende maatregelen te nemen om het proces van aanpassing van de betrokken industrie aan de veranderde marktomstandigheden te begeleiden. In casu had het achterwege blijven van een "diagnose" en "medicatie" van de communautaire autoriteiten voor een in een crisissituatie verkerende industriesector, de betrokken "patiënten" nauwelijks een andere keuze gelaten dan bepaalde vormen van "zelfhulp" of "noodverband" in overweging te nemen.
299 Bepaalde vormen van contacten en informatie-uitwisseling, gericht op het oplossen van crisissituaties, moeten volgens verzoekster niet a priori verboden worden geacht wanneer zij ertoe strekken de problemen die zich voordoen, het hoofd te bieden, met name wanneer de betrokken sector zich in een duidelijke crisissituatie bevindt. Niemand heeft belang bij een duurzame erosie van een economische sector als gevolg van een moordende concurrentie. Verzoekster verwijst in dit verband naar de artikelen 57 en 58 EGKS-Verdrag en naar de bekendmaking van de Commissie van 29 juli 1968 inzake overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreffende samenwerking tussen ondernemingen (PB 1968, C 75), die in casu van toepassing is, omdat de informatie-uitwisseling niet heeft geleid tot een beperking van de handelingsvrijheid van de ondernemingen en evenmin tot cooerdinatie - uitdrukkelijk of in de vorm van onderling afgestemde feitelijke gedragingen - van hun marktgedrag.
300 Volgens verzoekster had de Commissie met de crisissituatie rekening moeten houden, al was het maar als verzachtende omstandigheid.
301 De Commissie brengt hiertegen in, dat zij door matiging van de geldboeten heeft erkend, dat de betrokken ondernemingen gedurende een zeer lange periode aanzienlijke verliezen hebben geleden bij hun exploitatie van polyprolyleen, ofschoon zij niet verplicht was geweest, daarmee rekening te houden.
302 Om aan veroordeling te ontsnappen, kunnen de ondernemingen zich niet beroepen op door de Commissie goedgekeurde tijdelijke beperkingen van de mededinging in andere sectoren, of op het feit dat zij gedwongen waren tot "zelfhulp" omdat de Commissie weigerde een "crisiskartel" te accepteren. De betrokken ondernemingen hadden volgens de Commissie in voorkomend geval eventuele "crisismaatregelen" kunnen aanmelden, maar omdat zij zulks hebben nagelaten, zijn zij thans voor hun voortdurende en clandestiene samenspanning veroordeeld.
303 De Commissie merkt verder op, dat de geldende regels voor informatie-uitwisseling niet moeten worden toegepast op andere gevallen dan die waarvoor zij bedoeld zijn. Dit geldt met name voor de bekendmaking van de Commissie van 1968, waarop verzoekster zich beroept. Die bekendmaking geldt enkel voor kleine en middelgrote ondernemingen en is bovendien niet van toepassing op een vorm van samenspanning die, zoals in casu, de grenzen van een geoorloofde informatie-uitwisseling verre te buiten gaat.
304 Het Gerecht stelt vast, dat de Commissie in punt 108, laatste streepje, van de beschikking met zoveel woorden heeft verklaard, dat zij rekening heeft gehouden met het feit dat de ondernemingen over een lange periode belangrijke verliezen bij hun polypropyleentransacties hebben geleden. Hieruit blijkt niet alleen, dat de Commissie rekening heeft gehouden met genoemde verliezen, maar ook, dat zij bij de bepaling van het algemene niveau van de geldboeten - de andere in punt 108 genoemde criteria mede in aanmerking genomen - rekening heeft gehouden met de ongunstige economische omstandigheden van de sector (arrest van het Hof van 9 november 1983, zaak 322/81, reeds aangehaald, r.o. 111 e.v.).
305 Bovendien betekent het feit dat de Commissie in eerdere zaken meende, in verband met de feitelijke omstandigheden rekening te moeten houden met de crisissituatie waarin de betrokken economische sector zich bevond, nog niet, dat zij op dezelfde wijze met een dergelijke situatie rekening moest houden in onderhavig geval, waarbij zij rechtens genoegzaam heeft aangetoond, dat de ondernemingen tot welke de beschikking is gericht, zich schuldig hebben gemaakt aan een bijzonder ernstige inbreuk op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag.
306 Ook is verzoeksters verwijzing naar eerdere beschikkingen van de Commissie irrelevant, aangezien die beschikkingen betrekking hadden op de ontheffing voor een zogeheten "crisiskartel" krachtens artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag. In casu is er echter geen verzoek om ontheffing in de zin van genoemde bepaling ingediend.
307 Het Gerecht is voorts van mening, dat indien er geen sprake is van enig ingrijpen van de Commissie, de ondernemingen zich niet kunnen beroepen op bepalingen van gemeenschapsrecht voor welker toepassing het ingrijpen van de Commissie is vereist en die bovendien betrekking hebben op een bepaalde economische sector, zoals het geval is bij de artikelen 57 en 58 EGKS-Verdrag.
308 Met betrekking tot de bekendmaking van de Commissie inzake overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreffende samenwerking tussen ondernemingen moet worden beklemtoond, dat in punt II van deze bekendmaking het volgende is bepaald: "Overeenkomsten die slechts ten doel hebben gemeenschappelijk inlichtingen te verzamelen die de afzonderlijke ondernemingen nodig hebben om hun toekomstig marktgedrag zelfstandig en onafhankelijk van elkaar te bepalen, of een gemeenschappelijk adviesorgaan individueel te raadplegen, hebben geen beperking van de concurrentie ten doel of ten gevolge. Indien echter de handelingsvrijheid van de ondernemingen wordt beperkt, of het marktgedrag uitdrukkelijk of via onderling afgestemde feitelijke gedragingen wordt gecooerdineerd, kan er van mededingingsbeperking sprake zijn." Uit de overwegingen van het Gerecht met betrekking tot de vaststelling van de inbreuk blijkt evenwel, dat tot de bestanddelen van deze inbreuk prijs- en quotaovereenkomsten behoren, die onder het verbod van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag vallen, zodat de genoemde bekendmaking daarop niet van toepassing kan zijn.
309 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
E - Schending van de beginselen van billijkheid, evenredigheid en gelijkheid
310 Volgens verzoekster heeft de Commissie jegens haar de beginselen van billijkheid, evenredigheid en gelijkheid geschonden, aangezien vergelijkbare of soortgelijke ondernemingen een heel ander boetebedrag opgelegd hebben gekregen. Verzoekster analyseert de in punt 109 van de beschikking genoemde criteria waarmee de Commissie bij de vaststelling van de geldboeten rekening zou hebben gehouden, alsmede het aan de verschillende criteria toegekende gewicht, en komt op basis daarvan tot de conclusie, dat twee ondernemingen (Linz en Saga) beduidend lagere boeten opgelegd hebben gekregen dan de andere ondernemingen die zich, wat die criteria betreft, in dezelfde situatie bevonden. De beschikking geeft voor dat verschil in boete geen verklaring.
311 De Commissie brengt hiertegen in, dat Linz en Saga beide buiten de Gemeenschap zijn gevestigd, dat het merendeel van hun leveranties buiten de Gemeenschap plaatsvond en dat, ofschoon het kartel betrekking had op geheel West-Europa, zij zich bij de boetetoemeting heeft gebaseerd op de polypropyleenleveranties van de verschillende producenten in de Gemeenschap, dat wil zeggen op de gevolgen van het kartel op het grondgebied van de gemeenschappelijke markt (tabel 2 bij de beschikking).
312 Het Gerecht stelt vast dat verzoekster met de door haar aangevoerde grief de verhouding tussen de aan haar opgelegde geldboete, enerzijds, en de aan Linz en Saga opgelegde geldboeten, anderzijds, hekelt.
313 In dit verband kan worden volstaan met de vaststelling, dat verzoekster het verweer van de Commissie, dat het verschil tussen de bedoelde boetebedragen voortvloeit uit de toepassing van de in punt 109, eerste alinea, van de beschikking genoemde criteria, inzonderheid het derde criterium, dat betrekking heeft op de respectieve leveranties van polypropyleen in de Gemeenschap van de verschillende ondernemingen tot welke de beschikking is gericht, niet heeft kunnen weerleggen. De juistheid van de cijfers betreffende die leveranties, die de Commissie in de procedure voor het Gerecht heeft verstrekt, is door verzoekster niet betwist. Gelet op die cijfers moet worden vastgesteld, dat verzoekster het door haar aangevoerde argument, dat de Commissie, door Linz en Saga lagere geldboeten op te leggen, zich jegens haar schuldig heeft gemaakt aan schending van de beginselen van billijkheid, evenredigheid en gelijkheid, niet met concrete gegevens heeft gestaafd.
314 Bijgevolg moet dit middel worden afgewezen.
F - Afwezigheid van eerdere inbreuk
315 Verzoekster betoogt, dat zij, in tegenstelling tot andere bij de onderhavige procedure betrokken ondernemingen, voorheen nooit betrokken is geweest bij een door de Commissie ingeleide mededingingsprocedure. De Commissie had dat feit als verzachtende omstandigheid in aanmerking moeten nemen.
316 De Commissie brengt hiertegen in, dat de door DSM aangevoerde argumenten met betrekking tot de afwezigheid van een eerdere inbreuk, geen recht op vermindering van de geldboete geven.
317 Het Gerecht is van oordeel dat het feit, dat de Commissie een bepaalde onderneming al eens een inbreuk op de mededingingsregels heeft ten laste gelegd en eventueel uit dien hoofde een boete heeft opgelegd, tegen die onderneming, in voorkomend geval, als een verzwarende omstandigheid in aanmerking kan worden genomen. Daarentegen is de afwezigheid van een eerdere inbreuk een normale omstandigheid, die de Commissie niet als verzachtende omstandigheid in aanmerking behoeft te nemen, te meer omdat in casu sprake is van een bijzonder duidelijke inbreuk op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag.
318 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
319 Uit al het voorgaande volgt, dat de aan verzoekster opgelegde geldboete redelijk is, gelet op zowel de duur als de zwaarte van de haar ten laste gelegde inbreuk op het communautaire mededingingsrecht.
Beslissing inzake de kostenKosten
320 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld en de Commissie heeft geconcludeerd, verzoekster in de kosten te verwijzen, dient zij in de kosten te worden verwezen.
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekster in de kosten van het geding.
Top