Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (EERSTE KAMER) VAN 10 MAART 1992. - CHEMIE LINZ AG TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - MEDEDINGING - BEGRIPPEN OVEREENKOMST EN ONDERLING AFGESTEMDE FEITELIJKE GEDRAGING - COLLECTIEVE VERANTWOORDELIJKHEID. - ZAAK T-15/89.
Jurisprudentie 1992 bladzijde II-01275
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Mededinging - Administratieve procedure - Beschikking van Commissie, waarbij inbreuk wordt vastgesteld - Bewijselementen die in aanmerking kunnen worden genomen
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
2. Mededinging - Administratieve procedure - Toegang tot dossier - Verplichting van Commissie uit hoofde van regels die zij zelf heeft vastgesteld in verslag over mededingingsbeleid
3. Mededinging - Administratieve procedure - Hoorzittingen - Voorlopig karakter van aan Adviescomité en Commissie overgelegd proces-verbaal - Procedurefout - Afwezigheid
(Verordening nr. 99/63 van de Commissie)
4. Mededinging - Administratieve procedure - Eerbiediging van recht van verweer - Recht van partijen waartegen procedure is ingeleid, om mededeling van verslag van Raadadviseur-auditeur te krijgen en daarover opmerkingen te maken - Afwezigheid
5. Mededinging - Mededingingsregelingen - Overeenkomsten tussen ondernemingen - Begrip - Wilsovereenstemming met betrekking tot toekomstig marktgedrag
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
6. Mededinging - Mededingingsregelingen - Verbod - Mededingingsregelingen die na formele beëindiging effect blijven sorteren - Toepassing van artikel 85 EEG-Verdrag
(EEG-Verdrag, art. 85)
7. Mededinging - Mededingingsregelingen - Onderling afgestemde feitelijke gedraging - Begrip - Cooerdinatie en samenwerking in strijd met verplichting van elke onderneming om marktgedrag zelfstandig te bepalen - Bijeenkomsten waarop concurrenten informatie uitwisselen die bepalend is voor commerciële strategie van deelnemers
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
8. Mededinging - Mededingingsregelingen - Complexe inbreuk met kenmerken van overeenkomst en kenmerken van onderling afgestemde feitelijke gedraging - Eén enkele kwalificatie als "overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedraging" - Toelaatbaarheid - Gevolgen voor aan te dragen bewijselementen
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
9. Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Beschikking tot toepassing van mededingingsregels
(EEG-Verdrag, art. 190)
10. Mededinging - Gemeenschapsregels - Inbreuken - Opzet - Begrip
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
11. Beroep tot nietigverklaring - Ambtshalve onderzoek door rechter van existentie van bestreden handeling - Voorwaarden
(EEG-Verdrag, art. 173, tweede alinea)
Samenvatting1. In een krachtens artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag tot een onderneming gerichte beschikking mogen slechts als bewijsmiddelen tegen die onderneming worden gebruikt, documenten waarvan reeds in het stadium van de mededeling van de punten van bezwaar door het feit dat zij in die mededeling of in de bijlagen daarbij zijn genoemd, duidelijk was dat de Commissie er zich op wou beroepen, en over de bewijskracht waarvan de onderneming derhalve te gelegener tijd heeft kunnen discussiëren.
2. Waar de Commissie een procedure "toegang tot het dossier" in mededingingszaken heeft vastgesteld die verder gaat dan de eerbiediging van het recht van verweer verlangt en welker regels zij heeft geformuleerd en bekendgemaakt in een van haar verslagen over het mededingingsbeleid, mag zij niet afwijken van de regels die zij zich aldus heeft opgelegd en is zij derhalve verplicht, de ondernemingen waartegen een procedure krachtens artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag is ingeleid, toegang te verschaffen tot alle belastende en ontlastende stukken die zij in de loop van het onderzoek heeft verzameld, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten, de interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke informatie.
3. Het voorlopig karakter van het aan het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities en de Commissie overgelegd proces-verbaal van de hoorzitting levert slechts dan een in de administratieve procedure begane fout op die de beschikking waartoe zij leidt onwettig kan maken, wanneer bedoelde tekst op zodanige wijze is geredigeerd dat bij de adressaten ervan dwaling op een punt van wezenlijk belang kan ontstaan.
4. Het recht van verweer eist niet, dat de ondernemingen waartegen een procedure krachtens artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag is ingeleid, de gelegenheid krijgen opmerkingen te maken over het verslag van de Raadadviseur-auditeur. Het recht van verweer is immers rechtens genoegzaam geëerbiedigd wanneer de verschillende bij de opstelling van de eindbeschikking betrokken instanties nauwkeurig op de hoogte zijn gebracht van hetgeen de ondernemingen op de hun door de Commissie meegedeelde punten van bezwaar hebben geantwoord, en van de bewijselementen die de Commissie tot staving van deze punten van bezwaar heeft aangevoerd. Het verslag van de Raadadviseur-auditeur is evenwel een zuiver intern document van de Commissie dat slechts de waarde van een advies heeft en niet is bedoeld om het betoog van de ondernemingen aan te vullen of te corrigeren en evenmin om nieuwe punten van bezwaar te formuleren of nieuw bewijsmateriaal tegen de ondernemingen aan te dragen.
5. Het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag kan reeds worden aangenomen indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen. Hiervan is sprake wanneer verscheidene ondernemingen wilsovereenstemming hebben bereikt met betrekking tot richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen.
6. Artikel 85 EEG-Verdrag is van toepassing op overeenkomsten die niet meer van kracht zijn, doch na hun formele beëindiging effect blijven sorteren.
7. De voor de definitie van het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging gebezigde criteria van cooerdinatie en samenwerking moeten worden verstaan in het licht van de in de mededingingsvoorschriften van het EEG-Verdrag besloten voorstelling, dat elke ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren. Deze eis van zelfstandigheid sluit weliswaar niet uit, dat de ondernemer gerechtigd is zijn beleid intelligent aan het vastgestelde of te verwachten marktgedrag van zijn concurrenten aan te passen, doch zij staat onverbiddelijk in de weg aan enigerlei tussen zulke ondernemers al dan niet rechtstreeks opgenomen contact strekkend hetzij tot beïnvloeding van het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent, hetzij tot beduiding aan zulk een concurrent van het aangenomen of voorgenomen marktgedrag.
Ondernemingen die deelnemen aan bijeenkomsten die ertoe strekken richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen en tijdens welke concurrenten informatie uitwisselen over de prijzen die zij voornemens zijn toe te passen, hun rentabiliteitsdrempel, de door hen noodzakelijk geachte beperkingen van de verkopen of hun verkoopcijfers, maken zich schuldig aan onderlinge afstemming, want het kan nagenoeg niet anders, dat zij bij de bepaling van hun marktgedrag rekening houden met de hun op die bijeenkomsten verstrekte informatie.
8. Artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag voorziet niet in een specifieke kwalificatie voor een complexe inbreuk die, doordat zij een voortgezette gedraging vormt die wordt gekenmerkt door één enkel doel en waarvan sommige bestanddelen als overeenkomst en andere als onderling afgestemde feitelijke gedraging moeten worden gekwalificeerd, niettemin als één inbreuk moet worden beschouwd. Derhalve kan een dergelijke inbreuk als "een overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen" worden gekwalificeerd, zonder dat gelijktijdig en cumulatief behoeft te worden bewezen dat elk van de feitelijke bestanddelen zowel de karakteristieken van een overeenkomst als van een onderling afgestemde feitelijke gedraging vertoont.
9. De Commissie is krachtens artikel 190 EEG-Verdrag weliswaar gehouden, haar beschikkingen met redenen te omkleden met vermelding van de feitelijke en juridische gegevens waarvan de wettigheid van de maatregel afhangt en van de overwegingen die haar tot het nemen van haar beschikking hebben geleid, doch het is in het geval van een beschikking tot toepassing van de mededingingsregels niet vereist, dat zij ingaat op alle feitelijke en rechtspunten die door elke betrokkene tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen.
10. Voor de vaststelling dat een inbreuk op de mededingingsregels opzettelijk is begaan, is niet vereist dat de onderneming zich ervan bewust was, een in die regels neergelegd verbod te overtreden; het volstaat dat zij niet onkundig kon zijn van de omstandigheid dat de gewraakte handelwijze ertoe strekte de mededinging te beperken.
11. Al is de gemeenschapsrechter in het kader van een krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag ingesteld beroep tot nietigverklaring ambtshalve bevoegd om te onderzoeken, of de bestreden handeling wel bestaat, dit betekent nog niet, dat in elk op artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag gebaseerd beroep ambtshalve moet worden onderzocht, of de bestreden handeling bestaat. De rechter is slechts verplicht dit punt ambtshalve te onderzoeken wanneer partijen voldoende indiciën voor een eventuele non-existentie van de bestreden handeling verstrekken.
PartijenIn zaak T-15/89,
Chemie Linz AG, vennootschap naar Oostenrijks recht, gevestigd te Linz (Oostenrijk), vertegenwoordigd door O. Lieberknecht, advocaat te Duesseldorf, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Bonn, advocaat aldaar, Côte d' Eich 20,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur A. McClellan, bijgestaan door B. Jansen, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 EEG-Verdrag (IV/31.149 - Polypropyleen),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J. L. Cruz Vilaça, president, R. Schintgen, D. A. O. Edward, H. Kirschner en K. Lenaerts, rechters,
advocaat-generaal: B. Vesterdorf
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden van 10 tot en met 15 december 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 juli 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrestDe feiten
1 De onderhavige zaak heeft betrekking op een beschikking waarbij de Commissie vijftien polypropyleenproducenten een boete heeft opgelegd wegens schending van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag. Het produkt waarop de bestreden beschikking (hierna: "de beschikking") betrekking heeft, is een van de voornaamste bulk thermoplastic polymeren. Polypropyleen wordt door de producenten verkocht aan verwerkers, die er eindprodukten of halffabrikaten van maken. De grootste polypropyleenproducenten hebben een assortiment van meer dan honderd verschillende kwaliteiten, die voor zeer uiteenlopende uiteindelijke gebruiksdoeleinden toepassing vinden. De belangrijkste basiskwaliteiten van polypropyleen zijn: raffia, homopolymeer injection moulding, copolymeer injection moulding, high impact copolymeer en folie. Alle ondernemingen tot welke de onderhavige beschikking is gericht, zijn belangrijke petrochemische fabrikanten.
2 De Westeuropese markt voor polypropyleen wordt bijna geheel bevoorraad door in Europa gevestigde produktiefaciliteiten. Vóór 1977 werd de markt bevoorraad door tien producenten, te weten Montedison (later Montepolimeri SpA, die op haar beurt Montedipe SpA is geworden), Hoechst AG, Imperial Chemical Industries plc en Shell International Chemical Company Ltd (de "grote vier"), te zamen goed voor 64 % van de markt, Enichem Anic SpA in Italië, Rhône-Poulenc SA in Frankrijk, Alcudia in Spanje, Chemische Werke Huels en BASF AG in Duitsland en Chemie Linz AG in Oostenrijk. Nadat de duur van de hoofdoctrooien van Montedison was verstreken, dienden zich in 1977 zeven nieuwe producenten in West-Europa aan: Amoco en Hercules Chemicals NV in België, ATO Chimie SA en Solvay & Cie SA in Frankrijk, SIR in Italië, DSM NV in Nederland en Taqsa in Spanje. Saga Petrokjemi AS & Co., een Noorse onderneming, begon haar activiteiten midden 1978, en Petrofina SA in 1980. De komst van deze nieuwe producenten met een nominale capaciteit van ongeveer 480 000 ton leidde tot een aanzienlijke toename van de in West-Europa aanwezige produktiecapaciteit, die gedurende verschillende jaren niet gepaard ging met een overeenkomstige stijging van de vraag. Dit had een lage bezettingsgraad van de produktiecapaciteit tot gevolg, die echter tussen 1977 en 1983 geleidelijk weer aantrok, namelijk van 60 tot 90 %. Volgens de beschikking waren vraag en aanbod vanaf 1982 weer ongeveer in evenwicht. Dit neemt volgens de beschikking evenwel niet weg, dat de polypropyleenmarkt over het grootste deel van de onderzochte periode (1977-1983) werd gekenmerkt door hetzij een geringe rentabiliteit, hetzij aanzienlijke verliezen, die met name te wijten waren aan hoge vaste kosten en een stijging van de kosten van de grondstof, propyleen. Volgens punt 8 van de beschikking had Montepolimeri SpA in 1983 18 % van de Europese polypropyleenmarkt in handen, hadden Imperial Chemical Industries plc, Shell International Chemical Company Ltd en Hoechst AG elk een marktaandeel van 11 %, nam Hercules Chemicals NV iets minder dan 6 % voor haar rekening, waren ATO Chimie SA, BASF AG, DSM NV, Chemische Werke Huels, Chemie Linz AG, Solvay & Cie SA en Saga Petrokjemi AS & Co. elk goed voor 3 à 5 % en had Petrofina SA een marktaandeel van ongeveer 2 %. Er zou een aanzienlijke handel in polypropyleen tussen de Lid-Staten hebben bestaan, omdat elk van de destijds in de Gemeenschap gevestigde producenten het produkt in de meeste, zoniet alle Lid-Staten verkocht.
3 Chemie Linz AG was een van de producenten die vóór 1977 de markt bevoorraadden. Zij was op de Westeuropese polypropyleenmarkt een middelgrote producent met een marktaandeel van 3,2 à 3,9 %.
4 Op 13 en 14 oktober 1983 voerden ambtenaren van de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EEG-Verdrag (PB 1962, blz. 204, hierna: "verordening nr. 17"), tegelijkertijd verificaties uit bij de volgende ondernemingen die polypropyleen vervaardigen en de gemeenschappelijke markt bevoorraden:
- ATO Chimie SA, thans Atochem (hierna: "ATO");
- BASF AG (hierna: "BASF");
- DSM NV (hierna: "DSM");
- Hercules Chemicals NV (hierna: "Hercules");
- Hoechst AG (hierna: "Hoechst");
- Chemische Werke Huels (hierna: "Huels");
- Imperial Chemical Industries plc (hierna: "ICI");
- Montepolimeri SpA, thans Montedipe (hierna: "Monte");
- Shell International Chemical Company Ltd (hierna: "Shell");
- Solvay & Cie SA (hierna: "Solvay");
- BP Chimie (hierna: "BP").
Er werden geen verificaties verricht bij Rhône-Poulenc SA (hierna: "Rhône-Poulenc") en bij Enichem Anic SpA.
5 Na deze verificaties verzocht de Commissie genoemde ondernemingen krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 om inlichtingen (hierna: "het verzoek om inlichtingen"). Een zelfde verzoek werd ook gericht tot de volgende ondernemingen:
- Amoco;
- Chemie Linz AG (hierna: "Linz");
- Saga Petrokjemi AS & Co., thans een onderdeel van Statoil (hierna: "Statoil");
- Petrofina SA (hierna: "Petrofina");
- Enichem Anic SpA (hierna: "Anic").
De in Oostenrijk gevestigde onderneming Linz betwistte de bevoegdheid van de Commissie en weigerde op het verzoek te antwoorden. Overeenkomstig artikel 14, lid 2, van verordening nr. 17 verrichtten ambtenaren van de Commissie vervolgens verificaties bij Anic en bij Saga Petrochemicals UK Ltd, de Engelse dochtermaatschappij van Saga, alsmede bij de verkoopkantoren van Linz in het Verenigd Koninkrijk en de Bondsrepubliek Duitsland. Rhône-Poulenc werd niet om inlichtingen verzocht.
6 Op grond van het in het kader van die verificaties en verzoeken om inlichtingen verzamelde materiaal kwam de Commissie tot de slotsom, dat de betrokken fabrikanten tussen 1977 en 1983 in strijd met artikel 85 EEG-Verdrag in het kader van een reeks "prijsinitiatieven" regelmatig richtprijzen hadden vastgesteld en een systeem van jaarlijkse controles van de verkochte hoeveelheden hadden opgezet, teneinde de beschikbare markt op basis van overeengekomen percentages of hoeveelheden onder elkaar te verdelen. Derhalve besloot de Commissie op 30 april 1984 de procedure van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 in te leiden en deed zij in mei van hetzelfde jaar een schriftelijke mededeling van punten van bezwaar toekomen aan alle genoemde ondernemingen, behalve Anic en Rhône-Poulenc. Alle adressaten dienden schriftelijke opmerkingen in.
7 Op 24 oktober 1984 had de door de Commissie aangewezen Raadadviseur-auditeur een ontmoeting met de juridisch adviseurs van de adressaten van de mededeling van de punten van bezwaar, ten einde bepaalde procedureafspraken te maken voor de in het kader van de administratieve procedure geplande hoorzitting, die op 12 november 1984 zou aanvangen. Tijdens die bijeenkomst kondigde de Commissie bovendien aan, dat zij, gelet op de argumenten die de ondernemingen in hun antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar hadden aangevoerd, hun weldra verdere documenten zou sturen ter aanvulling van het bewijsmateriaal betreffende de toepassing van prijsinitiatieven, waarover zij reeds beschikten. Zo zond zij de juridisch adviseurs van de ondernemingen op 31 oktober 1984 een bundel documenten bestaande uit kopieën van door de fabrikanten aan hun verkoopkantoren gezonden prijsinstructies alsmede uit notities met samenvattingen van die documenten. Ten einde de inachtneming van het zakengeheim te waarborgen, had de Commissie een aantal voorwaarden gesteld, waarvan de voornaamste was, dat de verkoopafdelingen van de ondernemingen de betrokken documenten niet onder ogen mochten krijgen. De advocaten van verscheidene ondernemingen weigerden die voorwaarden te aanvaarden en zonden de documenten vóór de hoorzitting terug.
8 Gelet op de in de schriftelijke antwoorden op de mededeling van de punten van bezwaar verstrekte informatie, besloot de Commissie ook Anic en Rhône-Poulenc in de procedure te betrekken. Daartoe deed zij hun op 25 oktober 1984 een mededeling van punten van bezwaar toekomen die in grote lijnen overeenkwam met die welke naar de vijftien andere ondernemingen was gestuurd.
9 Een eerste reeks hoorzittingen vond plaats van 12 tot en met 20 november 1984. In die periode werden alle ondernemingen gehoord, met uitzondering van Shell (die had geweigerd aan de hoorzittingen deel te nemen), Anic, ICI en Rhône-Poulenc (die van mening waren, dat zij hun dossier niet hadden kunnen voorbereiden).
10 Tijdens die eerste reeks hoorzittingen weigerden verscheidene ondernemingen in te gaan op de punten die aan de orde waren gesteld in de stukken die hun op 31 oktober 1984 waren toegezonden. Zij voerden hiertoe aan, dat de Commissie de zaak een heel andere draai had gegeven en dat zij toch ten minste in de gelegenheid moesten worden gesteld om schriftelijke opmerkingen te maken. Andere ondernemingen voerden aan, dat zij onvoldoende tijd hadden gehad om de betrokken stukken vóór de hoorzitting te bestuderen. Op 28 november 1984 zonden de advocaten van BASF, DSM, Hercules, Hoechst, ICI, Linz, Monte, Petrofina en Solvay de Commissie een gezamenlijk schrijven, waarin zij de genoemde bezwaren uiteenzetten. Bij schrijven van 4 december 1984 verklaarde Huels, dat zij zich bij dit standpunt aansloot.
11 Om die redenen deed de Commissie de ondernemingen op 29 maart 1985 een nieuwe reeks documenten toekomen, waarin door de ondernemingen aan hun verkoopkantoren gezonden prijsinstructies en -tabellen voorkwamen, alsmede een samenvatting van het bewijsmateriaal in verband met elk prijsinitiatief waaromtrent documenten beschikbaar waren. De ondernemingen werden uitgenodigd om opmerkingen te maken, zowel schriftelijk als tijdens een nieuwe reeks hoorzittingen. De Commissie deelde mee, dat de oorspronkelijke beperkingen met betrekking tot de openbaarmaking van het materiaal aan de verkoopafdelingen, werden ingetrokken.
12 In een ander schrijven van dezelfde datum reageerde de Commissie op het door de advocaten aangevoerde argument, dat zij het gestelde kartel juridisch niet duidelijk had afgebakend in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, en nodigde zij de ondernemingen uit om schriftelijke en mondelinge opmerkingen te maken.
13 Een tweede reeks hoorzittingen vond plaats van 8 tot en met 11 juli 1985 en op 25 juli 1985. Anic, ICI en Rhône-Poulenc dienden in deze tweede periode opmerkingen in; de andere ondernemingen (met uitzondering van Shell) maakten opmerkingen ten aanzien van de punten die de Commissie in de twee brieven van 29 maart 1985 aan de orde had gesteld.
14 Het concept van het proces-verbaal van de hoorzittingen werd, te zamen met de andere relevante stukken, op 19 november 1985 aan de leden van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities (hierna: "het Adviescomité"), en op 25 november daaraanvolgend aan de ondernemingen gezonden. Het Adviescomité bracht zijn advies uit tijdens zijn 170e bijeenkomst, op 5 en 6 december 1985.
15 Aan het einde van deze procedure gaf de Commissie de litigieuze beschikking van 23 april 1986, waarvan het dispositief luidt als volgt:
"Artikel 1
Anic SpA, ATO Chemie SA (thans Atochem), BASF AG, DSM NV, Hercules Chemicals NV, Hoechst AG, Chemische Werke Huels (thans Huels AG), ICI plc, Chemische Werke Linz, Montepolimeri SpA (thans Montedipe), Petrofina SA, Rhône-Poulenc SA, Shell International Chemical Company Ltd, Solvay & Cie en Saga Petrokjemi AG & Co. (thans deel uitmakend van Statoil) hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag, door deel te nemen:
- in het geval van Anic, vanaf omstreeks november 1977 tot een tijdstip tegen het einde van 1982 of in het begin van 1983,
- in het geval van Rhône-Poulenc, vanaf omstreeks november 1977 tot einde 1980,
- in het geval van Petrofina, van 1980 tot ten minste november 1983,
- in het geval van Hoechst, ICI, Montepolimeri en Shell, vanaf omstreeks halverwege 1977 tot ten minste november 1983,
- in het geval van Hercules, Linz, (Solvay) en Saga, vanaf omstreeks november 1977 tot ten minste november 1983,
- in het geval van ATO, vanaf tenminste 1978 tot ten minste november 1983,
- in het geval van BASF, DSM en Huels, vanaf een tijdstip tussen 1977 en 1979 tot tenminste november 1983,
aan een midden 1977 gesloten overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen krachtens welke de producenten die polypropyleen op het grondgebied van de EEG aanbieden
a) met elkaar in contact traden en regelmatig (vanaf begin 1981, tweemaal per maand) in een reeks geheime vergaderingen bijeenkwamen om hun commercieel beleid te bespreken en te bepalen;
b) van tijd tot tijd voor de verkoop van het produkt in elke Lid-Staat van de EEG 'richt' - (of minimum)prijzen bepaalden;
c) verschillende maatregelen overeenkwamen waarmede de toepassing van dergelijke richtprijzen moest worden vergemakkelijkt, met inbegrip van (hoofdzakelijk) tijdelijke beperkingen van de produktie, de uitwisseling van gedetailleerde informatie over hun leveringen, het houden van plaatselijke vergaderingen, en tegen het einde van 1982 een systeem van 'account management' bedoeld om prijsverhogingen voor individuele klanten toe te passen;
d) gelijktijdig hun prijzen verhoogden met het oog op de toepassing van de genoemde richtprijzen;
e) de markt verdeelden door aan elke producent een jaarlijks doel of 'quotum' voor de verkoop toe te kennen (1979, 1980 en voor ten minste een gedeelte van 1983) of bij gebreke van een definitieve zich over het gehele jaar uitstrekkende overeenkomst door van de producenten een beperking te eisen van hun verkoop in elke maand in vergelijking met een voorafgaande periode (1981, 1982).
Artikel 2
De in artikel 1 genoemde ondernemingen moeten de genoemde inbreuken onverwijld beëindigen (indien zij dit niet reeds hebben gedaan) en zich voortaan onthouden van overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die hetzelfde of een soortgelijk doel of gevolg kunnen hebben, met inbegrip van enigerlei uitwisseling van informatie van het type dat gewoonlijk onder het zakengeheim valt en waardoor de deelnemers rechtstreeks of zijdelings in kennis worden gesteld van de produktie, leveranties, voorraden, verkoopprijzen, kosten of investeringen of van iedere uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst of onderling afgestemde gedraging met betrekking tot prijzen of het verdelen van de markten in de EEG. Elke regeling voor de uitwisseling van algemene informatie waaraan de producenten deelnemen (zoals bij voorbeeld Fides) zal op een wijze worden toegepast dat daarvan elke informatie is uitgesloten waaruit het gedrag van individuele producenten kan worden afgeleid; de ondernemingen onthouden zich meer in het bijzonder van de onderlinge uitwisseling van enigerlei aanvullende informatie die voor de mededinging relevant is en niet onder een dergelijke regeling valt.
Artikel 3
Aan de in deze beschikking genoemde ondernemingen worden wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuken de volgende geldboeten opgelegd:
i) Anic SpA, 750 000 ECU, dat is 1 103 692 500 LIT;
ii) Atochem, 1 750 000 ECU, dat is 11 973 325 FF;
iii) BASF AG, 2 500 000 ECU, dat is 5 362 225 DM;
iv) DSM NV, 2 750 000 ECU, dat is 6 657 640 HFL;
v) Hercules Chemicals NV, 2 750 000 ECU, dat is 120 569 620 BFR;
vi) Hoechst AG, 9 000 000 ECU, dat is 19 304 010 DM;
vii) Huels AG, 2 750 000 ECU, dat is 5 898 447,50 DM;
viii) ICI plc, 10 000 000 ECU; dat is 6 447 970 UKL;
ix) Chemische Werke Linz, 1 000 000 ECU, dat is 1 471 590 000 LIT;
x) Montedipe, 11 000 000 ECU, dat is 16 187 490 000 LIT;
xi) Petrofina SA, 600 000 ECU, dat is 26 306 100 BFR;
xii) Rhône-Poulenc SA, 500 000 ECU, dat is 3 420 950 FF;
xiii) Shell International Chemical Company Ltd, 9 000 000 ECU, dat is 5 803 173 UKL;
xiv) Solvay & Cie, 2 500 000 ECU, dat is 109 608 750 BFR;
xv) Statoil Den Norske Stats Oljeselskap AS (die nu Saga Petrokjemi omvat), 1 000 000 ECU, dat is 644 797 UKL.
Artikelen 4 en 5
(omissis)"
16 Op 8 juli 1986 werd de ondernemingen de definitieve tekst van het proces-verbaal van de hoorzittingen met de door hen verlangde wijzigingen, toevoegingen en weglatingen toegezonden.
Het procesverloop
17 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 11 augustus 1986, heeft verzoekster het onderhavige beroep tot nietigverklaring van de beschikking ingesteld. Dertien van de veertien andere adressaten van de beschikking hebben eveneens beroep tot nietigverklaring ingesteld (zaken T-1/89 tot en met T-4/89 en T-6/89 tot en met T-14/89).
18 De schriftelijke procedure is geheel voor het Hof afgewikkeld.
19 Bij beschikking van 15 november 1989 heeft het Hof de onderhavige zaak alsmede de dertien andere zaken krachtens artikel 14 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (hierna: "besluit van de Raad van 24 oktober 1988") naar het Gerecht verwezen.
20 Krachtens artikel 2, lid 3, van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 heeft de president van het Gerecht een advocaat-generaal aangewezen.
21 Bij schrijven van 3 mei 1990 heeft de griffier van het Gerecht partijen uitgenodigd voor een informele bijeenkomst teneinde de organisatie van de mondelinge behandeling vast te leggen. Deze bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 28 juni 1990.
22 Bij schrijven van 9 juli 1990 heeft de griffier van het Gerecht partijen verzocht, opmerkingen te maken over de eventuele voeging van de zaken T-1/89 tot en met T-4/89 en T-6/89 tot en met T-15/89 voor de mondelinge behandeling. Geen der partijen heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
23 Bij beschikking van 25 september 1990 heeft het Gerecht genoemde zaken wegens hun verknochtheid voor de mondelinge behandeling gevoegd overeenkomstig artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat toen ingevolge artikel 11, derde alinea, van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 van overeenkomstige toepassing was op de procedure voor het Gerecht.
24 Bij beschikking van 15 november 1990 heeft het Gerecht zich uitgesproken over de door verzoeksters in de zaken T-2/89, T-3/89, T-9/89, T-11/89, T-12/89 en T-13/89 ingediende verzoeken om vertrouwelijke behandeling, waarin het gedeeltelijk heeft bewilligd.
25 Bij tussen 9 oktober en 29 november 1990 ter griffie van het Gerecht neergelegde brieven hebben partijen geantwoord op de hun bij brieven van de griffier van 19 juli door het Gerecht gestelde vragen.
26 Gelet op de antwoorden op zijn vragen heeft het Gerecht, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
27 Tijdens de van 10 tot en met 15 december 1990 gehouden terechtzitting zijn partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij vragen van het Gerecht beantwoord.
28 De advocaat-generaal is in zijn conclusie gehoord ter terechtzitting van 10 juli 1991.
Conclusies van partijen
29 Chemie Linz concludeert dat het het Gerecht behage:
1) de op 28 mei 1986 officieel ter kennis gebrachte beschikking van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.149 - Polypropyleen) nietig te verklaren voor zover deze betrekking heeft op verzoekster;
2) subsidiair, artikel 3 van bovengenoemde beschikking nietig te verklaren voor zover de daarbij opgelegde geldboete een door het Hof te bepalen redelijk bedrag overschrijdt;
3) verweerster in de kosten van het geding te verwijzen.
De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
Ten gronde
30 Verzoeksters middelen dienen in de hierna beschreven volgorde te worden onderzocht: in de eerste plaats de middelen inzake de schending van het recht van verweer: de Commissie zou een aantal documenten waarop zij de beschikking heeft gebaseerd, niet hebben overgelegd (1), zou zich op onbetrouwbare bewijzen hebben gebaseerd (2), zou verzoekster geen volledige inzage in het dossier hebben gegeven (3), zou een aantal tegen verzoekster aangevoerde punten van bezwaar voor het eerst in de beschikking hebben geformuleerd (4), zou het definitief proces-verbaal van de hoorzittingen aan de leden van de Commissie noch aan die van het Adviescomité hebben overgelegd (5) en zou het verslag van de Raadadviseur-auditeur noch aan de Commissie, noch aan het Adviescomité noch aan verzoekster hebben overgelegd (6); in de tweede plaats de middelen inzake de vaststelling van de inbreuk, die enerzijds betrekking hebben op de door de Commissie vastgestelde feiten (1) en anderzijds op de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag op die feiten (2): de Commissie zou de inbreuk niet correct hebben gekwalificeerd (A) en zou de mededingingbeperkende gevolgen ervan verkeerd hebben beoordeeld (B); in de derde plaats de middelen inzake de motivering van de beschikking en in de vierde plaats de middelen inzake de vaststelling van de geldboete: de geldboete zou ten dele door verjaring zijn getroffen (1) en niet in verhouding staan tot de duur (2) en de zwaarte (3) van de gestelde inbreuk.
Het recht van verweer
1. Niet-overlegging van de documenten bij de mededeling van de punten van bezwaar
31 Verzoekster betoogt, dat de Commissie haar bij de mededeling van de punten van bezwaar een aantal documenten waarop zij haar beschikking heeft gebaseerd, niet heeft overgelegd, zodat zij daarover geen opmerkingen heeft kunnen maken. Het gaat om de volgende documenten: het door een werknemer van Hercules opgestelde verslag van de bijeenkomst van 13 mei 1982 (punt 15, sub b, van de beschikking); het door een werknemer van ICI opgestelde verslag van de bijeenkomst van 10 maart 1982 (punten 15, sub b, en 58 van de beschikking); een document van 6 september 1977, dat bij Solvay zou zijn aangetroffen (punt 16, voorlaatste alinea, van de beschikking); het antwoord van Shell op de mededeling van de punten van bezwaar (punt 17 van de beschikking); de antwoorden van Amoco, ATO, BASF, DSM, Hoechst, Huels en Monte op het verzoek om inlichtingen (punt 18 van de beschikking); prijsinstructies (punten 25 en 88 van de beschikking); de verslagen van twee - respectievelijk op 5 juli en 12 september 1979 gehouden - interne bijeenkomsten van Shell (punten 29 en 31 van de beschikking); een intern document van Solvay (punt 32 van de beschikking); een door Solvay op 17 juli 1981 aan haar verkoopkantoren gestuurde aanmaning (punt 35 van de beschikking); uittreksels uit de vakpers uit eind 1981 (punt 36 van de beschikking); een interne nota van ICI met betrekking tot het "solide klimaat" (punt 46 van de beschikking); een document van Shell met de titel "PP W. Europe - Pricing" en "Market quality report" (punt 49 van de beschikking); bescheiden van Shell voor het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk (punt 49 van de beschikking); een interne nota van ATO van 28 september 1983 (punt 51 van de beschikking); een niet gedateerde nota van ICI die moest dienen ter voorbereiding van een bijeenkomst met Shell in mei 1983 (punt 63, tweede alinea, van de beschikking); een bij Shell aangetroffen werkdocument met betrekking tot het eerste kwartaal van 1983 (punt 63, derde alinea, van de beschikking) en ten slotte bij ATO, DSM en Shell aangetroffen documentatie in verband met de op de bijeenkomsten besproken onderwerpen (punt 70 van de beschikking).
32 Zij voert dienaangaande drie argumenten aan: ten eerste kan de procedure van toegang tot het dossier de overlegging van de documenten niet vervangen, tenzij de Commissie tijdens die procedure aangeeft - hetgeen zij niet heeft gedaan - op welke documenten zij haar beschikking denkt te baseren; ten tweede vormt de vakpers weliswaar een voor iedereen toegankelijke bron van inlichtingen, doch dit vereist wel dat de Commissie de vindplaats van de bezwarende elementen nauwkeurig aangeeft, hetgeen zij niet heeft gedaan; ten slotte kan de Commissie niet op goede gronden stellen, dat bepaalde documenten geen betrekking hadden op verzoekster of slechts de bevestiging van reeds bekende documenten waren, daar zijzelf heeft verklaard dat het om een collectieve inbreuk gaat.
33 De Commissie voert als verweer aan, dat het door verzoekster gestelde ten dele feitelijk onjuist en voor het overige rechtens irrelevant is. Een aantal van de genoemde documenten waren voor verzoekster toegankelijk, hetzij doordat zij als bijlage bij de algemene mededeling van de punten van bezwaar waren gevoegd, hetzij doordat zij waren gepubliceerd in de vakpers, waarvan Linz niet kan beweren dat zij die niet heeft gelezen (ook al heeft de Commissie de vindplaatsen niet aangegeven), hetzij doordat zij waren overgelegd tijdens de procedure van toegang tot het dossier, die juist bedoeld was om de ondernemingen in staat te stellen, kennis te nemen van de bewijzen waarover de Commissie beschikt, en hun verweer voor te bereiden.
34 Andere documenten dienden niet te worden overgelegd, daar zij geen betrekking hadden op verzoekster of slechts de bevestiging van reeds overgelegde stukken waren.
35 Zij geeft evenwel toe, dat de in punt 63 van de beschikking genoemde, niet-gedateerde nota van ICI ter voorbereiding van een bijeenkomst met Shell alsmede het in punt 58 van de beschikking genoemde, door een personeelslid van ICI opgestelde verslag van de bijeenkomst van 10 maart 1982 bij vergissing niet zijn overgelegd. Laatstgenoemd verslag is evenwel slechts de bevestiging van een bij Hercules aangetroffen verslag van dezelfde bijeenkomst, dat wel is overgelegd (bijlage 23 bij de algemene mededeling van de punten van bezwaar, hierna: "bijl. 23 a.b."), en werd slechts ter identificatie van een eveneens overgelegde tabel gebruikt (bijl. 71 a.b.).
36 Het Gerecht stelt vast, dat het volgens de rechtspraak van het Hof niet aankomt op de documenten als zodanig, doch op de conclusies die de Commissie daaruit heeft getrokken. In zoverre deze documenten niet in de mededeling van de punten van bezwaar zijn vermeld, mocht de betrokken onderneming ervan uitgaan, dat zij voor de zaak niet van belang waren. Door een onderneming niet mee te delen dat bepaalde documenten in haar beschikking zouden worden aangevoerd, heeft de Commissie deze onderneming belet, tijdig haar standpunt over de bewijskracht van die stukken te kennen te geven. Bijgevolg kunnen deze stukken met betrekking tot die onderneming niet als geldige bewijsmiddelen worden beschouwd (arrest van 25 oktober 1983, zaak 107/82, AEG, Jurispr. 1983, blz. 3151, r.o. 27; zie laatstelijk het arrest van 3 juli 1991, zaak C-62/86, AKZO Chemie, Jurispr. 1991, blz. I-3359, r.o. 21).
37 In casu kunnen alleen de documenten die in de algemene of de individuele mededeling van de punten van bezwaar of in de brief van 29 maart 1985 werden genoemd, of de documenten die bij deze stukken waren gevoegd, maar er niet met zoveel woorden in werden genoemd, worden beschouwd als bewijsmiddelen die in het kader van de onderhavige zaak aan verzoekster kunnen worden tegengeworpen. De documenten die bij de mededelingen van de punten van bezwaar waren gevoegd, doch er niet in werden genoemd, kunnen in de beschikking slechts tegen verzoekster in stelling worden gebracht voor zover deze uit de mededelingen van de punten van bezwaar redelijkerwijze kon opmaken, welke conclusies de Commissie eruit wenste te trekken.
38 Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat van de door verzoekster genoemde stukken alleen de navolgende documenten als bewijsmiddelen tegen verzoekster kunnen worden gebruikt: de door verschillende producenten gegeven prijsinstructies (punten 25 en 88 van de beschikking) genoemd in de punten 58 en 75 van de algemene mededeling van de punten van bezwaar, die bovendien als bijlagen 19, 42, 46, 50 en 52 bij die mededeling en als bijlage bij de tot verzoekster gerichte brief van 29 maart 1985 waren gevoegd; de als bijlage 35 bij de algemene mededeling van de punten van bezwaar gevoegde en in punt 71 van die mededeling genoemde interne nota van ICI over het "solide klimaat" (punt 46 van de beschikking) en de bij ATO aangetroffen documenten (punt 70 van de beschikking) die in de punten 94 en 102 van de algemene mededeling van de punten van bezwaar worden genoemd en bovendien als bijlagen 60 en 72 bij de mededeling zijn gevoegd. De overige door verzoekster genoemde documenten kunnen niet worden beschouwd als bewijsmiddelen die in het kader van de onderhavige zaak aan deze kunnen worden tegengeworpen.
39 De vraag, of de feiten die de Commissie in de beschikking ten aanzien van verzoekster heeft vastgesteld, zonder laatstgenoemde documenten niet kunnen worden gestaafd, dient aan de orde te komen bij het onderzoek van de gegrondheid van die vaststellingen.
2. Bewijskracht van de bezwarende documenten
40 Verzoekster voert aan, dat de Commissie zich op geruchten, gewone vermoedens en veronderstellingen of niet-bestaande ervaringsregels heeft gebaseerd. Zij wijst erop, dat de verslagen van de bijeenkomsten geen goedgekeurde en ondertekende notulen zijn, maar slechts samenvattingen die de auteur ervan ruimte lieten voor interpretatie, vertekening, overdrijving of wishful thinking. Het uiteenlopend marktgedrag van de ondernemingen ontneemt die verslagen elke bewijskracht.
41 De Commissie zegt, dat zij beschikt over een samenstel van bewijzen die een periode van zes en een half jaar bestrijken en van dien aard zijn, dat zij de aan de polypropyleenproducenten verweten inbreuk kunnen bewijzen. Haar vaststellingen berusten op bewijsstukken en niet op geruchten of getuigenverklaringen. Er is met name geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verslagen van de bijeenkomsten.
42 Het Gerecht wijst erop, dat de inhoud van de van ICI afkomstige verslagen van bijeenkomsten wordt bevestigd door verschillende stukken, zoals een aantal cijfertabellen betreffende de verkoophoeveelheden van de verschillende producenten en een aantal prijsinstructies die qua bedrag en datum van inwerkingtreding overeenkomen met de in die verslagen van bijeenkomsten genoemde richtprijzen. Ook de antwoorden van de verschillende producenten op het hun door de Commissie toegestuurde verzoek om inlichtingen bevestigen grosso modo de inhoud van die verslagen.
43 Bijgevolg mocht de Commissie aannemen, dat de bij ICI gevonden verslagen van bijeenkomsten een vrij objectieve weergave waren van wat er op die bijeenkomsten was gebeurd. Daar die bijeenkomsten door verschillende personeelsleden van ICI werden voorgezeten, was het voor dezen des te meer nodig hun collega' s die de ene of de andere bijeenkomst niet hadden bijgewoond, bij wege van een verslag nauwgezet op de hoogte te brengen van wat er was gebeurd.
44 In die omstandigheden staat het aan verzoekster om aan de hand van nauwkeurige gegevens, zoals getuigenverklaringen van haar personeelsleden die de bijeenkomsten bijwoonden, of door dezen tijdens die bijeenkomsten gemaakte notities, aannemelijk te maken dat die bijeenkomsten een andere inhoud hadden. Vaststaat dat verzoekster dit niet heeft gedaan en aan het Gerecht ook niet heeft aangeboden dit te doen.
45 De kwestie, of de Commissie zich op geruchten, gewone vermoedens en veronderstellingen of niet-bestaande ervaringsregels heeft gebaseerd, valt overigens samen met de vraag, of de door de Commissie aangedragen bewijzen de in de beschikking gedane feitelijke vaststellingen schragen. Daar deze vraag de grond van de zaak raakt en verband houdt met de vaststelling van de inbreuk, dient zij later te zamen met de andere vragen betreffende de vaststelling van de inbreuk te worden behandeld.
3. Onvoldoende toegang tot het dossier
46 Verzoekster is van mening, dat zij geen inzage heeft gekregen van het gehele dossier, maar slechts van de documenten waarop de Commissie zich bij de mededeling van de punten van bezwaar heeft gebaseerd, dat wil zeggen enkel van de bezwarende documenten. Een faire behandeling van de zaak en het recht van verweer zijn slechts ten volle gewaarborgd wanneer de ondernemingen toegang hebben tot alle bezwarende en ontlastende documenten. Dit verzuim kan voor de gemeenschapsrechter niet worden hersteld.
47 Zij verklaart dienaangaande, dat zij wel weet dat uit het arrest van het Hof van 17 januari 1984 (gevoegde zaken 43/82 en 63/82, VBVB en VBBB, Jurispr. 1984, blz. 19, r.o. 25) voor de partijen in een administratieve procedure geen recht op inzage van het volledige dossier kan worden afgeleid. Dit recht wordt evenwel in verschillende Lid-Staten erkend en kan worden beschouwd als een algemeen beginsel dat de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben (in de zin van artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag). Zij verzoekt het Gerecht derhalve, deze rechtspraak te heroverwegen.
48 Zij voegt eraan toe, dat de Commissie, door verzoekster geen inzage te geven van de ontlastende documenten, in het onderhavige geval zelfs beneden de in dat arrest geformuleerde norm is gebleven.
49 De Commissie antwoordt, dat zij niet verplicht is de betrokkenen inzage te geven van het gehele dossier (arrest van het Hof van 17 januari 1984, gevoegde zaken 43/82 en 63/82, reeds aangehaald, r.o. 25). In het onderhavige geval heeft zij overigens meer gedaan dan datgene waartoe zij verplicht was, door zowel bij de mededeling van de punten van bezwaar als in haar brief van 29 maart 1985 en tijdens de procedure van toegang tot het dossier inzage te geven van alle in haar bezit zijnde stukken (voor zover het zakengeheim daaraan niet in de weg stond). Verzoeksters vraag aan de gemeenschapsrechter om de rechtspraak op dit punt te wijzigen, is derhalve nutteloos.
50 Bovendien stelt verzoekster ten onrechte, dat de Commissie slechts inzage heeft gegeven van de bezwarende documenten en alle ontlastende stukken voor zich heeft gehouden. Linz heeft overigens geen enkel bewijsstuk voor deze zware beschuldiging kunnen overleggen.
51 Het Gerecht wijst erop, dat de eerbiediging van het recht van verweer eist dat verzoekster in staat is gesteld om op passende wijze haar standpunt kenbaar te maken over alle door de Commissie in haar tot verzoekster gerichte mededelingen van de punten van bezwaar geformuleerde bezwaren alsmede over de tot staving van die bezwaren aangevoerde bewijzen die door de Commissie in haar mededelingen van de punten van bezwaar worden genoemd of er als bijlage zijn bijgevoegd (arrest van het Hof van 9 november 1983, zaak 322/81, Michelin, Jurispr. 1983, blz. 3461, r.o. 7).
52 De eerbiediging van het recht van verweer eist daarentegen niet, dat ondernemingen waartegen een procedure op grond van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag is ingeleid, de gelegenheid krijgen opmerkingen te maken over alle in het dossier van de Commissie aanwezige stukken, daar er geen voorschriften bestaan die de Commissie verplichten haar dossiers aan de betrokken partijen te doen toekomen (arrest van het Hof van 17 januari 1984, gevoegde zaken 43/82 en 63/82, reeds aangehaald, r.o. 25).
53 Opgemerkt zij evenwel, dat de Commissie door de instelling van een procedure van toegang tot het dossier in mededingingszaken, zichzelf regels heeft opgelegd die verder gaan dan hetgeen het Hof vereist. Volgens deze, in het Twaalfde verslag over het mededingingsbeleid (blz. 42 en 43) geformuleerde regels kent de Commissie
"de in een procedure verwikkelde ondernemingen voortaan de bevoegdheid toe, kennis te nemen van het hen betreffende dossier. De ondernemingen worden op de hoogte gesteld van de inhoud van het dossier van de Commissie via de toevoeging aan de mededeling van punten van bezwaar of aan de brief waarbij de klacht wordt verworpen, van een lijst van alle documenten waaruit het dossier is samengesteld, met opgave van de documenten of de delen daarvan waartoe zij toegang hebben. De ondernemingen worden uitgenodigd, de toegankelijke documenten ter plaatse te onderzoeken. Verlangt een onderneming er slechts enkele te consulteren, dan kan de Commissie haar daarvan afschriften doen toekomen. De Commissie beschouwt als vertrouwelijk, en derhalve niet-toegankelijk voor een bepaalde onderneming, de volgende documenten: documenten of delen daarvan die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten; interne documenten van de Commissie, zoals nota' s, ontwerpen of andere werkdocumenten; alle andere vertrouwelijke informatie, zoals die waardoor klagende partijen zouden kunnen worden geïdentificeerd, terwijl zij onbekend wensen te blijven, en inlichtingen welke de Commissie zijn verstrekt onder voorbehoud van geheimhouding."
Er dient op te worden gewezen, dat de Commissie niet kan afwijken van de regels die zij voor zichzelf heeft vastgesteld (arresten van het Hof van 5 juni 1973, zaak 81/72, Commissie/Raad, Jurispr. 1973, blz. 575, r.o. 9, en 30 januari 1974, zaak 148/73, Louwage, Jurispr. 1974, blz. 81).
54 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie verplicht is de bij een procedure op grond van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag betrokken partijen toegang te geven tot alle tijdens het onderzoek verzamelde bezwarende en ontlastende stukken, behalve tot de zakengeheimen van andere ondernemingen, de interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke informatie.
55 Het Gerecht stelt vast, dat de Commissie categorisch ontkent dat haar diensten hebben nagelaten, verzoekster inzage te verlenen van stukken die ontlastende informatie konden bevatten.
56 Verzoekster heeft tegen deze ontkenning niets aangevoerd dat erop kan wijzen dat de diensten van de Commissie de stukken waarvan zij verzoekster inzage hebben gegeven, hebben geselecteerd om deze laatste te beletten de door de Commissie aangevoerde bewijzen voor haar deelneming aan de inbreuk te weerleggen. Verzoekster verwijst weliswaar naar verklaringen van de rapporteur van de Commissie aan haar eigen raadsman, maar heeft niet aangetoond en evenmin aangeboden te bewijzen, dat die verklaringen zijn afgelegd en de strekking hadden die zij eraan toekent.
57 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
4. Nieuwe punten van bezwaar
58 Verzoekster betoogt, dat de Commissie, door de ondernemingen in haar beschikking deelneming aan een "kaderovereenkomst" en aan "één enkele voortgezette overeenkomst" te verwijten, zowel een feitelijke vaststelling als een juridische kwalificatie van de inbreuk verricht. De Commissie heeft tijdens de administratieve procedure evenwel op geen enkel ogenblik aangevoerd, dat de ondernemingen een "kaderovereenkomst" hadden gesloten of dat Linz aan het sluiten van een dergelijke overeenkomst had deelgenomen en zelfs niet dat Linz daar achteraf kennis van had gekregen. Ter zake van de juridische kwalificatie heeft de Commissie zich tijdens de administratieve procedure slechts in onduidelijke en tegenstrijdige bewoordingen uitgelaten.
59 Volgens verzoekster vormt de beschikking geen "aanvulling" of "aanpassing" van de door de Commissie eerder geformuleerde bezwaren (arresten van het Hof van 15 juli 1970, zaak 41/69, ACF Chemiefarma, Jurispr. 1970, blz. 661, r.o. 91 tot en met 93, en 29 oktober 1980, gevoegde zaken 209/78 tot en met 215/78 en 218/78, Van Landewyck, Jurispr. 1980, blz. 3125, r.o. 68), maar is zij gewoon een vervanging van de jegens verzoekster geformuleerde bezwaren of, in voorkomend geval, een vervanging op het gebied van de juridische motivering. De beschikking is derhalve gebaseerd op bezwaren waarover Linz geen opmerkingen heeft kunnen maken.
60 De Commissie stelt, dat het bezwaar inzake het sluiten van een kaderovereenkomst niet volledig nieuw is en evenmin verrassend in de beschikking opduikt, daar zij het in de aan verzoekster toegestuurde algemene mededeling van de punten van bezwaar (punten 128 en 132) reeds had over een "voortgezette en geïnstitutionaliseerde samenwerking", hetgeen een voldoende duidelijke beschrijving van het bestaan van een kaderovereenkomst was. Bovendien heeft zij in haar brief van 29 maart 1985 verklaard, dat zij "de mogelijkheid van een kernakkoord van de vier grootste producenten niet uitsloot" (blz. 3) en dat, wat de andere deelnemers aan de bijeenkomsten betrof, de overeenkomsten "op een voldoende gedetailleerd plan (berustten) om met een of meer overeenkomsten in de zin van artikel 85 te worden gelijkgesteld" (blz. 4).
61 Het Gerecht stelt vast, dat de door verzoekster gelaakte passages van de beschikking qua strekking samenvallen met de bezwaren die de Commissie in de toegestuurde mededelingen van de punten van bezwaar jegens verzoekster en de andere adressaten van de beschikking had geformuleerd.
62 Anders dan verzoekster stelt, wordt in punt 81 van de beschikking immers niet zonder meer vastgesteld, dat de betrokken ondernemingen hebben deelgenomen "aan een kaderovereenkomst, die concreet gestalte kreeg in een aantal concretere deelovereenkomsten die op gezette tijden werden uitgewerkt" en dat er dus sprake was van een "overeenkomst" in de zin van artikel 85, lid 1, aangezien het eerste zinsdeel wordt voorafgegaan door de woorden "In het onderhavige geval namen de producenten - door zich aan te sluiten bij een gemeenschappelijk plan om hun commerciële gedragingen op de polypropyleenmarkt te regelen -" en het tweede wordt ingeleid als volgt: "De Commissie is van mening dat het gehele complex van stelsels en regelingen, waartoe in de context van een systeem van regelmatige en geïnstitutionaliseerde bijeenkomsten werd besloten (...)". Hieruit volgt, dat de termen "kaderovereenkomst" of "overeenkomst" in de beschikking geen andere strekking hebben dan aan te geven, dat de Commissie van mening was dat de adressaten van de beschikking zich schuldig hadden gemaakt aan één enkele inbreuk bestaande uit een geïntegreerd systeem van periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten en vaststelling van richtprijzen en quota, ingegeven door één enkel economisch doel, te weten het ombuigen van de normale evolutie van de prijzen op de polypropyleenmarkt.
63 Welnu, dit is precies hetgeen wordt gezegd in de tot verzoekster en de andere adressaten van de beschikking gerichte algemene mededeling van de punten van bezwaar, met name in de punten 1, 5, 128, 132 en 151, sub a, daarvan. Punt 1 luidt als volgt:
"De onderhavige mededeling van punten van bezwaar heeft betrekking op de toepassing van artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag op een geheel van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarbij van ongeveer 1977 tot oktober 1983 de fabrikanten die het bulk thermoplastic polypropyleen op de Gemeenschappelijke Markt leveren, hun verkoop en prijsbeleid op continue en geregelde basis cooerdineerden door 'richt-' en/of minimumprijzen vast te stellen en toe te passen, de aan de markt geleverde hoeveelheden te controleren via overeengekomen 'doelen' en/of quota' s en geregeld bijeen te komen ten einde toezicht te houden op het functioneren van de genoemde concurrentiebeperkende regelingen.",
en in punt 132, laatste zin, wordt gepreciseerd:
"In feite beoogden de fabrikanten het controleren van de markt en er kwam een voortgezette en geïnstitutionaliseerde samenwerking op hoog niveau in de plaats van het normale spel van een vrije mededinging."
64 Bovendien wordt deze inhoud van de jegens verzoekster en de andere adressaten van de beschikking geformuleerde bezwaren bevestigd door de brief die hun op 29 maart 1985 is toegestuurd en op bladzijde 4 waarvan staat te lezen: "Die regelingen vormden een plan dat voldoende nauwkeurig was om met een of meer 'overeenkomsten' in de zin van artikel 85 te worden gelijkgesteld, althans ten aanzien van de bij de bijeenkomsten betrokken producenten."
65 Derhalve is het Gerecht van oordeel, dat de Commissie in de beschikking het betoog waarop zij haar bezwaren heeft gebaseerd, slechts heeft aangepast en juridisch heeft geëxpliciteerd, en verzoekster dus niet heeft belet, vóór de beschikking haar standpunt over die bezwaren kenbaar te maken.
66 Mitsdien stelt verzoekster ten onrechte, dat de Commissie haar recht van verweer heeft geschonden door in de beschikking nieuwe bezwaren jegens haar te formuleren.
5. Niet-overlegging van het proces-verbaal van de hoorzittingen
67 Verzoekster betoogt, dat het recht om te worden gehoord, is geschonden, daar vaststaat dat de leden van het Adviescomité noch die van de Commissie bij het nemen van hun beslissing beschikten over de definitieve processen-verbaal van de hoorzittingen. Zij hebben hun mening derhalve slechts kunnen vormen op basis van ontwerpen die de inhoud van de verklaringen van de ondernemingen vaak slechts zeer onvolledig weergaven.
68 Met betrekking tot de leden van het Adviescomité is het argument van de Commissie, dat de Lid-Staten op de hoorzittingen vertegenwoordigd waren, ongegrond; allereerst waren twee Lid-Staten op een van de reeksen hoorzittingen niet vertegenwoordigd; ten tweede waren de Lid-Staten op de hoorzittingen niet noodzakelijk vertegenwoordigd door de personen die hen in het Adviescomité vertegenwoordigen; ten slotte moeten de vertegenwoordigers, ook als het om dezelfde personen gaat, kunnen nagaan of zij de argumenten van de ondernemingen goed hebben onthouden.
69 Voor de leden van de Commissie was het moeilijk om kennis te nemen van de relevante argumenten van de betrokken partijen, daar zij genoodzaakt waren het eerste ontwerp van proces-verbaal naast de door de ondernemingen gevraagde wijzigingen te lezen.
70 De Commissie antwoordt, dat artikel 9, lid 4, van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1963, blz. 2268; hierna: "verordening nr. 99/63") niet aangeeft, binnen welke termijn het proces-verbaal door de ondernemingen moet worden goedgekeurd en aan welke instanties het voorlopig en het definitief proces-verbaal moeten worden overgelegd.
71 Bovendien waren de door verzoekster gevraagde wijzigingen van het ontwerp van proces-verbaal onbeduidend en zou de beschikking niet anders hebben kunnen uitvallen, indien het definitief proces-verbaal aan de leden van het Adviescomité en van de Commissie ware overgelegd. Zo er derhalve al een procedurefout was, dient zij door het Gerecht niet te worden onderzocht (arrest van het Hof van 10 juli 1980, zaak 30/78, Distillers Company, Jurispr. 1980, blz. 2229, r.o. 26).
72 Met betrekking tot het Adviescomité merkt de Commissie op, dat de leden daarvan weliswaar slechts over het voorlopig proces-verbaal beschikten, maar dat de Lid-Staten op de hoorzittingen vertegenwoordigd waren, met uitzondering van Griekenland en Luxemburg, die niet aan de tweede reeks hoorzittingen hebben deelgenomen. Voor de instanties van de Lid-Staten was het proces-verbaal dus gewoon een geheugensteun. Het was dan ook van weinig belang, of de op de hoorzittingen aanwezige ambtenaar en het lid van het Adviescomité al dan niet een en dezelfde persoon waren.
73 De leden van de Commissie beschikten niet alleen over het voorlopig proces-verbaal, maar ook over de opmerkingen die de ondernemingen daarover hadden gemaakt.
74 Het Gerecht stelt vast, dat volgens de rechtspraak van het Hof het voorlopig karakter van het aan het Adviescomité en de Commissie overgelegd proces-verbaal van de hoorzitting slechts een in de administratieve procedure begane fout - welke de beschikking waartoe zij leidt, onwettig kan maken - oplevert wanneer bedoelde tekst op zodanige wijze is geredigeerd dat bij de adressaten ervan dwaling op een punt van wezenlijk belang kan ontstaan (arrest van 15 juli 1970, zaak 44/69, Buchler, Jurispr. 1970, blz. 733, r.o. 17).
75 Met betrekking tot het aan de Commissie overgelegd proces-verbaal dient te worden opgemerkt, dat de Commissie het voorlopig proces-verbaal heeft ontvangen te zamen met de aan- en opmerkingen die de ondernemingen daarover hadden gemaakt, zodat moet worden aangenomen, dat de leden van de Commissie bij het geven van de beschikking op de hoogte waren van alle relevante gegevens van de zaak.
76 Wat het aan het Adviescomité overgelegd voorlopig proces-verbaal betreft, moet worden opgemerkt, dat verzoekster niet heeft aangegeven, op welke punten dit proces-verbaal de hoorzittingen niet eerlijk en nauwkeurig heeft weergegeven, en dat zij derhalve niet feitelijk heeft aangetoond, dat de betrokken tekst op zodanige wijze was geredigeerd, dat bij de leden van het Adviescomité dwaling op een punt van wezenlijk belang kon ontstaan.
77 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
6. Niet-overlegging van het verslag van de Raadadviseur-auditeur
78 Verzoekster verklaart, dat het verslag van de Raadadviseur-auditeur haar niet is overgelegd, ofschoon zij de Commissie daarom had gevraagd. Daardoor kan zij niet nagaan, of de Raadadviseur-auditeur in zijn verslag andere belastende omstandigheden jegens haar in aanmerking heeft genomen dan die welke in het proces-verbaal van de hoorzittingen zijn genoemd. Zij kan derhalve ook niet te weten komen, of de Commissie van dat verslag kennis heeft genomen en eventuele ontlastende uitlatingen van de Raadadviseur-auditeur in aanmerking heeft genomen. Het Gerecht zou de Commissie moeten gelasten dit verslag over te leggen.
79 Volgens de Commissie blijkt uit het mandaat van de Raadadviseur-auditeur, dat deze een belangrijke rol speelt bij de interne besluitvorming van de Commissie, en hebben de ondernemingen niet het recht te eisen, dat zij bij die besluitvorming zouden worden betrokken. Geen enkele bepaling schrijft voor dat het verslag van de Raadadviseur-auditeur moet worden overgelegd. Overlegging van dat verslag zou de vrijmoedigheid en de onafhankelijkheid van de Raadadviseur-auditeur in gevaar brengen. Bovendien heeft het Hof afwijzend beschikt op een verzoek van ICI om overlegging van dit verslag te gelasten (beschikking van 11 december 1986, zaak 212/86 R, ICI, r.o. 5 tot en met 8, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
80 Het Gerecht wijst om te beginnen op de relevante bepalingen van het als bijlage bij het Dertiende verslag over het mededingingsbeleid gevoegde mandaat van de Raadadviseur-auditeur, te weten:
"Artikel 2
De Raadadviseur-auditeur heeft tot taak de vlotte afwikkeling van de hoorzitting te verzekeren en daardoor bij te dragen tot het objectieve karakter zowel van de hoorzitting als van de eventueel te geven beschikking. Hij ziet er met name op toe dat met alle relevante feiten, ongeacht of zij al dan niet gunstig zijn voor de betrokkenen, ten volle rekening wordt gehouden bij het uitwerken van ontwerp-beschikkingen van de Commissie op het gebied van de mededinging. Hij zorgt bij de uitoefening van zijn functies voor de inachtneming van de rechten van de verdediging, daarbij terzelfder tijd rekening houdend met de noodzaak voor een doeltreffende toepassing van de mededingingsregels overeenkomstig de geldende verordeningen en de door het Hof van Justitie vastgestelde beginselen.
Artikel 5 VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER : 689A0015.1
De Raadadviseur-auditeur brengt aan de directeur-generaal van de Mededinging verslag uit over de afwikkeling van de hoorzitting en over de conclusies welke hij daaruit trekt. Hij maakt zijn opmerkingen kenbaar over het vervolg van de procedure. Deze opmerkingen kunnen ondermeer de noodzaak betreffen van een aanvulling van de beschikbare informatie, het prijsgeven van bepaalde punten van bezwaar, dan wel een aanvullende mededeling van punten van bezwaar.
Artikel 6
De Raadadviseur-auditeur kan bij de uitoefening van zijn in artikel 2 omschreven taken, indien hij dat gewenst acht, zijn opmerkingen kenbaar maken aan het lid van de Commissie dat met mededingingsaangelegenheden is belast, wanneer laatstgenoemde het voorontwerp van beschikking wordt voorgelegd dat bestemd is voor het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities.
Artikel 7
Het lid van de Commissie dat met mededingingsaangelegenheden is belast kan eventueel op verzoek van de Raadadviseur-auditeur besluiten, het door laatstgenoemde uitgebrachte slotadvies te voegen bij de ontwerp-beschikking die aan de Commissie wordt voorgelegd, ten einde te waarborgen dat de Commissie, wanneer zij zich als beschikkinggevende instantie over een individueel geval uitspreekt, volledig van alle elementen van de zaak op de hoogte is."
81 Uit de tekst zelf van het mandaat van de Raadadviseur-auditeur blijkt, dat er geen enkele verplichting bestaat om diens verslag aan het Adviescomité of aan de Commissie over te leggen. In geen enkele bepaling wordt immers voorgeschreven dat dit verslag aan het Adviescomité moet worden overgelegd. De Raadadviseur-auditeur moet weliswaar verslag uitbrengen aan de directeur-generaal van de Mededinging (artikel 5) en kan, indien hij dat gewenst acht, zijn opmerkingen rechtstreeks kenbaar maken aan het met mededingingsaangelegenheden belaste lid van de Commissie (artikel 6), dat op zijn beurt, op verzoek van de Raadadviseur-auditeur, het slotadvies van laatstgenoemde bij de aan de Commissie voorgelegde ontwerp-beschikking kan voegen (artikel 7), doch geen enkele bepaling verplicht de Raadadviseur-auditeur, de directeur-generaal van de Mededinging of het met mededingingsaangelegenheden belaste lid van de Commissie het verslag van de Raadadviseur-auditeur aan de Commissie over te leggen.
82 Verzoekster kan zich derhalve niet met succes beroepen op het feit dat het verslag van de Raadadviseur-auditeur niet aan de leden van het Adviescomité of van de Commissie is overgelegd.
83 Het Gerecht wijst er overigens op, dat het recht van verweer niet eist, dat de ondernemingen waartegen een procedure op grond van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag is ingeleid, de gelegenheid krijgen opmerkingen te maken over het verslag van de Raadadviseur-auditeur, dat een zuiver intern document van de Commissie is. Het Hof heeft dienaangaande geoordeeld, dat dit verslag voor de Commissie slechts de waarde van een niet-bindend advies heeft en dat het in die omstandigheden geen enkel element van beslissing bevat waarmee de gemeenschapsrechter bij de uitoefening van zijn toetsingsrecht rekening dient te houden (beschikking van 11 december 1986, zaak 212/86 R, ICI, r.o. 5 tot en met 8). Het recht van verweer is immers rechtens genoegzaam geëerbiedigd wanneer de verschillende bij de opstelling van de eindbeschikking betrokken instanties naar behoren op de hoogte zijn gebracht van hetgeen de ondernemingen op de hun door de Commissie meegedeelde punten van bezwaar hebben geantwoord, en van de bewijselementen die de Commissie tot staving van deze punten van bezwaar heeft aangevoerd (arrest van het Hof van 9 november 1983, zaak 322/81, reeds aangehaald, r.o. 7).
84 In dit verband moet worden opgemerkt, dat het verslag van de Raadadviseur-auditeur niet is bedoeld om het betoog van de ondernemingen aan te vullen of te corrigeren, en evenmin om nieuwe punten van bezwaar te formuleren of nieuw bewijsmateriaal tegen de ondernemingen aan te dragen.
85 Derhalve kunnen de ondernemingen aan de eerbiediging van het recht van verweer niet het recht ontlenen om te eisen dat het verslag van de Raadadviseur-auditeur hun voor het maken van opmerkingen wordt overgelegd (zie het arrest van het Hof van 17 januari 1984, gevoegde zaken 43/82 en 63/82, reeds aangehaald, r.o. 25).
86 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
De vaststelling van de inbreuk
87 Volgens punt 80, eerste alinea, van de beschikking zijn de producenten die in de EEG polypropyleen verkochten, vanaf 1977 partij geweest bij een geheel complex van stelsels, regelingen en maatregelen waartoe in het kader van een systeem van periodieke bijeenkomsten en voortdurende contacten werd besloten. De algemene opzet van de producenten - aldus punt 80, tweede alinea, van de beschikking - was bijeen te komen om overeenstemming te bereiken over specifieke onderwerpen.
88 In deze omstandigheden moet om te beginnen worden nagegaan, of de Commissie haar feitelijke vaststellingen over de bijeenkomst van een handelsassociatie van verbruikers, de European Association for Textile Polyolefins (hierna: "EATP"), van 22 november 1977 (A), het stelsel van periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten (B), de prijsinitiatieven (C), de maatregelen ter vergemakkelijking van de toepassing van de prijsinitiatieven (D) en de vaststelling van streefhoeveelheden en quota (E) rechtens genoegzaam heeft bewezen; daarbij zullen achtereenvolgens de inhoud van de bestreden handeling (a), de argumenten van partijen (b) en de beoordeling door het Gerecht (c) worden gegeven. Vervolgens wordt de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag op die feiten onderzocht.
1. De feitelijke vaststellingen
A - De EATP-bijeenkomst van 22 november 1977
a) Bestreden handeling
89 In de punten 17, vierde alinea, 78, derde alinea, en 104, tweede alinea, van de beschikking wordt gesteld, dat verzoekster, evenals Hercules, Hoechst, ICI, Rhône-Poulenc, Saga en Solvay, haar steun te kennen heeft gegeven voor het op 18 november 1977 in de vakpers (European Chemical News, hierna: "ECN") bekendgemaakte voornemen van Monte, de raffiaprijs met ingang van 1 december op te trekken naar 1,30 DM/kg. Uit hun toespraken, zoals deze in het verslag van de EATP-bijeenkomst van 22 november 1977 zijn weergegeven, blijkt, dat de door Monte vastgestelde prijs van 1,30 DM/kg door de andere fabrikanten als een algemeen "doel" van de industrietak was aanvaard.
90 Volgens punt 16, eerste en tweede alinea, van de beschikking moest deze steunbetuiging worden gezien in het licht van de besprekingen die de fabrikanten waren begonnen ten einde een aanzienlijke daling van de prijsniveaus en de daarmee gepaard gaande verliezen te voorkomen. In het kader van deze besprekingen namen de voornaamste fabrikanten, te weten Monte, Hoechst, ICI en Shell, het initiatief voor een "bodemprijsovereenkomst" die op 1 augustus 1977 moest ingaan en waarvan de details werden meegedeeld aan de overige producenten, waaronder Hercules.
91 In punt 16, vijfde en zesde alinea, van de beschikking wordt voorts verklaard, dat ICI en Shell erkennen dat er contacten waren met andere producenten om te bezien, hoe het afglijden van de prijzen kon worden tegengegaan. De Commissie heeft echter niet kunnen vaststellen, welke producenten er behalve de "grote vier" (Hoechst, ICI, Monte en Shell), Hercules en Solvay nog meer bij de destijds gehouden besprekingen betrokken waren, en zij heeft evenmin nauwkeurige details betreffende de werking van de "bodemprijsovereenkomst" kunnen verkrijgen.
92 Volgens punt 17, eerste alinea, van de beschikking begon het systeem van de regelmatige bijeenkomsten van polypropyleenproducenten ongeveer op het moment waarop Monte haar voorgenomen prijsverhoging aankondigde. ICI zelf heeft echter toegegeven, dat de producenten ook vóór die tijd al wel contact hadden, waarschijnlijk per telefoon en op een ad hoc-basis.
b) Argumenten van partijen
93 Verzoekster betoogt, dat de Commissie het verslag van de EATP-bijeenkomst van 22 november 1977 (bijl. 6 a.b.) niet als bewijs voor het bestaan van een prijskartel eind 1977 kan gebruiken. Immers, de prijs van 1,30 DM/kg noch de door de Commissie tussen aanhalingstekens geciteerde term "doel" komt in dit verslag voor. Geen enkele van de door de deelnemers aan deze bijeenkomst afgelegde verklaringen bevat enige aanwijzing voor een voorafgaand contact tussen de producenten. De aldaar genoemde samenwerking is zonder enige twijfel samenwerking tussen producenten en klanten.
94 Zij stelt, dat uit de verklaring van haar vertegenwoordiger zeer duidelijk blijkt, dat deze de beslissing van Monte om de prijzen te verhogen, slechts daags tevoren heeft vernomen en het juiste bedrag nog niet kende, en dat zij, gelet op de rampzalige toestand van haar inkomsten, genoodzaakt was de door de marktleider besloten prijsverhoging te volgen.
95 Verder voert zij aan, dat uit het verslag van de EATP-bijeenkomst geen onderlinge afstemming over een prijsverhoging kan worden afgeleid, daar die prijsverhoging door Monte reeds openlijk was aangekondigd. Bovendien vormt het feit, dat de producenten gelijklopende uitspraken deden over de tendensen op de markt, geen bewijs van samenspanning, daar die tendensen voor alle producenten dezelfde waren.
96 De Commissie verklaart, dat haar vaststelling, dat Linz in november 1977 aan het gestelde kartel begon deel te nemen, gebaseerd op het feit, dat deze onderneming haar steun te kennen gaf voor het door Monte in het openbaar aangekondigde initiatief om de prijzen vanaf december 1977 te verhogen. Dat initiatief - en de steun waarop het kon rekenen - was niet een door het toeval of de marktkrachten ingegeven parallelle gedraging, maar wel degelijk een onderling afgestemde actie. Uit het verslag van de EATP-bijeenkomst van 22 november 1977 blijkt immers, dat de door Monte aangekondigde raffiaprijs van 1,30 DM/kg reeds vóór die bijeenkomst als gemeenschappelijke richtprijs was aanvaard. Blijkens dat verslag heeft Linz op die bijeenkomst namelijk het volgende verklaard:
"Just yesterday we learnt that one of the important European polymer PP suppliers had already announced in the European Chemical News an increase in his PP polymer prices as from lst December. At the present time, I do not know exactly how much his price increase will be, but I am hoping this price increase can and will be accepted by his customers. Chemie Linz will have to follow these new prices to be in a better position to give all their customers in all applications all the supplies they require, including help in developing new and additional applications for PP polymers."
("Pas gisteren vernamen wij, dat een van de grootste Europese leveranciers van polypropyleenpolymeren reeds in European Chemical News had aangekondigd, zijn prijzen voor polypropyleenpolymeren met ingang van 1 december te verhogen. Op dit ogenblik ken ik het juiste bedrag van zijn prijsverhoging nog niet, maar ik hoop dat deze prijsverhoging door zijn klanten kan en zal worden aanvaard. Chemie Linz zal die nieuwe prijzen moeten volgen om haar positie te verbeteren ten einde in staat te zijn al haar klanten al de gevraagde kwaliteiten te leveren en hen te helpen bij de ontwikkeling van nieuwe en bijkomende toepassingen voor polypropyleenpolymeren.")
97 Gezien het feit dat de eerste contacten tussen de producenten van vóór die openbare aankondiging dateren, acht de Commissie het onwaarschijnlijk, dat Linz zich zonder voorafgaande contacten bij dat initiatief heeft aangesloten.
98 Tot - indirecte - staving van haar stelling, dat er reeds vóór de EATP-bijeenkomst van 22 november 1977 contacten tussen producenten moeten hebben bestaan, verwijst de Commissie naar een notitie (bijl. 2 a.b.) waarin verslag wordt gedaan van een telefoongesprek dat een manager van Hercules met een werknemer van een van de "grote vier" zou hebben gevoerd. Zij is namelijk van mening, dat hetgeen voor Hercules geldt, bij analogie geldt voor alle andere ondernemingen (waaronder Linz).
99 Ter terechtzitting heeft de Commissie beklemtoond, dat de verschillende producenten zich tijdens de EATP-bijeenkomst van 22 november 1977 in gelijke zin hebben uitgelaten ten einde zich als één front tegenover hun afnemers te presenteren en dezen te overtuigen van de onvermijdelijkheid van een prijsverhoging in de orde van grootte van die welke door Monte was aangekondigd.
c) Beoordeling door het Gerecht
100 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster met haar tijdens de EATP-bijeenkomst van 22 november 1977 gedane uitspraken (bijl. 6 a.b.) enerzijds haar algemene steun voor het door Monte in gang gezette prijsverhogingsbeleid heeft toegezegd en anderzijds haar concurrenten een nauwkeurige aanwijzing over haar voorgenomen marktgedrag heeft gegeven. Deze vaststellingen vinden bevestiging in het verslag van de volgende, op 26 mei 1978 gehouden EATP-bijeenkomst (bijl. 7 a.b.), waaraan verzoekster niet heeft deelgenomen. Hierin staat namelijk te lezen, hoe de verschillende producenten de na de bijeenkomst van 22 november 1977 behaalde marktresultaten beoordeelden. De omstandigheid dat de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, dat zij, afgezien van het verslag van de EATP-bijeenkomst van 22 november 1977, over geen enkel rechtstreeks bewijs van het bestaan van contacten tussen Linz en de andere producenten beschikte, doet aan deze vaststellingen niets af.
101 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen, dat verzoekster in het bijzijn van haar concurrenten haar algemene steun voor het door Monte in gang gezette prijsverhogingsbeleid heeft toegezegd (punten 17, vierde alinea, eerste zin, en 78, derde alinea, tweede zin, van de beschikking) en dat zij haar concurrenten een nauwkeurige aanwijzing over haar voorgenomen marktgedrag heeft gegeven.
B - Het stelsel van periodieke bijeenkomsten
a) Bestreden handeling
102 Volgens punt 18, eerste alinea, van de beschikking vonden in 1978 ten minste zes bijeenkomsten plaats tussen hoofdbestuurders die verantwoordelijk waren voor het algehele beleid in het polypropyleenbedrijf van enkele van de fabrikanten ("de bosses"). Dit systeem werd al snel aangevuld met bijeenkomsten op lager niveau, die werden bijgewoond door managers die over een meer gedetailleerde kennis op het gebied van de marketing beschikten ["de experts"; verwezen wordt naar het antwoord van ICI op een verzoek om inlichtingen overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 17 (bijl. 8 a.b.)]. In de beschikking wordt aan verzoekster verweten, dat zij die bijeenkomsten ten minste tot eind september 1983 regelmatig heeft bijgewoond (punt 105, vierde alinea).
103 Volgens punt 21 van de beschikking hadden deze periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten vooral ten doel, richtprijzen en verkoophoeveelheden vast te stellen en toezicht te houden op de naleving daarvan door de producenten.
b) Argumenten van partijen
104 Verzoekster betoogt, dat haar deelneming aan een kaderovereenkomst inzake een geïnstitutionaliseerd stelsel van periodieke bijeenkomsten die de hele periode bestreek, door de Commissie niet is aangetoond, daar deze niet heeft bewezen, dat de polypropyleenproducenten in 1977 door wederzijdse en overeenstemmende wilsuitingen zijn overeengekomen, elkaar regelmatig te ontmoeten om hun commercieel beleid te onderzoeken en te bepalen. De Commissie geeft zelf toe, dat de bijeenkomsten van polypropyleenproducenten slechts geleidelijk een vaste structuur hebben gekregen (punt 18 van de beschikking).
105 De bijeenkomsten vonden pas vanaf 1982 met enige regelmaat plaats. Uit deze omstandigheid kan niet worden afgeleid, dat vijf jaar eerder een stelsel van bijeenkomsten is overeengekomen. In feite ging het om informele bijeenkomsten.
106 Wat er ook van zij, het eerste bewijs van haar deelneming aan de bijeenkomsten dateert slechts van begin 1981. Derhalve kan zij niet hebben deelgenomen aan de gestelde kaderovereenkomst, waarvan het bestaan overigens voor het eerst in de beschikking is vermeld.
107 Verzoekster kan niet meer nagaan, op welke datum zij voor het eerst aan de bijeenkomsten van producenten heeft deelgenomen. Zij verklaart, dat zij niet vanaf het begin heeft deelgenomen en dat het eerste bewijs van haar aanwezigheid op een bijeenkomst uit begin 1981 dateert (bijl. 17 a.b.), en concludeert daaruit, dat haar niet de minste aansprakelijkheid voor aan die datum voorafgaande voorvallen kan worden toegeschoven.
108 Op die bijeenkomsten werd de marktsituatie tot in details besproken met het enkele doel informatie te verzamelen. De besprekingen hadden betrekking op de prijzen en de verkoophoeveelheden van iedere deelnemer en op diens aspiraties voor de toekomst.
109 Gelet op de marktsituatie hadden alle leveranciers veel belang bij een zeer transparante markt. Vooral verzoekster, die vanuit een derde land een grotendeels onbekende markt betrad, had veel informatie nodig. Zij was genoodzaakt alle mogelijke informatie over die markt te verzamelen en inzonderheid deel te nemen aan de bespreking van de marktsituatie door de producenten. Zo zij aan de bijeenkomsten heeft deelgenomen, was dit dus enkel om haar concurrenten in het oog te houden en belangrijke marktinformatie te verkrijgen.
110 Van de deelnemers werd geen enkele juridische of morele verbintenis met betrekking tot hun marktgedrag verwacht en dezen zijn ook nooit een dergelijke verbintenis aangegaan. Dit blijkt uit het feit dat, ofschoon de gestelde streefdoelen niet werden bereikt, de Commissie geen enkel geval kan noemen, waarin een deelnemer door de andere deelnemers op de vingers werd getikt omdat zijn gedrag niet in overeenstemming was met zijn verklaringen.
111 Verzoekster stelt, dat zij haar marktgedrag dus zelfstandig heeft bepaald. Het was normaal, dat zij voor de opstelling van de aan haar verkoopkantoren te geven prijsinstructies gebruik maakte van de op de bijeenkomsten verzamelde informatie. Zij gebruikte die informatie op dezelfde wijze als de informatie die zij uit studie van de markt of uit de vakpers verkreeg.
112 De Commissie wijst erop, dat verzoekster vanaf november 1977 aan prijsinitiatieven heeft deelgenomen en dat ICI in haar antwoord op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.) heeft verklaard, dat de producenten in december 1977 voor het eerst zijn bijeengekomen om hun commerciële strategie te cooerdineren en op die bijeenkomst zijn overeengekomen nieuwe bijeenkomsten te organiseren, eerst op "ad hoc"-basis en later op een meer gestructureerde wijze.
113 Aan de kaderovereenkomst is concreet gestalte gegeven door de instelling van een stelsel van geïnstitutionaliseerde bijeenkomsten om de commerciële strategie van de verschillende producenten te bespreken. Die overeenkomst is versterkt door bijzondere overeenkomsten over concrete maatregelen op het gebied van de prijzen en, in voorkomend geval, door quota-overeenkomsten of door een systeem van "account leadership".
114 Zij stelt, dat Linz wel vóór 1981 aan de bijeenkomsten heeft deelgenomen en voert daarvoor twee bewijzen aan. Enerzijds is er het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen, waarin ICI Linz heeft gerangschikt onder de regelmatige deelnemers aan de bijeenkomsten zonder beperking in de tijd (anders dan zij heeft gedaan voor - bij voorbeeld - Anic en Rhône-Poulenc, die slechts gedurende een bepaalde periode aan de bijeenkomsten zouden hebben deelgenomen, en voor Hercules, die slechts nu en dan een bijeenkomst zou hebben bijgewoond) en het begin van die bijeenkomsten in december 1977 heeft gesitueerd. Anderzijds is er een bij ICI aangetroffen niet-gedateerde tabel met als kop "Producers' Sales to West Europe" ("Verkoop in West-Europa") (bijl. 55 a.b.) waarin voor alle Westeuropese polypropyleenproducenten de verkoopcijfers, uitgedrukt in kiloton voor 1976, 1977 en 1978, worden gegeven en die kolommen bevat met als kop "1979 actual" ("werkelijke cijfers 1979") en "revised target" ("herziene streefhoeveelheid"). Deze tabel bevat informatie die als zakengeheim strikt moest worden beschermd, en kan derhalve niet zonder medewerking van Linz zijn opgesteld.
115 Dat de regelmatige deelnemers aan de bijeenkomsten nu en dan een bijeenkomst niet bijwoonden, belet niet dat dezen als partij bij het geheel van overeenkomsten kunnen worden beschouwd, daar de samenspanning over de prijzen permanent was en de prijsinitiatieven zich in de regel over een periode van verschillende maanden uitstrekten.
116 Wat het doel van de bijeenkomsten betreft, betwist de Commissie, dat de bijeenkomsten enkel dienden om informatie uit te wisselen en dat Linz noch de andere producenten van plan waren hun marktgedrag aan de genomen besluiten aan te passen. In feite hebben de producenten de op de bijeenkomsten getroffen besluiten door middel van regelmatige prijsinstructies ten uitvoer gelegd; dit is een voldoende bewijs van hun wil tot samenwerking, die ook in de talrijke verslagen van de bijeenkomsten tot uiting komt.
117 Uit een in het filiaal van Linz te Muenchen gevonden nota (bijl. 21 a.b.) blijkt overduidelijk, welk voordeel Linz uit haar regelmatige contacten met haar concurrenten hoopte te halen. Waarom zouden de ondernemingen overigens jarenlang regelmatig bijeenkomsten hebben georganiseerd en de polypropyleenprijzen in alle Europese valuta' s tot achter de komma hebben berekend, indien het er enkel om ging volstrekt onbetrouwbare informatie te verzamelen zonder verbintenissen aan te gaan?
118 Ten slotte stelt zij, dat verzoeksters argument als zou geen kritiek zijn geleverd op de deelnemers aan de bijeenkomsten die de overeengekomen streefdoelen niet haalden, wordt tegengesproken door tal van stukken uit het dossier, zoals het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen, een aantal verslagen van bijeenkomsten waarin melding wordt gemaakt van kritiek - gelijk de verslagen van de bijeenkomsten van 21 september en 2 december 1982 (bijl. 30 en 33 a.b.) - of een nota van ICI uit 1981 (bijl. 64 a.b.) waarin wordt gezegd, dat op sommige producenten pressie moest worden uitgeoefend.
c) Beoordeling door het Gerecht
119 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster, anders dan twee andere producenten, in het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.) wordt gerangschikt onder degenen die regelmatig aan de bijeenkomsten van "bosses" en "experts" deelnamen. Dit antwoord moet aldus worden uitgelegd, dat daaruit blijkt dat verzoekster van in den beginne heeft deelgenomen aan het stelsel van bijeenkomsten van "bosses" en "experts", dat eind 1978 of begin 1979 is ingesteld.
120 Het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen wordt op dit punt bevestigd door de vermelding in verschillende bij ICI en ATO aangetroffen tabellen (bijl. 55 tot en met 61 a.b.) van verzoeksters naam met daarnaast haar verkoopcijfers voor verschillende maanden en jaren. In hun antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht hebben de meeste verzoeksters immers erkend, dat de bij ICI, ATO en Hercules gevonden tabellen niet hadden kunnen worden opgesteld op basis van de statistieken van het Fides-systeem voor de uitwisseling van gegevens, en ICI heeft in haar antwoord op het verzoek om inlichtingen overigens met betrekking tot een van die tabellen opgemerkt, dat "the source of information for actual historic figures in this table would have been the producers themselves" ("de in deze tabel opgenomen reeds gerealiseerde cijfers moeten wel afkomstig zijn van de producenten zelf"). Bovendien heeft verzoekster, toen haar in de procedure voor het Gerecht ernstige aanwijzingen werden tegengeworpen, nooit met zoveel woorden ontkend dat zij aanwezig was op de bijeenkomsten, en zij heeft evenmin gesteld dat die bijeenkomsten niet hebben plaatsgevonden.
121 Met betrekking tot de vraag, of verzoekster aan de in 1978 gehouden bijeenkomsten heeft deelgenomen, merkt het Gerecht op, dat uit punt 18 van de beschikking gelezen in samenhang met de tot Linz gerichte individuele mededeling van de punten van bezwaar blijkt, dat aan Linz deelneming aan die bijeenkomsten is verweten.
122 In haar verzoekschrift heeft Linz dienaangaande opgemerkt, "dat de Commissie weliswaar stelt dat er in 1978 zes bijeenkomsten zijn gehouden, maar niet aangeeft waar en wanneer die hebben plaatsgevonden, wie eraan heeft deelgenomen en waarover werd gesproken, en geen enkel bewijs omtrent die overeenkomsten verstrekt. Verzoekster weet van dergelijke overeenkomsten niets af."
123 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster, in plaats van te ontkennen dat zij aan de in 1978 gehouden bijeenkomsten heeft deelgenomen, aanvoert dat de Commissie daaromtrent geen bewijzen heeft en dat zijzelf over geen informatie beschikt.
124 Dat er in 1978 bijeenkomsten van producenten hebben plaatsgevonden, blijkt evenwel uit het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen, waarin staat te lezen : "During the first year (1978) about six 'ad hoc' meetings took place at about two monthly intervals between the Senior Managers responsible for the polypropylene business of some producers" ("Tijdens het eerste jaar (1978) vonden met tussenpozen van ongeveer twee maanden zes 'ad hoc' -bijeenkomsten van de directeurs van de polypropyleendivisies van sommige producenten plaats"). Verder wordt daarin gezegd, dat de eerste bijeenkomst heeft plaatsgevonden omstreeks december 1977, dat wil zeggen onmiddellijk na de door Linz bijgewoonde EATP-bijeenkomst van 22 november 1977 ("Because of the problems facing the polypropylene industry (...) a group of producers met in about December 1977 to discuss what, if any, measures could be pursued in order to reduce the burden of the inevitable heavy losses about to be incurred bij them"; "Wegens de problemen in de polypropyleensector (...), kwamen een aantal producenten omstreeks december 1977 bijeen om te bespreken, of - en zo ja welke - maatregelen konden worden getroffen om de zware verliezen die zij onvermijdelijk zouden lijden, zo gering mogelijk te houden").
125 Ook nadat zij met dit bewijs was geconfronteerd, heeft verzoekster haar deelneming aan die bijeenkomsten niet ontkend, maar zij heeft in repliek aangevoerd:
"Ook al zouden deze verklaringen (voorkomend in het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen) juist zijn, dan nog kan daaruit niet worden afgeleid, dat er van in den beginne een algemene kaderovereenkomst bestond (...)".
126 Verder stelt het Gerecht vast, dat de in 1978 en de daaraanvolgende jaren gehouden bijeenkomsten hetzelfde doel hadden als de EATP-bijeenkomsten, te weten het bespreken van maatregelen ter beperking van de verliezen van de polypropyleenproducenten. In het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen staat immers te lezen:
"It was felt to be essential for producers to consider appropriate means of alleviating this impending crisis which could, unless controlled in some way, lead eventually to the collapse of the polypropylene industry. It was proposed that future meetings of those producers who wished to attend should be called on an 'ad hoc' basis in order tot exchange and develop ideas to tackle these problems (...). Generally speaking however, the concept of recommending 'Target Prices' was developed during the early meetings which took place in 1978 (...)".
["Het leek de producenten van fundamenteel belang, passende maatregelen te overwegen om het hoofd te bieden aan deze crisis, die, indien zij niet op de ene of andere manier onder controle werd gekregen, tot de ondergang van de polypropyleenindustrie kon leiden. Voorgesteld werd, in de toekomst voor belangstellende producenten op 'ad hoc' -basis bijeenkomsten te beleggen om ideeën over het aanpakken van deze problemen uit te wisselen en te ontwikkelen (...). Globaal genomen, is de idee om 'richtprijzen' aan te bevelen, ontstaan tijdens de eerste bijeenkomsten, die in 1978 plaatsvonden(...)".]
127 Tijdens de EATP-bijeenkomst van 22 november 1977 verklaarden de verschillende producenten evenwel, dat de prijzen te laag waren en dat zij deze niet konden blijven dragen. Linz verklaarde het volgende:
"We are sure that you all know the current low PP price level and we hope also that you know that such a price level is far below the level needed to break even. There has been no reasonable return for PP polymer producers for too long a period and we at Chemie Linz do not and cannot believe that Polymer manufacturers can and will accept such an extremely low price level any longer."
("Wij zijn ervan overtuigd, dat jullie allen weten dat de polypropyleenprijzen thans zeer laag zijn, en wij hopen, dat jullie ook beseffen dat die prijzen ver beneden de kostprijs liggen. De polypropyleenproducenten hebben reeds lange tijd geen redelijke winst meer gemaakt en Chemie Linz gelooft niet en kan ook niet geloven, dat de polymeerproducenten nog langer een dergelijke zeer lage prijs zullen aanvaarden.")
De producenten hebben ook beklemtoond, dat de prijzen moesten worden verhoogd en hebben de door Monte aangekondigde prijsverhoging gesteund.
128 Het Gerecht is derhalve van oordeel, dat de in 1978 en de daaraanvolgende jaren gehouden bijeenkomsten voor de producenten het verlengstuk waren van hun op de EATP-bijeenkomst van 22 november 1977 afgelegde verklaringen.
129 Vaststaat overigens, dat uit het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen blijkt, dat die bijeenkomsten het vertrekpunt vormden van het stelsel van bijeenkomsten van "bosses" en "experts", bij de organisatie en het doel waarvan verzoekster vanaf eind 1978 of begin 1979 betrokken was. In dat antwoord staat immers te lezen:
"By late 1978/early 1979 it was determined that the 'ad hoc' meetings of Senior Managers (' Bosses' ) (of 1978) should be supplemented by meetings of lower level managers with more marketing knowledge (' Experts' )."
["Eind 1978/begin 1979 werd besloten, dat de 'ad hoc' -bijeenkomsten van Senior Managers (' Bosses' ) (van 1978) moesten worden aangevuld met bijeenkomsten van lagere managers die meer wisten van marketing (' Experts' )."]
Er dient aan te worden herinnerd, dat de in het kader van het stelsel van bijeenkomsten van "bosses" en "experts" ten uitvoer gelegde idee om richtprijzen aan te bevelen, tijdens de bijeenkomsten van 1978 was gerijpt.
130 Bijgevolg stelt het Gerecht vast, dat aangezien verzoekster enerzijds aan de EATP-bijeenkomst van 22 november 1977 en anderzijds aan het stelsel van bijeenkomsten van "bosses" en "experts" heeft deelgenomen, de Commissie mocht aannemen, dat verzoekster had deelgenomen aan de in 1978 gehouden bijeenkomsten, die voor de producenten het verlengstuk van hun op de EATP-bijeenkomst van 22 november 1977 afgelegde verklaringen vormden en hun in staat hebben gesteld het stelsel van bijeenkomsten van "bosses" en "experts" in te voeren.
131 Het Gerecht is van mening, dat de Commissie op basis van de in het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen vervatte gegevens, die door tal van verslagen van bijeenkomsten zijn bevestigd, terecht heeft geoordeeld, dat de bijeenkomsten inzonderheid tot doel hadden, richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen. Dit antwoord bevat immers de navolgende passages:
"Generally speaking however, the concept of recommending 'Target Prices' was developed during the early meetings which took place in 1978"; "' Target prices' for the basic grade of each principal category of polypropylene as proposed by producers from time to time since 1 January 1979 are set forth in Schedule (...)";
en
"A number of proposals for the volume of individual producers were discussed at meetings."
["Globaal genomen, is de idee om 'richtprijzen' aan te bevelen, ontstaan tijdens de eerste bijeenkomsten, die in 1978 plaatsvonden"; "De 'richtprijzen' , die vanaf 1 januari 1979 van tijd tot tijd door de producenten voor de basiskwaliteit van elk van de belangrijkste categorieën polypropyleen zijn voorgesteld, zijn weergegeven in bijlage (...)"]
en
("Een aantal voorstellen betreffende de verkoophoeveelheden van de verschillende producenten werd tijdens de bijeenkomsten besproken.")
132 Waar ICI in haar antwoord op het verzoek om inlichtingen verklaart, dat er vanaf eind 1978 of begin 1979 naast de bijeenkomsten van "bosses" ook bijeenkomsten van "experts" op het gebied van marketing plaatsvonden, kan uit dat antwoord bovendien worden opgemaakt, dat de discussies over de vaststelling van richtprijzen en verkoophoeveelheden steeds concretere en preciezere vormen aannamen, terwijl de "bosses" zich in 1978 ertoe hadden beperkt, het idee van de richtprijzen uit te werken.
133 Behalve bovengenoemde passages staat in het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen nog te lezen: "Only 'Bosses' and 'Experts' meetings came to be held on a monthly basis (...)" ["Alleen de bijeenkomsten van 'bosses' en 'experts' vonden maandelijks plaats (...)"]. De Commissie mocht daaruit afleiden, dat die bijeenkomsten, gezien het feit dat zij hetzelfde karakter en hetzelfde doel hadden, deel uitmaakten van een stelsel van periodieke bijeenkomsten.
134 Verzoekster voert hiertegen als verweer aan, dat zij aan de bijeenkomsten heeft deelgenomen zonder de bedoeling om de mededinging te beperken. Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat verzoekster, nu is aangetoond dat zij aan die bijeenkomsten heeft deelgenomen en dat deze inzonderheid tot doel hadden richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen, haar concurrenten althans de indruk heeft gegeven dat zij met hetzelfde oogmerk als zij aan de bijeenkomsten deelnam.
135 In die omstandigheden staat het aan verzoekster, aannemelijk te maken dat zij aan de bijeenkomsten heeft deelgenomen zonder de bedoeling om de mededinging te beperken, door aan te tonen dat zij haar concurrenten heeft meegedeeld dat zij met een heel ander doel dan het hunne aan die bijeenkomsten deelnam.
136 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de argumenten inzake haar marktgedrag, die verzoekster aanvoert tot staving van haar stelling, dat zij slechts aan de bijeenkomsten deelnam om informatie te verkrijgen, niet aannemelijk kunnen maken, dat zij niet de bedoeling had om de mededinging te beperken, aangezien daaruit niet blijkt dat verzoekster haar concurrenten heeft meegedeeld, dat haar marktgedrag los zou staan van wat er op de bijeenkomsten wordt besloten. Zelfs al zouden haar concurrenten dit hebben geweten, dan nog vormt het enkele feit van met deze concurrenten informatie uit te wisselen die een onafhankelijke marktdeelnemer streng geheim houdt, een voldoende bewijs voor verzoeksters bedoeling om de mededinging te beperken.
137 Daarbij komt dat, anders dan verzoekster stelt, uit de verslagen van de bijeenkomsten blijkt, dat kritiek werd geleverd op producenten die zich volgens de deelnemers niet aan de resultaten van de bijeenkomsten hadden gehouden. Zo staat in het verslag van de bijeenkomst van 21 september 1982 (bijl. 30 a.b.) te lezen:
"Anic were seen as a problem in September (...) Pressure was needed + Z. was asked to get M. to speak to C. Sales to Italy were a potential problem + pressure was needed on Shell Italy to restrain themselves to the agreed levels for October"
["In september werd Anic als een probleem beschouwd (...) Er moest pressie worden uitgeoefend + Z. werd gevraagd M. ertoe te bewegen met C. te praten. De verkoop naar Italië kon een probleem opleveren + Shell Italië moest worden geprest zich aan de voor oktober overeengekomen niveaus te houden."]
en in dat van de bijeenkomst van 2 december 1982 (bijl. 33 a.b.): "Hercules said that they would not attend in future in view of criticism from the Dutch + Germans" ("Hercules heeft gezegd de bijeenkomsten niet meer te zullen bijwonen wegens de door de Nederlanders en de Duitsers geleverde kritiek").
138 Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen, dat verzoekster tussen 1978 en september 1983 regelmatig heeft deelgenomen aan de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten, dat die bijeenkomsten inzonderheid ten doel hadden richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen en stelselmatig plaatsvonden en dat verzoekster niet zonder de bedoeling om de mededinging te beperken aan die bijeenkomsten heeft deelgenomen.
C - De prijsinitiatieven
a) Bestreden handeling
139 Volgens de beschikking (punten 28 tot en met 51) zijn er in de betrokken periode zes prijsinitiatieven geweest, gericht op het stelselmatig vaststellen van richtprijzen: het eerste van juli tot en met december 1979, het tweede van januari tot en met mei 1981, het derde van augustus tot en met december 1981, het vierde in juni en juli 1982, het vijfde van september tot en met november 1982 en het zesde van juli tot en met november 1983.
140 Met betrekking tot het eerste prijsinitiatief merkt de Commissie in punt 29 van de beschikking op, dat er geen nader bewijsmateriaal voorhanden is van in het eerste deel van 1979 gehouden bijeenkomsten of genomen prijsinitiatieven. Uit een aantekening over een op 26 en 27 september 1979 gehouden bijeenkomst zou evenwel blijken, dat een prijsinitiatief in het voornemen lag op basis van een prijs voor raffiakwaliteit van 1,90 DM/kg vanaf 1 juli en 2,05 DM/kg vanaf 1 september. De Commissie beschikt over prijsinstructies van bepaalde producenten, waaronder Linz, waaruit blijkt dat die producenten hun verkoopkantoren instructie hadden gegeven, dit prijsniveau of het equivalent daarvan in nationale valuta toe te passen met ingang van 1 september. De meeste van die instructies zijn gegeven vóór de bekendmaking van de voorgenomen verhoging in de vakpers (punt 30 van de beschikking).
141 Aangezien het moeilijk bleek te zijn, de prijzen te verhogen, hebben de producenten echter op de bijeenkomst van 26 en 27 september 1979 besloten de datum voor de invoering van de richtprijs met enkele maanden te verschuiven, en wel naar 1 december 1979, waarbij volgens het nieuwe programma de toen geldende prijsniveaus nog moesten worden "aangehouden" gedurende de maand oktober, met de mogelijkheid van een tussentijdse gedeeltelijke stijging (tot 1,90 of 1,95 DM/kg) in november (punt 31, eerste en tweede alinea, van de beschikking).
142 Wat het tweede prijsinitiatief betreft, werden volgens punt 32 van de beschikking over 1980 geen aantekeningen verkregen over bijeenkomsten, hoewel in dat jaar ten minste zeven vergaderingen van fabrikanten werden gehouden (hiervoor wordt verwezen naar tabel 3 van de beschikking). Ofschoon de vakpers in het begin van het jaar had geschreven, dat de fabrikanten voor een sterke prijsstijging in 1980 waren, zijn de marktprijzen aanzienlijk gedaald - tot het niveau van 1,20 DM/kg of minder - alvorens ze zich rond september van dat jaar begonnen te stabiliseren. Uit door sommige producenten (DSM, Hoechst, Linz, Monte, Saga en ICI) verzonden prijsinstructies blijkt, dat met het oog op het herstel van het prijsniveau doelen werden gesteld voor december 1980 tot en met januari 1981, gebaseerd op een prijs van 1,50 DM/kg voor raffia, 1,70 DM/kg voor homopolymeer en 1,95 à 2,00 DM/kg voor copolymeer. In een intern document van Solvay is een tabel opgenomen, waarin de in oktober en november 1980 "werkelijk toegepaste prijzen" worden vergeleken met hetgeen de "catalogusprijzen" voor januari 1981 van 1,50/1,70/2,00 DM bij wordt genoemd. Oorspronkelijk was het de bedoeling geweest, deze niveaus toe te passen met ingang van 1 december 1980 - van 13 tot 15 oktober vond te Zuerich een bijeenkomst plaats -, maar het initiatief werd uitgesteld tot 1 januari 1981.
143 Volgens punt 33 van de beschikking nam Linz deel aan een van de twee in januari 1981 gehouden bijeenkomsten waarop werd besloten, dat de in december 1980 vastgestelde prijsstijging, gebaseerd op een raffiaprijs van 1,75 DM/kg - die op 1 februari 1981 van kracht zou moeten worden -, in twee etappes moest worden doorgevoerd: de richtprijs voor februari bleef op 1,75 DM/kg en de prijs van 2,00 DM/kg moest "zonder uitzondering" worden ingevoerd met ingang van l maart. Er werd een tabel opgesteld van de richtprijzen in zes nationale valuta' s voor de zes voornaamste kwaliteiten, die op 1 februari en 1 maart 1981 van kracht moesten worden. Uit documenten van Linz blijkt, dat deze fabrikanten stappen ondernamen om de voor februari en maart vastgestelde prijzen in te voeren.
144 Volgens punt 34 van de beschikking scheen het voornemen om de prijs op 1 maart op te trekken tot 2,00 DM/kg, geen succes te hebben gehad. De fabrikanten wijzigden hun verwachtingen en hoopten het niveau van 1,75 DM/kg in maart te bereiken. Op 25 maart 1981 werd in Amsterdam een bijeenkomst van "experts" gehouden, waarvan geen notulen bewaard zijn gebleven. Onmiddellijk daarna gaven in elk geval BASF, DSM, ICI, Monte en Shell instructies om de richtprijzen (of "catalogusprijzen") met ingang van 1 mei op te trekken tot het equivalent van 2,15 DM/kg voor raffia. Hoechst gaf precies dezelfde instructies voor 1 mei, doch ongeveer vier weken na de andere fabrikanten. Enkele fabrikanten stonden hun verkoopkantoren een zekere soepelheid toe voor de toepassing van minimum- of bodemprijzen die iets beneden de overeengekomen richtprijzen lagen. Gedurende de eerste helft van 1981 zijn de prijzen aanzienlijk gestegen, maar ondanks het feit dat de verhoging van 1 mei sterk werd gesteund door de fabrikanten, hield die opwaartse beweging geen stand. Tegen midden 1981 liepen de fabrikanten vooruit op ofwel een stabilisatie van het prijsniveau of zelfs een neerwaartse beweging, aangezien de vraag in de zomer was afgenomen.
145 Met betrekking tot het derde prijsinitiatief vermeldt de beschikking (punt 35), dat Shell en ICI reeds in juni 1981, toen duidelijk werd dat de prijsstijging van het eerste kwartaal afnam, een nieuw prijsinitiatief hadden gepland voor september/oktober 1981. Shell, ICI en Monte kwamen op 15 juni 1981 bijeen om te bespreken hoe op de markt hogere prijzen konden worden toegepast. Binnen enkele dagen na die bijeenkomst gaven ICI en Shell beide hun verkoopkantoren opdracht, de markt voor te bereiden op een aanzienlijke stijging in september, op grond van een nieuwe prijs van 2,30 DM/kg voor raffia. Op 17 juli 1981 herinnerde Solvay haar verkoopkantoor in de Benelux eraan, dat het de klanten ervan moest verwittigen dat op 1 september een aanzienlijke prijsverhoging van kracht zou worden, waarvan het precieze bedrag in de laatste week van juli zou worden vastgesteld, terwijl er voor 28 juli 1981 een bijeenkomst van "experts" was gepland. Het oorspronkelijke voornemen om de prijs te verhogen tot 2,30 DM/kg in september 1981 werd (waarschijnlijk op die bijeenkomst) herzien; het niveau voor augustus zou weer 2,00 DM/kg voor raffia bedragen. In september zou de prijs 2,20 DM/kg hebben moeten bedragen. Een met de hand geschreven nota die bij Hercules werd verkregen en gedateerd was op 29 juli 1981 (de dag na de bijeenkomst, die Hercules hoogstwaarschijnlijk niet bijwoonde), bevat een overzicht van deze prijzen als zijnde de "officiële" prijzen voor augustus en september, waarbij in cryptische bewoordingen naar de bron van die informatie wordt verwezen. Op 4 augustus vond weer een bijeenkomst plaats te Genève en op 21 augustus 1981 te Wenen. Na deze bijeenkomsten werden door de fabrikanten nieuwe instructies gegeven om met ingang van 1 oktober naar een prijs van 2,30 DM/kg toe te gaan. BASF, DSM, Hoechst, ICI, Monte en Shell gaven nagenoeg eensluidende prijsinstructies met het oog op de invoering van deze prijzen in september en oktober.
146 Volgens punt 36 van de beschikking werd het plan opgevat om in de loop van september en oktober 1981 te gaan in de richting van een "basisprijs"-niveau van 2,20 à 2,30 DM/kg voor raffia. Uit een document van Shell blijkt, dat oorspronkelijk een nog verdere etappegewijze verhoging tot 2,50 DM/kg op 1 november ter sprake was gebracht, waarvan men echter vervolgens had afgezien. Uit rapporten van de diverse fabrikanten blijkt, dat in september de prijzen stegen en dat die stijging tot in oktober 1981 bleef doorgaan, waarbij uiteindelijk marktprijzen werden bereikt van ongeveer 2,00 à 2,10 DM/kg voor raffia. Uit een nota van Hercules blijkt, dat in december 1981 de richtprijs van 2,30 DM/kg naar beneden werd bijgesteld tot het meer realistische bedrag van 2,15 DM/kg. In die nota werd echter tevens gesteld, dat "door algemene vastberadenheid de prijzen stegen tot 2,05 DM/kg, welke prijzen nog nooit zo dicht hadden gelegen bij de openbaar gemaakte (sic!) richtprijzen". Tegen eind 1981 werd in de vakpers melding gemaakt van polypropyleenmarktprijzen van 1,95 à 2,10 DM/kg voor raffia, ongeveer 20 Pfennig beneden de richtprijs van de fabrikanten. Vermeld werd, dat de produktiecapaciteit werd benut voor een "gezonde" 80 %.
147 Het vierde prijsinitiatief (juni-juli 1982) vond plaats in het kader van het herstel van het evenwicht tussen vraag en aanbod op de markt. Tot dat initiatief was besloten tijdens de op 13 mei 1982 gehouden bijeenkomst van fabrikanten, die door Linz werd bijgewoond. Tijdens die bijeenkomst werd een gedetailleerde tabel opgesteld met richtprijzen voor 1 juni, waarin de prijzen voor de verschillende kwaliteiten polypropyleen werden aangegeven in de diverse nationale valuta' s (2,00 DM/kg voor raffia) (punten 37 tot en met 39, eerste alinea, van de beschikking).
148 Na de bijeenkomst van 13 mei 1982 gaven ATO, BASF, Hoechst, Hercules, Huels, ICI, Linz, Monte en Shell prijsinstructies die, op enkele onbelangrijke uitzonderingen na, overeenkwamen met de tijdens de bijeenkomst vastgestelde richtprijzen (punt 39, tweede alinea, van de beschikking). Toen zij op 9 juni 1982 bijeenkwamen, konden de fabrikanten slechts bescheiden prijsverhogingen rapporteren.
149 Volgens de beschikking (punt 40) nam verzoekster ook deel aan het vijfde prijsinitiatief (september-november 1982), waartoe tijdens de bijeenkomst van 20 en 21 juli 1982 werd besloten en dat erop gericht was, de prijs te verhogen tot 2,00 DM/kg op 1 september en tot 2,10 DM/kg op 1 oktober. Linz was aanwezig op de meeste, zo niet alle, bijeenkomsten die van juli tot november 1982 werden gehouden en waarop genoemd prijsinitiatief werd gepland en gevolgd (punt 45 van de beschikking). Tijdens de bijeenkomst van 20 augustus 1982 werd de voor 1 september geplande prijsverhoging uitgesteld tot 1 oktober en die beslissing werd op de bijeenkomst van 2 september 1982 bevestigd (punt 41 van de beschikking).
150 Na de bijeenkomsten van 20 augustus en 2 september 1982 gaven ATO, DSM, Hercules, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte en Shell prijsinstructies die overeenkwamen met de tijdens die bijeenkomsten voorgestelde richtprijs (punt 43 van de beschikking).
151 Volgens de beschikking (punt 44) vond er op 21 september 1982 een bijeenkomst plaats, waaraan verzoekster deelnam en waarop werd gesproken over de stappen die waren genomen om het eerder vastgestelde doel te bereiken. Er bleek algemene instemming te bestaan over een voorstel om de prijs met ingang van november-december 1982 te verhogen tot 2,10 DM/kg. Die verhoging is definitief geworden op de bijeenkomst van 6 oktober 1982.
152 Na de bijeenkomst van 6 oktober 1982 gaven BASF, DSM, Hercules, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte, Shell en Saga prijsinstructies om de overeengekomen verhoging toe te passen (punt 44, tweede alinea, van de beschikking).
153 In navolging van ATO, BASF, DSM, Hercules, Hoechst, Huels, ICI, Monte en Saga verstrekte verzoekster de aan haar plaatselijke verkoopkantoren gegeven prijsinstructies aan de Commissie. De verschillende prijsinstructies kwamen qua bedrag en tijdstip niet alleen met elkaar overeen, maar ook met de tabel van richtprijzen die aan de door ICI opgestelde notulen van de "experts"-bijeenkomst van 2 september 1982 was gehecht (punt 45, tweede alinea, van de beschikking).
154 Tijdens de bijeenkomst van december 1982 werd overeengekomen, dat het voor november-december gestelde streefniveau tegen eind januari 1983 moest zijn ingevoerd (punt 46, tweede alinea, van de beschikking).
155 Volgens punt 47 van de beschikking heeft verzoekster tot slot ook aan het zesde prijsinitiatief (juli-november 1983) deelgenomen. Tijdens de bijeenkomst van 3 mei 1983 werd overeengekomen, dat de fabrikanten zouden trachten in juni 1983 een richtprijs van 2,00 DM/kg te berekenen. Op de bijeenkomst van 20 mei 1983 werd dit aanvankelijk gestelde doel echter uitgesteld tot september en werd als tussenstap een doel van 1,85 DM/kg met ingang van 1 juli gesteld. Tijdens een op 1 juni 1983 gehouden bijeenkomst bevestigden de aanwezige fabrikanten - waaronder Linz - vervolgens hun volledige instemming met een stijging tot 1,85 DM/kg. Daarbij werd overeengekomen, dat Shell in het openbaar zou leiden in ECN.
156 Volgens punt 49 van de beschikking gaven ICI, DSM, BASF, Hoechst, Linz, Shell, Hercules, ATO, Petrofina en Solvay na de bijeenkomst van 20 mei 1983 instructies aan hun verkoopkantoren om met ingang van 1 juli een prijs van 1,85 DM/kg voor raffia toe te passen. Van ATO en Petrofina werden slechts onvolledige prijsinstructies verkregen, maar die bevestigen dat deze producenten het nieuwe prijsniveau toepasten, zij het in het geval van Petrofina en Solvay met enige vertraging. Met uitzondering van Huels (waarvan de Commissie geen prijsinstructies voor juli 1983 heeft gevonden) blijken derhalve alle producenten die de bijeenkomsten hadden bijgewoond dan wel hun steun hadden toegezegd voor de nieuwe richtprijs van 1,85 DM/kg, instructies te hebben gegeven om de nieuwe prijs toe te passen.
157 Volgens punt 50 van de beschikking vonden er verder nog vergaderingen plaats op 16 juni, 6 en 21 juli, 10 en 23 augustus en 5, 15 en 29 september 1983, die door alle vaste deelnemers werden bijgewoond. Eind juli en begin augustus 1983 deden BASF, DSM, Hercules, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Solvay, Monte en Saga aan hun diverse nationale verkoopkantoren prijsinstructies toekomen (gebaseerd op een raffiaprijs van 2,00 DM/kg), die met ingang van 1 september van kracht zouden worden. In een interne nota van Shell van 11 augustus, betreffende haar prijzen in het Verenigd Koninkrijk, wordt vermeld, dat Shell' s dochteronderneming in het Verenigd Koninkrijk "ernaar streefde", dat per 1 september basisprijzen van kracht zouden zijn die overeenstemden met de door de andere producenten vastgestelde richtprijzen. Tegen het einde van de maand gaf Shell haar verkoopkantoor in het Verenigd Koninkrijk echter opdracht, de volle verhoging uit te stellen tot de andere producenten het gewenste basisniveau hadden bereikt. Behoudens onbeduidende afwijkingen waren die instructies identiek voor alle kwaliteiten en nationale valuta' s.
158 Volgens punt 50, laatste alinea, van de beschikking blijkt uit de bij de fabrikanten verkregen prijsinstructies, dat later werd besloten door te gaan op de voet van de verhoging van september en de prijs voor raffiakwaliteit per 1 oktober te verhogen tot 2,10 DM/kg en per 1 november tot 2,25 DM/kg. BASF, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte en Solvay - aldus punt 51, eerste alinea, van de beschikking - zonden voor de maanden oktober en november ieder afzonderlijk instructies aan hun verkoopkantoren, waarin identieke prijzen werden vastgesteld. Hercules gaf in eerste instantie iets lagere prijzen op. VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER : 689A0015.2
159 In punt 51, derde alinea, van de beschikking wordt opgemerkt, dat in een bij ATO aangetroffen en 28 september 1983 gedateerde nota een tabel voorkomt met als kop "Rappel du prix de cota (sic)", waarin voor verschillende landen voor september en oktober prijzen worden vastgesteld voor de drie belangrijkste kwaliteiten polypropyleen, die identiek zijn met die van BASF, DSM, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte en Solvay. Tijdens de in oktober 1983 bij ATO verrichte verificatie bevestigden de vertegenwoordigers van het bedrijf, dat die prijzen aan de verkoopkantoren werden meegedeeld.
160 Volgens punt 105, vierde alinea, van de beschikking heeft de inbreuk, welke de datum van de laatste bijeenkomst ook moge zijn geweest, tot november 1983 voortgeduurd; de overeenkomst bleef immers tot ten minste dat tijdstip effect sorteren, aangezien november de laatste maand is waarvan bekend is dat richtprijzen werden overeengekomen en prijsinstructies werden gegeven.
161 In punt 51, laatste alinea, van de beschikking verklaart de Commissie tot slot, dat eind 1983 in de vakpers gewag werd gemaakt van een stabilisering van de polypropyleenprijzen op een marktprijs voor raffiakwaliteit van 2,08 à 2,15 DM/kg (het nagestreefde doel was zoals gezegd 2,25 DM/kg).
b) Argumenten van partijen
162 Verzoekster betoogt, dat de Commissie de ondernemingen weliswaar verwijt overeenkomsten te hebben gesloten, maar het onderwerp van die overeenkomsten niet voldoende heeft gepreciseerd. In de beschikking wordt de term "prijsinitiatieven" gebruikt om het onderwerp van de gestelde overeenkomsten niet te moeten omschrijven. In feite is de Commissie ervan uitgegaan, dat de ondernemingen overeenstemming hadden bereikt over een wenselijk en haalbaar geacht prijsniveau, dat zij vervolgens op verschillende manieren door onderling afgestemde praktijken hebben trachten te verwezenlijken. De Commissie wist immers zeer goed, dat de marktprijzen volstrekt niet overeenkwamen met de prijzen die op de bijeenkomsten zouden zijn overeengekomen.
163 Verder voert zij aan, dat nu de inhoud van de gestelde overeenkomsten niet is aangetoond, evenmin is aangetoond, dat de deelnemers aan de bijeenkomsten dergelijke overeenkomsten hebben gesloten. Aan de door personeelsleden van ICI opgestelde verslagen van de bijeenkomsten waarnaar de Commissie verwijst, kan immers ook een andere dan de door de Commissie gesuggereerde uitlegging worden gegeven. In feite geven die verslagen de persoonlijke opvatting van de opsteller weer, zoals blijkt uit het feit dat alle ondernemingen ertegen opkomen, en zijn de daarin vermelde ideeën nooit in de aldaar genoemde vorm ten uitvoer gelegd. De Commissie kent ten onrechte een bijzonder belang toe aan het gebruik van de term "agreed" ("overeengekomen") in sommige verslagen, zoals die van de bijeenkomsten van 12 augustus 1982 (bijl. 27 a.b.) en 2 september 1982 (bijl. 29). Die term wijst immers op eensgezindheid over een vaststelling, doch niet op een overeenkomst. Ook de term "commitment" ("verbintenis") in de verslagen van de bijeenkomsten van 2 september 1982 en 1 juni 1983 (bijl. 29 en 40 a.b.) heeft niet de strekking die de Commissie eraan toekent, daar niet wordt gezegd jegens wie een verbintenis is aangegaan. Verzoekster verklaart in elk geval, dat zij zich nooit jegens haar concurrenten tot een bepaald prijsgedrag heeft verbonden.
164 Zij wijst er overigens op, dat de door de Commissie geformuleerde bezwaren inzake het gedrag van de adressaten van de beschikking niet voldoende nauwkeurig zijn aangegeven en in de loop van de procedure wijzigingen hebben doorgemaakt. Eerst verweet de Commissie de ondernemingen, op de markt richtprijzen te hebben toegepast waarover vooraf onderlinge afstemming had plaatsgevonden; later verweet zij hen, aan hun verkoopkantoren interne prijsinstructies te hebben gegeven, en ten slotte legde zij hun ten laste, regelmatig bijeenkomsten te hebben gehouden.
165 Het ontbreken van een overeenkomst over de prijzen wordt bevestigd door de aanzienlijke verschillen tussen de door de producenten op de markt behaalde prijzen en de prijzen die zouden zijn overeengekomen. Dat de producenten zich niet naar de gestelde overeenkomsten gedroegen, pleit veeleer tegen dan voor het bestaan van die overeenkomsten. Een dergelijk gedrag van hun concurrenten zou de producenten er overigens snel toe hebben aangezet, die overeenkomsten te laten vallen.
166 Verzoekster voert aan, dat het slechts ging om zuiver interne prijsinstructies, daar deze niet aan de klanten werden meegedeeld. Dergelijke prijsinstructies kunnen derhalve slechts als marktgedrag worden beschouwd wanneer vaststaat dat zij door de adressaten zijn toegepast. De verkoopkantoren van Linz hebben de verschillende door de directie toegestuurde prijsinstructies evenwel niet op de klanten toegepast. De directie bepaalde de maximaal op de markt te behalen prijzen op basis van een zelfstandige en onafhankelijke beoordeling van de marktsituatie, die uiteraard tegen de achtergrond van de met de andere producenten gevoerde discussies werd verricht. Het was natuurlijk mogelijk dat die prijzen door de verkoopkantoren niet konden worden gehaald, zoals blijkt uit de aantekening "flauwe grap" op een prijsinstructie van 19 oktober 1983 (bijl. 19 van de tot Linz gerichte individuele mededeling van de punten van bezwaar, hierna: "bijl. i.b. Linz"), en wegens de felle concurrentie moesten zij overigens vaak worden verlaagd (bijl. 10 en 14 i.b. Linz).
167 Anders dan door de Commissie is gesteld, zijn de prijslijsten van Linz niet aan de klanten meegedeeld. De Commissie kan zich ter staving van haar stelling niet beroepen op het door Linz op 31 augustus 1983 aan een van haar verkoopkantoren gestuurde telexbericht (bijl. 12 Linz bij de brief van 29 maart 1985), aangezien daarin niet wordt gezegd dat de aldaar genoemde prijzen aan de klanten zijn meegedeeld, maar enkel:
"Bedauerlicherweise sind wir mit der vorangegangenen Liste bereits bei unseren Kunden vorgegangen, muessen jedoch auf Basis der Konkurrenzsituation entsprechende Korrekturen anbringen und ersuche dies in entsprechtend vorsichtiger Weise bei den schon kontaktierten Kunden, insbesondere Skandinavien Copo-Preise, durchzufuehren" (sic).
("Jammer genoeg hebben wij onze klanten reeds offertes op basis van de vorige lijst gedaan. De concurrentiesituatie noodzaakt ons evenwel, passende correcties aan te brengen, en wij verzoeken u, dit met de nodige voorzichtigheid te doen bij de reeds gecontacteerde klanten, inzonderheid met betrekking tot de copolymeerprijzen in Scandinavië.")
Uit deze passage kan enkel worden afgeleid, dat verzoekster haar klanten offertes op basis van een eerdere prijslijst had gedaan, maar niet dat zij deze lijst aan de klanten had meegedeeld. Bovendien kan in de formule "Gelieve de richtprijs op de gebruikelijke manier ten uitvoer te leggen" geen dwingend bevel tot toepassing van een prijslijst worden gezien. Integendeel, die richtprijzen waren slechts de prijzen die volgens de directie maximaal op de markt konden worden behaald. Het spreekt evenwel van zelf, dat aan de verkoopkantoren was opgedragen, er bij het sluiten van hun overeenkomsten naar te streven die prijzen zo dicht mogelijk te benaderen.
168 Zelfs al zouden sommige producenten richtprijzen aan de klanten hebben meegedeeld, dan nog is een dergelijk gedrag in elk geval slechts laakbaar, indien de klanten met een onmiddellijke feitelijke toepassing van die richtprijzen moesten rekenen. Dit was evenwel niet het geval, daar de marktsituatie de producenten belette hun klanten de in de prijsinstructies vermelde prijzen aan te rekenen. Het bleven dus zuiver theoretische prijzen, die hoogstens als grondslag voor de berekening van de toe te kennen kortingen werden gebruikt.
169 Verder gaat verzoekster in op de stelling van de Commissie, dat de evolutie van de richtprijzen jarenlang parallel heeft gelopen met de feitelijke marktprijzen. Haars inziens heeft een zo algemene uitspraak over een zo lange periode geen enkele bewijskracht. Een dergelijke evolutie is immers normaal, daar de producenten toch een zekere - zij het oppervlakkige - kennis hebben van de markt. Van belang is immers de korte termijn, en de Commissie geeft zelf toe, dat de prijsinitiatieven soms tot een plotselinge instorting van de prijzen hebben geleid.
170 Ten slotte stelt verzoekster, dat zelfs al zouden de door de Commissie gestelde overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen hebben bestaan, die enkel betrekking hadden op de basiskwaliteiten en de "commodities", maar in geen geval op de speciale produkten, die 63 à 80 % van de verkopen van Linz in de Gemeenschap uitmaakten. De Commissie heeft niet het minste bewijs kunnen aandragen voor de stelling, dat de discussies over de prijzen betrekking hadden op de speciale kwaliteiten, want de als bijlage bij de verslagen van de bijeenkomsten van 13 mei en 2 september 1982 (bijl. 24 en 29 a.b.) gevoegde prijstabellen bevatten weliswaar tal van prijzen, doch dit komt doordat een zelfde prijs in verschillende nationale valuta' s is uitgedrukt. Linz heeft de prijsverhogingen voor de speciale kwaliteiten nooit eenvormig gemaakt, zoals sommige andere producenten misschien wel hebben gedaan. Het door de Commissie aangevoerde argument, dat de gestelde overeenkomsten over de prijs van de basiskwaliteiten gevolgen hebben gehad voor de prijs van de speciale kwaliteiten, kan niet worden aanvaard, daar het een zelfde denkfout bevat als die welke wordt gemaakt wanneer men de OPEC verantwoordelijk stelt voor de stijging van de prijs van gas en steenkool ten gevolge van de verhoging van de aardolieprijs.
171 De Commissie betoogt, dat zij over tal van bewijzen beschikt voor het bestaan van prijsovereenkomsten die concreet gestalte hebben gekregen in de vorm van de verschillende in de beschikking vastgestelde prijsinitiatieven.
172 Zo bezit zij tal van verslagen van door verzoekster bijgewoonde bijeenkomsten waaruit blijkt, dat het op die bijeenkomsten inzonderheid ging om de vaststelling van richtprijzen die vooral tot doel hadden de prijzen enigszins te stabiliseren op een niveau dat hoger was dan het bij normale concurrentie zou zijn geweest, ook al viel het prijsniveau uiteindelijk lager uit dan het aanvankelijk op de bijeenkomsten vastgestelde niveau.
173 Volgens de Commissie wordt verzoeksters stelling, dat het voor alle deelnemers aan de bijeenkomsten duidelijk was dat de op die bijeenkomsten uitgewisselde informatie voor hen geen enkele verbintenis meebracht, tegengesproken door het feit, dat na afloop van elke bijeenkomst aan de verkoopkantoren prijsinstructies werden gestuurd die tot in details overeenkwamen met de op de bijeenkomsten genomen besluiten. Bovendien was de inachtneming van de richtprijzen herhaaldelijk de hoofdbrok van de discussies op de bijeenkomsten, zoals blijkt uit de in de verslagen van de bijeenkomsten van augustus tot november 1982 (bijl. 28 tot en met 32 a.b.) voorkomende vergelijkingen van de richtprijzen met de feitelijk door de deelnemers toegepaste prijzen.
174 Het feit dat de producenten hun nationale verkoopkantoren met de richtprijzen overeenstemmende prijsinstructies stuurden, toont aan dat dezen hun overeenkomsten ernstig namen en ten uitvoer legden. De Commissie geeft evenwel toe, dat de prijskartels zeker niet in alle gevallen hun doel hebben bereikt en dat de richtprijzen derhalve in verschillende gevallen moesten worden verlaagd, daar de klanten wisten, dat de produktiecapaciteit te groot was, en dus niet bereid waren, de door de producenten overeengekomen prijsverhogingen te betalen. Wat aan verzoekster wordt verweten, is dat zij in het kader van de prijsinitiatieven met de andere polypropyleenproducenten heeft samengespannen over de vaststelling van door de verkoopkantoren te volgen richtprijzen.
175 Al kenden sommige prijsinitiatieven geen volledig succes, andere hebben tot een duidelijke verhoging van de marktprijzen geleid.
176 De prijsinstructies zijn gegeven om op de markt te worden toegepast en zijn op zijn minst als grondslag voor de onderhandelingen met de klanten gebruikt. Het bewijs daarvan is te vinden in de tekst zelf van sommige prijsinstructies (bijl. Linz G1 en I2 bij de brief van 29 maart 1985); uit die prijsinstructies blijkt, dat de verkoopkantoren in hun gesprekken met de klanten van die prijzen moesten uitgaan en in hun contracten die prijzen zo dicht als mogelijk moesten benaderen.
177 De prijsinitiatieven betroffen overigens, anders dan verzoekster stelt, zowel de speciale produkten als de basiskwaliteiten. De verslagen van de bijeenkomsten van 13 mei en 2 september 1982 (bijl. 24 en 29 a.b.) vermelden immers prijzen voor tien verschillende kwaliteiten. Bovendien blijkt uit door verschillende producenten, waaronder verzoekster (bijl. Linz C bij de brief van 29 maart 1985), gegeven prijsinstructies, dat de prijsverhogingen voor de basiskwaliteiten doorgaans gepaard gingen met gelijktijdige prijsverhogingen voor de speciale kwaliteiten. Ten slotte lijdt het geen twijfel, dat de samenspanning over de prijs van de basiskwaliteiten ook gevolgen heeft gehad voor de prijs van de speciale produkten.
c) Beoordeling door het Gerecht
178 Het Gerecht stelt om te beginnen vast, dat de Commissie volgens verzoekster niet voldoende duidelijk heeft aangegeven wat zij onder "prijsinitiatieven" verstond, en dat verzoekster opkomt tegen de stelling, dat de door personeelsleden van ICI opgestelde verslagen van bijeenkomsten een bewijs van verzoeksters gebondenheid aan die prijsinitiatieven kunnen opleveren.
179 Allereerst moet worden opgemerkt, dat in punt 21, sub a, van de beschikking wordt gezegd, dat op de bijeenkomsten werd gestreefd naar "het vaststellen van de prijsniveaus welke de fabrikanten in een komende tijd wilden halen (' richtprijzen' ) door middel van een prijs-' initiatief' , dat zich soms over verschillende maanden uitstrekte en uit verschillende 'getrapte' verhogingen bestond", en dat daarmee voldoende duidelijk is aangegeven, wat onder prijsinitiatieven werd verstaan. Hieraan moet worden toegevoegd, dat dit begrip omstandig wordt verduidelijkt in de punten 28 tot en met 51 van de beschikking.
180 Verder dient erop te worden gewezen, dat de door de personeelsleden van ICI opgestelde verslagen van bijeenkomsten een vrij getrouwe weergave waren van wat er op die bijeenkomsten gebeurde, zowel met betrekking tot de door de deelnemende ondernemingen op die bijeenkomsten aangegane verbintenissen als wat betreft het voorwerp van die verbintenissen.
181 Opgemerkt zij overigens, dat ook al leveren de termen "agreed" ("overeengekomen") en "commitment" ("verbintenis") op zichzelf niet het bewijs van de verbintenis van de producenten om deel te nemen aan prijsinitiatief, uit deze termen, beschouwd in de context van de bijeenkomstverslagen waarin zijn voorkomen, niettemin kan worden afgeleid dat er een dergelijke verbintenis bestond.
182 Uit de verslagen van de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten blijkt immers, dat de aan die bijeenkomsten deelnemende producenten de in de beschikking genoemde prijsinitiatieven zijn overeengekomen. Zo staat in het verslag van de bijeenkomst van 13 mei 1982 (bijl. 24 a.b.) te lezen:
"everyone felt that there was a very good opportunity to get a price rise through before the holidays + after some debate settled on DM 2,00 from 1st June (UK 14th June). Individual country figures are shown in the attached table."
["iedereen was van mening, dat de gelegenheid zeer gunstig was om er vóór de vakantie een prijsstijging door te krijgen + na enige discussie is besloten tot DM 2,00 met ingang van 1 juni (14 juni voor het Verenigd Koninkrijk). De cijfers per land zijn vermeld in de bijgevoegde tabel"].
183 Aangezien rechtens genoegzaam is bewezen, dat verzoekster die bijeenkomsten heeft bijgewoond, kan deze niet verklaren, dat zij de daar overeengekomen, geplande en gevolgde prijsinitiatieven niet heeft gesteund, zonder bewijzen te verstrekken die deze verklaring kunnen staven. Bij gebreke van dergelijke bewijzen is er immers geen enkele reden om aan te nemen, dat verzoekster die initiatieven, anders dan de overige deelnemers aan de bijeenkomsten, niet heeft gesteund.
184 Tot algemene staving van haar stelling, dat zij tijdens de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten de overeengekomen prijsinitiatieven niet heeft gesteund, heeft verzoekster twee punten aangevoerd. Zij stelt ten eerste, dat zij aan de bijeenkomsten heeft deelgenomen zonder de bedoeling de mededinging te beperken, en ten tweede, dat zij bij het bepalen van haar prijsgedrag op de markt geen rekening heeft gehouden met de resultaten van de bijeenkomsten, zoals blijkt uit de aanzienlijke verschillen tussen de prijzen die zij daadwerkelijk op de markt heeft toegepast, en de prijzen die op de bijeenkomsten zouden zijn overeengekomen.
185 Geen van beide punten kan worden aanvaard als bewijs voor verzoeksters stelling, dat zij de overeengekomen prijsinitiatieven niet heeft gesteund. De Commissie heeft immers rechtens genoegzaam bewezen, dat verzoekster niet zonder de bedoeling om de mededinging te beperken, aan de bijeenkomsten heeft deelgenomen, zodat het eerste door verzoekster aangevoerde punt feitelijke grondslag mist.
186 Wat het tweede punt betreft, moet worden opgemerkt, dat zelfs indien dit feitelijk juist mocht blijken, het verzoeksters betrokkenheid bij de vaststelling van richtprijzen tijdens de bijeenkomsten niet zou ontzenuwen, doch hooguit zou aantonen, dat deze geen uitvoering heeft gegeven aan de tijdens de bijeenkomsten gemaakte afspraken. In de beschikking wordt overigens nergens gesteld, dat de door verzoekster toegepaste prijzen altijd overeenkwamen met de tijdens de bijeenkomsten overeengekomen richtprijzen, waaruit blijkt dat in de bestreden handeling het bewijs van verzoeksters betrokkenheid bij de vaststelling van deze richtprijzen ook niet wordt gebaseerd op het feit, dat deze aan de tijdens de bijeenkomsten gemaakte afspraken uitvoering zou hebben gegeven.
187 Verder dient erop te worden gewezen, dat de vraag of verzoekster haar interne prijsinstructies aan de klanten heeft meegedeeld, irrelevant is. Verzoekster kan immers niet stellen dat haar prijsinstructies een zuiver intern karakter hebben, want al zijn deze instructies intern voor zover zij door het hoofdkantoor aan de verkoopkantoren worden gezonden, zij zijn niettemin gezonden om te worden uitgevoerd en derhalve om rechtstreeks of indirect externe gevolgen te sorteren, waardoor zij hun intern karakter verliezen, zelfs al dienden zij slechts als grondslag voor de berekening van de toe te kennen kortingen, gelijk verzoekster stelt.
188 De vraag of de prijsinitiatieven ook betrekking hadden op de speciale produkten, moet worden beantwoord bij het onderzoek van verzoeksters deelneming aan de vaststelling van de streefhoeveelheden en quota (sub E hierna). Daar gaat het inzonderheid om de vraag, welk gamma van produkten onder de in de beschikking vastgestelde quota-overeenkomsten viel. Bovendien gaat hetgeen voor de quota geldt, ook - althans indirect - op voor de prijsinitiatieven ter ondersteuning waarvan de quota-overeenkomsten werden gesloten.
189 Uit het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.), waarin staat te lezen:
"' Target prices' for the basic grade of each principal category of polypropylene as proposed by producers from time to time since 1 January 1979 are set forth in Schedule (...)"
["De 'richtprijzen' die vanaf 1 januari 1979 van tijd tot tijd door de producenten voor de basiskwaliteit van elk van de belangrijkste categorieën polypropyleen zijn voorgesteld, zijn weergegeven in bijlage (...)"],
mocht de Commissie bovendien afleiden dat die initiatieven deel uitmaakten van een stelsel van vaststelling van richtprijzen.
190 Tot slot stelt het Gerecht vast, dat de omstandigheid dat de bijeenkomst van 29 september 1983 de laatste producentenbijeenkomst is waarvan de Commissie het bewijs heeft geleverd, niet wegneemt dat verschillende producenten (BASF, Hercules, Hoechst, Huels, ICI, Linz, Monte, Solvay en Saga) tussen 20 september en 25 oktober 1983 onderling overeenstemmende prijsinstructies (bijl. I bij de brief van 29 maart 1985) hebben gegeven, die op 1 november daaraanvolgend van kracht moesten worden, zodat de Commissie op goede gronden kon oordelen, dat de producentenbijeenkomsten tot november 1983 effect zijn blijven sorteren.
191 Bovendien heeft de Commissie tot staving van bovenstaande feitelijke vaststellingen geen gebruik behoeven te maken van stukken die zij in haar mededelingen van de punten van bezwaar niet had genoemd dan wel niet aan verzoekster had overgelegd.
192 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen dat verzoekster een van de polypropyleenproducenten was die wilsovereenstemming hebben bereikt met betrekking tot de in de beschikking genoemde prijsinitiatieven en dat die initiatieven stelselmatig werden genomen en tot november 1983 effect hebben gesorteerd.
D - De maatregelen ter vergemakkelijking van de toepassing van de prijsinitiatieven
a) Bestreden handeling
193 In de beschikking (artikel 1, sub c, en punt 27; zie ook punt 42) wordt verzoekster verweten, met de overige producenten verschillende maatregelen te zijn overeengekomen waarmee de toepassing van de richtprijzen moest worden vergemakkelijkt, zoals tijdelijke beperkingen van de produktie, uitwisseling van gedetailleerde informatie over haar leveringen, het houden van plaatselijke vergaderingen, en, vanaf eind september 1982, een systeem van "account management", bedoeld om prijsverhogingen voor individuele klanten toe te passen.
194 Wat het systeem van "account management" betreft, waarvan de later bijgeschaafde vorm vanaf december 1982 bekend stond als "account leadership", werd verzoekster - evenals alle andere producenten - aangewezen als cooerdinator of "leader" voor ten minste één belangrijke klant. Dit betekende, dat zij de contacten van die klant met diens leveranciers in het geheim moest cooerdineren. In het kader van genoemd systeem werden klanten aangewezen in België, Italië, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk en werd voor elk van hen een "cooerdinator" benoemd. In december 1982 werd een meer algemene aanvaarding van het systeem voorgesteld, waarbij een "account leader" werd benoemd, die de prijsinitiatieven zou leiden, bespreken en organiseren. Andere producenten, die geregeld met de klanten zaken hadden gedaan, stonden bekend als "betwisters" en zouden met de "account leader" samenwerken bij offertes aan de betrokken klant. Ten einde de "account leader" en de "betwisters" te "beschermen" moesten alle andere fabrikanten die door de klant werden benaderd, hogere prijzen dan de nagestreefde richtprijs noemen. ICI beweert, dat de regeling na slechts enkele maanden instortte wegens gedeeltelijke en ondoeltreffende toepassing. Uit volledige aantekeningen van de op 3 mei 1983 gehouden bijeenkomst blijkt echter, aldus de beschikking, dat op die bijeenkomst uitgebreide besprekingen plaatsvonden over afzonderlijke klanten, over de aan dezen door elke fabrikant opgegeven of op te geven prijzen en over de geleverde of bestelde hoeveelheden.
b) Argumenten van partijen
195 Verzoekster voert aan, dat zij niet als "account leader" van de firma Billermann kan zijn aangewezen, gelijk de Commissie op grond van tabel 3 bij het verslag van de bijeenkomst van 2 december 1982 (bijl. 33 a.b.) stelt, daar zij deze firma slechts enkele keren produkten heeft geleverd zodat zij niet in de staat was enige invloed uit te oefenen op de jegens deze firma toegepaste prijzen. Bovendien kan uit het door de Commissie overgelegde stuk niet worden opgemaakt, of het om een gewoon voorstel dan wel om een overeenkomst gaat.
196 Verder legt zij uit, dat zij weliswaar nu en dan melding heeft gemaakt van de prijzen die zij bepaalde klanten in rekening bracht, doch dat de Commissie dit niet als een bewijs van haar deelneming aan het stelsel van "account leadership" mag beschouwen, daar dergelijke informatie doorgaans op de markt verkrijgbaar is. Het is in deze context dat zij melding heeft gemaakt van haar leveringen tegen een hoge prijs aan de onderneming Adolff. De Commissie ziet daarin ten onrechte het bewijs van haar deelneming aan het gestelde systeem van "account leadership", daar aan deze onderneming een hoge prijs in rekening werd gebracht omdat het ging om een uitzonderlijke levering van geringe omvang.
197 Zij herhaalt, dat de omstandigheid dat op de in de lente van 1983 gehouden bijeenkomsten (bijl. 37 en 38 a.b.) werd gesproken over de aan bepaalde klanten verrichte leveringen en over de kortingen die aan deze klanten waren toegestaan, geenszins bewijst, dat er een overeenkomst was gesloten over het systeem van "account leadership", aangezien het ging om uitwisseling van op de markt verkrijgbare informatie.
198 De Commissie antwoordt, dat uit het verslag van de bijeenkomst van 2 september 1982 (bijl. 29 a.b.) duidelijk blijkt, dat het systeem van "account leadership" op die bijeenkomst eenstemmig is goedgekeurd. De vertegenwoordiger van BASF heeft de andere deelnemers aan de bijeenkomst immers gewaarschuwd voor de gevaren die zouden ontstaan indien aan alle klanten dezelfde prijs wordt meegedeeld. De aanwezige producenten, waaronder verzoekster, hebben die opmerking aanvaard en er is voorgesteld en overeengekomen, dat de andere producenten dan de voornaamste leverancier van een klant een paar Pfennig meer zouden vragen.
199 Uit het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.) en het verslag van de bijeenkomst van 3 mei 1983 (bijl. 38 a.b.) blijkt immers, dat het systeem ten uitvoer kon worden gelegd. De Commissie wijst er in dit verband op, dat verzoekster in twee bijeenkomstverslagen als leverancier van de firma' s Adolff, Billermann en Teufelberger (bijl. 37 en 38 a.b.) wordt vermeld.
200 Volgens de Commissie heeft verzoekster, die de betrokken bijeenkomsten heeft bijgewoond, derhalve zelfs indien zij niet als "account leader" is aangewezen, aan dit systeem deelgenomen daar zij de rol van "contender" naast een "account leader" kan hebben gespeeld.
c) Beoordeling door het Gerecht
201 Punt 27 van de beschikking moet, gelet op punt 26, tweede alinea, niet aldus worden uitgelegd, dat daarin elk van de producenten wordt verweten, zich individueel te hebben verbonden alle daar genoemde maatregelen te nemen, doch in die zin, dat elk der producenten wordt verweten, op diverse bijeenkomsten met de andere producenten te hebben besloten tot een reeks van - in de beschikking genoemde - maatregelen, waarmee gunstige omstandigheden voor een prijsverhoging moesten worden geschapen, in het bijzonder door het aanbod van polypropyleen kunstmatig te verminderen, waarbij de uitvoering van deze reeks maatregelen elk afzonderlijk in onderlinge overeenstemming werd verdeeld over de verschillende producenten met inachtneming van hun specifieke situatie.
202 Door deel te nemen aan de bijeenkomsten tijdens welke dit samenstel van maatregelen werd vastgesteld [met name die van 13 mei en van 2 en 21 september 1982 (bijl. 24, 29 en 30 a.b.)], heeft verzoekster die maatregelen gesteund, aangezien zij niets aanvoert dat op het tegendeel wijst.
203 Met betrekking tot het "account leadership" stelt het Gerecht vast, dat verzoekster heeft deelgenomen aan de vier bijeenkomsten (die van 2 september 1982, 2 december 1982, maart 1983 en 3 mei 1983) waarop dat systeem door de producenten werd besproken, en dat uit de verslagen van die bijeenkomsten blijkt, dat verzoekster daarop bepaalde informatie over haar klanten heeft verstrekt (bijl. 29, 33, 37 en 38 a.b.). Zo blijkt de vaststelling van het systeem van "account leadership" uit de volgende passage van de notulen van de bijeenkomst van 2 september 1982:
"about the dangers of everyone quoting exactly DM 2.00 A.' s point was accepted but rather than go below DM 2.00 it was suggested & generally agreed that others than the major producers at individual accounts should quote a few pfs higher. Whilst customer tourism was clearly to be avoided for the next month or two it was accepted that it would be very difficult for companies to refuse to quote at all when, as was likely, customers tried to avoid paying higher prices to the regular suppliers. In such cases producers would quote but at above the minimum levels for October."
["de opmerking van A. met betrekking tot de risico' s, indien alle producenten precies DM 2,00 zouden opgeven, werd aanvaard; maar in plaats van onder de DM 2,00 te zakken, werd de - algemeen aanvaarde - suggestie gedaan, dat de andere producenten dan de voornaamste leveranciers van een bepaalde klant een prijs zouden opgeven die een paar Pfennig hoger was. Terwijl klantentoerisme de eerstkomende maand (of twee maanden) zeer zeker moest worden vermeden, werd aanvaard, dat ondernemingen moeilijk konden weigeren een offerte te doen, indien, zoals waarschijnlijk was, afnemers trachtten te vermijden hogere prijzen te betalen aan hun vaste leveranciers. In dergelijke gevallen zouden de producenten een offerte doen, maar boven de minimumniveaus voor oktober."]
Ook werd tijdens de door verzoekster bijgewoonde bijeenkomst van 21 september 1982 verklaard: "In support of the move, BASF, Hercules and Hoechst said they would be taking plant off line temporarily" ("Ter ondersteuning van de actie kondigden BASF, Hercules en Hoechst aan, dat zij een van hun fabrieken tijdelijk buiten werking zouden stellen"), en zei Fina op de bijeenkomst van 13 mei 1982: "Plant will be shut down for 20 days in August" ("Fabriek zal in augustus 20 dagen gesloten zijn").
204 De - op zijn minst gedeeltelijke - toepassing van dit systeem blijkt uit het verslag van de bijeenkomst van 3 mei 1983, waarin staat te lezen:
"A long discussion took place on Jacob Holm who is asking for quotations for the 3rd quarter. It was agreed no to do this and to restrict offers to the end of June, April/May levels were at DKR 6.30 (DM 1.72). Hercules were definitely in and should not have been so. To protect BASF, it was agreed that CWH(uels) + ICI would quote DKR 6.75 from now to end June (DM 1.85)(...)."
["Er werd uitvoerig gediscussieerd over Jacob Holm, die prijzen voor het derde kwartaal had gevraagd. Men werd het erover eens, dat aan dat verzoek geen gevolg moest worden gegeven en dat de offertes niet verder moesten gaan dan tot eind juni. Voor april/mei lagen de prijzen rond 6,30 DKR (1,72 DM). Hercules was beslist geïnteresseerd, terwijl zij dat niet had mogen zijn. Om BASF te beschermen, werd afgesproken dat CWH(uels) + ICI voortaan - tot eind juni - 6,75 DKR in rekening zouden brengen (1,85 DM)."]
Die toepassing wordt bevestigd door het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.), waarin met betrekking tot genoemde passage wordt verklaard:
"In the spring of 1983 there was a partial attempt by some producers to operate the 'Account Leadership' scheme (...) Since Hercules had not declared to the 'Account leader' its interest in supplying Jacob Holm, the statement was made at this meeting in relation to Jacob Holm that 'Hercules were definitely in and should not have been so' . It should be made clear that this statement refers only to the Jacob Holm account and not to the Danish market. It was because of such action by Hercules and others that the 'Account Leadership' scheme collapsed after at most two months of partial and ineffective operation.
The method by which Huels and ICI should have protected BASF was by quoting a price of DKR 6.75 for the supply of raffia grade polypropylene to Jacob Holm until the end of June."
["In het voorjaar van 1983 trachtten sommige producenten het systeem van 'account leadership' gedeeltelijk toe te passen (...) Daar Hercules de 'account leader' niet had laten weten, dat zij graag aan Jacob Holm wenste te leveren, werd op deze bijeenkomst met betrekking tot Jacob Holm verklaard, dat 'Hercules beslist geïnteresseerd was, terwijl zij dat niet had mogen zijn' . Deze verklaring heeft enkel betrekking op de klant Jacob Holm en niet op de Deense markt. Dergelijke acties van Hercules en andere producenten waren er de oorzaak van, dat het systeem van 'account leadership' na hooguit twee maanden van gedeeltelijke en ondoeltreffende toepassing ineenstortte.
Huels en ICI hadden BASF moeten beschermen door Jacob Holm tot eind juni een prijs van 6,75 DKR voor raffia in rekening te brengen."]
205 Verzoeksters deelneming aan dit systeem volgt enerzijds uit haar aanwezigheid op de bijeenkomsten waarop dit systeem is opgezet en de tenuitvoerlegging ervan is onderzocht, en anderzijds uit het feit dat haar naam naast die van sommige van haar klanten voorkomt in de tabellen bij de verslagen van de bijeenkomsten van 2 september (bijl. 29 a.b.) en 2 december 1982 (bijl. 33 a.b.). In de eerste tabel wordt verzoekster immers onder de "present suppliers + leaders" van haar Duitse klant Billermann genoemd, en in de tweede tabel als "account leader" van diezelfde klant alsmede van haar Oostenrijkse klant Teufelberger en van andere klanten in Zwitserland en Zweden.
206 Behalve met betrekking tot Billermann draagt verzoekster geen enkel bewijselement aan waaruit blijkt dat zij niet als "account leader" van die klanten is aangewezen. Hieruit moet worden geconcludeerd, dat zelfs al zou zij niet als "account leader" van Billermann zijn aangewezen, zij niettemin als "account leader" van andere, buiten de Gemeenschap gevestigde klanten is aangewezen. De plaats waar die klanten zijn gevestigd, doet niets af aan de vaststelling, dat verzoekster aan het systeem van "account leadership" op de gemeenschappelijke markt heeft deelgenomen, daar dit systeem één geheel vormde en tegenover het voordeel dat verzoekster van haar hoedanigheid van "account leader" van een bepaalde, in voorkomend geval buiten de Gemeenschap gevestigde, klant verhoopte, de verbintenis stond om geen concurrentie te voeren ten aanzien van andere, in de Gemeenschap gevestigde klanten, waarvoor andere producenten als "account leader" waren aangewezen.
207 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond, dat verzoekster een van de polypropyleenproducenten was die wilsovereenstemming hebben bereikt met betrekking tot maatregelen ter vergemakkelijking van de toepassing van de in de beschikking genoemde prijsinitiatieven.
E - Streefhoeveelheden en quota
a) Bestreden handeling
208 Volgens de beschikking (punt 31, derde alinea) werd op de bijeenkomst van 26 en 27 september 1979 "erkend dat een strak quotasysteem van fundamenteel belang was". In het verslag van die bijeenkomst werd ook verwezen naar een te Zuerich voorgesteld of goedgekeurd plan om de maandelijkse verkopen te beperken tot 80 % van het over de eerste acht maanden van het jaar behaalde gemiddelde.
209 Punt 52 van de beschikking vermeldt nog, dat al vóór augustus 1982 diverse systemen waren toegepast om de markt onderling te verdelen. Ofschoon aan alle producenten procentuele aandelen van de naar schatting te verdelen handel werden toegewezen, werd in dit stadium vooraf nog geen systematische beperking van de totale produktie opgelegd. De ramingen van de totale markt, aldus de beschikking, moesten uiteraard permanent worden herzien en de verkopen van iedere producent, uitgedrukt in ton, moesten worden aangepast om in overeenstemming te blijven met het percentage waarop hij recht had.
210 Voor 1979 werden streefhoeveelheden (uitgedrukt in ton) vastgesteld, die, althans gedeeltelijk, waren gebaseerd op de werkelijke verkopen in de drie voorafgaande jaren. In bij ICI aangetroffen tabellen werd de "herziene streefhoeveelheid" voor iedere producent voor 1979 vergeleken met de werkelijk tijdens die periode in West-Europa verkochte hoeveelheden (punt 54 van de beschikking).
211 Volgens punt 55 van de beschikking werd eind februari 1980 door de fabrikanten overeenstemming bereikt over de streefhoeveelheden voor 1980, andermaal uitgedrukt in ton, waarbij werd uitgegaan van een geraamde markt van 1 390 000 ton. Bij ATO en ICI werd een aantal tabellen aangetroffen waarin de voor iedere producent voor 1980 "overeengekomen streefhoeveelheden" waren aangegeven. Aangezien de oorspronkelijke raming van de totale te verdelen markt te optimistisch bleek te zijn, moesten de quota van alle producenten worden verminderd om aan de totale jaarconsumptie van slechts 1 200 000 ton te worden aangepast. Behalve bij ICI en DSM kwamen de werkelijke verkopen bij de verschillende producenten in grote lijnen overeen met hun streefpercentage.
212 Volgens punt 56 van de beschikking werden over de verdeling van de markt voor 1981 langdurige en complexe onderhandelingen gevoerd. Tijdens de in januari 1981 gehouden bijeenkomsten werd overeengekomen, dat alle producenten, als tijdelijke maatregel om bij te dragen tot het welslagen van het prijsinitiatief van februari/maart, hun maandelijkse verkopen zouden beperken tot een twaalfde van 85 % van hun "streefhoeveelheid" voor 1980. Ter voorbereiding van een duurzamer quotasysteem deelde iedere producent de vergadering mee, welke hoeveelheid hij in 1981 hoopte te verkopen. Samengeteld overtroffen deze "aspiraties" echter ruimschoots de geraamde totale vraag. Ondanks verschillende door Shell en ICI ingediende compromisvoorstellen werd voor 1981 geen definitieve quota-overeenkomst bereikt. Als lapmiddel werd het quotum van iedere producent van het voorafgaande jaar als theoretisch recht beschouwd en brachten de producenten iedere maand aan de vergadering verslag uit over hun werkelijke verkopen. Op die manier werd toezicht uitgeoefend op de feitelijke verkopen, als een correctie op de louter abstracte verdeling van de markt op grond van de quota voor 1980 (punt 57 van de beschikking).
213 Volgens punt 58 van de beschikking dienden de producenten voor 1982 ingewikkelde quotavoorstellen in, waarin werd getracht uiteenlopende factoren, zoals vroegere verkoopcijfers, marktaspiraties en de te verdelen capaciteit met elkaar te verzoenen. De totale te verdelen markt werd geschat op 1 450 000 ton. Enkele fabrikanten dienden gedetailleerde plannen in voor een verdeling van de markt, terwijl anderen slechts hun eigen aspiraties qua hoeveelheid bekendmaakten. Tijdens de bijeenkomst van 10 maart 1982 trachtten Monte en ICI een overeenkomst te bereiken. Volgens punt 58, laatste alinea, van de beschikking werd er echter, evenals in 1981, geen definitief akkoord bereikt en werden gedurende de eerste helft van het jaar de maandelijkse verkopen van iedere producent aan de vergadering meegedeeld en vergeleken met hun werkelijke procentuele marktaandeel in het voorgaande jaar. Volgens punt 59 van de beschikking werden de onderhandelingen met het oog op de vaststelling van een quota-overeenkomst voor 1983 tijdens de bijeenkomst van augustus 1982 voortgezet en voerde ICI over dit nieuwe systeem bilaterale gesprekken met elk van de fabrikanten. In afwachting van de invoering van een dergelijk quotasysteem moesten de fabrikanten echter in de tweede helft van 1982 streven naar een beperking van hun maandelijkse verkopen tot hetzelfde percentage van de totale markt als zij in de eerste zes maanden van 1982 werkelijk voor hun rekening hadden genomen. Zo bereikten de marktaandelen in 1982 een relatief evenwicht en bleven zij voor de meeste producenten stabiel in vergelijking met de vorige jaren.
214 Volgens punt 60 van de beschikking nodigde ICI voor 1983 elk der fabrikanten uit, zijn eigen ambities mee te delen en suggesties te doen over het percentage dat aan elk van de anderen zou moeten worden toegestaan. Zo deden Monte, Anic, ATO, DSM, Linz, Saga en Solvay - alsmede de Duitse producenten via BASF - gedetailleerde voorstellen. De verschillende voorstellen werden vervolgens op computer verwerkt, waarbij een gemiddelde werd berekend dat werd vergeleken met de individuele aspiraties van iedere fabrikant. Op basis daarvan kon ICI richtlijnen voor een nieuwe kaderovereenkomst voor 1983 voorstellen. Die voorstellen werden tijdens de in november en december 1982 gehouden bijeenkomsten besproken. Tijdens de bijeenkomst van 2 december 1982 werd een voorstel besproken dat in eerste instantie beperkt was tot het eerste kwartaal van 1983. Blijkens het door ICI opgestelde verslag van die bijeenkomst achtten ATO, DSM, Hoechst, Huels, ICI, Monte, Solvay en Hercules de hun toegewezen quota "aanvaardbaar" (punt 63 van de beschikking). Dit wordt bevestigd door een notitie van een op 3 december 1982 tussen ICI en Hercules gevoerd telefoongesprek.
215 Volgens punt 63, derde alinea, van de beschikking blijkt uit een bij Shell aangetroffen document, dat er inderdaad een akkoord was bereikt, aangezien deze onderneming probeerde het haar toegewezen quotum niet te overschrijden. Dat document bevestigt bovendien, dat ook in het tweede kwartaal van 1983 nog een systeem voor de controle van de hoeveelheden van kracht bleef: om haar marktaandeel in het tweede kwartaal rond de 11 % te houden, gaf Shell aan de nationale verkoopmaatschappijen van het concern opdracht, hun verkopen te verminderen. Het bestaan van dat akkoord wordt bevestigd door het verslag van de bijeenkomst van 1 juni 1983. Ofschoon tijdens die bijeenkomst niet uitdrukkelijk melding werd gemaakt van quota, werden door de "experts" gegevens uitgewisseld over de door iedere fabrikant in de loop van de vorige maand verkochte hoeveelheden, hetgeen erop wijst dat er wel degelijk een quotasysteem van toepassing was, aldus punt 64 van de beschikking.
216 In punt 65 van de beschikking wordt opgemerkt, dat ofschoon nooit een systeem van sancties voor overschrijding van de quota is ingevoerd, de regeling dat iedere fabrikant verslag uitbracht over de hoeveelheid die hij in de voorgaande maanden had verkocht - met het risico door de anderen te worden gekritiseerd indien dit als onregelmatig werd beschouwd - een aansporing vormde om zich aan de toegewezen streefhoeveelheid te houden.
b) Argumenten van partijen
217 Volgens verzoekster heeft de Commissie niet aangetoond, dat een quotastelsel is opgezet en nog minder dat Linz daaraan heeft deelgenomen. De vaststellingen van de Commissie betreffende het bepalen van kwantitatieve verkoopdoelen zijn bijzonder vaag; vaststaat enkel, dat de Commissie erkent dat de ondernemingen voor 1981 en 1982 geen definitieve overeenkomst hebben kunnen bereiken.
218 De door de Commissie aangedragen bewijsstukken zijn eigenlijk voorstellen en achteraf opgestelde tabellen waarvan niet is geweten door wie en op welke wijze zij zijn geredigeerd. De Commissie handelt te kwader trouw wanneer zij zich beroept op de woorden "agreed targets" ("overeengekomen steefdoelen") in een van die tabellen (bijl. 60 a.b.), want zij laat na erop te wijzen, dat onderaan die tabel voor vier van de genoemde ondernemingen wordt vermeld "to be rechecked" ("te herverifiëren"). Verzoekster leidt daaruit af, dat geen akkoord kon worden bereikt.
219 Verzoekster wijst er ook op, dat de beschikking zo onduidelijk is, dat niet kan worden uitgemaakt of aan de ondernemingen wordt verweten dat zij de kwantitatieve verkoopdoelen ten uitvoer hebben gelegd. Haars inziens wordt de ondernemingen in artikel 1, sub e, van de beschikking enkel ten laste gelegd, dat zij quota hebben vastgesteld of zich wederzijds hebben verbonden hun maandelijkse verkopen te beperken; van enige uitvoering wordt daar niet gesproken.
220 Dienaangaande zij opgemerkt, dat de kwantitatieve verkoopdoelen geenszins algemeen in acht zijn genomen en dat geen kritiek werd geleverd op de ondernemingen die zich niet hielden aan de quota die hun zouden zijn toegekend. Uit dit ontbreken van inachtneming van de quota leidt verzoekster af, dat de in sommige stukken genoemde doelen niet uit een overeenkomst voortvloeiden, maar slechts werkhypotheses of gewone wensen waren, daar de Commissie niet heeft aangetoond dat de ondernemingen zich ertoe hadden verbonden deze doelen in acht te nemen. De Commissie geeft zelf toe, dat de inachtneming van die doelen op de vrije wil van de betrokkenen berustte; de voor een overeenkomst vereiste juridische of morele wil om zich te verbinden, was derhalve ontegenzeggelijk afwezig.
221 Met betrekking tot de inachtneming van de gestelde quota moet verder worden opgemerkt, dat volgens tabel 8 van de beschikking zelf de feitelijk geleverde hoeveelheden aanzienlijk afweken van de quota. Voor verzoekster zijn afwijkingen tot 20 % van de gestelde quota vastgesteld.
222 Daarna overloopt verzoekster de verschillende jaren waarvoor volgens de beschikking een stelsel van kwantitatieve verkoopdoelen was opgezet.
223 Volgens haar stelt de Commissie dat voor 1979 in ton uitgedrukte kwantitatieve verkoopdoelen zijn vastgesteld, doch preciseert zij niet door wie die zijn vastgesteld, en toont zij ook niet aan dat iemand zich ertoe heeft verbonden die doelen in acht te nemen.
224 Voor 1980 ontbreekt elke aanwijzing dat de ondernemingen een overeenkomst zouden hebben gesloten of zich ertoe zouden hebben verbonden, de vastgestelde doelen in acht te nemen. Bovendien zegt de door de Commissie gedane vaststelling, dat slechts één leverancier minder dan de voor 1980 bepaalde streefhoeveelheid heeft verkocht, niets over de inachtneming van de quota die de ondernemingen zouden zijn overeengekomen. Er zij aan herinnerd, dat de Commissie niet heeft aangetoond dat verzoekster vóór 1981 aan de producentenbijeenkomsten heeft deelgenomen, en dat dit in aanmerking moet worden genomen bij het onderzoek van de door de Commissie voor 1979 en 1980 aangedragen bewijzen.
225 Voor 1981 en 1982 staat enkel vast, dat er geen definitieve overeenkomst is bereikt, hetgeen in de beschikking uitdrukkelijk is erkend. Bovendien is niet aangetoond, dat de cijfers die op de in 1981 en 1982 gehouden bijeenkomsten zijn uitgewisseld, juist waren, en heeft de Commissie niet gezegd, of de cijfers overeenkwamen met de verkoopdoelen. Verder kan het grote belang dat de nieuwe voorzitter van de producentenbijeenkomsten in 1982 hechtte aan de invoering van een quotastelsel dat door alle producenten zou moeten worden goedgekeurd, enkel betekenen dat tot dan toe niemand zich aan de eerder besproken of overeengekomen quota had gehouden.
226 Subsidiair voert zij aan, dat zo er een zekere overeenstemming bestond tussen de kwantitatieve verkoopdoelen en de feitelijke verkopen, dit voortvloeit uit het feit, dat wanneer de ondernemingen op het einde van het jaar hun strategie voor het volgende jaar bepalen, zij prognoses maken die meestal niet erg afwijken van de realiteit; dit volgt uit de aard zelf van het polypropyleen, een produkt waarvan de bijzondere eigenschappen tot een zekere klantenbinding leiden zodat er zich zelden plotselinge verschuivingen van marktaandelen voordoen.
227 Voor 1983 bevat de beschikking een omstandige uiteenzetting van de pogingen van sommige ondernemingen om een quotastelsel in te voeren. In de beschikking wordt evenwel niet duidelijk gezegd, of die pogingen succesvol waren. Volgens verzoekster kan uit de door de Commissie aangedragen bewijselementen niet worden geconcludeerd, dat die pogingen tot een overeenkomst hebben geleid.
228 Zij verklaart dienaangaande allereerst, dat zij helemaal niets te maken had met de gesprekken die in mei 1983 tussen Shell en ICI zijn gevoerd en waarvan de Commissie in haar beschikking melding maakt, en dat de Commissie ten onrechte stelt, dat Linz zelf een gedetailleerd quotavoorstel heeft gedaan. De door de Commissie genoemde nota van ICI (bijl. 80 a.b.) kan die stelling immers niet staven, aangezien daarin gewoon wordt gezegd, dat Linz op een telefonisch verzoek om inlichtingen over haar streefdoel voor 1983 het cijfer van 5 % heeft genoemd.
229 Het verslag van de bijeenkomst van 1 juni 1983 (bijl. 40 a.b.), dat door de Commissie wordt gebruikt om aan te tonen dat de overeengekomen quota daadwerkelijk in acht zijn genomen, is evenmin een afdoend bewijs, aangezien het geen vergelijking van de feitelijke verkopen met de gestelde quota bevat. In dat verslag worden immers enkel de feitelijke verkopen van de verschillende producenten genoemd.
230 Van beslissend belang is uiteindelijk, dat de Commissie zelf toegeeft, dat de inachtneming van de streefdoelen op de vrije wil van de betrokkenen berustte, zodat een essentieel bestanddeel van een overeenkomst, namelijk de wil om zich te verbinden, ontegenzeggelijk ontbrak.
231 Tot slot stelt verzoekster, dat zelfs al zouden de producenten quota hebben vastgesteld, die quota enkel betrekking hadden op de basiskwaliteiten en de "commodities", maar in geen geval op de speciale produkten, die 63 à 80 % van haar verkopen in de Gemeenschap vertegenwoordigden.
232 De Commissie voert aan dat, anders dan verzoekster stelt, in de punten 54 en volgende van de beschikking in zeer duidelijke bewoordingen een algemeen overzicht wordt gegeven van het quotastelsel zoals dat jarenlang is toegepast.
233 Met betrekking tot 1979 betoogt zij, dat uit een bij ICI aangetroffen, niet-gedateerde tabel met als kop "Producers' Sales to West Europe" ("Verkoop in West-Europa") (bijl. 55 a.b.), waarin voor alle Westeuropese polypropyleenproducenten de verkoopcijfers, uitgedrukt in kiloton, voor 1976, 1977 en 1978 worden gegeven en die kolommen bevat met als kop "1979 actual" ("werkelijke cijfers 1979") en "revised target 1979" ("herziene streefhoeveelheid 1979") en slechts op één manier kan worden uitgelegd, duidelijk blijkt dat Linz aan een quota-overeenkomst voor dat jaar heeft deelgenomen. Dit stuk bevat immers specifieke gegevens die concurrenten in een "normale" mededingingssituatie niet kennen en waarvoor dus de medewerking van Linz was vereist.
234 Verder verklaart de Commissie, dat zij beschikt over een aantal documenten waaruit duidelijk blijkt dat Linz in 1980 aan het kartel heeft deelgenomen. Het gaat met name om een bij ATO aangetroffen, 26 februari 1980 gedateerde tabel met als kop "Polypropylene - Sales target 1980 (kt)" ("Polypropyleen - Verkoopdoelen 1980 (kt)") (bijl. 60 a.b.), die voor alle Westeuropese producenten een overzicht geeft van de "1980 target" ("streefhoeveelheid 1980"), de "opening suggestions" ("openingsvoorstellen"), "proposed adjustments" ("voorgestelde aanpassingen") en "agreed targets" ("overeengekomen streefhoeveelheden"). Dit document laat zien, hoe de quota tot stand kwamen. Dit wordt bevestigd door een bij ATO en ICI aangetroffen tabel waarin voor iedere producent de verkopen, uitgedrukt in ton en marktaandelen, worden vergeleken in de navolgende rubrieken: "1979 actual", "1980 target", "(1980) actual" ("feitelijke cijfers voor 1980") en "1981 aspirations" (bijl. 59 en 61 a.b.). Volgens de Commissie heeft ICI in haar antwoord op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.) in verband met dit document opgemerkt: "the source of information for actual historic figures in this table would have been the producers themselves" ("de in deze tabel opgenomen reeds gerealiseerde cijfers moeten wel afkomstig zijn van de producenten zelf"). VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER : 689A0015.3
235 Voor 1981 kon er weliswaar geen quota-overeenkomst voor het hele jaar worden gesloten, doch het quotum voor 1980 werd als theoretisch recht beschouwd en de verkopen werden maandelijks gecontroleerd. Zo blijkt uit het verslag van bovengenoemde bijeenkomsten van januari 1981, dat de producenten hun feitelijke prestaties vergeleken met de gestelde streefdoelen (bijl. 17 a.b.), en uit een bij ICI aangetroffen tabel van een Italiaanse producent, dat de producenten hun verkopen voor 1981 vergeleken met die van het vorige jaar (bijl. 65 a.b.). Zij leidt daaruit af, dat bij gebreke van een algemene overeenkomst over de verdeling van de hoeveelheden in 1981, voor dat jaar voorlopige maatregelen werden getroffen. Dit wordt bevestigd door andere stukken (bijl. 66 tot en met 68 a.b.).
236 Verder blijkt uit de tabellen bij de verslagen van de bijeenkomsten van 9 juni 1982 en 20 augustus 1982 (bijl. 25 tot en met 28 a.b.), dat de producenten in het eerste halfjaar van 1982 hun maandelijkse verkopen vergeleken met die van 1981. Met betrekking tot het tweede halfjaar blijkt uit het tweede stuk, dat de producenten werd verzocht hun maandelijkse verkopen te beperken tot het niveau van die in het eerste halfjaar. Uit de tabellen bij de verslagen van de bijeenkomsten van 6 oktober, 2 november en 2 december 1982 (bijl. 31 tot en met 33 a.b.) blijkt, dat de producenten de verkopen van het tweede halfjaar hebben vergeleken met die van het eerste halfjaar.
237 Verder stelt de Commissie, dat zij voor 1983 beschikt over de ambities en de voorstellen die verschillende producenten, waaronder verzoekster (bijl. 80 a.b.), op verzoek van ICI voor zichzelf en voor de andere producenten hebben geformuleerd en aan laatstgenoemde hebben meegedeeld met het oog op het sluiten van een quota-overeenkomst voor 1983 (bijl. 74 tot en met 84 a.b.). Verzoekster heeft geen enkele concrete aanwijzing verstrekt die suggereert dat de nota van ICI de inhoud van haar voorstel niet getrouw weergaf. Bovengenoemde voorstellen zijn op computer verwerkt, waarbij een gemiddelde werd berekend dat werd vergeleken met de aspiraties van iedere producent (bijl. 85 a.b.). De Commissie noemt verder nog een interne nota van ICI met als kop "Polypropylene framework 1983" ("Polypropyleen-schema 1983") (bijl. 86 a.b.), waarin ICI een globale beschrijving geeft van een toekomstige quota-overeenkomst.
238 Ten slotte voert de Commissie aan, dat uit een bij Shell aangetroffen intern document (bijl. 90 a.b.) blijkt dat voor het tweede kwartaal van 1983 een quota-overeenkomst is gesloten. Volgens dit document heeft Shell, om haar quotum in acht te nemen, haar nationale dochtermaatschappijen gelast hun verkopen te verminderen. Bovendien blijkt uit het verslag van de bijeenkomst van 1 juni 1983 (bijl. 40 a.b.), dat informatie was uitgewisseld over de in mei verkochte hoeveelheden en dat verzoekster haar quotum in acht had genomen.
239 Zij concludeert, dat het in die omstandigheden van geen belang is dat op de overschrijding van de quota geen enkele sanctie was gesteld.
240 Tot slot betoogt de Commissie, dat de quota, anders dan verzoekster stelt, betrekking hadden op alle polypropyleenkwaliteiten.
c) Beoordeling door het Gerecht
241 Verzoekster heeft van in den beginne deelgenomen aan de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten tijdens welke de verkoophoeveelheden van de verschillende producenten werden besproken en gegevens dienaangaande werden uitgewisseld.
242 Niet alleen heeft Linz deelgenomen aan de bijeenkomsten, haar naam komt ook voor in verschillende tabellen (bijl. 55 tot en met 61 a.b.), die blijkens hun inhoud duidelijk bedoeld waren om kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen. In hun antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht hebben de meeste verzoeksters evenwel erkend, dat de bij ICI, ATO en Hercules gevonden tabellen niet hadden kunnen worden opgesteld op basis van de statistieken van het Fides-systeem. Bovendien heeft ICI in haar antwoord op het verzoek om inlichtingen (bijl. 8 a.b.) met betrekking tot een van die tabellen opgemerkt, dat "the source of information for actual historic figures in this table would have been the producers themselves" ("de in deze tabel opgenomen reeds gerealiseerde cijfers moeten wel afkomstig zijn van de producenten zelf"). De Commissie mocht er dus van uitgaan, dat Linz de haar betreffende gegevens die in die tabellen zijn opgenomen, op de door haar bijgewoonde bijeenkomsten had verstrekt.
243 De terminologie die is gebezigd in de verschillende tabellen betreffende de jaren 1979 en 1980 (zoals "revised target" ["herziene streefhoeveelheid"], "opening suggestions" ["openingsvoorstellen"], "proposed adjustments" ["voorgestelde aanpassingen"], "agreed targets" ["overeengekomen streefhoeveelheden"]) rechtvaardigt de conclusie, dat de producenten wilsovereenstemming hebben bereikt.
244 Wat meer in het bijzonder het jaar 1979 betreft, moet op basis van het verslag van de bijeenkomst van 26 en 27 september 1979 (bijl. 12 a.b.) en op basis van de bij ICI aangetroffen, niet-gedateerde tabel, getiteld "Producers' Sales to West Europe" ("Verkoop in West-Europa")(bijl. 55 a.b.), waarin voor alle Westeuropese polypropyleenproducenten de verkoopcijfers, uitgedrukt in kiloton, voor 1976, 1977 en 1978 worden gegeven en die kolommen bevat met als kop "1979 actual" ("werkelijke cijfers 1979"), "revised target" ("herziene streefhoeveelheid") en "79", worden opgemerkt, dat tijdens die bijeenkomst werd erkend, dat de voor 1979 overeengekomen quotaregeling voor het laatste kwartaal van dat jaar moest worden aangescherpt. Uit het woord "tight" ("strak", gezien in samenhang met de beperking tot 80 % van een twaalfde van de voorziene jaarlijkse verkopen, blijkt immers, dat de oorspronkelijk voor 1979 geplande regeling voor het laatste kwartaal moest worden aangescherpt. Die uitlegging van het verslag wordt bevestigd door bovengenoemde tabel, aangezien deze in de laatste kolom, rechts van de kolom "revised target", onder de kop "79" cijfers bevat die moeten overeenstemmen met de oorspronkelijk vastgestelde quota. Die quota moesten worden herzien, dat wil zeggen aangescherpt, omdat zij - evenals in 1980 - op basis van een te optimistische raming van de markt waren vastgesteld. De in punt 31, derde alinea, van de beschikking opgenomen verwijzing naar een plan "dat te Zuerich was voorgesteld of goedgekeurd, om de maandelijkse verkopen te beperken tot 80 % van het over de eerste acht maanden van het jaar behaalde gemiddelde", doet aan deze vaststellingen niets af. Gelezen in samenhang met punt 54 van de beschikking moet die verwijzing immers aldus worden opgevat, dat oorspronkelijk reeds kwantitatieve verkoopdoelen waren vastgesteld voor de verkopen in de eerste acht maanden van 1979.
245 Dat voor het gehele jaar 1980 kwantitatieve verkoopdoelen werden vastgesteld, blijkt vooral uit de bij ATO aangetroffen tabel de dato 26 februari 1980 (bijl. 60 a.b.), waarin een kolom "agreed targets 1980" voorkomt. De bewijskracht van die tabel wordt niet aangetast door de vermelding "to be rechecked" ("te herverifiëren") naast de naam van vier ondernemingen, daar uit twee andere bewijselementen blijkt, dat die herverifiëring tot een overeenkomst tussen alle partijen heeft geleid. Het gaat allereerst om het verslag van de in januari 1981 gehouden bijeenkomsten (bijl. 17 a.b.), tijdens welke de producenten - waaronder verzoekster - de werkelijk verkochte hoeveelheden ("Actual kt") vergeleken met de vastgestelde streefhoeveelheden ("Target kt"), en verder om een 8 oktober 1980 gedateerde tabel (bijl. 57 a.b.), waarin twee kolommen voorkomen betreffende de verschillende producenten: de "1980 Nameplate Capacity" ("nominale capaciteit voor 1980") en de "1980 Quota".
246 Met betrekking tot 1981 wordt de producenten verweten, dat zij hebben deelgenomen aan onderhandelingen die erop gericht waren voor dat jaar een quota-overeenkomst tot stand te brengen, dat zij in dat verband hun "aspiraties" kenbaar hebben gemaakt en in afwachting van een dergelijke overeenkomst zijn overeengekomen om als tijdelijke maatregel in de maanden februari en maart 1981 hun maandelijkse verkopen te beperken tot een twaalfde van 85 % van de voor 1980 overeengekomen "streefhoeveelheid", dat zij voor de rest van het jaar het quotum van elke producent van het vorige jaar als een theoretisch recht hebben beschouwd, dat zij iedere maand tijdens de bijeenkomsten verslag hebben uitgebracht over hun verkopen en, ten slotte, dat zij hebben onderzocht, of hun verkopen het hun toegewezen theoretisch quotum niet overschreden.
247 Dat de producenten hebben onderhandeld om tot de invoering van een quotastelsel te komen en dat zij tijdens die onderhandelingen hun "aspiraties" kenbaar maakten, blijkt uit verschillende bewijsstukken, zoals tabellen waarin voor elke producent de "actual" cijfers en de "targets" voor de jaren 1979 en 1980 alsmede de "aspiraties" voor 1981 worden vermeld (bijl. 59 en 61 a.b.), een in het Italiaans gestelde tabel (bijl. 62 a.b.), waarin voor elke producent zijn quotum voor 1980, de voorstellen van andere producenten met betrekking tot het hem voor 1981 toe te wijzen quotum, en zijn eigen "ambities" voor dat jaar zijn aangegeven, alsmede een interne nota van ICI (bijl. 63 a.b.), waarin het verloop van de onderhandelingen wordt beschreven en waarin onder meer staat te lezen:
"Taking the various alternatives discussed at yesterday' s meeting we would prefer to limit the volume to be shared to no more than the market is expected to reach in 1981, say 1.35 million tonnes. Although there has been no further discussion with Shell, the four majors could set the lead by accepting a reduction in their 1980 target market share of about 0.35 % provided the more ambitious smaller producers such as Solvay, Saga, DSM, Chemie Linz, Anic/SIR also tempered their demands. Provided the majors are in agreement the anomalies could probably be best handled by individual discussions at Senior level, if possible before the meeting in Zurich."
("Van de verschillende op de bijeenkomst van gisteren besproken oplossingen zouden wij die oplossing verkiezen waarbij de te verdelen hoeveelheid wordt beperkt tot niet meer dan de markt naar verwachting in 1981 zal realiseren, namelijk 1,35 miljoen ton. Ook al zijn er geen verdere besprekingen gevoerd met Shell, de vier grote producenten zouden het voorbeeld kunnen geven door een verlaging van hun voor 1980 nagestreefde marktaandeel met ongeveer 0,35 % te aanvaarden, mits de meer ambitieuze, kleinere producenten zoals Solvay, Saga, DSM, Chemie Linz en Anic/SIR hun eisen ook zouden matigen. Indien de grote fabrikanten het eens zijn, kunnen afwijkingen vermoedelijk het best worden geregeld tijdens individuele besprekingen op het niveau van de 'bosses' , zo mogelijk vóór de bijeenkomst te Zuerich.")
Dit document gaat vergezeld van een met cijfers onderbouwd compromisvoorstel waarin voor elke producent het behaalde resultaat wordt vergeleken met dat van 1980 ("% of 1980 target").
248 Dat er tijdelijke maatregelen werden genomen, inhoudende dat in de maanden februari en maart 1981 de maandelijkse verkopen werden beperkt tot een twaalfde van 85 % van de voor het voorgaande jaar overeengekomen streefhoeveelheid, blijkt uit het verslag van de in januari 1981 gehouden bijeenkomsten, waarin staat te lezen:
"In the meantime [februari-maart] monthly volume would be restricted to 1/12 of 85 % of the 1980 target with a freeze on customers."
["In de tussentijd (februari-maart) zou de maandelijkse hoeveelheid worden verminderd tot 1/12 van 85 % van de streefhoeveelheid voor 1980, met een klantenstop."]
249 Dat de producenten voor de rest van het jaar hetzelfde theoretische quotum werd toegewezen als het vorige jaar en dat zij, door een maandelijkse uitwisseling van hun verkoopcijfers, controleerden of de verkopen met dat quotum overeenstemden, blijkt uit drie documenten, in onderlinge samenhang bezien: in de eerste plaats een 21 december 1981 gedateerde tabel (bijl. 67 a.b.), waarin voor elke producent de maandelijkse verkopen zijn aangegeven en waarvan de laatste drie kolommen - betreffende de maanden november en december en het jaartotaal - met de hand zijn toegevoegd; in de tweede plaats een niet-gedateerde, in het Italiaans gestelde tabel met als kop "Scarti per società" ("afwijkingen per onderneming"), die bij ICI is aangetroffen (bijl. 65 a.b.) en waarin voor elke producent voor de periode januari-december 1981 de "actual" verkoopcijfers worden vergeleken met de "theoretic" ("theoretische") cijfers, en tot slot een bij ICI aangetroffen, niet-gedateerde tabel (bijl. 68 a.b.), waarin voor elke producent voor de periode januari-november 1981 de verkoopcijfers en de marktaandelen worden vergeleken met die van 1979 en 1980 door middel van een prognose voor het einde van het jaar.
250 De eerste tabel laat namelijk zien, dat de producenten hun maandelijkse verkoopcijfers hebben uitgewisseld. In samenhang met de vergelijkingen van die cijfers met de cijfers betreffende 1980 - in de twee andere tabellen, die betrekking hebben op dezelfde periode - staaft een dergelijke uitwisseling van gegevens die een onafhankelijke ondernemer koste wat kost als "zakengeheimen" voor zich pleegt te houden, de in de beschikking getrokken conclusies.
251 Dat verzoekster bij die verschillende activiteiten betrokken is geweest, blijkt in de eerste plaats uit haar deelneming aan de bijeenkomsten - inzonderheid die van januari 1981 - tijdens welke die handelingen plaatsvonden, en in de tweede plaats uit het feit, dat haar naam in de verschillende bovenvermelde stukken wordt genoemd. In die stukken komen overigens cijfers voor ten aanzien waarvan ICI in haar antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht - waarnaar andere verzoeksters in hun antwoord verwijzen - heeft verklaard, dat zij niet hadden kunnen worden opgesteld op basis van de statistieken van het Fides-systeem.
252 Met betrekking tot het jaar 1982 wordt de producenten verweten, dat zij hebben deelgenomen aan onderhandelingen die erop gericht waren, voor dat jaar een quota-overeenkomst tot stand te brengen; dat zij in dat verband hun aspiraties qua hoeveelheden kenbaar hebben gemaakt; dat zij, aangezien geen definitief akkoord werd bereikt, gedurende de eerste helft van het jaar tijdens de bijeenkomsten hun maandelijkse verkoopcijfers hebben meegedeeld en deze hebben vergeleken met hun werkelijke procentuele marktaandeel in het voorgaande jaar, en tot slot dat zij in de tweede helft van het jaar ernaar hebben gestreefd hun maandelijkse verkopen te beperken tot hetzelfde percentage van de totale markt als zij in het eerste halfjaar voor hun rekening hadden genomen.
253 Dat de producenten onderhandelden om tot de invoering van een quotastelsel te komen en dat zij in dit kader hun aspiraties kenbaar maakten, blijkt uit een aantal documenten: in de eerste plaats een document met de titel "Scheme for discussions 'quota system 1982' " ("Schema voor discussies inzake een quotasysteem voor 1982") (bijl. 69 a.b.), waarin voor alle ondernemingen tot welke de beschikking is gericht, met uitzondering van Hercules, wordt vermeld op welke hoeveelheid zij recht meenden te hebben, en daarnaast voor sommige ondernemingen (alle behalve Anic, Linz, Petrofina, Shell en Solvay) wordt aangegeven, welke hoeveelheid huns inziens aan de andere producenten moest worden toegewezen; in de tweede plaats een nota van ICI, getiteld "Polypropylene 1982, Guidelines" ("Polypropyleen 1982, richtlijnen") (bijl. 70a a.b.), waarin ICI de lopende onderhandelingen analyseert; in de derde plaats een 17 februari 1982 gedateerde tabel (bijl. 70b a.b.), die een vergelijking bevat van verschillende voorstellen voor een verdeling van de verkopen - waarvan er één, getiteld "ICI Orginal Scheme" ("Oorspronkelijk Schema ICI"), in een andere, met de hand geschreven tabel door Monte enigszins is aangepast in een kolom met de kop "Milliavacca (de naam van een personeelslid van Monte) 27/1/82" (bijl. 70c a.b.) - en tot slot een in het Italiaans gestelde tabel (bijl. 71 a.b.), die een ingewikkeld voorstel (beschreven in punt 58, tweede alinea, in fine, van de beschikking) weergeeft.
254 Het bewijs van de voor het eerste halfjaar genomen maatregelen wordt geleverd door het verslag van de bijeenkomst van 13 mei 1982 (bijl. 24 a.b.), waarin onder meer staat te lezen:
"To support the move a number of other actions are needed a) limit sales volume to some agreed prop. of normal sales."
["Ter ondersteuning is een aantal andere maatregelen noodzakelijk a) een beperking van de verkoophoeveelheden tot een overeengekomen percentage van de normale verkopen."]
255 Dat aan die maatregelen uitvoering is gegeven, blijkt uit het verslag van de bijeenkomst van 9 juni 1982 (bijl. 25 a.b.), waarbij een tabel is gevoegd die voor elke producent het "actual" ("werkelijk") verkoopcijfer voor de maanden januari tot en met april 1982 aangeeft, vergeleken met een theoretisch cijfer "based on 1981 av[erage] market share" ("gebaseerd op het gemiddelde marktaandeel van 1981"), alsmede uit het verslag van de bijeenkomst van 20 en 21 juli 1982 (bijl. 26 a.b.), met betrekking tot de periode van januari tot mei 1982, en dat van de bijeenkomst van 20 augustus 1982 (bijl. 28 a.b.), met betrekking tot de periode van januari tot juli 1982.
256 Het bewijs van de voor het tweede halfjaar van 1982 genomen maatregelen is te vinden in het verslag van de bijeenkomst van 6 oktober 1982 (bijl. 31 a.b.), waarin staat te lezen: "In October this would also mean restraining sales to the Jan/June achieved market share of a market estimated at 100 kt" en "Performance against target in September was reviewed" ("In oktober zou dit ook betekenen, dat de verkopen worden beperkt tot het in de periode januari/juni gerealiseerde marktaandeel op een op 100 kt geraamde markt" en "Resultaten, afgezet tegen streefhoeveelheid voor september, werden onderzocht"). Aan dit verslag is een tabel gehecht met als titel: "September provisional sales versus target (based on Jan-June market share applied to demand est[imated] at 120 kt)" ["Voorlopige verkopen september versus streefhoeveelheid (gebaseerd op marktaandeel januari/juni, toegepast op geraamde vraag van 120 kt)"]. Dat die maatregelen werden gehandhaafd, wordt bevestigd door het verslag van de bijeenkomst van 2 december 1982 (bijl. 33 a.b.), waaraan een tabel is gehecht waarin voor november 1982 de "Actual" ("werkelijke") verkopen worden vergeleken met de "Theoretical" ("theoretische") cijfers, berekend op basis van "J-June % of 125 kt" ("januari/juni % van 125 kt").
257 Met betrekking tot 1981 en de twee semesters van 1982 heeft de Commissie uit het feit dat er tijdens de periodieke bijeenkomsten over en weer toezicht werd uitgeoefend op de uitvoering van een regeling waarbij de maandelijkse verkopen ten opzichte van die in een voorafgaande periode werden beperkt, terecht afgeleid, dat die regeling door de deelnemers aan de bijeenkomsten was vastgesteld.
258 Met betrekking tot 1983 blijkt uit de door de Commissie overgelegde stukken (bijl. 33 en 74 tot en met 87 a.b.), dat de polypropyleenproducenten eind 1982 en begin 1983 besprekingen voerden over een quotaregeling voor 1983, dat verzoekster deelnam aan de bijeenkomsten tijdens welke die besprekingen plaatsvonden, en dat zij daarbij gegevens verstrekte over haar verkopen. Verder blijkt uit een nota van ICI met als kop "1983 - C. Linz proposal" ("1983 - voorstel van C. Linz", bijl. 80 a.b.), dat verzoekster een in ton uitgedrukt voorstel voor verdeling van de markt onder de verschillende producenten heeft geformuleerd, dat, omgezet in marktaandelen, is overgenomen in de door ICI opgestelde overzichtstabel (bijl. 85 a.b., blz. 2).
259 Hieruit volgt, dat verzoekster heeft deelgenomen aan de onderhandelingen die erop gericht waren, voor 1983 een quotaregeling tot stand te brengen.
260 Met betrekking tot de vraag, of die onderhandelingen voor de eerste twee kwartalen van 1983 daadwerkelijk resultaat hebben opgeleverd, zoals in de beschikking (punten 63, derde alinea, en 64) wordt vermeld, zij opgemerkt, dat uit het verslag van de bijeenkomst van 1 juni 1983 (bijl. 40 a.b.) blijkt, dat verzoekster, evenals negen andere ondernemingen, tijdens die bijeenkomst haar verkoopcijfers voor de maand mei heeft bekendgemaakt. Bovendien staat in het verslag van een op 17 maart 1983 gehouden interne bijeenkomst van de Shell-groep (bijl. 90 a.b.) te lezen:
"(...) and would lead to a market share of approaching 12 % and well above the agreed Shell target of 11 %. Accordingly the following reduced sales targets were set and agreed by the integrated companies."
["(...) en zou leiden tot een marktaandeel van bijna 12 %, dat beduidend hoger zou zijn dan de voor Shell overeengekomen streefhoeveelheid van 11 %. Daarom werden door de werkmaatschappijen van de groep de volgende - lagere - verkoopdoelen vastgesteld en overeengekomen."]
De nieuwe hoeveelheden worden meegedeeld, waarna wordt opgemerkt:
"this would be 11.2 Pct of a market of 395 kt. The situation will be monitored carefully and any change from this agreed plan would need to be discussed beforehand with the other PIMS members."
("dit zou neerkomen op 11,2 % van een markt van 395 kt. De situatie zal nauwlettend in de gaten worden gehouden en iedere afwijking van het aldus overeengekomen schema zal eerst met de andere PIMS-leden moeten worden besproken.")
261 Uit die twee documenten, in onderlinge samenhang bezien, heeft de Commissie terecht afgeleid, dat de onderhandelingen tussen de producenten tot de invoering van een quotaregeling hebben geleid. Uit de interne nota van de Shell-groep blijkt immers, dat deze onderneming haar nationale verkoopmaatschappijen verzocht, hun verkopen te reduceren, niet om de totale verkopen van de Shell-groep te verminderen, maar om het totale marktaandeel van de groep te beperken tot 11 %. Een dergelijke beperking, uitgedrukt in marktaandeel, is slechts verklaarbaar in het kader van een quotaregeling. Bovendien vormt het verslag van de bijeenkomst van 1 juni 1983 een extra aanwijzing voor het bestaan van een dergelijke regeling, aangezien een uitwisseling van gegevens betreffende de maandelijkse verkopen van de verschillende producenten primair ten doel heeft, de naleving van de aangegane verplichtingen te controleren.
262 Tot slot wordt opgemerkt, dat het cijfer van 11 % - het marktaandeel van Shell - niet alleen voorkomt in de interne nota van Shell, maar ook in twee andere documenten, te weten een interne nota van ICI waarin deze opmerkt dat Shell dit percentage voorstelt voor haarzelf, voor Hoechst en voor ICI (bijl. 87 a.b.), en het door ICI opgesteld verslag van een op 29 november 1982 met Shell gehouden bijeenkomst waarop dat voorstel in herinnering werd gebracht (bijl. 99 a.b.).
263 Bovendien stelt het Gerecht vast, dat de quota betrekking hadden op alle polypropyleenkwaliteiten (basiskwaliteiten en speciale produkten). In haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar heeft verzoekster immers verklaard, dat zij, alle kwaliteiten samengenomen, in 1980 en 1983 respectievelijk 50 600 en 55 000 ton in West-Europa heeft verkocht, en dat 63 à 80 % daarvan uit speciale produkten bestond. Welnu, het aan verzoekster voor West-Europa toegekende quotum bedroeg voor 1980 55 000 ton (bijl. 60 a.b.), later verminderd tot 48 000 ton (bijl. 17 a.b.), en voor 1983 54 000 ton (extrapolatie van het quotum voor het eerste kwartaal van dat jaar, bijl. 33 a.b., tabel 2).
264 Daar komt nog bij, dat aangezien de verschillende maatregelen ter beperking van de verkoophoeveelheden hetzelfde doel hadden - te weten een vermindering van de druk op de prijzen door het te grote aanbod -, de Commissie zich terecht op het standpunt heeft gesteld, dat die maatregelen deel uitmaakten van een quotaregeling.
265 Opgemerkt zij overigens dat verzoekster, door het bijwonen van bijeenkomsten tijdens welke kritiek werd geleverd op de producenten die zich niet aan de afspraken hadden gehouden, aan die kritiek heeft deelgenomen en langs die weg pressie heeft uitgeoefend op die producenten.
266 Bovendien moet worden opgemerkt, dat de Commissie voor het bewijs van bovengenoemde feiten geen stukken behoefde aan te voeren die zij in haar mededelingen van de punten van bezwaar niet haar vermeld of die zij niet aan verzoekster had overgelegd.
267 Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen, dat verzoekster een van de polypropyleenproducenten was die wilsovereenstemming hebben bereikt met betrekking tot de in de beschikking genoemde kwantitatieve verkoopdoelen voor de jaren 1979 en 1980 en de eerste helft van 1983, en met betrekking tot de in de beschikking bedoelde beperking van hun maandelijkse verkopen ten opzichte van een eerdere periode voor de jaren 1981 en 1982, en dat deze maatregelen een onderdeel vormden van een quotaregeling.
F - Conclusie
268 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie al hetgeen zij verzoekster in de bestreden handeling te last heeft gelegd, rechtens genoegzaam heeft bewezen, en zich derhalve, anders dan verzoekster stelt, niet op geruchten, gewone vermoedens en veronderstellingen of niet-bestaande ervaringsregels heeft gebaseerd.
2. De toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag
A - Juridische kwalificatie
a) Bestreden handeling
269 Volgens de beschikking (punt 81, eerste alinea) is het gehele complex van stelsels en regelingen, waartoe in de context van een systeem van regelmatige en geïnstitutionaliseerde bijeenkomsten werd besloten, één enkele voortgezette "overeenkomst" als bedoeld in artikel 85, lid 1.
270 In het onderhavige geval namen de producenten, door zich aan te sluiten bij een gemeenschappelijk plan om hun commerciële gedragingen op de polypropyleenmarkt te regelen, deel aan een kaderovereenkomst, die concreet gestalte kreeg in een aantal meer gedetailleerde deelovereenkomsten, die op gezette tijden werden uitgewerkt (punt 81, tweede alinea, van de beschikking).
271 Bij de concrete uitwerking van het algemene plan - aldus punt 82, eerste alinea, van de beschikking - werd op vele gebieden uitdrukkelijke overeenstemming bereikt (individuele prijsinitiatieven en quotaregelingen). In sommige gevallen mogen de producenten dan wel geen overeenstemming over een definitieve regeling hebben bereikt - zoals met betrekking tot de quota voor 1981 en 1982 -, maar het feit dat zij noodoplossingen toepasten - zoals de uitwisseling van informatie en de toetsing van de maandelijkse verkopen aan de in een vroegere referentieperiode behaalde resultaten -, houdt niet alleen een uitdrukkelijke overeenkomst in tot het opzetten en toepassen van dergelijke maatregelen, maar wijst ook op een stilzwijgende overeenkomst om de respectieve posities van de producenten zoveel mogelijk te handhaven.
272 Zelfs vóór 1979 steunden de diverse initiatieven, die volgens de gegevens werden "geleid" door de een of andere producent en "gevolgd" door de anderen, op een onderlinge overeenkomst (punt 82, tweede alinea, van de beschikking).
273 Met name over het initiatief van december 1977 wordt in punt 82, derde alinea, van de beschikking gezegd, dat producenten als Hercules, Hoechst, ICI, Linz, Rhône-Poulenc, Saga en Solvay op de EATP-bijeenkomsten, zelfs in aanwezigheid van afnemers, de nadruk legden op de door hen aangevoelde noodzaak de prijzen via onderling afgestemde acties te verhogen. Onder de producenten waren er buiten de EATP-bijeenkomsten nog meer contacten op het gebied van prijsstelling. Gezien deze toegegeven contacten is de Commissie van oordeel, dat aan het systeem waarbij een of meer producenten zich over de geringe winstmarges beklaagden en voorstellen deden voor gezamenlijke actie, terwijl de anderen hun "steun" voor dergelijke maatregelen toezegden, een bestaande overeenkomst inzake prijzen ten grondslag lag. Zelfs bij gebreke van andere contacten zou een dergelijk systeem op een voldoende mate van overeenstemming kunnen wijzen om van een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, te kunnen gewagen.
274 Aan de conclusie dat hier sprake is van één voortgezette overeenkomst, wordt niet afgedaan door het feit, dat sommige producenten onvermijdelijk niet bij elke bijeenkomst aanwezig waren. Voor het opzetten en ten uitvoer leggen van een "initiatief" waren enige maanden nodig en het maakte voor de betrokkenheid van een producent dan ook weinig uit, dat hij af en toe een bijeenkomst niet bijwoonde (punt 83, eerste alinea, van de beschikking).
275 Volgens punt 86, eerste alinea, van de beschikking komt het functioneren van het kartel, dat gebaseerd is op een gemeenschappelijk en gedetailleerd plan, neer op een "overeenkomst" in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag.
276 Er is een onderscheid tussen het begrip "overeenkomst" en het begrip "onderling afgestemde feitelijke gedragingen", maar in sommige gevallen kan de heimelijke verstandhouding aspecten van beide vormen van verboden samenwerking vertonen, aldus punt 86, tweede alinea, van de beschikking.
277 Onderling afgestemde feitelijke gedragingen houden een vorm van samenwerking tussen ondernemingen in waarmee, zonder dat het tot het sluiten van een overeenkomst in de volle betekenis van het woord is gekomen, doelbewust de aan mededinging verbonden risico' s worden ontlopen door een pragmatische samenwerking (punt 86, derde alinea, van de beschikking).
278 Volgens punt 87, eerste alinea, van de beschikking zat bij de invoering van het afzonderlijke begrip "onderling afgestemde feitelijke gedraging" in het Verdrag de bedoeling voor, de ondernemingen de mogelijkheid te ontnemen om de toepassing van artikel 85, lid 1, te ontgaan door in het geheim, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, op een de mededinging verstorende manier samen te werken door (bij voorbeeld) elkaar steeds vooraf in kennis te stellen van hun beleidsintenties, zodat ieder van hen zijn commercieel gedrag kan bepalen in de wetenschap dat zijn concurrenten zich op dezelfde manier zullen gedragen (arrest van het Hof van 14 juli 1972, zaak 48/69, ICI, Jurispr. 1972, blz. 619).
279 In zijn arrest van 16 december 1975 (gevoegde zaken 40/73 tot en met 48/73, 50/73, 54/73 tot en met 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Suiker Unie, Jurispr. 1975, blz. 1663) stelde het Hof, dat de criteria van cooerdinatie en samenwerking welke in haar rechtspraak worden aangenomen, allerminst inhouden dat er een werkelijk "plan" zou moeten zijn opgesteld en dienen te worden verstaan in het licht van de in de verdragsvoorschriften inzake de mededinging besloten voorstelling, dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren. Deze eis van zelfstandigheid sluit weliswaar niet uit dat de ondernemer gerechtigd is zijn beleid intelligent aan het vastgestelde of te verwachten marktgedrag der concurrenten aan te passen, doch staat anderzijds onverbiddelijk in de weg aan enigerlei tussen zulke ondernemers al dan niet rechtstreeks opgenomen contact strekkend hetzij tot beïnvloeding van het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent, hetzij tot beduiding aan zulk een concurrent van het aangenomen of voorgenomen marktgedrag (punt 87, tweede alinea, van de beschikking). Een dergelijke gedraging kan derhalve als "onderling afgestemde feitelijke gedraging" onder de toepassing van artikel 85, lid 1, vallen, zelfs wanneer de partijen vooraf geen volledige overeenstemming hebben bereikt over een gemeenschappelijk plan waarin hun marktgedrag is vastgelegd, maar wel gebruik maken van of deelnemen aan op heimelijke verstandhouding berustende systemen die de cooerdinatie van hun commerciële gedragingen vergemakkelijken (punt 87, derde alinea, eerste volzin, van de beschikking).
280 Voorts - aldus punt 87, derde alinea, derde volzin, van de beschikking - is het in een complex kartel best mogelijk, dat sommige producenten op bepaalde ogenblikken hun uiteindelijke instemming met een bepaalde, door de anderen overeengekomen gedragslijn niet tot uiting brengen, maar niettemin hun algemene steun voor de betrokken regeling te kennen geven en zich daarnaar ook gedragen. In sommige opzichten kan de voortgezette samenwerking en heimelijke verstandhouding tussen de producenten bij de toepassing van de algemene overeenkomst dan ook de kenmerken van een onderling afgestemde feitelijke gedraging vertonen (punt 87, vierde alinea, tweede volzin, van de beschikking).
281 Volgens punt 87, vijfde alinea, van de beschikking ligt het belang van het begrip "onderling afgestemde feitelijke gedraging" dan ook niet zozeer in het onderscheid tussen een dergelijke gedraging en een "overeenkomst", als wel in het verschil tussen een heimelijke verstandhouding die onder artikel 85, lid 1, valt en louter gelijklopend gedrag waarmee geen overleg gemoeid is. In de onderhavige zaak hangt dan ook niets af van de precieze vorm die de op heimelijke verstandhouding berustende regelingen hebben aangenomen.
282 In punt 88, eerste en tweede alinea, van de beschikking wordt vastgesteld, dat de meeste producenten, die tijdens de administratieve procedure hebben betoogd, dat hun gedrag met betrekking tot de gestelde "prijsinitiatieven" niet was gebaseerd op een "overeenkomst" in de zin van artikel 85 (zie punt 82 van de beschikking), voorts stellen dat dit gedrag evenmin een aanleiding kan vormen voor het vaststellen van een onderling afgestemde feitelijke gedraging. Dat begrip veronderstelt volgens hen een "openlijke daad" op de markt, welke (naar hun zeggen) in het onderhavige geval geheel ontbreekt, aangezien geen prijslijsten of "richtprijzen" aan de afnemers werden medegedeeld. Dit argument wordt in de beschikking verworpen. Mocht het in het onderhavige geval namelijk noodzakelijk zijn geweest, te steunen op het bewijs van een onderling afgestemde feitelijke gedraging, dan was het vereiste dat bewezen moet zijn dat de deelnemers bepaalde stappen hebben gedaan om hun gemeenschappelijk doel te bereiken, geheel vervuld. De diverse prijsinitiatieven staan onomstotelijk vast. Voorts kan niet worden ontkend, dat de individuele producenten gelijklopende maatregelen namen om die initiatieven ten uitvoer te leggen. De zowel individueel als collectief door de producenten genomen maatregelen blijken duidelijk uit het schriftelijk bewijsmateriaal: notulen van bijeenkomsten, interne memoranda, instructies en circulaires aan de verkoopkantoren, alsmede brieven aan afnemers. Het doet volstrekt niet ter zake, of al dan niet prijslijsten werden "gepubliceerd". De prijsinstructies zelf leveren niet alleen het best mogelijke bewijs van de door iedere producent genomen maatregelen om het gemeenschappelijk streven ten uitvoer te leggen, maar maken door hun inhoud en het tijdstip waarop ze werden gegeven, het bewijs van de heimelijke verstandhouding nog overtuigender.
b) Argumenten van partijen
283 Verzoekster verklaart, dat de stelling van de Commissie, als zou het weinig belang hebben te weten of er in het onderhavige geval een overeenkomst dan wel slechts onderling afgestemde feitelijke gedragingen waren, niet kan worden aanvaard. De vraag, of de aan Linz verweten samenspanning juridisch een overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 85 EEG-Verdrag is, dan wel of zij bestanddelen van beide bevat, mag niet onbeantwoord blijven.
284 Haars inziens berust die stelling op een verkeerde definitie van het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging. Volgens deze definitie is het element "feitelijke gedraging" aanwezig zodra ondernemingen rechtstreeks of indirect met elkaar contact opnemen; het marktgedrag van de ondernemingen vervult daarbij slechts de functie van indicie voor het bestaan van contacten wanneer andere bewijsmiddelen ontbreken.
285 De stelling van de Commissie verdraagt zich niet met de tekst van artikel 85. Daarin wordt de "overeenkomst" immers niet op één lijn gesteld met de "samenspanning" - hetgeen de Commissie uiteindelijk doet -, maar met de "onderling afgestemde feitelijke gedragingen". Zij is ook niet in overeenstemming met de door de Commissie aangehaalde rechtspraak van het Hof (arresten van 14 juli 1972, zaak 48/69, reeds aangehaald; 16 december 1975, gevoegde zaken 40/73 tot en met 48/73, 50/73, 54/73 tot en met 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, reeds aangehaald, r.o. 172 tot en met 180; en 14 juli 1981, zaak 172/80, Zuechner, Jurispr. 1981, blz. 2021) en evenmin met de conclusies van de advocaten-generaal in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 29 oktober 1980 (gevoegde zaken 209/78 tot en met 215/78 en 218/78, reeds aangehaald) en 7 juni 1983 (gevoegde zaken 100/80 tot en met 103/80, Musique Diffusion française, Jurispr. 1983, blz. 1825). Bij een grondige analyse van het arrest van 16 december 1975 (gevoegde zaken 40/73 tot en met 48/73, 50/73, 54/73 tot en met 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, reeds aangehaald, r.o. 173 tot en met 180) blijkt immers, dat het Hof voor de erkenning van het bestaan van een onderling afgestemde feitelijke gedraging twee elementen vereist: onderlinge afstemming en een daaraan beantwoordend gedrag. De door de Commissie tot staving van haar stelling aangehaalde rechtsoverwegingen 173 en 174 van dat arrest betreffen niet de definitie van het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging, maar slechts één van de twee bestanddelen daarvan, namelijk de onderlinge afstemming. Hieraan moet het tweede bestanddeel van de "onderling afgestemde feitelijke gedraging" worden toegevoegd, te weten een gecooerdineerd marktgedrag, waarvan het bestaan door het Hof in rechtsoverweging 180 van het arrest is onderzocht.
286 De uitschakeling van de aan mededinging verbonden risico' s houdt rechtstreeks verband met het feitelijke marktgedrag. Weliswaar vermindert elke bijkomende informatie over de markt in zekere mate de aan de mededinging verbonden risico' s, doch het punt vanaf waar die vermindering van de risico' s onder het verbod van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag valt, wordt slechts bereikt wanneer kan worden berekend hoe de deelnemers op een bepaald marktgedrag zullen reageren.
287 Zij voert aan, dat in het onderhavige geval aan geen van de twee noodzakelijke voorwaarden voor het bestaan van onderling afgestemde feitelijke gedragingen is voldaan; de discussies over verschillende marktproblemen konden de onzekerheid over het gedrag van de concurrenten niet wegnemen en er viel op de markt geen met eventuele onderling afgestemde feitelijke gedragingen overeenstemmend gedrag waar te nemen.
288 De stelling van de Commissie berust dus op een uitlegging van artikel 85 die, ook al zou zij geoorloofd zijn, in ieder geval nieuw is en derhalve niet zonder schending van het beginsel "nulla poena sine lege" met terugwerkende kracht kan worden toegepast op situaties die zich in het verleden hebben afgespeeld.
289 De Commissie heeft het bestaan van een overeenkomst, wat de datum en het onderwerp ervan alsmede de deelnemers eraan betreft, in haar beschikking niet voldoende duidelijk aangetoond. Daar de Commissie de betrokken ondernemingen geen welbepaalde overeenkomst verwijt, behoeft het Gerecht niet te onderzoeken of een dergelijk verwijt, indien het zou zijn geformuleerd, door de feiten wordt gestaafd. Van de betrokken ondernemingen mag immers niet worden verwacht, dat zij verweer voeren tegen bezwaren die de Commissie niet heeft geformuleerd.
290 Volgens verzoekster stond het derhalve aan de Commissie, aan te tonen dat de essentiële bestanddelen van een overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging voorhanden waren, hetgeen de Commissie niet heeft gedaan waar zij concludeert dat er sprake is van "samenspanning", een notie die elementen van het ene en van het andere begrip bevat.
291 Volgens de Commissie daarentegen is de vraag, of een samenspanning of een kartel juridisch als een overeenkomst of als een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 85 EEG-Verdrag moet worden aangemerkt, dan wel of die samenspanning elementen van beide begrippen in zich draagt, van ondergeschikt belang. De termen "overeenkomst" en "onderling afgestemde feitelijke gedraging" kunnen haars inziens namelijk de verschillende soorten regelingen omvatten waarmee concurrenten hun toekomstige gedragslijn op het stuk van de mededinging niet in volkomen zelfstandigheid bepalen, doch op basis van rechtstreekse of indirecte onderlinge contacten wederzijds beperkingen van hun vrijheid van handelen op de markt aanvaarden.
292 Met het gebruik van de verschillende termen in artikel 85 wordt volgens de Commissie beoogd, het gehele gamma van middelen tot samenspanning te verbieden, en niet, een verschillende behandeling voor elk van die middelen voor te schrijven. De vraag, waar de scheidingslijn moet worden getrokken tussen termen die ertoe strekken het hele terrein van verboden gedrag te omvatten, is daarom irrelevant. De ratio legis van het opnemen in artikel 85 van het begrip "onderling afgestemde feitelijke gedraging" bestaat hierin, dat men onder het verbod van deze bepaling behalve overeenkomsten ook vormen van samenspanning wil begrijpen, die, ofschoon er slechts sprake is van een de facto cooerdinatie of feitelijke samenwerking, niettemin de mededinging kunnen vervalsen (arrest van het Hof van 14 juli 1972, zaak 48/69, reeds aangehaald, r.o. 64 tot en met 66).
293 De Commissie betoogt, dat er blijkens de rechtspraak van het Hof (arrest van 16 december 1975, gevoegde zaken 40/73 tot en met 48/73, 50/73, 54/73 tot en met 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, reeds aangehaald, r.o. 173 en 174) geen sprake mag zijn van enigerlei tussen ondernemers al dan niet rechtstreeks opgenomen contact, strekkend hetzij tot beïnvloeding van het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent, hetzij tot beduiding aan zulk een concurrent van het aangenomen of voorgenomen marktgedrag. Er is dus reeds sprake van een onderling afgestemde feitelijke gedraging op het moment dat concurrenten, alvorens op enigerlei wijze op de markt op te treden, contact met elkaar opnemen.
294 Volgens de Commissie is er sprake van een onderling afgestemde feitelijke gedraging, zodra er onderlinge afstemming is die ertoe strekt de zelfstandigheid van de ondernemingen ten opzichte van elkaar te beperken, zelfs indien er geen feitelijk marktgedrag is geconstateerd. Het debat gaat eigenlijk over de betekenis van de uitdrukking "feitelijke gedraging". De stelling, dat die uitdrukking de beperkte betekenis van "marktgedrag" heeft, acht de Commissie onjuist. Haars inziens kan reeds de enkele betrokkenheid bij bepaalde contacten als een "feitelijke gedraging" worden aangemerkt, voor zover die contacten ertoe strekken, de zelfstandigheid van de ondernemingen te beperken.
295 Aanvaarding van het standpunt, dat er pas van een onderling afgestemde feitelijke gedraging kan worden gesproken indien beide elementen - onderlinge afstemming en marktgedrag - aanwezig zijn, zou volgens de Commissie bovendien betekenen, dat een heel gamma van feitelijke gedragingen die ertoe strekken, maar niet noodzakelijkerwijs ten gevolge hebben, dat de mededinging op de gemeenschappelijke markt wordt vervalst, buiten de werkingssfeer van artikel 85 valt. Op die manier zou artikel 85 een deel van zijn betekenis verliezen. Die opvatting strookt bovendien niet met de rechtspraak van het Hof met betrekking tot het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging (arresten van 14 juli 1972, zaak 48/69, reeds aangehaald, r.o. 66; 16 december 1975, gevoegde zaken 40/73 tot en met 48/73, 50/73, 54/73 tot en met 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, reeds aangehaald, r.o. 26, en 14 juli 1981, zaak 172/80, reeds aangehaald, r.o. 14). In die rechtspraak wordt weliswaar telkens gesproken van een bepaald marktgedrag, maar dat gedrag is niet, zoals verzoekster stelt, een van de elementen waaruit de inbreuk is opgebouwd, doch een feitelijk gegeven waaruit de onderlinge afstemming kan worden afgeleid. Volgens die rechtspraak is er geen feitelijk marktgedrag vereist. De enige eis die wordt gesteld, is dat er op enigerlei wijze contact is opgenomen tussen marktdeelnemers, waaruit blijkt dat dezen hun noodzakelijke zelfstandigheid hebben prijsgegeven.
296 Volgens de Commissie is voor een inbreuk op artikel 85 dus niet nodig, dat de ondernemingen datgene waarover zij overeenstemming hebben bereikt, ook in de praktijk hebben gebracht. Aan de omschrijving van artikel 85, lid 1, is ten volle voldaan, zodra aan het voornemen om de risico' s van de concurrentie te vervangen door samenwerking, gestalte wordt gegeven door onderlinge afstemming. Het is niet vereist, dat die onderlinge afstemming wordt vertaald in een bepaald marktgedrag.
297 Voor de bewijsvoering betekent dit, dat overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen kunnen worden aangetoond met behulp van zowel rechtstreekse als indirecte bewijzen. In het onderhavige geval behoefde de Commissie niet haar toevlucht te nemen tot indirecte bewijzen, zoals parallel marktgedrag, aangezien zij beschikte over rechtstreekse bewijzen van de samenspanning, zoals met name de verslagen van bijeenkomsten.
298 Concluderend stelt de Commissie, dat zij gerechtigd was de inbreuk in het onderhavige geval primair als overeenkomst en subsidiair, voor zover nodig, als onderling afgestemde feitelijke gedraging te kwalificeren.
c) Beoordeling door het Gerecht
299 Vastgesteld moet worden, dat de Commissie, anders dan verzoekster stelt, elk van de tegen verzoekster in aanmerking genomen feiten hetzij als een overeenkomst, hetzij als een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag heeft gekwalificeerd. Uit de punten 80, tweede alinea, 81, tweede alinea, en 82, eerste alinea, van de beschikking, in onderlinge samenhang bezien, blijkt namelijk, dat de Commissie elk van die verschillende feiten primair als "overeenkomst" heeft gekwalificeerd.
300 Verder blijkt uit de punten 86, tweede en derde alinea, 87, derde alinea, en 88 van de beschikking, in onderlinge samenhang bezien, dat de Commissie bepaalde bestanddelen van de inbreuk subsidiair als "onderling afgestemde feitelijke gedraging" heeft gekwalificeerd, namelijk wanneer op grond daarvan niet kon worden geconcludeerd dat de partijen vooraf overeenstemming hadden bereikt over een gemeenschappelijk plan waarin hun marktgedrag was vastgelegd, doch wel gebruik hadden gemaakt van of hadden deelgenomen aan op heimelijke verstandhouding berustende systemen die de cooerdinatie van hun commerciële gedragingen vergemakkelijkten, of wanneer op grond daarvan, gelet op het complexe karakter van het kartel, van sommige producenten, die weliswaar hun algemene steun voor een bepaalde regeling te kennen hadden gegeven en zich daarnaar ook hadden gedragen, niet kon worden vastgesteld dat zij tevoren uitdrukkelijk met die regeling hadden ingestemd. De beschikking verbindt hieraan de conclusie, dat de voortgezette samenwerking en heimelijke verstandhouding tussen de producenten bij de toepassing van een algemene overeenkomst in sommige opzichten kenmerken van een onderling afgestemde feitelijke gedraging kan vertonen.
301 Waar blijkens de rechtspraak van het Hof het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag reeds kan worden aangenomen indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen (zie de arresten van 15 juli 1970, zaak 41/69, reeds aangehaald, r.o. 112, en 29 oktober 1980, gevoegde zaken 209/78 tot en met 215/78 en 218/78, reeds aangehaald, r.o. 86), mocht de Commissie de door haar rechtens genoegzaam bewezen wilsovereenstemming tussen verzoekster en andere polypropyleenproducenten met betrekking tot prijsinitiatieven, maatregelen ter vergemakkelijking van de toepassing van de prijsinitiatieven, kwantitatieve verkoopdoelen voor 1979 en 1980 en voor de eerste helft van 1983 alsmede maatregelen om de maandelijkse verkopen ten opzichte van die in een eerdere periode te beperken voor 1981 en 1982, als overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag kwalificeren.
302 Bovendien mocht de Commissie, waar zij rechtens genoegzaam heeft bewezen dat de gevolgen van de prijsinitiatieven zich tot november 1983 deden gevoelen, zich op het standpunt stellen, dat de inbreuk in elk geval tot in november 1983 heeft voortgeduurd. Volgens de rechtspraak van het Hof is artikel 85 namelijk ook van toepassing op overeenkomsten die niet meer van kracht zijn, doch na hun formele beëindiging effect blijven sorteren (arrest van 3 juli 1985, zaak 243/83, Binon, Jurispr. 1985, blz. 2015, r.o. 17).
303 Voor de definitie van het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging zij verwezen naar de rechtspraak van het Hof. Daaruit blijkt dat de eerder door het Hof gestelde criteria van cooerdinatie en samenwerking moeten worden verstaan in het licht van de in de mededingingsvoorschriften van het EEG-Verdrag besloten voorstelling, dat elke ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren. Deze eis van zelfstandigheid sluit weliswaar niet uit, dat de ondernemer gerechtigd is zijn beleid intelligent aan het vastgestelde of te verwachten marktgedrag van zijn concurrenten aan te passen, doch zij staat onverbiddelijk in de weg aan enigerlei tussen zulke ondernemers al dan niet rechtstreeks opgenomen contact strekkend hetzij tot beïnvloeding van het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent, hetzij tot beduiding aan zulk een concurrent van het aangenomen of voorgenomen marktgedrag (arrest van 16 december 1975, gevoegde zaken 40/73 tot en met 48/73, 50/73, 54/73 tot en met 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, reeds aangehaald, r.o. 173 en 174).
304 In het onderhavige geval heeft verzoekster deelgenomen aan bijeenkomsten die ertoe strekten, richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen vast te stellen. Tijdens die bijeenkomsten wisselden concurrenten informatie uit over de prijzen die zij op de markt toegepast wensten te zien, de prijzen die zij voornemens waren zelf toe te passen, hun rentabiliteitsdrempel, de door hen noodzakelijk geachte beperkingen van de verkoophoeveelheden, hun verkoopcijfers en hun klanten. Door die bijeenkomsten bij te wonen, heeft verzoekster met haar concurrenten deelgenomen aan een onderlinge afstemming strekkende tot beïnvloeding van elkaars marktgedrag en tot wederzijdse onthulling van hun voorgenomen marktgedrag.
305 Verzoekster streefde er dus niet alleen naar, de onzekerheid over het toekomstig gedrag van haar concurrenten bij voorbaat uit te sluiten, bij de bepaling van haar marktbeleid heeft zij hoogstwaarschijnlijk - al dan niet rechtstreeks - rekening gehouden met de tijdens de bijeenkomsten verkregen informatie. Op hun beurt hebben haar concurrenten bij de bepaling van hun marktbeleid hoogstwaarschijnlijk - al dan niet rechtstreeks - rekening gehouden met de informatie die zij hun had verstrekt met betrekking tot haar aangenomen of voorgenomen marktgedrag. VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER : 689A0015.4
306 Bijgevolg mocht de Commissie de EATP-bijeenkomst van 22 november 1977, waaraan verzoekster heeft deelgenomen, en de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten die verzoekster tussen eind 1977 en september 1983 heeft bijgewoond, op grond van het ermee nagestreefde doel subsidiair als onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag kwalificeren.
307 Met betrekking tot de vraag, of de Commissie mocht concluderen dat er sprake was van één enkele inbreuk, in artikel 1 van de beschikking gekwalificeerd als "een (...) overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen", zij eraan herinnerd, dat de verschillende waargenomen onderling afgestemde feitelijke gedragingen en de verschillende gesloten overeenkomsten, aangezien zij alle hetzelfde doel hadden, stelsels van regelmatige bijeenkomsten en vaststelling van richtprijzen en quota vormden.
308 Deze stelsels pasten in het kader van een aantal door de betrokken ondernemingen ondernomen stappen die waren gericht op één economisch doel, te weten het verstoren van de normale ontwikkeling van de prijzen op de polypropyleenmarkt. Het zou derhalve kunstmatig zijn, deze voortgezette gedraging, die wordt gekenmerkt door één enkel doel, op te splitsen in verschillende gedragingen en als even zovele inbreuken te beschouwen. Verzoekster is immers jarenlang betrokken geweest bij een geïntegreerd complex van stelsels, die één enkele inbreuk uitmaken, waaraan geleidelijk gestalte is gegeven door zowel verboden overeenkomsten als verboden onderling afgestemde feitelijke gedragingen.
309 De Commissie was bovendien gerechtigd, die inbreuk als "een (...) overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen" te kwalificeren, aangezien sommige elementen als "overeenkomst" en andere als "onderling afgestemde feitelijke gedraging" moesten worden aangemerkt. Gezien het complexe karakter van de inbreuk moet de dubbele kwalificatie in artikel 1 van de beschikking van de Commissie niet worden opgevat als een kwalificatie ten aanzien waarvan gelijktijdig en cumulatief moet worden bewezen dat elk van de feitelijke bestanddelen zowel de karakteristieken van een overeenkomst als die van een onderling afgestemde feitelijke gedraging vertoont, doch als een kwalificatie die een complex geheel van feitelijke bestanddelen aanduidt, waarvan sommige zijn aangemerkt als overeenkomst en andere als onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, dat voor dit soort complexe inbreuken niet in een specifieke kwalificatie voorziet.
310 Mitsdien moet verzoeksters middel worden afgewezen.
B - Mededingingbeperkend gevolg
a) Bestreden handeling
311 Gezien het klaarblijkelijk met de mededinging strijdige doel van de overeenkomst - aldus punt 90, eerste alinea, van de beschikking - is het voor de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag niet absoluut noodzakelijk, aan te tonen dat zich ook nadelige gevolgen voor de mededinging hebben voorgedaan. In het onderhavige geval wijst echter alles erop, dat de overeenkomst wel degelijk een aanmerkelijke invloed op de mededingingsvoorwaarden heeft uitgeoefend (punt 90, tweede alinea).
b) Argumenten van partijen
312 Verzoekster betoogt, dat zij haar handelsbeleid ter zake van zowel de prijzen als de verkoophoeveelheden volledig los van de inhoud van de door haar bijgewoonde bijeenkomsten heeft bepaald. Zij verwijst daarvoor naar een door een onafhankelijk accountantskantoor - Coopers en Lybrand - opgesteld verslag (hierna: "het verslag Coopers en Lybrand") en naar een door professor Albach van de Universitaet Bonn verrichte econometrische studie van de Duitse markt, waaruit blijkt dat de bijeenkomsten geen invloed hebben gehad voor de markt en de klanten geen schade hebben berokkend.
313 De Commissie antwoordt, dat in ieder geval is aangetoond dat de overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die de inbreuk uitmaken, tot doel hadden de mededinging te beperken, en dat derhalve niet behoeft te worden aangetoond dat zij een beperking van de mededinging tot gevolg hebben gehad. Voor het overige verwijst zij naar de tekst van de beschikking.
c) Beoordeling door het Gerecht
314 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster met haar betoog in wezen wil aantonen, dat haar deelneming aan de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten niet binnen de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag viel, aangezien zowel uit haar eigen marktgedrag als uit dat van de andere producenten blijkt dat die deelneming niet ten gevolge had dat de mededinging werd beperkt.
315 Volgens artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en derhalve verboden alle overeenkomsten tussen ondernemingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, met name die welke bestaan in het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden, en in het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen.
316 Het Gerecht herinnert eraan, dat uit zijn overwegingen betreffende de door de Commissie vastgestelde feiten volgt, dat de door verzoekster en haar concurrenten bijgewoonde periodieke bijeenkomsten ten doel hadden, de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te beperken, met name door de vaststelling van richtprijzen en kwantitatieve verkoopdoelen, en dat bijgevolg verzoeksters deelneming aan die bijeenkomsten wel degelijk ertoe strekte dat de mededinging werd beperkt in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag.
317 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
3. Conclusie
318 Uit het voorgaande volgt, dat al verzoeksters middelen inzake de door de Commissie in de bestreden handeling vastgestelde feiten en de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag moeten worden afgewezen.
De motivering
319 Verzoekster voert aan, dat de Commissie ingevolge artikel 190 EEG-Verdrag gehouden is haar beschikkingen met redenen te omkleden. Deze verplichting dient zowel voor de bescherming van de betrokken persoon als voor de goede rechtsbedeling (arrest van het Hof van 20 maart 1959, zaak 18/57, Nold, Jurispr. 1959, blz. 93). Om de gemeenschapsrechter in staat te stellen zijn toetsingsbevoegdheid ten volle uit te oefenen, dient de motivering derhalve omstandig en nauwkeurig aan te geven, welke feitelijke en juridische overwegingen tot de vaststelling van de beschikking hebben geleid. Al is de Commissie niet gehouden in te gaan op elk door partijen aangevoerd argument, toch dient zij duidelijk aan te geven waarom zij van mening is dat bepaalde gegronde en relevante tegenwerpingen niet kunnen worden aanvaard.
320 Zij is van mening, dat de Commissie in het onderhavige geval in haar motiveringsplicht is tekortgeschoten door voorbij te gaan aan het door verzoekster en de andere ondernemingen gegeven feitenrelaas, dat aan de hand van volledige en onaanvechtbare deskundigenonderzoeken aantoonde dat de gestelde overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen de marktevolutie niet merkbaar hebben beïnvloed. Zo heeft de Commissie het niet nodig geacht te antwoorden op het verslag Coopers en Lybrand en op het deskundigenverslag van professor Albach, dat een belangrijke bron van gegevens was daar het betrekking had op de Duitse markt waarop verzoekster actief was.
321 Aangezien de Commissie in haar beschikking van tegenovergestelde conclusies is uitgegaan, kon zij niet op goede gronden menen, dat de resultaten van het accountantsonderzoek Coopers en Lybrand van geen belang waren. Zij had deze dus in het kader van de beoordeling van de bewijsstukken moeten onderzoeken en had moet uitleggen op grond van welke feiten zij van oordeel was dat deze niet konden worden aanvaard.
322 Verder verwijt zij de Commissie, dat deze niet heeft geantwoord op de argumenten inzake de specifieke situatie van Linz. Zij merkt dienaangaande op, dat de verwijzing naar Linz in punt 95 van de beschikking van de Commissie volstrekt onvoldoende is.
323 De Commissie antwoordt allereerst, dat zij niet verplicht is in te gaan op elk door partijen aangevoerd argument en de door dezen overgelegde deskundigenverslagen met een even omstandige tegenargumentatie te weerleggen wanneer de in sommige van deze deskundigenverslagen behandelde punten niet relevant zijn voor de oplossing van het geschil (arrest van het Hof van 4 juli 1963, zaak 24/62, Duitsland/Commissie, Jurispr. 1963, blz. 135, 171).
324 Zij heeft haars inziens wel degelijk aangegeven, waarom zij van oordeel was dat het verslag Coopers en Lybrand betreffende de gevolgen van het kartel voor de markt niet relevant is bij de vaststelling van een schending van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag.
325 In de punten 72 en 73 van de beschikking heeft zij haar visie over de studie van professor Albach voldoende duidelijk tot uiting gebracht en erop gewezen, dat die studie enkel betrekking had op de Duitse markt en niet door verzoekster was besteld.
326 Ten slotte heeft zij in de beschikking wel degelijk rekening gehouden met de bijzondere situatie van verzoekster, die er enkel in bestaat dat deze buiten de Gemeenschap is gevestigd (punt 95 van de beschikking).
327 De Commissie concludeert derhalve dat de beschikking voldoende met redenen is omkleed.
328 Het Gerecht merkt op, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie onder meer de arresten van 29 oktober 1980, gevoegde zaken 209/78 tot en met 215/78 en 218/78, reeds aangehaald, r.o. 66, en 10 december 1985, gevoegde zaken 240/82 tot en met 242/82, 261/82, 262/82, 268/82 en 269/82, Stichting Sigarettenindustrie, Jurispr. 1985, blz. 3831, r.o. 88) de Commissie krachtens artikel 190 EEG-Verdrag weliswaar is gehouden haar beschikkingen met redenen te omkleden met vermelding van de feitelijke en juridische gegevens waarvan de wettigheid van de maatregel afhangt en van de overwegingen die haar tot het nemen van haar beschikking hebben geleid, doch niet is vereist dat zij ingaat op alle feitelijke en rechtspunten die door elke betrokkene tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen. Dit betekent, dat de Commissie niet behoeft in te gaan op de punten die haar volstrekt irrelevant lijken.
329 Het Gerecht stelt vast, dat uit zijn overwegingen over de door de Commissie in de bestreden handeling vastgestelde feiten en de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag volgt, dat de Commissie verzoeksters argumenten inzake de gevolgen van het kartel voor de markt wel degelijk in aanmerking heeft genomen en in de punten 72 tot en met 74 en 89 tot en met 92 van de beschikking op overtuigende wijze heeft uiteengezet, om welke redenen zij van oordeel was dat de door verzoekster uit het verslag Coopers en Lybrand en de studie van professor Albach getrokken conclusies ongegrond waren.
330 Voorts heeft de Commissie terecht geoordeeld, dat de omstandigheid dat verzoekster buiten de Gemeenschap is gevestigd, de enige bijzonderheid van verzoeksters situatie is waarop in de beschikking specifiek moest worden ingegaan. Volgens het Gerecht is in punt 95 van de beschikking op afdoende en overtuigende wijze geantwoord op de argumenten die de verzoekster aan haar specifieke situatie heeft ontleend. Bovendien heeft verzoekster niet gezegd, op welke punten dit antwoord ontoereikend is.
331 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
De geldboete
332 Verzoekster stelt, dat de beschikking artikel 15 van verordening nr. 17 schendt doordat de duur en de zwaarte van de haar telastgelegde inbreuk daarin niet correct zijn beoordeeld.
1. De verjaring
333 Verzoekster wijst erop, dat aangezien de verificaties van de Commissie op 13 oktober 1983 zijn begonnen, de eventueel vóór 13 oktober 1978 begane inbreuken op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag zijn verjaard. Het is enkel en alleen om aan die verjaring te ontsnappen, dat de Commissie - ten onrechte - stelt, dat er sprake was van een voortgezette overeenkomst die gestalte had gekregen in een in 1977 gesloten kaderovereenkomst.
334 Volgens de Commissie gaat het om een voortgezette inbreuk, waarvoor de verjaringstermijn slechts ingaat op de dag waarop de inbreuk is beëindigd.
335 Het Gerecht stelt vast, dat ingevolge artikel 1, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2988/74 van de Raad van 26 november 1974 inzake de verjaring van het recht van vervolging en van tenuitvoerlegging op het gebied van het vervoers- en het mededingingsrecht van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1974, L 319, blz. 1; hierna: "verordening nr. 2988/74") de termijn van vijf jaar voor de verjaring van de bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen, bij voortdurende of voortgezette inbreuken pas ingaat op de dag waarop de inbreuk is beëindigd.
336 In het onderhavige geval volgt uit de overwegingen van het Gerecht over de vaststelling van de inbreuk, dat verzoekster vanaf november 1977 tot november 1983 onafgebroken aan één enkele voortgezette inbreuk heeft deelgenomen.
337 Mitsdien kan verzoekster zich niet met succes op de verjaring beroepen.
2. De duur van de inbreuk
338 Verzoekster voert allereerst aan, dat de Commissie niet heeft kunnen aantonen dat Linz vóór 1981 op enigerlei wijze aan de inbreuk heeft deelgenomen, en dat voor de latere periode enkel de duur van de bijzondere prijsinitiatieven in aanmerking kon worden genomen. De duur van de inbreuk moet dus sterk worden verminderd.
339 De Commissie betoogt, dat de vrij lange duur van de met betrekking tot verzoekster vastgestelde inbreuk, zware straffen rechtvaardigt.
340 Volgens haar duurde de inbreuk ook voort in de periodes dat de invloed ervan op de markt niet merkbaar was, en dient de duur van de inbreuk derhalve niet te worden beperkt tot die van de verschillende prijsinitiatieven.
341 Het Gerecht herinnert eraan, dat het heeft vastgesteld dat de Commissie de duur van de periode waarin verzoekster inbreuk heeft gemaakt op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag correct heeft bepaald.
342 Mitsdien moet dit middel worden afgewezen.
3. De zwaarte van de inbreuk
A - De rol van verzoekster
343 Verzoekster stelt, dat zij niet heeft deelgenomen aan de in de beschikking beschreven inbreuken, en dat zo het Gerecht van oordeel zou zijn dat zij artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag heeft geschonden, die schending in ieder geval, anders dan de Commissie stelt, onbewust is gebeurd. Linz was er zich op geen enkel ogenblik van bewust, dat het bijwonen van bijeenkomsten om informatie te verwerven en de transparantie van de markt te vergroten, door artikel 85 EEG-Verdrag verboden was; de Commissie is bij de vaststelling van de inbreuk immers uitgegaan van een nieuwe opvatting van het begrip onderling afgestemde feitelijke gedragingen. Een dergelijk gedrag is in Oostenrijk, het land waar verzoekster is gevestigd, namelijk niet strafbaar en gezien verzoeksters beperkte mogelijkheden om informatie in te winnen over het communautaire mededingingsrecht wist zij dus niet dat haar gedrag onwettig was en dat zij daardoor zware geldboeten opliep.
344 Ter terechtzitting heeft verzoekster beklemtoond, dat Linz een klein staatsbedrijf is met een grote behoefte aan informatie en waarvan de personeelsleden, die met ambtenaren kunnen worden vergeleken, helemaal niet wisten, dat de enkele deelneming aan bijeenkomsten van polypropyleenproducenten een schending van het mededingingsrecht kon opleveren.
345 Haars inziens heeft de Commissie het feit dat de bijeenkomsten in het grootste geheim plaatsvonden, overigens ten onrechte als een verzwarende omstandigheid in aanmerking genomen. Verzoekster wijst erop, dat zij geen enkele maatregel heeft getroffen om het geheim van de bijeenkomsten te bewaren, en dat de klanten op de hoogte waren van die bijeenkomsten. Verzoekster vraagt zich overigens af, of het feit van een inbreuk geheim te houden, als een verzwarende omstandigheid kan worden beschouwd.
346 De Commissie merkt op, dat verzoekster wel degelijk wist dat de bijeenkomsten niet enkel tot doel hadden informatie uit te wisselen, en dat daar besluiten werden genomen.
347 Verzoekster kan ook niet op goede gronden als rechtvaardiging aanvoeren dat zij het gemeenschapsrecht niet kende omdat zij buiten de Gemeenschap was gevestigd. Overal waar er mededingingsrecht bestaat, vormen horizontale prijskartels immers een klassieke inbreuk op dat recht.
348 Volgens de rechtspraak van het Hof (arresten van 1 februari 1978, zaak 19/77, Miller, Jurispr. 1978, blz. 131, r.o. 18, en 8 november 1983, gevoegde zaken 96/82 tot en met 102/82, 104/82, 105/82, 108/82 en 110/82, IAZ, Jurispr. 1983, blz. 3369, r.o. 45) is het niet van belang, of verzoekster zich al dan niet ervan bewust was het verbod van artikel 85 EEG-Verdrag te overtreden, wanneer zij zich ervan bewust was dat haar gedrag tot doel had de mededinging te beperken.
349 Dat de bijeenkomsten in het geheim werden gehouden, wijst overigens op het opzet van de deelnemers. Indien de deelnemers zich niet bewust waren geweest van de onrechtmatigheid van hun gedrag, zouden zij een aantal voorzorgen, zoals de vermelding "personal - no copy to file" ("persoonlijk - geen afschrift bewaren") op verschillende stukken betreffende de bijeenkomsten, achterwege hebben gelaten. Bovendien heeft verzoekster, door haar weigering om te antwoorden op het haar door de Commissie gedane verzoek om inlichtingen, niet meegewerkt om de sluier over de bijeenkomsten te lichten. Ten slotte vormt het geheime karakter van het kartel een van de aspecten waarvoor verzoekster, net als de anderen, de verantwoordelijkheid moet aanvaarden.
350 Het Gerecht stelt vast, dat uit de ernst zelf van de aangetoonde feiten - inzonderheid de vaststelling van richtprijzen en verkoophoeveelheden - blijkt, dat verzoekster niet uit onvoorzichtigheid of onachtzaamheid, maar bewust en met opzet heeft gehandeld. Dienaangaande moet inzonderheid worden opgemerkt, dat er sprake was van een zeer duidelijke inbreuk op artikel 85, lid 1, - inzonderheid sub a, b en c - EEG-Verdrag en dat de polypropyleenproducenten, zelfs die welke buiten de Gemeenschap waren gevestigd, zich hiervan welbewust waren. Wat er ook van zij, verzoekster kan, zelfs al zou zij zich er niet van bewust zijn geweest dat zij artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag schond, niet aan haar aansprakelijkheid ontsnappen. Volgens de rechtspraak van het Hof is het immers voor de vaststelling dat een inbreuk op de mededingingsregels opzettelijk is begaan, niet vereist, dat de onderneming zich ervan bewust was deze regels te overtreden. Het volstaat, dat de onderneming niet onkundig kon zijn van de omstandigheid, dat de gewraakte handelwijze ertoe strekte de mededinging te beperken (arresten van 11 juli 1989, zaak 246/86, Belasco, Jurispr. 1989, blz. 2117, r.o. 41, en 8 februari 1990, zaak 279/87, Tipp-Ex, Jurispr. 1990, blz. I-261). Gezien het onderwerp van de bijeenkomsten, was dit in casu duidelijk het geval.
351 Verzoeksters argument inzake de uitwisseling van gegevens moet overigens categorisch worden verworpen, want aanvaarding ervan zou de verdragsbepalingen inzake de mededinging elk nuttig effect ontnemen.
352 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
B - Het niet-individualiseren van de criteria voor de vaststelling van de geldboeten
353 Verzoekster geeft toe, dat de Commissie voor de vaststelling van de geldboeten over enige beoordelingsvrijheid beschikt, maar is van mening, dat de Commissie die voorzichtig en billijk moet gebruiken ten einde het beginsel van de rechtszekerheid niet te schenden en geen willekeurige geldboeten op te leggen. Zij wijst erop, dat de bij de beschikking opgelegde geldboeten beduidend hoger zijn dan die welke de Commissie eerder heeft opgelegd, en dat deze geen redenen heeft gegeven voor die plotselinge verhoging van de geldboeten.
354 Verder wijst zij erop, dat de Commissie met betrekking tot elke onderneming had moeten aangeven, welk belang zij heeft gehecht aan elk van de factoren die zij voor het bepalen van het bedrag van de geldboete in aanmerking heeft genomen. Door de voor de vaststelling van de geldboeten in aanmerking genomen factoren niet te individualiseren, heeft de Commissie de reconstructie van de wijze waarop zij de geldboeten heeft vastgesteld, onmogelijk gemaakt, hetgeen willekeur niet uitsluit.
355 Door aldus te handelen en ter rechtvaardiging van die handelwijze aan te voeren, dat de geldboeten een preventieve werking dienen te hebben, lijkt de Commissie een beleid van "preventie door middel van willekeur" te volgen. De administratie en de rechter dienen voor de vaststelling van de geldboeten weliswaar over een zekere beoordelingsvrijheid te beschikken, doch hun optreden moet in beginsel voorspelbaar blijven en de straf moet in verhouding staan tot de inbreuk, zo men niet wil afstappen van de idee van de rechtsstaat. Aan de geldboeten kan een preventieve werking worden gegeven door het bedrag van de opgelopen boete duidelijk te vermelden.
356 De Commissie merkt op, dat zij bij het opleggen van de geldboeten in de onderhavige zaak heeft gehandeld in overeenstemming met haar vaste beleid en met de ter zake door het Hof vastgestelde beginselen. Zij beklemtoont, dat sedert 1979 haar beleid de vorm heeft gekregen, dat inbreuken op de mededingingsregels zwaarder worden bestraft, in het bijzonder wanneer het gaat om categorieën van inbreuken die duidelijk onder de toepassing van de mededingingsvoorschriften vallen, of inbreuken die - zoals in casu - bijzonder ernstig worden geacht. Dat beleid is er met name op gericht, de preventieve werking van geldboeten te versterken. In zijn arrest van 7 juni 1983 (gevoegde zaken 100/80 tot en met 103/80, reeds aangehaald, r.o. 106 en 109) heeft het Hof zijn goedkeuring verleend aan dat beleid. Ook heeft het herhaaldelijk erkend, dat met de vaststelling van de geldboeten een complex samenstel van factoren gemoeid is (arresten van 7 juni 1983, gevoegde zaken 100/80 tot en met 103/80, reeds aangehaald, r.o. 120, en 8 november 1983, gevoegde zaken 96/82 tot en met 102/82, 104/82, 105/82, 108/82 en 110/82, reeds aangehaald, r.o. 52).
357 De Commissie is bij uitstek in staat om deze factoren te beoordelen en ten aanzien van deze beoordeling kan alleen worden ingegrepen indien zij hierbij een wezenlijke feitelijke of juridische vergissing heeft begaan. Bovendien heeft het Hof bevestigd, dat het oordeel van de Commissie over de door haar noodzakelijk geachte geldboeten van zaak tot zaak kan variëren, zelfs indien zich in de betrokken zaken soortgelijke situaties voordoen (arresten van het Hof van 12 juli 1979, gevoegde zaken 32/78 en 36/78 tot en met 82/78, BMW Belgium, Jurispr. 1979, blz. 2435, r.o. 53, en 9 november 1983, zaak 322/81, reeds aangehaald, r.o. 111, e.v.).
358 Verder voert de Commissie aan, dat zij voor de vaststelling van het bedrag van de geldboeten is uitgegaan van een aantal algemene overwegingen, weergegeven in punt 108 van de beschikking, en van een aantal specifieke overwegingen, beschreven in punt 109 van de beschikking. De eerste hebben een rol gespeeld bij de vaststelling van het totale bedrag van de geldboete en de tweede hebben de Commissie in staat gesteld dit bedrag billijk en evenredig over de betrokken producenten om te slaan. De algemene overwegingen dienden naar hun aard niet te worden geïndividualiseerd. Overigens zij eraan herinnerd, dat rekening is gehouden met hetgeen Linz dienaangaande heeft aangevoerd. Op de argumenten van Linz ter zake van de specifieke overwegingen is reeds geantwoord. Deze werkwijze is door het Hof goedgekeurd (arrest van 15 juli 1970, zaak 45/69, Boehringer Mannheim, Jurispr. 1970, blz. 769, r.o. 55).
359 De Commissie verklaart, dat zij de aan de verschillende ondernemingen opgelegde geldboeten omstandig heeft gemotiveerd door aan te geven welke verzachtende en verzwarende omstandigheden zij in aanmerking heeft genomen. Als zij de elementen ten laste en de elementen à decharge zou dienen te becijferen, gaat de preventieve werking van de geldboeten verloren, want indien de beoordelingsvrijheid van de Commissie wiskundig kan worden getoetst, zullen de ondernemingen bij de berekening van de rentabiliteit van hun voorgenomen kartels het bedrag van de eventuele geldboete laten meewegen. De Commissie ontkent ten stelligste, dat zij het bedrag van de geldboeten willekeurig heeft vastgesteld en de aan een rechtsstaat inherente verplichtingen niet is nagekomen.
360 Het Gerecht constateert, dat de Commissie voor de bepaling van het aan verzoekster opgelegde boetebedrag in de eerste plaats criteria heeft vastgesteld ter bepaling van het algemene niveau van de geldboeten die moesten worden opgelegd aan de ondernemingen tot wie de beschikking was gericht (punt 108 van de beschikking), en in de tweede plaats criteria voor een billijke afweging van de aan elk van deze ondernemingen op te leggen boete (punt 109 van de beschikking).
361 Het algemene niveau van de aan de betrokken ondernemingen opgelegde geldboeten wordt door de in punt 108 van de beschikking genoemde criteria meer dan voldoende gerechtvaardigd. In dit verband zij eraan herinnerd, dat er sprake was van een zeer duidelijke inbreuk op artikel 85, lid 1 - inzonderheid sub a, b en c -, EEG-Verdrag en dat de polypropyleenproducenten, die opzettelijk en in het grootste geheim handelden, zich hiervan welbewust waren.
362 Ook zijn de vier in punt 109 van de beschikking genoemde criteria relevant en toereikend voor een billijke afweging van de aan elk van de ondernemingen op te leggen boete.
363 Met betrekking tot de eerste twee criteria die in punt 109 van de beschikking worden genoemd, te weten de rol die elk van de ondernemingen bij de geheime regelingen speelde en de tijd gedurende welke zij aan de inbreuk deelnamen, zij eraan herinnerd, dat aangezien de motivering van de vaststelling van het boetebedrag moet worden uitgelegd met inachtneming van de motivering van de beschikking in haar geheel, de Commissie duidelijk genoeg heeft aangegeven, hoe die criteria bij de vaststelling van de aan verzoekster opgelegde geldboete in aanmerking zijn genomen.
364 Met betrekking tot de laatste twee criteria, te weten de respectieve leveranties van de verschillende polypropyleenproducenten in de Gemeenschap en hun individuele totale omzet, stelt het Gerecht op basis van de door de Commissie op zijn verzoek overgelegde cijfers - waarvan verzoekster de juistheid niet heeft betwist - vast, dat deze criteria bij de vaststelling van de aan verzoekster opgelegde geldboete, gelet op de aan andere producenten opgelegde boeten, niet op onbillijke wijze zijn toegepast.
365 Mitsdien moet verzoeksters middel worden afgewezen.
C - De afbakening van de relevante markt
366 Verzoekster wijst erop, dat de in de beschikking gelaakte gedragingen enkel betrekking hadden op polypropyleen van de basiskwaliteiten en op de "commodities". Verzoekster produceerde evenwel hoofdzakelijk polypropyleen van speciale kwaliteit. Daardoor is bij de vaststelling van de geldboete voor verzoekster een te groot marktaandeel in aanmerking genomen.
367 Bovendien is de Commissie voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete uitgegaan van verzoeksters marktaandeel in West-Europa en niet van haar marktaandeel in de Gemeenschap. Ook daardoor is een te groot marktaandeel in aanmerking genomen; Linz was immers buiten de Gemeenschap gevestigd en het grootste deel van haar produktie was niet voor de communautaire markt bestemd.
368 De Commissie herinnert eraan, dat het kartel zowel voor de speciale kwaliteiten als voor de basiskwaliteiten gold, en dat zij verzoeksters marktaandeel uit dit oogpunt dus correct heeft beoordeeld.
369 Bovendien heeft zij, zoals in punt 109 van de beschikking wordt gezegd, voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening gehouden met verzoeksters leveranties in de Gemeenschap en niet met haar leveranties in West-Europa. Dit blijkt ook uit het verschil tussen de tabellen 1 en 2 van de beschikking en uit het feit, dat Linz een lagere boete heeft gekregen dan ATO ofschoon zij een groter aandeel van de Westeuropese markt voor haar rekening nam.
370 Het Gerecht stelt vast, dat aangezien de inbreuk betrekking had op alle polypropyleenkwaliteiten, de Commissie voor de vaststelling van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete terecht is uitgegaan van verzoeksters marktaandeel voor alle kwaliteiten te zamen.
371 Verder dient erop te worden gewezen, dat voor de berekening van de aan de verschillende adressaten van de beschikking opgelegde geldboeten niet is uitgegaan van de bij die beschikking gevoegde tabel 1, waarin voor iedere producent zijn marktaandeel in West-Europa wordt vermeld. In punt 108 noch in punt 109 van de beschikking wordt verwezen naar het "Marktaandeel in West-Europa (per producent)". In punt 109 van de beschikking gaat de Commissie immers uit van de omvang van de ondernemingen op de communautaire polypropyleenmarkt en noemt zij als een van de criteria voor het billijk afwegen van de aan de verschillende ondernemingen op te leggen geldboeten, de hoeveelheid polypropyleen die de betrokken onderneming in de Gemeenschap heeft geleverd.
372 Uit de vergelijking van verzoeksters boete met de aan de andere ondernemingen opgelegde geldboeten blijkt overigens, dat de Commissie voor het bepalen van de aan verzoekster opgelegde geldboete wel degelijk is uitgaan van het marktaandeel in de Gemeenschap en niet van het marktaandeel in West-Europa.
373 Mitsdien moet verzoekster middel worden afgewezen.
D - De inaanmerkingneming van de verliesgevende toestand van de markt
374 Volgens verzoekster heeft de Commissie geen rekening gehouden met de aanzienlijke verliezen in de polypropyleensector en is zij ook voorbijgegaan aan het feit, dat de rampzalige bedrijfsresultaten van de producenten het gevolg waren van een felle concurrentie, die ertoe had geleid dat de polypropyleenprijzen in West-Europa wellicht de laagste ter wereld waren.
375 Haar inziens kende de polypropyleenmarkt, anders dan door de Commissie in punt 108 van de beschikking is gezegd, geen snelle uitbreiding. In feite bleef de verhoopte uitbreiding onverwacht uit wegens een belangrijke terugloop van de behoeften. De Commissie heeft dus ten onrechte als verzwarende omstandigheid aangenomen dat de markt gunstig evolueerde, en heeft het ook ten onrechte over een sector "gekenmerkt door hetzij een geringe rentabiliteit, hetzij aanzienlijke verliezen". Deze sector heeft evenwel nooit enige, zij het geringe, rentabiliteit gekend. Linz heeft tijdens de hele duur van de gestelde inbreuk aanzienlijke verliezen geleden.
376 De Commissie wijst erop, dat zij bij de bepaling van het bedrag van de geldboeten als verzachtende omstandigheid in aanmerking heeft genomen, dat de ondernemingen over een zeer lange periode belangrijke verliezen bij hun polypropyleentransacties hebben geleden, ofschoon zij van mening is dat zij daarmee geen rekening moest houden.
377 Met betrekking tot de verliezen en de rampzalige ontwikkeling van de prijzen verklaart de Commissie, dat uit de verslagen van de bijeenkomsten zelf blijkt, dat vanaf 1982 de vraag merkbaar aantrok. Dit bracht Solvay ertoe voor te stellen, niet meer bijeen te komen aangezien de bijeenkomsten nutteloos waren geworden (bijl. 24 a.b.). Het is derhalve onjuist, te stellen dat er tijdens de hele periode waarin de bijeenkomsten plaatsvonden, een kloof bestond tussen vraag en aanbod op de polypropyleenmarkt. Zo Linz deze hele periode door verlies heeft geleden, was dit niet enkel te wijten aan de slechte situatie op de markt.
378 Het Gerecht stelt vast, dat de Commissie, anders dan door verzoekster is gesteld, in punt 108, laatste streepje, van de beschikking uitdrukkelijk heeft verklaard, dat zij het feit in aanmerking heeft genomen dat de ondernemingen over een lange periode bij hun polypropyleentransacties belangrijke verliezen hebben geleden, hetgeen erop wijst dat zij niet alleen rekening heeft gehouden met de verliezen, maar ook met de ongunstige situatie in de betrokken sector (arrest van het Hof van 9 november 1983, zaak 322/81, reeds aangehaald, r.o. 111 e.v.) om, mede gelet op de andere in punt 108 genoemde criteria, het algemene niveau van de aan de overtredende ondernemingen op te leggen geldboeten te bepalen.
379 Bovendien verplicht de omstandigheid, dat de Commissie destijds heeft geoordeeld dat, gelet op de feiten van het concrete geval, rekening moest worden gehouden met de crisissituatie waarin de betrokken economische sector verkeerde, haar niet in het onderhavige geval op dezelfde wijze rekening te houden met een dergelijke situatie, nu rechtens genoegzaam is aangetoond, dat de ondernemingen tot dewelke de beschikking is gericht, een zeer grove inbreuk op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag hebben gemaakt.
380 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
E - De inaanmerkingneming van de gevolgen van de inbreuk
381 Verzoekster stelt, dat de haar in de beschikking telastgelegde gedragingen geen - of althans geen merkbare - gevolgen hebben gehad voor de situatie op de markt en dat zij de klanten geen schade heeft berokkend. Uit verschillende door haar overlegde studies, zoals die van het accountantskantoor Coopers en Lybrand en van professor Albach, blijkt onweerlegbaar, dat de prijsinitiatieven, de maatregelen ter vergemakkelijking van de toepassing daarvan, noch de gestelde quota de markt op enigerlei wijze hebben beïnvloed. Daarmee had rekening moeten worden gehouden bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk en bij het bepalen van het bedrag van de geldboeten. In plaats daarvan is de Commissie er voor de vaststelling van de geldboete van uitgegaan, dat het gestelde kartel zijn doel grotendeels had bereikt (punt 108 van de beschikking).
382 De Commissie is van oordeel, dat het argument van Linz als zou het kartel geen effect hebben gesorteerd, geen hout snijdt, daar het kartel wel degelijk gevolgen heeft gehad voor de prijzen; bovendien heeft de Commissie bij het bepalen van het bedrag van de geldboeten rekening gehouden met het feit dat de prijsinitiatieven over het algemeen hun doel niet volledig bereikten (punt 108 van de beschikking). Daarbij is zij overigens verder gegaan dan hetgeen waartoe zij verplicht was, aangezien niet alleen de mededingingsregelingen die een beperking van de mededinging ten gevolge hebben, onder het verbod van artikel 85 vallen, maar ook die welke een dergelijke beperking ten doel hebben.
383 Het Gerecht stelt vast, dat de Commissie twee soorten van gevolgen van de inbreuk heeft onderscheiden. In de eerste plaats het feit, dat de producenten, na op de bijeenkomsten richtprijzen te zijn overeengekomen, hun verkoopafdelingen instructies gaven om te streven naar toepassing van dat prijsniveau, zodat de "richtprijzen" bij de prijsonderhandelingen met de afnemers als uitgangspunt werden genomen. Op grond daarvan kon de Commissie concluderen, dat in casu alles erop wijst, dat de overeenkomst wel degelijk de mededingingsvoorwaarden merkbaar heeft beïnvloed (punt 74, tweede alinea, van de beschikking, waarin wordt verwezen naar punt 90). In de tweede plaats het feit, dat de ontwikkeling van de aan de verschillende afnemers in rekening gebrachte prijzen, in vergelijking met de in het kader van bepaalde prijsinitiatieven vastgestelde prijzen, klopt met de versie die in de bij ICI en andere producenten aangetroffen bescheiden betreffende de uitvoering van de prijsinitiatieven tot uiting komt (punt 74, zesde alinea, van de beschikking).
384 Dat de eerstgenoemde gevolgen zich hebben voorgedaan, heeft de Commissie rechtens genoegzaam aangetoond aan de hand van de talrijke, door de verschillende producenten gegeven prijsinstructies, die niet alleen onderling, maar ook met de op de bijeenkomsten vastgestelde richtprijzen overeenstemmen; die richtprijzen waren duidelijk bedoeld om als uitgangspunt te dienen voor de met de afnemers te voeren onderhandelingen over de prijzen.
385 Met betrekking tot de tweede soort van gevolgen zij in de eerste plaats opgemerkt, dat de Commissie geen reden had om te twijfelen aan de juistheid van de door de producenten zelf tijdens hun bijeenkomsten verrichte analyses (zie onder meer de verslagen van de bijeenkomsten van 21 september, 6 oktober, 2 november en 2 december 1982, bijl. 30-33 a.b.) waaruit blijkt dat de tijdens de bijeenkomsten vastgestelde richtprijzen op grote schaal werden toegepast op de markt, en in de tweede plaats, dat zo uit het verslag Coopers en Lybrand en uit de op verzoek van sommige producenten verrichte economische studies mocht blijken, dat de door de producenten zelf tijdens de bijeenkomsten verrichte analyses onjuist zijn, dit niet tot een verlaging van de geldboete kan leiden; in punt 108, laatste streepje, van de beschikking heeft de Commissie namelijk verklaard, dat zij bij de bepaling van de boetebedragen als verzachtende omstandigheid in aanmerking heeft genomen, dat de prijsinitiatieven over het algemeen hun doel niet volledig bereikten en dat er in laatste instantie geen dwangmaatregelen bestonden om de nakoming van de quota of van andere regelingen te verzekeren.
386 Aangezien de motivering van de beschikking inzake de vaststelling van de boetebedragen moet worden gelezen in samenhang met de rest van de motivering van de beschikking, moet worden aangenomen, dat de Commissie de eerste soort van gevolgen terecht volledig in aanmerking heeft genomen en rekening heeft gehouden met het beperkte karakter van de tweede soort van gevolgen. In dit verband zij opgemerkt, dat verzoekster niet heeft aangegeven, in hoeverre de Commissie het beperkte karakter van deze tweede soort van gevolgen bij de matiging van de boetebedragen onvoldoende zou hebben laten meewegen.
387 Mitsdien moet verzoeksters middel worden afgewezen.
F - De overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging
388 Verzoekster voert aan, dat onderling afgestemde feitelijke gedragingen de mededinging veel minder in gevaar brengen - en dus minder erg zijn - dan overeenkomsten, die de partijen juridisch of moreel binden en veel grotere mededingingsdistorsies veroorzaken. Aangezien de Commissie het bestaan van overeenkomsten niet heeft kunnen bewijzen, dient verzoeksters gedrag als onderling afgestemde feitelijke gedraging te worden aangemerkt en is het dus minder zwaar dan de Commissie aanneemt.
389 De Commissie betwist verzoeksters stelling, dat er een intrinsiek verschil in zwaarte is tussen overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen. Volgens haar is de inhoud en niet de rechtsvorm van het kartel bepalend voor de onwettigheid ervan en dus voor de zwaarte van de inbreuk. Het is immers zeer goed mogelijk, dat onderling afgestemde feitelijke gedragingen de mededinging veel meer schaden dan een overeenkomst.
390 Het Gerecht herinnert eraan, dat het blijkens zijn overwegingen over de vaststelling van de inbreuk heeft geoordeeld, dat de Commissie de vastgestelde inbreuk terecht als "een overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen" heeft gekwalificeerd, daar uit de vastgestelde feiten blijkt, dat de verschillende overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen deel uitmaakten van één enkele regeling waarbij verzoekster door haar deelneming aan die overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen betrokken was. Bij de berekening van het bedrag van de aan verzoekster op te leggen geldboete is de Commissie derhalve van deze correcte kwalificatie van de inbreuk uitgegaan.
391 Mitsdien kan dit middel niet worden aanvaard.
392 Uit het voorgaande volgt, dat de aan verzoekster opgelegde geldboete in verhouding staat tot de duur en de zwaarte van de vastgestelde schending van de communautaire mededingingsregels door verzoekster.
De heropening van de mondelinge behandeling
393 Bij afzonderlijke memorie van 28 februari 1992 heeft verzoekster het Gerecht gevraagd, de mondelinge behandeling te heropenen om maatregelen van instructie te treffen. Zij voert aan, dat het Gerecht in zijn arrest van 27 februari 1992 (gevoegde zaken T-79/89, T-84/89 tot en met T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-98/89, T-102/89 en T-104/89, BASF e.a., Jurispr. 1992, blz. II-315; hierna: "de PVC-zaken") heeft vastgesteld, dat verweersters beschikkingen in de PVC-zaken non-existent waren. Verzoekster was geen partij in die zaak. Zij heeft evenwel vernomen, dat de gemachtigden van de Commissie tijdens de mondelinge behandeling van die zaak hebben verklaard, dat de Commissie altijd tewerk gaat zoals zij in de PVC-zaken heeft gedaan. Derhalve is de bestreden beschikking hoogstwaarschijnlijk ook non-existent. Verzoekster verklaart, dat zij dit middel, dat overigens ambtshalve moet worden onderzocht, uitdrukkelijk aanvoert. Alleen het onderzoek van het door de Commissie over te leggen origineel kan klaarheid brengen over de vraag, of de Commissie ook in het onderhavige geval achteraf wijzigingen heeft aangebracht in de beschikking. Verzoekster behoudt zich het recht voor, desbetreffende middelen aan te voeren.
394 Na de advocaat-generaal opnieuw te hebben gehoord, is het Gerecht van mening, dat er geen termen aanwezig zijn om overeenkomstig artikel 62 van zijn Reglement voor de procesvoering de heropening van de mondelinge behandeling te bevelen of maatregelen van instructie te treffen.
395 Allereerst moet worden opgemerkt, dat het arrest van 27 februari 1992, reeds aangehaald, op zichzelf de heropening van de mondelinge behandeling in de onderhavige zaak niet rechtvaardigt. Bovendien heeft verzoekster er in de onderhavige zaak tot op het einde van de mondelinge behandeling zelfs niet op gezinspeeld, dat de bestreden beschikking non-existent is wegens de in het reeds genoemde arrest van 27 februari 1992 vastgestelde gebreken. Een eerste vraag is dus, of verzoekster wel voldoende rechtvaardigingsgronden heeft aangevoerd voor de omstandigheid dat zij zich niet eerder heeft beroepen op die gebreken, die in ieder geval reeds vóór de indiening van het beroep bestonden. Al is de gemeenschapsrechter in het kader van een krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag ingesteld beroep tot nietigverklaring ambtshalve bevoegd om te onderzoeken of de bestreden handeling wel bestaat, dit betekent nog niet, dat in elk op artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag gebaseerd beroep ambtshalve moet worden onderzocht of de bestreden handeling bestaat. De rechter is slechts verplicht dit punt ambtshalve te onderzoeken wanneer partijen voldoende indiciën voor een eventuele non-existentie van de bestreden handeling verstrekken. In het onderhavige geval bevat het door verzoekster gevoerde betoog niet voldoende indiciën om aan de existentie van de beschikking te gaan twijfelen. Uit de verklaring die de gemachtigden van de Commissie tijdens de mondelinge behandeling van de gevoegde zaken T-79/89, T-84/89 tot en met T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-98/89, T-102/89 en T-104/89 hebben afgelegd en waarop verzoekster zich beroept, zou blijken dat er ook in het onderhavige geval geen volgens de regels ondertekend origineel van de bestreden beschikking bestaat. Zelfs al zou dit inderdaad het geval zijn, dan volgt uit dit feit alleen nog niet dat de bestreden beschikking non-existent is. Verzoekster noemt immers geen enkele reden waarom de Commissie in 1986 - dat wil zeggen in een normale situatie, die aanzienlijk verschilt van de bijzondere situatie in de PVC-zaken, waar het mandaat van de Commissie eind januari 1988 verstreek - achteraf wijzigingen zou hebben aangebracht in de beschikking. Het volstaat in dit verband niet, zich het recht voor te behouden later middelen dienaangaande aan te voeren. In die omstandigheden zijn er geen redenen om aan te nemen, dat het beginsel van de onaantastbaarheid van de vastgestelde handeling na het geven van de bestreden beschikking zou zijn geschonden, en dat deze beschikking daardoor ten gunste van verzoekster het uiterlijke vermoeden van geldigheid zou hebben verloren. De enkele omstandigheid dat een volgens de regels voor echt verklaard origineel ontbreekt, brengt dus op zichzelf niet mee dat de bestreden handeling non-existent is. Er zijn derhalve geen termen aanwezig om de mondelinge behandeling te heropenen ten einde nieuwe maatregelen van instructie te treffen. Daar verzoeksters betoog een verzoek om herziening niet kan rechtvaardigen, dient geen gevolg te worden gegeven aan de suggestie om de mondelinge behandeling te heropenen.
Beslissing inzake de kostenKosten
396 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld en de Commissie veroordeling van de wederpartij in de kosten heeft gevorderd, moet verzoekster in de kosten worden verwezen.
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekster in de kosten van de procedure.
Top