Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (VIERDE KAMER) VAN 12 JULI 1990. - ROBERT SCHEIBER TEGEN RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAREN - OUDERDOMSPENSIOEN - CUMULATIE MET HET ALS FUNCTIONARIS VAN DE EAS ONTVANGEN SALARIS - TERUGVORDERING VAN HET ONVERSCHULDIGD BETAALDE. - ZAAK T-111/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde II-00429
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Ambtenaren - Pensioenen - Non-cumulatie met gemeenschapssalaris - Voorwerp - Toepassingsvoorwaarden - Opneming van salaris in begroting van instelling - Arbeidsverhouding tussen personeelslid en instelling - Geen noodzakelijke voorwaarde
( Ambtenarenstatuut, bijlage VIII, artikel 40, tweede alinea )
2 . Ambtenaren - Pensioenen - Non-cumulatie met gemeenschapssalaris - Ambtenaar op wie bijzondere maatregel tot beëindiging van dienst is toegepast - Clausule die cumulatie van uittredingsvergoeding met latere inkomsten toestaat - Niet-toepasselijkheid bij cumulatie van ouderdomspensioen met gemeenschapssalaris
( Ambtenarenstatuut, bijlage VIII, artikel 40, tweede alinea; verordening nr . 2530/72 van de Raad, artikel 5, lid 3 )
3 . Ambtenaren - Terugvordering van het onverschuldigd betaalde -Voorwaarden - Voor de hand liggende onregelmatigheid van betaling - Criteria
( Ambtenarenstatuut, artikel 85 )
Samenvatting1 . Aangezien het in artikel 40 van bijlage VIII bij het Statuut vervatte non-cumulatievoorschrift inzake pensioenen en salarissen zijn rechtvaardiging vindt in de noodzaak de geldmiddelen van de Gemeenschappen te beschermen, dient het toepassing te vinden in alle gevallen waarin het door een van de gemeenschapsinstellingen betaalde pensioen samengaat met een eveneens ten laste van een gemeenschapsinstelling komend salaris . Voor de toepasselijkheid van het anti-cumulatievoorschrift volstaat het, dat het door een instelling van de Europese Gemeenschappen betaalde salaris volledig wordt gefinancierd uit kredieten die zijn opgenomen in de staat van uitgaven van een van de in de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen voorkomende instellingen . De toepassing van genoemd artikel hangt in zoverre niet af van het bestaan van een arbeidsverhouding tussen het bezoldigde personeelslid en de instelling te wier laste de bezoldiging komt .
2 . Verordening nr . 2530/72, houdende bijzondere tijdelijke maatregelen betreffende, onder meer, de beëindiging van de dienst van ambtenaren van de Gemeenschappen in verband met de toetreding van nieuwe Lid-Staten, bevat geen enkele afwijking van het in artikel 40, tweede alinea, van bijlage VII bij het Statuut neergelegde verbod van cumulatie van een ouderdomspensioen met een gemeenschapssalaris . Een ambtenaar die krachtens genoemde verordening de dienst heeft beëindigd, kan dus niet stellen, dat artikel 5, lid 3, van de verordening, dat cumulatie van de uittredingsvergoeding met latere beroepsinkomsten toelaat, op gelijke voet moet worden gesteld met voornoemd non-cumulatievoorschrift en dat hij derhalve zijn ouderdomspensioen mag cumuleren met het salaris dat hij als gedelegeerde van de Commissie bij de Europese Associatie voor Samenwerking ten laste van de begroting van een gemeenschapsinstelling ontvangt .
3 . De onregelmatigheid van de betaling van een ouderdomspensioen - welke onregelmatigheid door de belanghebbende ondanks zijn hoge rang en vele dienstjaren niet is geconstateerd - kan niet als voor de hand liggend in de zin van artikel 85 van het Statuut worden beschouwd, wanneer twee gemeenschapsinstellingen, die beide beschikken over diensten met een grondige kennis op het gebied van de betaling en vaststelling van pensioenrechten, ter zake tegenstrijdige juridische adviezen hebben uitgebracht en niet is aangetoond dat de belanghebbende door zijn opleiding of werkzaamheden specifieke kennis van de materie bezit .
PartijenIn zaak T-111/89,
R . Scheiber, voormalig ambtenaar van de Raad van de Europese Gemeenschappen, wonende op het eiland Mauritius, vertegenwoordigd door G . Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A . Schmitt, advocaat aldaar, 62, avenue Guillaume,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A . Dashwood, directeur van zijn juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door M . Grossmann, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J . Kaeser, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, 100, boulevard Konrad-Adenauer,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S . Van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door C . Verbraeken en D . Waelbroeck, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
interveniënte,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Raad van 2 september 1988 om de geblokkeerde bedragen van verzoekers pensioen over de periode 1 november 1983 - 30 juni 1986 niet uit te betalen en de door verzoeker ontvangen pensioenbedragen over de periodes 1 januari 1981 tot 31 oktober 1983 en 1 juli 1986 tot 19 september 1987 terug te vorderen,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vierde Kamer ),
samengesteld als volgt : D . A . O . Edward, kamerpresident, R . Schintgen en R . García-Valdecasas, rechters,
griffier : B . Pastor, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 2 mei 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrestDe aan het beroep ten grondslag liggende feiten
1 Verzoeker werd in 1953 aangesteld als ambtenaar van de Raad van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal . Later werd hij ambtenaar van de Raad van de Europese Gemeenschappen en na achtereenvolgens werkzaam te zijn geweest als diensthoofd en hoofd van de afdeling Betrekkingen met de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara, werd hij op 1 januari 1967 bevorderd tot directeur .
2 Op grond van verordening ( Euratom, EGKS, EEG ) nr . 2530/72 van de Raad van 4 december 1972 tot vaststelling van de bijzondere tijdelijke maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen ingevolge de toetreding van nieuwe Lid-Staten, alsmede de beëindiging van de dienst van ambtenaren van de Gemeenschappen ( PB 1972, L 272, blz . 1 ), werd verzoeker op zijn verzoek per 1 januari 1974 uit de dienst ontslagen . In januari 1974 werd hij bevorderd tot honorair directeur-generaal .
3 Per 1 januari 1974 werd verzoeker aangeworven door de Europese Associatie voor Samenwerking ( hierna : "EAS "); aanvankelijk was hij werkzaam als gedelegeerd controleur van het Europees Ontikkelingsfonds te Madagascar en Djibouti ( van 1974 tot 1978 ), vervolgens als gedelegeerde van de Commissie in Kameroen en Equatoriaal Guinee ( tot 1982 ) en in de Indische Oceaan ( tot 31 juli 1987 ). Op laatstgenoemde datum nam hij ontslag uit zijn functie . In verband met de vakantie waarop hij nog recht had, beëindigde hij zijn werkzaamheden definitief op 19 september 1987 .
4 Vanaf 1 januari 1979 ontving verzoeker van de Raad een ouderdomspensioen krachtens artikel 77 Ambtenarenstatuut . Dit pensioen werd hem uitbetaald door de Commissie overeenkomstig de door de Raad krachtens artikel 45, tweede alinea, van bijlage VIII bij het Statuut genomen besluiten .
5 Op 10 oktober 1983 verzocht verzoeker de Raad om strikt persoonlijke redenen, de uitbetaling van zijn pensioen vanaf 1 november 1983 voorlopig te schorsen . Op 29 juni 1986 verzocht hij om hervatting van de pensioenbetalingen met ingang van juli 1986 .
6 De directeur Administratie en personeel van de Raad, Gueben, gaf de Commissie daarop aanwijzing de uitbetaling van het ouderdomspensioen vanaf juli 1986 te hervatten . Hij stelde verzoeker daarvan in kennis, maar vroeg hem tevens om bijzonderheden met betrekking tot zijn eerder verzoek om schorsing van de pensioenbetalingen .
7 Bij brief van 25 juni 1987 deelde Gueben de dienst Pensioenen van de Commissie mede, dat hij had geconstateerd dat Scheiber als gedelegeerde van de Commissie voorkwam in het organisatieschema van die instelling, hetgeen betekende dat hij een salaris ontving ten laste van de begroting van de Commissie . Hij merkte daarbij op : "Indien u zou vaststellen dat de heer Scheiber inderdaad een salaris ten laste van de begroting van de Commissie ontvangt, verzoek ik u het ouderdomspensioen niet meer uit te betalen, overeenkomstig artikel 40, tweede alinea, van bijlage VIII bij het Statuut ."
8 In een brief aan Gueben van 10 juli 1987 betoogde verzoeker, dat het non-cumulatievoorschrift van artikel 40 niet op hem van toepassing was . Hij verzocht de uitbetaling van zijn pensioen niet te onderbreken en de op de geblokkeerde rekening geplaatste bedragen aan hem over te maken .
9 Bij brief van 12 november 1987 deed Gueben de dienst Pensioenen van de Commissie weten, dat het Secretariaat-generaal van de Raad, gelet op een advies van de juridische dienst van de Raad, er geen bezwaar meer tegen had, dat de geblokkeerde bedragen aan Scheiber werden overgemaakt . Hij verzocht de Commissie derhalve, aan diens verzoek van 10 juli 1987 te voldoen . Hij stelde verzoeker hiervan in kennis met een brief van dezelfde dag, waarbij een kopie van de brief aan de dienst Pensioenen van de Commissie was gevoegd, alsook een kopie van het advies van de juridische dienst .
10 Op 2 september 1988 evenwel deelde Gueben verzoeker mee, dat de Raad van standpunt was veranderd naar aanleiding van een advies van de dienst financiële controle van de Commissie, dat door de juridische dienst van die instelling werd onderschreven, en dat hij dienvolgens de Commissie had verzocht de geblokkeerde pensioenbedragen over de periode 1 november 1983 tot 30 juni 1986 niet uit te betalen en de onverschuldigd betaalde bedragen over de periodes 1 januari 1981 tot 30 oktober 1983 en 1 juli 1986 tot 19 september 1987 terug te vorderen .
11 Bij brief van 12 oktober 1988 diende verzoeker een klacht in tegen het in de brief van 2 september 1988 vervatte besluit .
12 Deze klacht werd afgewezen bij nota van 14 februari 1989 van de secretaris-generaal van de Raad . Deze zette daarin uiteen, dat Scheibers pensioen tot 31 december 1980 terecht was betaald, omdat zijn salaris als gedelegeerde van de Commmissie tot die datum ten laste van de EAS was geweest . Per 1 januari 1981 evenwel waren de huishoudelijke kosten van de delegaties van de Commissie in de ACS-staten, met inbegrip van de salarissen van de gedelegeerden, ten laste gekomen van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen ( hoofdstuk 98 van de begroting van de Commissie, overeenkomstig de verklaring bij artikel 95 van de op 31 oktober 1979 te Lomé getekende Tweede overeenkomst ACS-EEG tussen de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan enerzijds en de Europese Economische Gemeenschap en haar Lid-Staten anderzijds ( hierna : "Lomé II "). Scheibers salaris kwam dus vanaf die datum ten laste van die begroting . De daaruit voortvloeiende situatie was in strijd met artikel 40, tweede alinea, van bijlage VIII bij het Statuut, zodat er termen waren voor toepassing van artikel 85 van het Statuut en artikel 41 van bijlage VIII .
Het procesverloop
13 In die omstandigheden heeft verzoeker bij op 10 mei 1989 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep tot nietigverklaring van 's Raads besluit van 2 september 1988 ingesteld .
14 Bij op 13 september 1989 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen, overeenkomstig artikel 93, paragrafen 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van verweerder . Bij beschikking van 19 september 1989 heeft het Hof die interventie toegestaan .
15 De schriftelijke procedure heeft geheel voor het Hof plaatsgevonden . Bij beschikking van 15 november 1989 heeft het Hof, krachtens artikel 14 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, de zaak naar het Gerecht verwezen .
16 Verzoeker concludeert, dat het het Gerecht behage :
- het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- nietig te verklaren het besluit van de Raad, vervat in de brief van 2 september 1988 van de heer Gueben, directeur Administratie en Personeel bij het secretariaat-generaal, om de geblokkeerde bedragen van verzoekers ouderdomspensioen over de periode 1 november 1983 tot 30 juni 1986 niet uit te betalen en de overschuldigde betaalde bedragen over de periodes 1 januari 1981 tot 30 oktober 1983 en 1 juli 1986 tot 19 september 1987 terug te vorderen;
- bijgevolg, de uitbetaling te gelasten van de sedert 1 december 1988 op verzoekers pensioen ingehouden bedragen;
- verweerder te verwijzen in de kosten van het geding .
17 Verweerder concludeert, dat het het Gerecht behage
- het tweede onderdeel van het petitum niet-ontvankelijk te verklaren;
- het onder volgnummer 164/89 in het register van het Hof ingeschreven beroep te verwerpen en, bijgevolg,
- verzoeker in het geheel van de proceskosten te verwijzen .
18 Interveniënte concludeert, dat het het Gerecht behage :
- het beroep te verwerpen;
- verzoeker te verwijzen in zijn eigen kosten, overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie .
19 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan .
20 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 mei 1990 . De vertegenwoordigers van partijen zijn in hun pleidooien gehoord en hebben vragen van het Gerecht beantwoord . De vertegenwoordiger van verzoeker heeft de vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit enger omschreven . Op verzoek van het Gerecht heeft de vertegenwoordiger van de Commissie een afschrift overgelegd van hoofdstuk 98 van de huishoudelijke kredieten van de staat van uitgaven van de Commmissie, zoals opgenomen in de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen voor het jaar 1989 .
Ten gronde
21 Verzoeker vordert in de eerste plaats nietigverklaring van het besluit van de Raad, vervat in de brief van de directeur Administratie en personeel van 2 september 1988 aan verzoeker, voor zover de Commissie daarin wordt uitgenodigd de geblokkeerde pensioenbedragen over de periode 1 november 1983 tot 30 juni 1986 niet aan verzoeker uit te betalen . In de tweede plaats vordert hij nietigverklaring van genoemd besluit van de Raad, voor zover de Commissie daarin wordt uitgenodigd, de onverschuldigde betaalde bedragen over de periodes 1 januari 1981 tot 31 oktober 1983 en 1 juli 1986 tot 19 september 1987 terug te vorderen .
22 Verzoeker voert daartoe zeven middelen aan : 1 ) het ongewijzigd voortbestaan van zijn rechtspositie in zijn betrekkingen met de EAS; 2 ) de autonomie van de EAS ten opzichte van de Commissie; 3 ) de onwettigheid van de schuldcessie en het feit dat deze hem niet is betekend; 4 ) de wettigheid van de cumulatie krachtens verordening nr . 2530/72; 5 ) schending van het vertrouwensbeginsel; 6 ) schending van het beginsel van correct beheer en goed bestuur; en 7 ) verkeerde toepassing van artikel 85 Ambtenarenstatuut .
23 Tot staving van de eerste twee middelen voert verzoeker aan, dat het feit dat zijn salaris per 1 januari 1981 ten laste van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen is gekomen, geen wijziging heeft gebracht in de rechtssituatie waarin hij zich bevond sedert 1 januari 1974, de datum van zijn indiensttreding bij de EAS, die een autonome rechtspersoon is en die vanaf die datum zijn enige werkgeefster was .
24 Verweerder beroept zich voor zijn besluit op het bepaalde in artikel 40, tweede alinea, van bijlage VIII bij het Statuut, volgens hetwelk "een ouderdoms - ... pensioen niet kan samengaan met een salaris ten laste van een der instellingen van de drie Europese Gemeenschappen ...".
25 Onder verwijzing naar punt 1 van bijlage XXXI van de Overeenkomst van Lomé II, betreffende artikel 95 van die overeenkomst, luidende : "De Gemeenschap doet de toezegging dat de huishoudelijke uitgaven van de delegaties van de Commissie in de ACS-staten, welke voorheen ten laste kwamen van de begroting van het Europees Ontwikkelingsfonds, vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst voor rekening zullen komen van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen", betoogt verweerder, dat het door de EAS aan verzoeker betaalde salaris ten laste van de Commissie is en derhalve niet kan worden gecumuleerd met het hem door de Raad toegekende ouderdomspensioen .
26 Vaststaat dat, vanaf het begrotingsjaar 1981, de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen onder "Hoofdstuk 98 - Europese Associatie voor Samenwerking" een krediet bevat voor de bezoldigingen en diverse vergoedingen van het personeel van het hoofdkantoor van de EAS en voor de eigenlijke huishoudelijke uitgaven voor het hoofdkantoor, waarbij de verdeling tussen personeelsuitgaven en huishoudelijke uitgaven in de begroting zelf geschiedt .
27 Volgens vaste rechtspraak is weliswaar de EAS ten opzichte van de Comissie een autonoom lichaam en mag de Commissie niet als werkgeefster van de personeelsleden van de EAS worden beschouwd ( zie laatstelijk het arrest van het Hof van 13 juli 1989, zaak 286/83, Alexis e.a ., Jurispr . 1989, blz . II-121, en het arrest van het Gerecht van 29 maart 1990, zaak T-62/89, Pinto Teixeira, Jurispr . 1990, blz . 2445 ), doch dit neemt niet weg, dat de bezoldigingen en vergoedingen voor het personeel van de zetel van de EAS worden gedekt door een krediet dat in de staat van uitgaven van de Commissie is opgenomen onder de huishoudelijke kredieten van deze instelling .
28 Aangezien het in artikel 40 van bijlage VIII bij het Statuut vervatte non-cumulatievoorschrift inzake pensioenen en salarissen zijn rechtvaardiging vindt in de noodzaak de geldmiddelen van de Gemeenschappen te beschermen, dient het toepassing te vinden in alle gevallen waarin het door een van de gemeenschapsinstellingen betaalde pensioen samengaat met een eveneens ten laste van een gemeenschapsinstelling komend salaris . Voor de toepasselijkheid van het anti-cumulatievoorschrift volstaat het, dat het door een instelling van de Europese Gemeenschappen betaalde salaris volledig wordt gefinancierd uit kredieten die zijn opgenomen in de staat van uitgaven van een van de in de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen voorkomende instellingen . De toepassing van artikel 40, tweede alinea, van bijlage VIII bij het Statuut hangt in zoverre niet af van het bestaan van een arbeidsverhouding tussen het bezoldigde personeelslid en de instelling te wier laste de bezoldiging komt .
29 In casu staat tussen partijen vast, dat de last van verzoekers salaris als gedelegeerde in een ACS-staat van 1 januari 1981 tot 19 september 1987 volledig ten laste van de Commissie is gekomen .
30 Hieruit volgt, dat de eerste twee middelen, ontleend aan verzoekers rechtspositie in zijn betrekkingen met de EAS, moeten worden afgewezen .
31 In zijn derde middel stelt verzoeker, dat het feit dat de huishoudelijke uitgaven van de EAS vanaf 1981 ten laste van de gemeenschapsbegroting zijn gekomen, te zijnen aanzien een schuldcessie vormt waarin de wettelijke regelingen niet voorzien en die hem daarenboven niet kan worden tegengeworpen, daar zij hem niet vooraf is betekend . De zuiver formele wijziging in de financiering van de EAS kan derhalve geen gevolgen voor zijn verworven rechten hebben .
32 Verweerder betoogt, dat er geen sprake is van een schuldcessie, daar de EAS ten opzichte van haar personeelsleden de salarisschuldenaar is gebleven . Wel is juist, dat de Commissie de financiële last van die salarissen in de vorm van een subsidie heeft gedragen .
33 Interveniënte voegt aan het betoog van verweerder toe, dat haar toezegging om per 1 januari 1981 de bezoldiging van de personeelsleden van de EAS voor haar rekening te nemen, niet kan worden gezien als een schuldcessie, maar als een volstrekt geoorloofd derdenbeding .
34 Er zij aan herinnerd, dat het in het bestreden besluit van 2 september 1988 niet gaat om het salaris dat verzoeker sedert 1 januari 1981 van de EAS heeft ontvangen, maar om het pensioen dat hem vanaf die datum voor rekening van de Raad is betaald . Het non-cumulatievoorschrift van artikel 40, tweede alinea, van bijlage VIII bij het Statuut verbiedt immers in geval van cumulatie de betaling van het pensioen en niet die van het salaris . De argumenten die betrekking hebben op de juridische regeling van de salarisbetaling, behoeven deshalve niet te worden onderzocht .
35 Hieruit volgt, dat ook het derde middel faalt .
36 In zijn vierde middel stelt verzoeker onder verwijzing naar het bepaalde in verordening nr . 2530/72 ( reeds aangehaald ), dat de cumulatie wettig is . Hij betoogt, dat artikel 3, lid 4, van die verordening, volgens hetwelk het totaal van de vergoeding wegens beëindiging van de dienst en van de inkomsten uit een nieuwe dienstbetrekking niet hoger kan zijn dan de laatste totale bezoldiging als ambtenaar, ingevolge artikel 5, lid 3, van dezelfde verordening niet op hem van toepassing is . Deze bepalingen, die cumulatie bij beëindiging van de dienst toestaan, moeten volgens verzoeker op gelijke voet worden gesteld met de non-cumulatieregel inzake pensioenen, voorzien in artikel 40 van bijlage VIII bij het Statuut . Er zou derhalve geen wettelijk obstakel bestaan voor cumulatie van zijn ouderdomspensioen met zijn salaris als gedelegeerde van de Commissie .
37 Daarin ondersteund door interveniënte, repliceert verweerder, dat het enige in casu toepasselijke non-cumulatievoorschrift de algemene regel is die ter zake van pensioenen is voorzien in artikel 40 van bijlage VIII bij het Statuut .
38 Vastgesteld moet worden, dat verordening nr . 2530/72 geen enkele afwijking bevat van het non-cumulatievoorschrift van artikel 40, tweede alinea, van bijlage VIII bij het Statuut, dat in casu dus het enige toepasselijke voorschrift is .
39 De verwijzing naar genoemde verordening is derhalve niet ter zake dienend, zodat ook dit middel niet kan slagen .
40 Uit het voorgaande volgt, dat verweerder artikel 40, tweede alinea, van bijlage VIII bij het Statuut correct heeft toegepast door het vanaf 1 januari 1981 van toepassing te verklaren op het ouderdomspensioen van verzoeker .
41 Niettemin dient nog te worden ingegaan op de laatste drie middelen - respectievelijk ontleend aan schending van het vertrouwensbeginsel, schending van het beginsel van correct beheer en goed bestuur, en verkeerde toepassing van artikel 85 van het Statuut - die verzoeker aanvoert tegen de terugvordering van de reeds ontvangen achterstallige pensioentermijnen en om de overmaking van de geblokkeerde bedragen te verkrijgen .
42 Volgens artikel 85 van het Statuut worden onverschuldigd betaalde bedragen teruggevorderd, "indien de bevoordeelde kennis droeg van de onregelmatigheid van de betaling of indien deze onregelmatigheid zo voor de hand lag, dat de bevoordeelde daarvan kennis had moeten dragen ".
43 Daar verzoeker betwist kennis van de onregelmatigheid van de betaling te hebben gehad, en de administratie niet, zoals zij had moeten doen, heeft aangetoond dat dat wel het geval was, dient te worden onderzocht onder welke omstandigheden de betaling heeft plaatsgehad, ten einde vast te stellen of de onregelmatigheid van die betaling evident was ( zie de arresten van het Hof van 27 juli 1973, zaak 71/72, Kuhl, Jurispr . 1973, blz . 705, en 11 oktober 1979, zaak 142/78, Berghmans, Jurispr . 1979, blz . 3125 ).
44 Zich baserend op twee arresten van het Hof ( 11 juli 1979, zaak 252/78, Broe, Jurispr . 1979, blz . 2393, en 17 januari 1989, zaak 310/87, Stempels, Jurispr . 1989, blz . 43 ), betogen verweerder en interveniënte, dat de onregelmatigheid voor verzoeker, die een degelijke kennis van de begrotingstechniek bezit, zozeer voor de hand had moeten liggen, dat hij er onmmogelijk geen kennis van kon hebben; de gemaakte vergissing was van dien aard, dat zij niet aan de aandacht van een normaal zorgvuldig ambtenaar had mogen ontsnappen .
45 Verzoeker beroept zich erop, dat de regelmatigheid van de tot 1 januari 1981 verrichte betalingen nooit was betwist en dat hem nooit was meegedeeld, dat de bezoldiging van het personeel van de EAS vanaf het begrotingsjaar 1981 ten laste van de begroting van de Gemeenschappen kwam . Het had hem dus nooit bekend kunnen zijn, dat de betalingen waarvan thans terugbetaling wordt verlangd, per 1 januari 1981 onregelmatig waren geworden . In elk geval had de onregelmatigheid van die betalingen niet voor de hand gelegen, wat wel blijkt uit het feit dat de Raad en de Commissie daar eerst na bijna acht jaar achter zijn gekomen .
46 Om te beginnen moet worden vastgesteld, dat het dossier niets bevat waaruit zou kunnen blijken dat verzoeker door zijn opleiding of werkzaamheden specifieke kennis bezit op het gebied van het hier besproken probleem, te weten de betaling en vaststelling van de pensioenen van voormalige ambtenaren van de Europese Gemeenschappen .
47 Verder blijkt uit de dossierstukken, dat de hierbedoelde onregelmatigheid verre van evident is . Ook nadat de administratie na bíjna acht jaar "toevallig" had ontdekt dat verzoeker naast zijn salaris als gedelegeerde een ouderdomspensioen ontving, is zij dat pensioen immers blijven uitbetalen en heeft zij verzoeker bij brief van 12 november 1987 uitdrukkelijk meegedeeld, dat er, gezien een advies van de juridische dienst van de Raad, geen bezwaar bestond tegen overmaking van de geblokkeerde bedragen en tegen verdere uitbetaling van het pensioen .
48 Pas na een tweede advies, afkomstig van de dienst Financiële controle van de Commissie en onderschreven door de juridische dienst van deze instelling, heeft de Raad zijn standpunt gewijzigd en het bestreden besluit genomen .
49 Gelet op die tegenstrijdige adviezen van twee gemeenschapsinstellingen, die beide beschikken over diensten met een grondige kennis van de materie, kan men het verzoeker, ondanks de hoge rang die hij bij de Raad had bekleed en zijn vele dienstjaren, niet kwalijk nemen, dat hij de onregelmatigheid van de betalingen niet heeft geconstateerd .
50 Uit het voorgaande volgt, dat de onregelmatigheid van de pensioenbetalingen door de administratie voor verzoeker niet evident kon zijn .
51 Zonder dat de twee overige door verzoeker aangevoerde middelen behoeven te worden onderzocht, moet mitsdien worden geconcludeerd, dat de administratie niet gerechtigd is de onverschuldigd betaalde bedragen van verzoeker terug te vorderen; dit geldt zowel voor de bedragen die hij daadwerkelijk heeft ontvangen over de periodes 1 januari 1981 tot 31 oktober 1983 en 1 juli 1986 tot 19 september 1987, als voor de geblokkeerde bedragen over de periode 1 november 1983 tot 30 juni 1986, welke laatste als deel van zijn vermogen zijn te beschouwen .
52 Mitsdien moet het besluit van 2 september 1988 worden nietig verklaard .
Beslissing inzake de kostenKosten
53 Ingevolge artikel 69, paragraaf 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge artikel 11, derde alinea, van voornoemd besluit van de Raad van 24 oktober 1988 van overeenkomstige toepassing is bij het Gerecht, kan het Gerecht de proceskosten geheel of gedeeltelijk compenseren indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, en voorts wegens bijzondere redenen .
54 In casu heeft verzoeker eerst ter terechtzitting van 2 mei 1991 in antwoord op een vraag van het Gerecht afstand gedaan van zijn conclusie strekkende tot veroordeling van verweerder tot betaling van de vanaf 1 december 1988 op zijn pensioen ingehouden bedragen . Bovendien is hij in het ongelijk gesteld op het voornaamste punt, namelijk de regelmatigheid van de cumulatie van zijn ouderdomspensioen met zijn salaris als gedelegeerde . Derhalve dient hij een derde van zijn kosten zelf te dragen; het overige twee derde zullen worden gedragen door verweerder en interveniënte .
55 Volgens artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering blijven voorts de in beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen door de instellingen gemaakte kosten, ten laste van laatstgenoemden . Verweerder en interveniënte zullen derhalve ieder hun eigen kosten dragen, interveniënte bovendien die welke door haar interventie zijn veroorzaakt .
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vierde Kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verklaart nietig het besluit van de Raad, vervat in de brief van 2 september 1988 van de directeur Administratie en personeel bij zijn Secretariaat-generaal, om de geblokkeerde bedragen van verzoekers ouderdomspensioen over de periode 1 november 1983 tot 30 juni 1986 niet uit te betalen en de onverschuldigd betaalde pensioenbedragen over de periodes 1 januari 1981 tot 31 oktober 1983 en 1 juli 1986 tot 19 september 1987 terug te vorderen .
2 ) Verwijst verweerder en interveniënte in twee derde van de kosten van verzoeker .
3 ) Verwijst verweerder en interveniënte elk in de eigen kosten; verstaat dat interveniënte voorts de door haar interventie veroorzaakte kosten zal dragen .
Top