Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (VIERDE KAMER) VAN 7 FEBRUARI 1991. - HARISSIOS TAGARAS TEGEN HOF VAN JUSTITIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAAR - INDELING - EXTRA SALARISTRAP - GELIJKE BEHANDELING - ONTVANKELIJKHEID. - GEVOEGDE ZAKEN T-18/89 EN T-24/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde II-00053
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Ambtenaren - Beroep - Bezwarend besluit - Bepaling in verband met verzoek om herindeling - Aanstelling als ambtenaar op proef
( Ambtenarenstatuut, art . 90 en 91 )
2 . Gemeenschapsrecht - Beginselen - Rechtszekerheid - Handeling van administratie, die rechtsgevolgen teweegbrengt - Vereiste van duidelijkheid en nauwkeurigheid - Verplichting van kennisgeving aan belanghebbenden
3 . Ambtenaren - Beroep - Voorafgaande administratieve klacht - Termijnen - Indelingsverzoek - Stilzwijgend besluit tot afwjzing - Klacht - Beroep ingesteld vóór afloop van termijn voor beantwoording van klacht - Niet-ontvankelijkheid
( Ambtenarenstatuut, art . 90 en 91 )
4 . Ambtenaren - Aanwerving - Indeling in salaristrap - Extra salarisanciënniteit - Criteria - Beoordelingsvrijheid van administratie - Opleiding en eerdere beroepservaring - Beoordeling naar tijdstip van aanstelling als ambtenaar op proef
( Ambtenarenstatuut, art . 32, tweede alinea )
5 . Ambtenaren - Aanwerving - Gelijke behandeling
( Ambtenarenstatuut, art . 5, lid 3 )
Samenvatting1 . In het geval van een verzoek om herindeling is het bezwarend besluit het besluit tot aanstelling als ambtenaar op proef; dit besluit moet volgens het Statuut een schriftelijk besluit zijn, dat genomen is door het tot aanstelling bevoegd gezag, waarin de datum wordt bepaald waarop de aanstelling van kracht wordt, en waarbij de betrokkene in een ambt tewerk wordt gesteld . Het is immers dat besluit waarbij de functie wordt bepaald waarin de ambtenaar wordt aangesteld en de daarmee overeenkomende indeling definitief wordt vastgesteld .
2 . Het rechtszekerheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van het gemeenschapsrecht, verlangt dat elk besluit van de administratie dat rechtsgevolgen teweegbrengt, duidelijk en nauwkeurig omschreven is en de belanghebbende op zodanige manier ter kennis wordt gebracht, dat hij met zekerheid het tijdstip kan kennen vanwaaraf het besluit bestaat en rechtsgevolgen sorteert, inzonderheid met het oog op de beroepstermijnen .
3 . Een ambtenaar kan het tot aanstelling bevoegd gezag verzoeken zijn indeling te herzien, ten einde aldus een minnelijke regeling van zijn geschil met de administratie te vergemakkelijken en deze in staat te stellen haar standpunt in heroverweging te nemen . Deze mogelijkheid betekent echter niet, dat de statutaire klacht - en beroepstermijnen opzij kunnen worden gezet .
Een beroep dat wordt ingesteld vóór afloop van de termijn waarbinnen moet worden geantwoord op een klacht tegen een stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van een verzoek, is prematuur en als zodanig niet-ontvankelijk .
4 . In het kader van artikel 32, tweede alinea, van het Statuut beschikt het tot aanstelling bevoegd gezag over een ruime beoordelingsvrijheid ten aanzien van de bij aanwerving aan de ambtenaar toe te kennen extra salarisanciënniteit in verband met diens opleiding en vroegere beroepservaring, en dit zowel met betrekking tot de aard en de duur van die ervaring als met betrekking tot de mate waarin deze relevant is voor het te bekleden ambt .
De opleiding en beroepservaring moet worden beoordeeld naar het tijdstip van de aanstelling als ambtenaar op proef .
5 . Er is sprake van schending van het in artikel 5, lid 3, van het Statuut neergelegde beginsel van gelijke behandeling, wanneer twee categorieën van personen waarvan de rechtspositie en de feitelijke situatie niet wezenlijk verschillen, bij aanwerving verschillend worden behandeld .
Hetzelfde geldt, wanneer verschillende situaties gelijk worden behandeld .
PartijenIn de gevoegde zaken T-18/89 en T-24/89,
H . Tagaras, voormalig ambtenaar van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, thans ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door E . Sachpekidou, advocaat te Thessaloniki, en ter terechtzitting door A . Kalogeropoulos, advocaat te Athene, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van C . Thill, advocaat aldaar, boulevard Royal 17,
verzoeker,
tegen
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F . Hubeau, hoofd van de afdeling Personeel, als gemachtigde, bijgestaan door K . Th . Loukopoulos, advocaat te Athene, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van zijn gemachtigde, Bâtiment Erasmus, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van het Hof van Justitie van 23 september 1986 houdende aanstelling van verzoeker als ambtenaar op proef, voor zover hij daarbij is ingedeeld in de eerste salaristrap van de rang A 7,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vierde kamer ),
samengesteld als volgt : R . Schintgen, kamerpresident, D . A . O . Edward en R . García-Valdecasas, rechters,
griffier : H . Jung,
gelet op de stukken en na de mondelinge behandeling op 20 september 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrestDe feiten
1 H . Tagaras, verzoeker, solliciteerde voor het algemeen vergelijkend onderzoek nr . CJ 36/84, dat door het Hof van Justitie ( hierna : "het Hof ") was georganiseerd met het oog op de vorming van een aanwervingsreserve van administrateurs ( PB 1984, C 254, blz . 5 ). Op zijn sollicitatieformulier, gedateerd 22 oktober 1984, vermeldde hij onder punt 19, "Onderscheidingen en titels", dat hij binnenkort doctor in de rechten zou worden, daar hij op 26 juni 1984 de vereiste goedkeuring voor zijn proefschrift had verkregen en de openbare verdediging ervan zou plaatshebben in november 1984 . Verzoeker werd geplaatst op de na de examens van het vergelijkend onderzoek opgestelde reservelijst . Tijdens zijn administratieve vergadering van 10 juli 1985 verleende het Hof goedkeuring aan de aanstelling van verzoeker als ambtenaar op proef in de hoedanigheid voor administrateur ( Grieks jurist ) bij de afdeling Onderzoek en documentatie, met indeling in de rang A 7, eerste salaristrap, een en ander met ingang van een later te bepalen datum .
2 Blijkens de briefwisseling tussen verzoeker en het tot aanstelling bevoegd gezag werd de datum van verzoekers indiensttreding op zijn verzoek - voornamelijk omdat hij zijn dienstplicht wilde vervullen - herhaaldelijk uitgesteld en uiteindelijk vastgesteld op 8 september 1986 .
3 Zoals met name blijkt uit verzoekers brief van 10 september 1985, had hij aanvankelijk gedacht op 1 november 1986 in dienst te kunnen treden . Hij noemde in die brief evenwel verschillende mogelijkheden om dat tijdstip te vervroegen . Volgens een eerste - niet nader gepreciseerde - mogelijkheid zou hij tussen 1 mei en 1 juni 1986 in dienst treden . De tweede mogelijkheid was, dat hij in november 1985 - eventueel halftijds - in dienst zou treden voor een eerste periode van twee tot drie maanden, met daarna eventueel, in 1986, zes maanden verlof om redenen van persoonlijke aard . De derde mogelijkheid was, dat hij aanvankelijk gedurende zes tot acht maanden onder een dienstverleningsovereenkomst bepaalde onderzoekopdrachten zou uitvoeren, om pas daarna als ambtenaar op proef te worden aangeworven .
4 Na een aantal telefoongesprekken tussen verschillende personen van de afdeling Personeel van het Hof en verzoeker over de datum van diens indiensttreding, schreef de griffier van het Hof verzoeker op 6 december 1985 een brief, waarin hem werd meegedeeld, dat het Hof hem als ambtenaar op proef wenste aan te werven in de rang A 7, eerste salaristrap, als administrateur bij de afdeling Onderzoek en documentatie, en dat het dienstbelang vereiste, dat hij zo spoedig mogelijk in dienst trad . Daar zijn laatste twee voorstellen voor de betrokken dienst niet aanvaardbaar waren, diende men het op de eerste mogelijkheid - indiensttreding in mei 1986 - te houden .
5 In maart 1986 liet verzoeker echter schriftelijk weten, dat hij niet vóór het einde van zijn militaire dienst, op 3 september 1986, in dienst kon treden .
6 Bij schrijven van 27 juni 1986 deelde het hoofd van de afdeling Personeel hem mee, dat de uiteindelijk bepaalde datum van zijn indiensttreding bij het Hof, namelijk 8 september 1986, bindend was en dat bij een nieuw uitstel het aanbod van een functie bij het Hof zou vervallen . In de derde alinea van deze brief bevestigde hij verzoeker nog, dat deze zou worden ingedeeld in de eerste salaristrap van de rang A 7, en preciseerde hij voorts, dat verzoekers maandelijkse bezoldiging, belastingen, bijdragen aan de pensioenkas en de ziekte - en invaliditeitskas zouden luiden als vermeld in de als bijlage bij de brief gevoegde berekening, behoudens verificatie van verzoekers rechten op het tijdstip van diens indiensttreding .
7 Verzoeker trad op 8 september 1986 in dienst . Op 26 september 1986 werd hem een op 23 september 1986 gedateerd en door de griffier ondertekend besluit van het Hof in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag ter kennis gebracht, met de volgende inhoud :
"Het Hof, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, heeft tijdens zijn administratieve vergadering van 10 juli 1985, gelet op de artikelen 1, 4, 7 en 27-34 van het Ambtenarenstatuut, gelet op het rapport van de jury van het algemeen vergelijkend onderzoek nr . CJ 36/84, en gelet op de kennisgeving van vacature nr . CJ 51/85, op voorstel van de griffier besloten :
De heer Harissios Tagaras wordt met ingang van 8 september 1986 aangesteld als ambtenaar op proef in de functie van administrateur bij de afdeling Onderzoek en documentatie, met indeling in de rang A 7, eerste salaristrap, en eerstvolgende verhoging in salaristrap op 1 september 1988 ."
8 Op 7 november 1986 deed verzoeker het tot aanstelling bevoegd gezag een memorandum toekomen, dat overeenkomstig verzoekers aanwijzingen werd ingeschreven als een verzoek krachtens artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut . Daarin verzocht hij het tot aanstelling bevoegd gezag, zijn indeling in salaristrap in heroverweging te nemen en te wijzigen, rekening houdend met zijn opleiding en specifieke beroepservaring .
9 Op 2 april 1987 diende verzoeker bij het tot aanstelling bevoegd gezag een "aanvulling" op zijn verzoek van 7 november 1986 in, waarin hij een aantal nadere gegevens over zijn opleiding en beroepservaring verstrekte, die hij niet in zijn sollicitatieformulier voor het vergelijkend onderzoek nr . CJ 36/84 had vermeld, omdat hij deze toen overbodig achtte dan wel omdat zij kwalificaties betroffen die hij eerst na zijn sollicitatie had verworven .
10 Uit verzoekers sollicitatieformulier alsmede uit zijn nota van 7 november 1986 en de andere dossierstukken blijkt, dat hij, toen hij in september 1986 bij het Hof in dienst trad, de volgende diploma' s bezat :
- diploma van de juridische faculteit van de universiteit van Thessaloniki, afgegeven in november 1977;
- diploma van de bijzondere licentie Europees recht van het Institut d' études européennes van de Université libre de Bruxelles ( studieduur twee jaar; studiejaren 1978/1979 en 1979/1980 );
- doctoraat in de rechten van de universiteit van Thessaloniki, op een proefschrift over de verhouding tussen het internationaal privaatrecht en het gemeenschapsrecht ( promotor : professor Evrigenis ). Het proefschrift was goedgekeurd in juni 1984 en had na de openbare verdediging in november 1984 de vermelding "uitstekend" verkregen .
11 Verzoekers beroepservaring op hetzelfde tijdstip was de volgende :
- 30 november 1977-18 september 1979 ( 21 maanden ): stage als advocaat in het kantoor van N . Tagaras; gepleit in ongeveer twintig zaken voor de vrederechter te Thessaloniki en in ongeveer twintig andere zaken voor de rechtbank van eerste aanleg aldaar;
- 16 oktober 1980-15 april 1983 ( 30 maanden ): jurist-linguïst bij de Raad van de Europese Gemeenschappen;
- 1 juni 1983-30 november 1984 ( 18 maanden ): wetenschappelijk medewerker bij het Centrum voor internationaal en Europees economisch recht te Thessaloniki; onderzoek met betrekking tot diverse problemen bij de toepassing van het gemeenschapsrecht in Griekenland;
- studiejaar 1985/1986 ( 9 maanden ): docent aan de Hogeschool voor bestuurswetenschappen en economie van de Stichting voor technisch onderwijs te Thessaloniki, voor de vakken internationale economische instellingen en elementen van Europees recht; begeleider van de afstudeerscripties van zes studenten;
- 1986 : publikatie van twaalf artikelen en overzichten van rechtspraak, alle betrekking hebbend op vragen van gemeenschapsrecht .
12 Op 12 mei 1987 diende verzoeker zekerheidshalve een klacht in tegen het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van het in zijn nota van 7 november 1986 vervatte verzoek, voor het geval dat deze nota niet zou worden aangemerkt als een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut, doch als een gewoon verzoek om herindeling op basis van artikel 90, lid 1 .
13 Verzoeker slaagde voor het door de Commissie georganiseerde algemeen vergelijkend onderzoek COM/A/408 en werd in 1987 door die instelling aangeworven . Op 30 september 1987 besloot het indelingscomité van de Commissie verzoeker in te delen in de rang A 7, derde salaristrap, en hem 48 maanden salarisanciënniteit toe te kennen, dat wil zeggen de maximumsalarisanciënniteit die volgens artikel 32 van het Statuut mogelijk is . Op 1 oktober 1987 bood hij het Hof zijn ontslag aan . Dit ontslag werd bij besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 14 oktober 1987 aanvaard met werking vanaf 31 december 1987 .
Het procesverloop
14 Bij op 2 juni 1987 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft verzoeker beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van het Hof van 23 september 1986 houdende zijn aanstelling als ambtenaar op proef, voor zover hij daarbij is ingedeeld in de eerste salaristrap van de rang A 7, alsmede van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn klacht van 7 november 1986 . Dit beroep werd ingeschreven onder nummer 162/87 .
15 Verweerder heeft op 26 augustus 1987 een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen .
16 Bij een op 18 november 1987 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft verzoeker, voor het geval het eerste beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard, een tweede beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van het Hof van 23 september 1986 houdende zijn aanstelling tot ambtenaar op proef, voor zover hij daarin is ingedeeld in de eerste salaristrap van de rang A 7, alsmede van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn verzoek van 7 november 1986 en het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn klacht van 12 mei 1987 . Dit beroep werd ingeschreven onder nummer 351/87 .
17 Op 8 januari 1988 heeft verweerder ook tegen dit tweede beroep een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen .
18 Bij beschikking van 10 februari 1988 heeft het Hof ( Derde kamer ) besloten de zaken 162/87 en 351/87 te voegen voor de schriftelijke en mondelinge behandeling en voor het arrest, en de excepties van niet-ontvankelijkheid te zamen met de zaken ten gronde te behandelen .
19 De schriftelijke behandeling heeft geheel voor het Hof plaatsgehad en is normaal verlopen .
20 Krachtens artikel 14 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen heeft het Hof ( Derde kamer ) bij beschikking van 15 november 1989 de zaken naar het Gerecht verwezen . Zaak 162/87 is ter griffie van het Gerecht ingeschreven onder nummer T-18/89 en zaak 351/87 onder nummer T-24/89 .
21 In zaak T-18/89 concludeert verzoeker dat het het Gerecht behage :
1 ) nietig te verklaren, te herroepen of op gelijk welke andere manier te wijzigen het aanstellingsbesluit van 23 september 1986, voor zover hij daarbij is ingedeeld in de eerste salaristrap van de rang A 7, alsmede het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn klacht van 7 november 1986;
2 ) hem in de juiste salaristrap in te delen in overeenstemming met het beginsel van gelijke behandeling van gemeenschapsambtenaren en het beginsel van goed bestuur, en wel in de derde salaristrap, en zulks terugwerkend tot 8 september 1986;
3 ) hem het verschil te betalen tussen het salaris volgens de oude en dat volgens de nieuwe salaristrap, vermeerderd met de wettelijke interessen op de voet van 8 % vanaf de datum van opeisbaarheid van het verschil;
4 ) verweerder in de kosten te verwijzen .
22 In zaak T-24/89 concludeert verzoeker dat het het Gerecht behage :
1 ) nietig te verklaren de stilzwijgend genomen besluiten tot afwijzing van zijn verzoek van 7 november 1986 en van zijn klacht van 12 mei 1987; dienvolgens zijn indeling in de eerste salaristrap van de rang A 7 bij het aanstellingsbesluit van 23 september 1986 onwettig te verklaren;
2 ) hem het verschil te betalen tussen het salaris volgens de eerste salaristrap van de rang A 7 en dat volgens de nieuwe salaristrap, die in overeenstemming met het beginsel van gelijke behandeling van gemeenschapsambtenaren en het beginsel van goed bestuur moet worden verstaan te zijn de derde salaristrap, met dien verstande dat het te betalen salarisverschil terugwerkend moet worden berekend vanaf 8 september 1986 en moet worden vermeerderd met de wettelijke interessen op de voet van 8 % vanaf de opeisbaarheid van dit verschil;
3 ) verweerder in de kosten te verwijzen .
23 Verweerder concludeert in beide zaken, dat het het Gerecht behage :
1 ) primair, de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren;
2 ) subsidiair, de beroepen te verwerpen op grond dat zij onbepaald en rechtens noch feitelijk gegrond zijn;
3 ) te beslissen over de kosten overeenkomstig de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering .
24 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan .
25 Het Gerecht heeft verweerder evenwel gevraagd mee te delen, welke criteria in de regel door hem worden toegepast bij de eerste indeling van ambtenaren van categorie A, en op welke wijze die criteria zijn toegepast in verzoekers geval en in dat van de vier andere ambtenaren wier namen verzoeker in zijn twee verzoekschriften heeft genoemd en ten opzichte van wie hij zich gediscrimineerd acht .
26 Bij brief van 18 juli 1990 heeft verweerder het Gerecht meegedeeld dat het Hof, anders dan de andere gemeenschapsinstellingen, geen algemeen besluit inzake de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving van ambtenaren heeft vastgesteld op basis van artikel 32 van het Statuut . Voor de toepassing van dat artikel op nieuwe ambtenaren zou het tot aanstelling bevoegd gezag in elk individueel geval de opleiding en de specifieke beroepservaring van de betrokkene waarderen . Het Hof heeft voorts alle relevante documenten overgelegd inzake de indeling van de in beide verzoekschriften genoemde ambtenaren .
27 De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 20 september 1990 . De vertegenwoordigers van partijen zijn in hun pleidooien gehoord en hebben vragen van het Gerecht beantwoord .
28 Verweerder heeft ter terechtzitting erkend, dat hij bij de indeling van verzoeker uitsluitend is afgegaan op de in het sollicitatieformulier van 22 oktober 1984 vermelde gegevens, doch zonder rekening te houden met de doctorsgraad, waarvan, zoals het Gerecht heeft kunnen constateren, werd vermeld dat hij binnenkort zou worden behaald .
29 Ter terechtzitting heeft verzoeker uitdrukkelijk afstand gedaan van het tweede en het derde onderdeel van zijn vordering in zaak T-18/89 en van het tweede onderdeel van zijn vordering in zaak T-24/89 .
De ontvankelijkheid van het beroep in zaak T-18/89
30 Verweerder voert voor zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid in zaak T-18/89 drie middelen aan .
Eerste middel : verzoekers nota van 7 november 1986 was tardief
31 Verweerder stelt, dat het Hof - in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag - verzoeker bij besluit van 10 juli 1985 heeft aangesteld als ambtenaar op proef in de eerste salaristrap van de rang A 7, in een functie van administrateur bij de afdeling Onderzoek en documentatie, met dien verstande dat de datum van indiensttreding later zou worden bepaald . Voorts heeft de griffier verzoeker op 6 december 1985 een brief geschreven om hem mee te delen, dat het Hof hem als ambtenaar op proef wenste aan te werven in de rang A 7, eerste salaristrap, als administrateur bij de afdeling Onderzoek en documentatie, en dat het dienstbelang vereiste, dat hij zo spoedig mogelijk in dienst trad .
32 Verzoeker was dus uiterlijk sedert de ontvangst van die brief op de hoogte van zijn indeling in de eerste salaristrap van de rang A 7 . Deze indeling is hem bovendien uitdrukkelijk bevestigd in de brief van 27 juni 1986 van het hoofd van de afdeling Personeel . De termijn van drie maanden waarover verzoeker overeenkomstig artikel 90, paragraaf 2, Ambtenarenstatuut beschikte voor een klacht tegen het hem bezwarende besluit, is dus ingegaan bij de ontvangst van de brief van de griffier van 6 december 1985 . Verzoeker heeft echter niet binnen de voorgeschreven termijn een klacht ingediend .
33 Volgens vaste rechtspraak van het Hof, aldus verweerder, zijn de klacht - en beroepstermijnen van het Statuut van openbare orde en kunnen zij niet door de instelling, de ambtenaar of bij onderlinge overeenstemming worden verlengd . Volgens die rechtspraak kan niemand op wie het Statuut van toepassing is, door het indienen van een verzoek ontkomen aan het verval van recht dat voortvloeit uit het verstrijken van de klachttermijn, ten einde aldus door een soort misbruik van procedure te kunnen opkomen tegen een besluit van de administratie dat na het verstrijken van de beroepstermijn onaantastbaar is geworden ( arresten van 12 juli 1984, zaak 227/83, Moussis, Jurispr . 1984, blz . 3133, en 7 mei 1986, zaak 191/84, Barcella, Jurispr . 1986, blz . 1541 ).
34 Alle handelingen die verweerder heeft verricht na het besluit van het Hof van 10 juli 1985, waarvan verzoeker ten laatste door de brief van de griffier van 6 december 1985 kennis heeft gekregen, zijn niet meer dan een bevestiging van dat besluit . Hieruit volgt, aldus verweerder, dat het op 7 november 1986 ingediende verzoek, dat verzoeker in zaak T-18/89 als een klacht aanmerkt, tardief was en dat bijgevolg het beroep niet-ontvankelijk is .
35 Het Gerecht is van mening, dat verweerders betoog geen steek houdt . Om te beginnen moet worden opgemerkt, dat naar luid van artikel 1, eerste alinea, van het Statuut "ambtenaar van de Gemeenschappen in de zin van dit Statuut is hij die, op de bij dit Statuut bepaalde wijze, in een vast ambt bij een der instellingen van de Gemeenschappen is aangesteld bij schriftelijk besluit van het daartoe bevoegde gezag van deze instelling ".
36 Daarbij moet rekening worden gehouden met wat in de na te noemen bepalingen wordt gepreciseerd :
- artikel 3 van het Statuut : "In het besluit tot aanstelling van de ambtenaar wordt de datum bepaald, waarop de aanstelling ingaat; deze datum mag in geen geval een vroegere zijn dan die waarop de betrokkene in dienst treedt";
- artikel 7, lid 1, eerste en tweede alinea, van het Statuut : "Het tot aanstelling bevoegde gezag stelt de ambtenaar, uitsluitend in het belang van de dienst en ongeacht zijn nationaliteit, bij wege van aanstelling of overplaatsing, overeenkomstig zijn rang te werk in een tot zijn categorie of groep behorend ambt .
De ambtenaar kan verzoeken binnen zijn instelling te worden overgeplaatst";
- artikel 2, eerste alinea, van het Statuut : "Iedere instelling bepaalt welke gezagsorganen bij haar de bevoegdheden uitoefenen die volgens dit Statuut aan het tot aanstelling bevoegde gezag toekomen ."
37 Uit deze bepalingen, in hun onderling verband gelezen, volgt dat het besluit tot aanstelling van een ambtenaar
a ) een schriftelijk besluit moet zijn;
b ) moet uitgaan van het tot aanstelling bevoegd gezag, dat wil zeggen het gezagsorgaan dat bij de instelling de bevoegdheden uitoefent die volgens het Statuut aan het tot aanstelling bevoegd gezag toekomen;
c ) de datum moet bepalen waarop de aanstelling van kracht wordt;
d ) de ambtenaar tewerk moet stellen in een ambt .
38 Deze uitlegging vindt steun in de rechtspraak van het Hof, volgens welke "in het geval van een verzoek om herindeling het bezwarende besluit het besluit is waarbij de ambtenaar tot de proeftijd wordt toegelaten . Dit besluit bepaalt immers de functie waarin de ambtenaar wordt aangesteld, en stelt definitief de daarmee overeenkomende indeling vast" ( arresten van 18 juni 1981, zaak 173/80, Blasig, Jurispr . 1981, blz . 1649, en 7 mei 1986, zaak 191/84, Barcella, reeds aangehaald ). In casu voldoet alleen het besluit van 23 september 1986 aan voornoemde voorwaarden . Dit besluit is immers het eerste waarin wordt verklaard dat verzoeker is aangesteld als ambtenaar op proef, waarin de datum wordt bepaald waarop deze aanstelling van kracht wordt, en waarin het ambt wordt genoemd waarin verzoeker wordt tewerkgesteld . De omstandigheid dat het principebesluit is genomen tijdens de administratieve vergadering van het Hof van 10 juli 1985, is in dit geval niet relevant, aangezien het Hof op dat tijdstip niet de datum van verzoekers indiensttreding kon bepalen .
39 Ook de briefwisseling tussen de diensten van het Hof en verzoeker biedt geen steun voor de conclusies die verweerder eruit wil trekken . In zijn brief van 6 december 1985 stelt de griffier verzoeker ervan in kennis, dat "het Hof ( hem ) als ambtenaar op proef wenst aan te werven", en in de brief van het hoofd van de afdeling Personeel van 27 juni 1986 wordt hem meegedeeld, dat de datum van zijn indiensttreding is bepaald op 8 september 1986, en dat "bij een nieuw uitstel daarvan het aanbod voor een functie bij het Hof zal vervallen ". In geen van beide brieven wordt gezegd dat verzoeker als ambtenaar is aangesteld . Integendeel, in de brief van 27 juni 1986 wordt juist als voorwaarde voor een dergelijke aanstelling gesteld, dat verzoeker zich aan de in die brief bepaalde datum van indiensttreding houdt .
40 De stelling van verweerder botst bovendien met het rechtszekerheidsbeginsel . Dit beginsel, dat deel uitmaakt van het gemeenschapsrecht ( arrest van 21 september 1983, gevoegde zaken 205/82 tot en met 215/82, Deutsche Milchkontor, Jurispr . 1983, blz . 2633 ), verlangt dat elk besluit van de administratie dat rechtsgevolgen teweeg brengt, duidelijk en nauwkeurig omschreven is en de belanghebbende op zodanige manier ter kennis wordt gebracht, dat hij met zekerheid het tijdstip kan kennen vanwaaraf het besluit bestaat en rechtsgevolgen sorteert, inzonderheid met het oog op de door de wettelijke regelingen - in casu het Statuut - geboden rechtsmiddelen om tegen het betrokken besluit op te komen . Die voorwaarden zijn trouwens bevestigd door de rechtspraak van het Hof ter zake van de communautaire rechtsvoorschriften ( arresten van 9 juli 1981, zaak 169/80, Gondrand Frères en Garancini, Jurispr . 1981, blz . 1931, en 22 februari 1984, zaak 70/83, Kloppenburg, Jurispr . 1981, blz . 1075 ).
41 Uit het voorgaande volgt, dat de bezwarende handeling in de zin van artikel 90 van het Statuut in casu het besluit van 23 september 1986 is en dat het verzoek van 7 november 1986 derhalve binnen de in artikel 90, lid 2, van het Statuut bepaalde termijn van drie maanden is ingediend .
42 Mitsdien moet dit middel worden afgewezen .
Tweede middel : wijziging, in de loop van de procedure, van de kwalificatie van de nota van 7 november 1986
43 Verweerder stelt, dat verzoeker zijn op 7 november 1986 ingediende nota ondubbelzinnig als een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut heeft gekwalificeerd . Voor het onderhavige beroep zou verder van deze kwalificatie moeten worden uitgegaan .
44 Het tot aanstelling bevoegd gezag, aldus verweerder, beschikt volgens artikel 90, lid 1, tweede zin, van het Statuut over een termijn van vier maanden om op krachtens de eerste zin van die bepaling ingediende verzoeken te beslissen . Is het verzoek aan het einde van die termijn ( in casu was dat op 7 maart 1987 ) niet uitdrukkelijk beantwoord, dan wordt het volgens artikel 90, lid 1, derde zin, van het Statuut geacht stilzwijgend te zijn afgewezen . Overeenkomstig artikel 90, lid 2, beschikt de belanghebbende dan over een termijn van drie maanden om tegen dat stilzwijgend genomen afwijzend besluit een klacht in te dienen . In het onderhavige geval was die termijn volgens verweerder op 7 juni 1987 verstreken . Pas na afloop van de termijn van vier maanden waarbinnen het tot aanstelling bevoegd gezag overeenkomstig artikel 90, lid 2, tweede alinea, van het Statuut op de klacht van de ambtenaar moet beslissen, kan deze laatste gedurende drie maanden een beroep instellen bij de bevoegde rechterlijke instantie tegen de stilzwijgende afwijzing van zijn klacht ( artikel 91, lid 3 ). Het op 2 juni 1987 ingesteld beroep zou derhalve als prematuur moeten worden verworpen .
45 Verweerder wijst er tevens op, dat verzoeker op 12 mei 1987 daadwerkelijk een klacht heeft ingediend tegen het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn verzoek van 7 november 1986 .
46 Om te beginnen moet het door verzoeker op 7 november 1986 bij de administratie ingediende document juridisch worden gekwalificeerd . Daartoe dient men in de eerste plaats te zien naar de materiële presentatie en de bewoordingen ervan . Het bedoelde stuk, dat de vorm heeft van een "memorandum", is als verzoek geregistreerd . Op het officiële formulier met het opschrift "Formulaire d' enregistrement des demandes/réclamations introduites au titre de l' article 90 du statut" blijken overeenkomstig de aanwijzingen op het formulier zelf de niet-toepasselijke vermeldingen te zijn doorgehaald . In het opschrift is dat het woord "réclamation ". Waar in het formulier het alternatief "demandeur/réclamant" wordt gebezigd, is het woord "réclamant" doorgehaald, en bij het alternatief "demande/réclamation" het woord "réclamation ". Waar ten slotte tussen de leden 1 en 2 van artikel 90 van het Statuut moet worden gekozen, is de verwijzing naar lid 2 geschrapt . Ter terechtzitting heeft verzoeker verklaard, dat hij die woorden zelf heeft doorgehaald .
47 Ziet men naar verzoekers brief aan het Hof van 2 april 1987 "ter aanvulling van zijn verzoek van 7 november 1986", dan moet worden vastgesteld, dat hij in de eerste alinea van die brief zes maal het woord "verzoek" gebruikt ter aanduiding van zijn eerder memorandum . Voorts erkent verzoeker in die brief zelf, dat hij in plaats van de door het Statuut voorgeschreven weg te volgen, liever "wilde aansluiten bij zijn verzoek van 7 november 1986", ten einde de minnelijke discussie met de administratie van het Hof voort te zetten .
48 Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan het Gerecht een in de vorm van een verzoek ingediend document weliswaar weer als een klacht aanmerken ( arresten van 7 mei 1986, zaak 191/84, Barcella, reeds aangehaald; 4 februari 1987, zaak 302/85, Presler-Hoeft, Jurispr . 1987, blz . 513, en 31 mei 1988, zaak 167/86, Rousseau, Jurispr . 1988, blz . 2705 ), doch in casu bieden de feiten daarvoor geen steun .
49 De formele bewoordingen van de zojuist besproken stukken laten er geen twijfel over bestaan, dat verzoeker werkelijk de bedoeling had een verzoek tot herziening van zijn indeling in te dienen . In casu kon hij trouwens zeer wel een dergelijk verzoek indienen, ten einde de administratie de gelegenheid te geven op haar besluit terug te komen, en aldus een minnelijke regeling van het geschil te vergemakkelijken . Het Hof heeft deze mogelijkheid reeds eerder aanvaard ( arrest van 15 januari 1985, zaak 266/83, Samara, Jurispr . 1985, blz . 189 ), onder het voorbehoud dat een dergelijke handelwijze er niet toe leidt, dat de ambtenaar de statutaire klacht - en beroepstermijnen omzeilt door bij wege van een verzoek indirect de wettigheid van een niet binnen de gestelde termijn bestreden eerder besluit te betwisten ( arresten van 15 mei 1985, zaak 127/84, Esly, Jurispr . 1985, blz . 1437, en 26 september 1985, zaak 231/84, Valentini, Jurispr . 1985, blz . 3027 ).
50 Om al deze redenen is het Gerecht van oordeel, dat het door verzoeker op 7 november 1986 ingediende stuk als een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut moet worden aangemerkt . Aangezien de administratie niet binnen de in die bepaling gestelde termijn op dat verzoek heeft geantwoord, moet het worden geacht op 7 maart 1987 bij een stilzwijgend genomen besluit te zijn afgewezen . Tegen deze stilzwijgende afwijzing kon verzoeker ingevolge artikel 90, lid 2, van het Statuut binnen drie maanden een klacht indienen, hetgeen hij op 12 mei 1987 inderdaad heeft gedaan . Vanaf de ontvangst van die klacht beschikten de diensten van het Hof over een termijn van vier maanden om erop te antwoorden . Deze termijn verstreek op 12 september 1987 . Reeds op 2 juni 1987 echter, nog vóór het Hof zijn standpunt met betrekking tot de klacht had bepaald, heeft verzoeker beroep ingesteld bij het Hof . Dat beroep was derhalve prematuur .
51 Mitsdien moet het beroep in zaak T-18/89 krachtens artikel 91, lid 2, Ambtenarenstatuut niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat verweerders derde middel tot staving van zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid nog behoeft te worden onderzocht .
De ontvankelijkheid van het beroep in zaak T-24/89
52 Ook tegen het beroep in deze zaak heeft verweerder een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, gebaseerd op de - ook al in zaak T-18/89 aangevoerde - omstandigheid dat verzoeker zijn memorandum van 7 november 1986 te laat zou hebben ingediend . Verzoeker zou zijn klacht tegen het indelingsbesluit niet hebben ingediend binnen de in artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut gestelde termijn van drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop hij van dat besluit kennis had gekregen . Volgens verweerder zou verzoeker uiterlijk bij de ontvangst van de brief van de griffier van 6 december 1985 van het besluit kennis hebben gekregen .
53 In zaak T-18/89 heeft het Gerecht evenwel geoordeeld, dat het door verzoeker op 7 november 1986 bij het Hof ingediende verzoek binnen de statutaire termijn van drie maanden is ingediend .
54 Het Gerecht heeft tevens vastgesteld, dat toen het verzoek bij stilzwijgend genomen besluit van 7 maart 1987 werd afgewezen, verzoeker over een termijn van drie maanden beschikte om een klacht in te dienen, hetgeen hij op 12 mei 1987 heeft gedaan . Hieraan moet nog worden toegevoegd, dat die klacht op 12 september 1987 stilzwijgend is afgewezen en dat verzoeker vanaf die datum over drie maanden beschikte om een beroep in te stellen . Het op 18 november 1987 ter griffie van het Hof ingeschreven beroep is bijgevolg binnen de statutaire termijn ingesteld .
55 Mitsdien moet verweerders enige middel tot staving van zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen en moet het beroep in zaak T-24/89 ontvankelijk worden verklaard .
De grond van zaak T-24/89
56 Tot staving van zijn beroep voert verzoeker twee middelen aan : schending van het beginsel van gelijke behandeling, zoals met name neergelegd in artikel 5 Ambtenarenstatuut, en schending van het beginsel van goed bestuur, dat bij de toepassing van artikel 32 Ambtenarenstatuut in acht moet worden genomen .
Eerste middel : schending van artikel 5 Ambtenarenstatuut ( beginsel van gelijke behandeling )
57 Verzoeker betoogt, dat hij zowel ten opzichte van zijn collega' s bij het Hof als ten opzichte van zijn collega' s bij andere instellingen is gediscrimineerd . In de loop van 1986 heeft het Hof vier Portugese en Spaanse ambtenaren op proef in de rang A 7 aangesteld, waarvan er drie in de tweede salaristrap werden ingedeeld . Een van die ambtenaren had zijn diploma in hetzelfde jaar als verzoeker behaald, een tweede een jaar later en de derde vier jaar na verzoeker . De vierde ambtenaar, die zijn diploma zes jaar na verzoeker had behaald, werd in de eerste salaristrap van rang A 7 ingedeeld en in dezelfde dienst als verzoeker aangesteld . Noch de opleiding noch de beroepservaring van zijn collega' s rechtvaardigden volgens verzoeker deze betere behandeling .
58 Ook ten opzichte van ambtenaren van de andere gemeenschapsinstellingen zou hij gediscrimineerd zijn . Artikel 32 Ambtenarenstatuut laat de administratie weliswaar een zekere beoordelingsmarge, doch naar het oordeel van verzoeker leidt de omstandigheid dat de administratie van een bepaalde instelling een bepaling van het Statuut volstrekt anders toepast dan de administraties van de andere instellingen, vooral wanneer het om een bepaling gaat die de rechten en verplichtingen van de ambtenaren rechtstreeks raakt, tot een discriminatie die zowel in strijd is met het feit dat er één statuut is voor alle gemeenschapsambtenaren, als met de eenvormigheid van het gemeenschapsrecht . Gelet op zijn kwalificaties, lijkt het hem evident, dat hij bij een andere instelling in de derde salaristrap zou zijn ingedeeld, en niet in de eerste salaristrap zoals het Hof heeft gedaan . Dertien maanden na het besluit van het Hof om hem de rang A 7, eerste salaristrap, toe te kennen, heeft de Commissie hem in de derde salaristrap van de rang A 7 ingedeeld, met de voor die rang maximaal toegestane salarisanciënniteit van 48 maanden .
59 Verweerder antwoordt, dat verzoekers bewering dat zijn indeling in strijd is met het beginsel dat hij op dezelfde wijze moet worden behandeld als zijn collega' s bij het Hof en bij de andere instellingen, onvolledig en onbepaald is en bijgevolg niet vatbaar voor rechterlijke toetsing .
60 Artikel 32 Ambtenarenstatuut, aldus verweerder, kent de administratie een ruime beoordelingsvrijheid toe bij de indeling van nieuw aangeworven ambtenaren en niet slechts - zoals verzoeker stelt - een zekere beoordelingsmarge . Krachtens die discretionaire bevoegdheid heeft het Hof op 10 juli 1985 op basis van de in het sollicitatieformulier van 31 oktober 1984 verstrekte gegevens besloten, verzoeker in de eerste salaristrap van de rang A 7 in te delen .
61 Vergelijkt men de door verzoeker genoemde gevallen, dan blijkt volgens verweerder, dat het Hof verzoeker niet discriminerend heeft behandeld, doch te zijnen aanzien de criteria heeft toegepast die het steeds bij de indeling van nieuwe ambtenaren hanteert .
62 Met betrekking tot de gelijke behandeling van de ambtenaren van de verschillende instellingen meent verweerder, dat op de dag van verzoekers aanwerving door het Hof, de Commissie hem bij toepassing van de door haar gehanteerde criteria een salarisanciënniteit van ten hoogste twaalf maanden zou hebben toegekend . Het is niet aannemelijk dat de Commissie verzoeker in 1985 dezelfde salaristrap zou hebben toegekend als zij in 1988 heeft gedaan, aangezien hij in die tussentijd van drie jaar diverse specifieke functies bij de Gemeenschap had uitgeoefend .
63 Alvorens verzoekers kwalificaties met die van de door hem genoemde ambtenaren te vergelijken, moet worden onderzocht, of het Hof de opleiding en bijzondere beroepservaring waarop verzoeker op het tijdstip van zijn aanstelling - 8 september 1986 - kon bogen, in hun geheel genomen correct heeft gewaardeerd .
64 Volgens artikel 32, eerste alinea, van het Statuut wordt "de aangestelde ambtenaar (...) ingedeeld in de laagste salaristrap van zijn rang ". In de tweede alinea is daaraan toegevoegd : "Het tot aanstelling bevoegde gezag kan echter, ten einde rekening te houden met de opleiding en bijzondere beroepservaring van de betrokkene, hem een salarisanciënniteit toekennen die overeenkomt met een bepaalde diensttijd in deze rang; deze mag in de rangen A 1 tot en met A 4, L/A 3 en L/A 4 72 maanden en in de andere rangen 48 maanden niet te boven gaan ".
65 Gelijk het Hof herhaaldelijk heeft verklaard, beschikt het tot aanstelling bevoegd gezag in het kader van artikel 32, tweede alinea, ten aanzien van de bij aanwerving aan de ambtenaar toe te kennen salarisanciënniteit in verband met de vroegere beroepservaring van de betrokkene, over een ruime beoordelingsvrijheid zowel met betrekking tot de aard en de duur van die ervaring als met betrekking tot de mate waarin deze relevant is voor het te bekleden ambt ( arresten van 1 december 1983, zaak 190/82, Blomefield, Jurispr . 1983, blz . 3981, en 12 juli 1984, zaak 17/83, Angelidis, Jurispr . 1984, blz . 2921 ).
66 Het Gerecht stelt vast, dat verweerder, toen hij zich bij verzoekers indeling enkel baseerde op de in diens sollicitatieformulier van 22 oktober 1984 vermelde gegevens, nochtans niet al die gegevens in aanmerking heeft genomen . Zo is geen rekening gehouden met de graad van doctor in de rechten, die verzoeker naar hij in het sollicitatieformulier aangaf, kort daarna zou verkrijgen . Waar het Gerecht heeft beslist dat het besluit van het Hof van 23 september 1986 als het aanstellingsbesluit is te beschouwen, is het van oordeel, dat verzoekers opleiding en bijzondere beroepservaring hadden moeten worden beoordeeld naar het tijdstip van zijn aanstelling en niet naar dat van zijn sollicitatie . Vastgesteld moet worden, dat verzoeker tussen het tijdstip van zijn sollicitatie ( 22 oktober 1984 ) en dat van zijn aanstelling ( 23 september 1986 ) zijn gespecialiseerde opleiding heeft afgerond met een doctoraat over een onderwerp dat het gemeenschapsrecht betrof, en zijn bijzondere beroepservaring heeft uitgebreid door tijdens het studiejaar 1985/1986 als docent aan de Hogeschool voor bestuurswetenschappen en economie te Thessaloniki vakken te doceren die verband hielden met het gemeenschapsrecht . Deze opleiding en beroepservaring hielden bovendien naar hun aard en hun specialisme nauw verband met de vereisten van het te bekleden ambt bij de dienst Onderzoek en documentatie, waarin verzoeker werd aangesteld .
67 Het voorgaande levert reeds op zich voldoende grond op voor nietigverklaring van het besluit van 23 september 1986, voor zover daarbij verzoekers indeling in salaristrap is vastgesteld .
68 Met betrekking tot de door verzoeker gestelde schending van het beginsel van gelijke behandeling moet eraan worden herinnerd, dat er volgens vaste rechtspraak van het Hof sprake is van schending van artikel 5, lid 3, Ambtenarenstatuut, wanneer twee categorieën van personen waarvan de rechtspositie en de feitelijke situatie niet wezenlijk verschillen, bij aanwerving verschillend worden behandeld ( arresten van 11 juli 1985, zaak 119/83, Appelbaum, Jurispr . 1985, blz . 2423, en gevoegde zaken 66/83 tot en met 68/83 en 136/83 tot en met 140/83, Hattet, ibid ., blz . 2459 ). Volgens de rechtspraak van het Hof wordt het beginsel van gelijke behandeling eveneens geschonden, wanneer ongelijke situaties gelijk worden behandeld ( arresten van 4 februari 1982, zaak 817/79, Buyl, Jurispr . 1982, blz . 245, en zaak 1253/79, Battaglia, ibid ., blz . 297 ). Om vast te stellen of het gelijkheidsbeginsel in casu, gelijk verzoeker stelt, inderdaad is geschonden, dienen verzoekers verdiensten alsmede zijn indeling te worden vergeleken met de verdiensten en de indeling van de ambtenaren ten opzichte van wie hij zich gediscrimineerd acht .
69 Bij die vergelijking heeft het Gerecht vastgesteld, dat een eerste ambtenaar, die in de rang A 7, tweede salaristrap, is ingedeeld en bij besluit van 3 oktober 1986 in dezelfde dienst als verzoeker is tewerkgesteld, het licentiaat in de rechten in 1981, dat wil zeggen vier jaar na verzoeker, had behaald . In diens sollicitatieformulier zijn geen graden of diploma' s met betrekking tot een aanvullende opleiding vermeld, en zijn juridische beroepservaring bestond in slechts 22 maanden werkzaamheid als juridisch adviseur bij een gewestelijk bestuur van een Lid-Staat .
70 Een tweede ambtenaar, die in de rang A 7, eerste salaristrap, is ingedeeld en bij besluit van 3 oktober 1986 in dezelfde dienst als verzoeker is aangesteld, behaalde het diploma van licentiaat in de rechten in 1983, dat wil zeggen zes jaar na verzoeker . Als specifieke opleiding bezat de betrokkene het diploma hogere Europese studies van het Europacollege te Brugge en zijn juridische beroepservaring bestond in één jaar werkzaamheid als assistent/stagiair bij een juridische faculteit .
71 Een derde ambtenaar is ingedeeld in de rang A 7, tweede salaristrap, en bij besluit van 19 november 1986 tewerkgesteld bij de Voorlichtingsdienst . Hij behaalde het licentiaat in de rechten in 1977, dus in hetzelfde jaar als verzoeker . Zijn sollicitatieformulier vermeldt geen graad of diploma met betrekking tot een aanvullende opleiding, en als juridische beroepservaring had hij slechts 33 maanden werkzaamheid als vertaler en 62 maanden als juridisch adviseur bij een particuliere onderneming .
72 Uit het voorgaande volgt, dat verzoeker, die over een specifieke opleiding van een hoger niveau en aanzienlijk meer beroepservaring op het relevante gebied dan de drie bedoelde ambtenaren beschikte, te hunnen opzichte is gediscrimineerd .
73 Zonder dat verzoekers tweede middel behoeft te worden onderzocht, volgt uit het voorgaande, dat het bestreden besluit moet worden nietigverklaard, voor zover verzoeker daarbij is ingedeeld in de eerste salaristrap van de rang A 7 .
74 Overeenkomstig artikel 176 EEG-Verdrag staat het aan het Hof, de nodige maatregelen ter uitvoering van dit arrest te treffen .
Beslissing inzake de kostenKosten
75 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge artikel 11, derde alinea, van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 van overeenkomstige toepassing is bij het Gerecht, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dat is gevorderd . Daar het Hof in zaak T-24/89 in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen .
76 Ingevolge artikel 69, paragraaf 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof een partij, ook wanneer zij in het gelijk wordt gesteld, veroordelen tot vergoeding van de door haar toedoen aan de wederpartij opgekomen kosten die naar 's Hofs oordeel nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt . In zaak T-18/89 moet worden vastgesteld dat, ook al is het beroep niet-ontvankelijk verklaard, verzoeker door de houding van verweerder ertoe is gebracht, het beroep tot vrijwaring van zijn rechten in te stellen . In die omstandigheden dient verweerder in de kosten te worden verwezen .
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vierde kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verklaart het beroep in zaak T-18/89 niet-ontvankelijk .
2 ) Verklaart in zaak T-24/89 nietig het besluit van het Hof van Justitie van 23 september 1986, voor zover daarbij verzoekers indeling in salaristrap is vastgesteld, alsmede de stilzwijgend genomen besluiten tot afwijzing van zijn verzoek van 7 november 1986 en van zijn klacht van 12 mei 1987 .
3 ) Verwijst verweerder in alle kosten .
Top