Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 12 DECEMBER 1990. - M. E. VAN DER LAAN-VELZEBOER EN P. C. L. VAN DER LAAN TEGEN MINISTER VAN LANDBOUW EN VISSERIJ. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN - NEDERLAND. - EXTRA HEFFING OP MELK. - ZAAK C-285/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-04727
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Vaststelling referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Inaanmerkingneming van buitengewone gebeurtenissen die produktie hebben beïnvloed - Onteigening - Begrip - Door producent gesloten overeenkomst ter voorkoming van eenzijdige oplegging van gedoogplicht ten aanzien van openbaar werk op zijn bedrijf - Daaronder begrepen
( Verordening nr . 1371/84 van de Commissie, artikel 3 )
SamenvattingOnder "onteigening" in de zin van artikel 3 van verordening nr . 1371/84, bepalende dat voor de vaststelling van het referentiejaar voor de berekening van de van de extra heffing vrijgestelde hoeveelheden melk, rekening kan worden gehouden met buitengewone gebeurtenissen die de melkproduktie aanzienlijk hebben beïnvloed, is mede te verstaan de situatie van een producent die met een uitvoerder van een openbaar werk een overeenkomst heeft gesloten om te voorkomen dat hem eenzijdig een gedoogplicht wordt opgelegd ten aanzien van een openbaar werk op zijn bedrijf, mits die overeenkomst een aanzienlijk deel van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf betreft en tot tijdelijke verkleining van het groenvoederareaal ervan leidt .
PartijenIn zaak C-285/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, in het aldaar aanhangig geding tussen
M . E . van der Laan-Velzeboer en P . C . L . van der Laan, te Oudesluis ( Nederland ),
en
Minister van Landbouw en Visserij,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3 van verordening ( EEG ) nr . 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 ingestelde extra heffing ( PB 1984, L 132, blz . 11 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde Kamer ),
samengesteld als volgt : J . C . Moitinho de Almeida, kamerpresident, F . Grévisse en M . Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal : M . Darmon
griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door B . R . Bot, secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R . C . Fischer en P . Hetsch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoekers in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door J . C . Ghijsels als gemachtigde, van de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door T . Heukels als gemachtigde, en van de Commissie ter terechtzitting van 23 oktober 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 november 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij uitspraak van 12 juli 1989, ingekomen bij het Hof op 15 september daaraanvolgend, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 3 van verordening ( EEG ) nr . 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 ingestelde extra heffing ( PB 1984, L 132, blz . 11 ).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen M . E . van der Laan-Velzeboer en P . C . L . van der Laan, exploitanten van een landbouwbedrijf ( hierna : verzoekers in het hoofdgeding ), en de minister van Landbouw en Visserij betreffende een referentiehoeveelheid in het kader van de regeling voor de extra heffing op melk .
3 Bij overeenkomsten van 20 augustus 1982 verleenden verzoekers in het hoofdgeding aan de NV Nederlandse Gasunie het recht tot het aanleggen, gebruiken en instandhouden van een gastransportleiding op en in tot hun bedrijf behorende cultuurgronden . In ruil voor dat recht, krachtens hetwelk de NV Nederlandse Gasunie van april 1983 tot oktober 1984 7,2663 ha van de 19,4409 ha cultuurgrond van het landbouwbedrijf in gebruik heeft gehad, ontvingen zij een vergoeding van 12 267,99 HFL . Bovendien werden hun voor het vestigen van zakelijke rechten en bij wijze van schadevergoeding betalingen gedaan tot een bedrag van ten minste 35 383,23 HFL .
4 Blijkens het dossier was bij twee koninklijke besluiten, van 13 december 1963 en 17 januari 1964, concessie verleend voor de aanleg en de instandhouding van de betrokken gastransportleiding respectievelijk was het openbaar belang van de gastransportleiding erkend, dit laatste onder meer met het oog op eventuele toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht . Kort gezegd biedt deze wet de overheid de mogelijkheid om, wanneer zij werken van openbaar belang overweegt op een onroerend goed dat eigendom is van een particulier, deze particulier te dwingen, tegen schadevergoeding de uitvoering van de werken te gedogen, wanneer zij met hem ter zake geen overeenstemming kan bereiken .
5 Op hun verzoek om toekenning van een referentiehoeveelheid in het kader van de regeling inzake de extra heffing op melk werd aan verzoekers in het hoofdgeding een hoeveelheid melk van 156 563 kg toegewezen, berekend op basis van hun leveringen in 1983, dat door Nederland als referentiejaar was gekozen .
6 Op 16 juni 1984 vroegen verzoekers in het hoofdgeding de minister van Landbouw en Visserij, het jaar 1982 als referentiejaar voor hun bedrijf in aanmerking te nemen . Bij besluit van 26 maart 1985 wees de minister van Landbouw en Visserij dit verzoek af, waarop verzoekers beroep instelden bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven .
7 Van oordeel dat voor zijn beslissing in deze zaak uitlegging noodzakelijk is van de ter zake geldende gemeenschapsregeling, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vraag voorgelegd :
"Moet artikel 3 van verordening ( EEG ) nr . 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 ( PB 1984, L 132, blz . 11 ), thans verordening ( EEG ) nr . 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 ( PB 1988, L 139, blz . 12 ), tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 ingestelde extra heffing zo worden uitgelegd dat de daarin vermelde situatie 'onteigening van een aanzienlijk deel van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf van de producent, waardoor het groenvoederareaal van het bedrijf tijdelijk is verkleind' mede omvat het geval waarin tussen de rechthebbende van de grond en de uitvoerder van een openbaar werk overeenstemming van het type als bedoeld in artikel 2 van de Nederlandse Belemmeringenwet Privaatrecht ( Staatsblad 1927, 159 ) is bereikt, zulks ter voorkoming van het opleggen van een gedoogplicht van het type als bedoeld in artikel 1 van die wet, ten gevolge van welke overeenstemming de betrokken producent de mogelijkheid om een aanzienlijk deel van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf te gebruiken tijdelijk heeft verloren, waardoor het groenvoederareaal van het bedrijf tijdelijk is verkleind, welke gevolgen ook zouden zijn ingetreden indien de bedoelde gedoogplicht zou zijn opgelegd?"
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de in geding zijnde gemeenschapsbepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
9 Gezien de processtukken moet de prejudiciële vraag aldus worden begrepen, dat zij er in wezen toe strekt te vernemen, of als onteigening in de zin van artikel 3 van verordening nr . 1371/84 is te beschouwen de situatie van een producent die met de uitvoerder van een openbaar werk een overeenkomst heeft gesloten om te voorkomen dat hem eenzijdig een gedoogplicht wordt opgelegd ten aanzien van een openbaar werk op zijn bedrijf .
10 Vooraf zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 3, punt 3, eerste alinea, van verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening nr . 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 13 ), voor producenten wier melkproduktie over het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiejaar aanzienlijk is beïnvloed door buitengewone gebeurtenissen die zich vóór of tijdens dat jaar hebben voorgedaan, op hun verzoek een ander referentiekalenderjaar binnen de periode 1981-1983 in aanmerking wordt genomen .
11 Artikel 3, punt 3, tweede alinea, van verordening nr . 857/84 bevat een lijst van situaties die het in aanmerking nemen van een ander referentiekalenderjaar kunnen rechtvaardigen . Overeenkomstig de laatste alinea van punt 3 is deze lijst aangevuld bij artikel 3 van verordening nr . 1371/84 van de Commissie, volgens hetwelk een ander referentiekalenderjaar in aanmerking kan worden genomen in het geval van, onder meer, "onteigening van een aanzienlijk deel van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf van de producent, waardoor het groenvoederareaal van het bedrijf tijdelijk is verkleind ".
12 Deze gemeenschapsbepaling preciseert evenwel niet, wat is te verstaan onder "onteigening van een aanzienlijk deel van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ". De strekking van deze term moet dus worden beoordeeld aan de hand van de opzet en het doel van de betrokken regeling .
13 Artikel 3, punt 3, van verordening nr . 857/84 juncto artikel 3 van verordening nr . 1371/84 beoogt producenten die door buitengewone, van hun wil onafhankelijke omstandigheden gedurende het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiejaar niet tot een representatieve produktie zijn gekomen, de mogelijkheid te bieden een ander referentiejaar binnen de periode 1981-1983 te kiezen . Deze bepalingen dienen dus te voorkomen, dat de toepassing van de extra-heffingregeling voor die producenten lasten meebrengt waardoor zij in vergelijking met alle andere aan die regeling onderworpen producenten bijzonder zwaar zouden worden getroffen .
14 Vaststaat dat wanneer de overheid beperkingen oplegt aan het gebruik van een landbouwbedrijf of van een deel daarvan, dit kan leiden tot vermindering van de produktiecapaciteit van dat bedrijf en dus, juist zoals onteigening, tot daling van de melkproduktie van de betrokken producent . Dit kan met name het geval zijn wanneer de overheid een gedoogplicht oplegt ten aanzien van de uitvoering van een openbaar werk op het bedrijf .
15 Een dergelijke maatregel moet derhalve op één lijn worden gesteld met onteigening in de zin van artikel 3 van verordening nr . 1371/84, en dit betekent, dat de betrokken producent, indien aan de overige voorwaarden van de gemeenschapsregeling is voldaan, een ander referentiejaar moet kunnen kiezen .
16 Rest nog de vraag, of deze uitlegging ook geldt in het geval van een overeenkomst waarbij een producent zich ertoe verbindt de uitvoering van een openbaar werk op zijn bedrijf te gedogen, wanneer die overeenkomst tussen de producent en de uitvoerder van een openbaar werk is gesloten om te voorkomen dat de overheid een overeenkomstige gedoogplicht oplegt .
17 Dienaangaande kan worden volstaan met vast te stellen, dat een dergelijke overeenkomst wordt gesloten om een eenzijdig onteigeningsbesluit van de overheid te voorkomen, en dat zij ten aanzien van de betrokken producent soortgelijke gevolgen teweeg brengt als bedoeld overheidsbesluit indien er geen overeenkomst was geweest . Bijgevolg is ook die overeenkomst als onteigening in de zin van artikel 3 van verordening nr . 1371/84 te beschouwen, mits zij een aanzienlijk deel van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf betreft en tot tijdelijke verkleining van het groenvoederareaal ervan leidt .
18 De Nederlandse regering brengt hiertegen in, dat artikel 3 van verordening nr . 1371/84 niet van toepassing is wanneer, zoals in casu, voor de verplichting om openbare werken te gedogen, een schadevergoeding is toegekend .
19 Dit betoog kan niet slagen . Naar uit de verwijzingsuitspraak blijkt, heeft deze schadevergoeding niets van doen met de rechten die de betrokken producent ontleent aan de gemeenschapsregeling inzake de extra heffing op melk, en dekt zij niet de gevolgen van de omstandigheid dat, ná de tijdelijke onteigening, bij de toepassing van de extra-heffingregeling is uitgegaan van de hoeveelheden melk die de producent heeft geleverd tijdens de periode waarin hij slechts over een beperkte produktiecapaciteit beschikte .
20 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat onder "onteigening" in de zin van artikel 3 van verordening ( EEG ) nr . 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 mede is te verstaan de situatie van een producent die met een uitvoerder van een openbaar werk een overeenkomst heeft gesloten om te voorkomen dat hem eenzijdig een gedoogplicht wordt opgelegd ten aanzien van een openbaar werk op zijn bedrijf, mits die overeenkomst een aanzienlijk deel van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf betreft en tot tijdelijke verkleining van het groenvoederareaal ervan leidt .
Beslissing inzake de kostenKosten
21 De kosten door de Nederlandse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Derde Kamer ),
uitspraak doende op de door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven bij uitspraak van 12 juli 1989 gestelde vraag, verklaart voor recht :
Onder "onteigening" in de zin van artikel 3 van verordening ( EEG ) nr . 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 vastgestelde extra heffing ( PB 1984, L 132, blz . 11 ), is mede te verstaan de situatie van een producent die met een uitvoerder van een openbaar werk een overeenkomst heeft gesloten om te voorkomen dat hem eenzijdig een gedoogplicht wordt opgelegd ten aanzien van een openbaar werk op zijn bedrijf, mits die overeenkomst een aanzienlijk deel van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf betreft en tot tijdelijke verkleining van het groenvoederareaal ervan leidt .
Top