Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 13 JULI 1989. - FRANCIS EN INGEBORG OLBRECHTS TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAREN - AMBTENAAR MET VERLOF OM REDENEN VAN PERSOONLIJKE AARD - DEKKING DOOR GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN ZIEKTEKOSTENVERZEKERING UIT HOOFDE VAN AANSLUITING VAN ECHTGENOOT. - ZAAK 58/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 02643
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Beroep tot nietigverklaring - Termijnen - Aanvang - Kennisgeving - Begrip - Bewijslast inzake kennisgeving - Toepassing op beroep van ambtenaren
( EEG-Verdrag, artikelen 173, derde alinea, en 191; Ambtenarenstatuut, artikel 91, lid 3 )
2 . Ambtenaren - Sociale zekerheid - Ziektekosten - Verzekering - Echtgenoot, zelf ambtenaar van Gemeenschappen, met verlof om redenen van persoonlijke aard - Recht op prestaties uit hoofde van aangeslotene - Voorwaarden
( Ambtenarenstatuut, artikelen 40, lid 3, tweede alinea, en 72, lid 1; Regeling inzake de ziektekostenverzekering van de ambtenaren der Europese Gemeenschappen, artikel 3, lid 1 )
Samenvatting1 . Indien van een besluit naar behoren is kennis gegeven in de zin van artikel 191 EEG-Verdrag door mededeling aan degene tot wie het is gericht, en deze in staat is gesteld er kennis van te nemen, dient de partij die aanvoert, dat een beroep, gelet op de in artikel 173, derde alinea, van het Verdrag voor de indiening van een beroep tot nietigverklaring vastgestelde termijnen, tardief is, het bewijs te leveren van de datum van kennisgeving van het besluit . Dit geldt evenzeer voor het bij artikel 91 Ambtenarenstatuut geregelde beroep .
2 . De ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard is tegen ziektekosten verzekerd uit hoofde van de aansluiting van zijn echtgenoot bij het gemeenschappelijk stelsel, voor zover hij voldoet aan de in artikel 3, lid 1, van de Regeling inzake de ziektekostenverzekering van de ambtenaren der Europese Gemeenschappen genoemde voorwaarden, zonder dat hij verplicht is de in artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Statuut bedoelde bijdragen te zijnen laste te nemen .
Door aan de dekking van de echtgenoot door het gemeenschappelijk stelsel de voorwaarde te verbinden, dat hij geen gelijkwaardige prestaties krachtens andere normen kan verkrijgen, tracht artikel 72, lid 1, weliswaar dubbele dekking tegen ziektekosten zoveel mogelijk te vermijden, maar het doelt niet in de eerste plaats op de situatie van een echtgenoot die zelf ook ambtenaar van de Gemeenschappen is, zodat niet op grond van de algemene formulering ervan degene die ondanks deze hoedanigheid niet rechtstreeks tegen ziektekosten is verzekerd, kan worden uitgesloten .
Deze bepaling, die dekking van de echtgenoot door het gemeenschappelijk stelsel uit hoofde van de aangesloten ambtenaar beoogt te beperken tot de subsidiaire gevallen waarin die echtgenoot elders geen vergelijkbare prestaties kan krijgen, verplicht de betrokkene niet, onder alle omstandigheden dekking krachtens andere normen te zoeken, en zij laat de dekking uit hoofde van de aangesloten ambtenaar dus niet afhangen van de absolute onmogelijkheid van de echtgenoot om krachtens andere bepalingen prestaties van dezelfde aard en dezelfde hoogte te verkrijgen .
Partijenin zaak 58/88,
Francis Olbrechts en Ingeborg Olbrechts, geboren Hogrefe, ambtenaren van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door L . Defalque, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A . Schmitt, advocaat aldaar, 62, avenue Guillaume,
verzoekers,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S . van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door B . Cambier, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 17 november 1987 met betrekking tot de dekking van ziektekosten tijdens een verlof om redenen van persoonlijke aard,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),
samengesteld als volgt : F . Grévisse, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida en M . Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal : W . Van Gerven
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 23 mei 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juni 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 februari 1988, hebben F . Olbrechts ( hierna : verzoeker ) en zijn echtgenote I . Olbrechts, geboren Hogrefe ( hierna : verzoekster ), ambtenaren van de Commissie, krachtens artikel 91 van het Statuut beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 17 november 1987, waarbij aan verzoekster dekking door het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering van de Europese Gemeenschappen ( hierna : het gemeenschappelijk stelsel ) werd geweigerd, tenzij zij de in artikel 40, lid 3, Ambtenarenstatuut vastgestelde bijdragen zou betalen .
2 Verzoekster heeft sinds 7 augustus 1986 verlof om redenen van persoonlijke aard als bedoeld in artikel 40, lid 2, van het Statuut, in verband met de opvoeding van het kind van verzoekers, dat jonger is dan vijf jaar . Op 3 februari 1987 zond verzoeker een notitie aan het hoofd van de afdeling Ziekte - en ongevallenverzekering van het Directoraat-generaal personeelszaken en algemeen beheer, waarin hij bezwaar maakte tegen de uitlegging die de diensten van de Commissie, naar aanleiding van een verzoek om vergoeding van bepaalde ziektekosten van zijn echtgenote, hadden gegeven aan de bepalingen van het Statuut . Volgens die uitlegging was zijn echtgenote niet verzekerd uit hoofde van zijn eigen aansluiting bij het gemeenschappelijk stelsel, maar moest zij, om voor dekking door dat stelsel in aanmerking te komen, bijdragen betalen overeenkomstig artikel 40, lid 3, van het Statuut .
3 Het afdelingshoofd antwoordde op 6 februari 1987 met een "nota aan mevrouw Olbrechts - door tussenkomst van de heer Olbrechts", waarin hij de uitlegging van de diensten van de Commissie bevestigde .
4 Op 27 mei 1987 zonden verzoekers een memorandum, ingeschreven bij het secretariaat-generaal van de Commissie op 2 juni 1987, dat zij betitelden als een verzoek "in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut" en waarin zij verzochten om erkenning van het recht van verzoekster op dekking door het gemeenschappelijk stelsel, in haar hoedanigheid van verzekerde uit hoofde van de aansluiting van haar echtgenoot .
5 In een nota van 27 augustus 1987 deelde het Directoraat-generaal personeelszaken en algemeen beheer verzoeker mee, dat zijn op 2 juni 1987 ingediend verzoek in werkelijkheid een klacht was in de zin van artikel 90, lid 2, aangezien het was gericht "tegen een door het tot aanstelling bevoegd gezag reeds genomen besluit met betrekking tot ( zijn ) echtgenote ".
6 Bij nota van 2 december 1987 stelde het Directoraat-generaal personeelszaken en algemeen beheer verzoekers in kennis van het besluit van de Commissie van 17 november 1987, waarbij hun klacht van 27 mei 1987 was afgewezen .
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De ontvankelijkheid
8 De Commissie meent, dat het beroep niet-ontvankelijk is, doordat de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut voorgeschreven termijnen niet in acht zijn genomen . Het verzoekers bezwarende besluit, genomen na de eerste actie van verzoeker, zou bestaan in de nota van 6 februari 1987 en daartegen hadden verzoekers niet binnen de in artikel 90, lid 2, van het Statuut bepaalde termijn van drie maanden een klacht ingediend . De klacht van 27 mei 1987 zou dus te laat zijn gekomen . Het besluit van de Commissie van 17 november 1987, waartegen het onderhavige beroep is gericht, zou voor verzoekers niet bezwarend kunnen zijn, daar het slechts een bevestiging vormde van het besluit van 6 februari 1987 . Bovendien zou ook daartegen niet tijdig een klacht zijn ingediend .
9 Dit betoog kan niet worden aanvaard . Ook al is het juist, dat de op 6 februari 1987 tot verzoekster gerichte nota het bezwarende besluit vormt waartegen verzoekers hun klacht hadden moeten richten, toch kan de Commissie zich niet beroepen op te late indiening van het verzoek van 27 mei 1987, door haar terecht aangemerkt als een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut .
10 Immers, van een besluit is weliswaar naar behoren, in de zin van het Verdrag, kennis gegeven wanneer het is meegedeeld aan degene tot wie het is gericht, en deze in staat is gesteld er kennis van te nemen ( arrest van 21 februari 1973, zaak 6/72, Europemballage en Continental Can, Jurispr . 1973, blz . 215 ), maar de partij die aanvoert dat een beroep tardief is, dient het bewijs te leveren van de datum van kennisgeving van het besluit ( arresten van 5 juni 1980, zaak 108/79, Belfiore, Jurispr . 1980, blz . 1769, en 11 mei 1989, gevoegde zaken 193 en 194/87, Maurissen, Jurispr . 1989, blz . 1045 ).
11 Het dossier bevat geen enkele aanwijzing met betrekking tot het tijdstip waarop de nota van 6 februari 1987 door de geadresseerde is ontvangen . Toen het Hof ter terechtzitting hierover vragen stelde, konden de vertegenwoordigers van de Commissie enkel wijzen op het stilzwijgen van verzoekers, die de ontvangst van de nota van 6 februari 1987 niet hadden betwist .
12 Dit argument van de Commissie kan niet als bewijs gelden en het middel van niet-ontvankelijkheid, ontleend aan de vermeende niet tijdige indiening van de klacht, moet derhalve worden afgewezen .
13 Verder voert de Commissie aan, dat het feit dat zij niet binnen de termijn van vier maanden na de indiening op de klacht van verzoekers van 27 mei 1987 had geantwoord, neerkwam op een stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van die klacht . Krachtens artikel 91 van het Statuut had het beroep dus moeten worden ingesteld binnen drie maanden na die stilzwijgende afwijzing . Nu het beroep pas op 24 februari 1988 is ingesteld, zou het dus als tardief moeten worden aangemerkt en bijgevolg niet-ontvankelijk zijn .
14 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd, dat artikel 91, lid 3, tweede streepje, van het Statuut bepaalt dat, wanneer een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van een klacht is genomen na het stilzwijgend besluit tot afwijzing, doch binnen de termijn voor het instellen van beroep, door dit uitdrukkelijke besluit de beroepstermijn opnieuw ingaat .
15 In casu heeft de Commissie de klacht van 27 mei 1987 niet binnen de in artikel 90, lid 2, van het Statuut bepaalde termijn van vier maanden beantwoord, maar op 17 november 1987 een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van de klacht genomen, dat op 2 december 1987 aan verzoekers is meegedeeld, dat wil zeggen op een tijdstip waarop de beroepstermijn tegen het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing nog niet was verstreken . Door dit uitdrukkelijke besluit is derhalve een nieuwe beroepstermijn ingegaan, die nog niet was verstreken toen het beroep werd ingesteld .
16 Het beroep is mitsdien ontvankelijk .
Ten gronde
17 Kort samengevat stellen verzoekers, dat volgens artikel 72, lid 1, van het Statuut de echtgenoot van een ambtenaar indirect onder de dekking van het gemeenschappelijk stelsel valt, voor zover hijzelf niet rechtstreeks bij dat stelsel is verzekerd, en op voorwaarde dat hij onder toepassing van enig andere wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling geen prestaties van dezelfde aard of dezelfde hoogte kan verkrijgen . Tijdens het verlof om redenen van persoonlijke aard wordt de aansluiting van de ambtenaar bij het gemeenschappelijk stelsel krachtens artikel 40, lid 3, van het Statuut geschorst, tenzij de ambtenaar voldoet aan de in deze bepaling genoemde voorwaarden, dat wil zeggen met name indien hij bijdragen stort . De ambtenaar zou dan dus niet meer zelf aangesloten zijn en op grond van artikel 72, lid 1, van het Statuut onder de dekking van het gemeenschappelijk stelsel vallen uit hoofde van de aansluiting van zijn echtgenoot . De artikelen 3 en 4 van de regeling inzake de ziektekostenverzekering van de ambtenaren der Europese Gemeenschappen ( hierna : de regeling ) zouden in andere bewoordingen dezelfde beginselen tot uitdrukking brengen .
18 Er zij aan herinnerd, dat de dekking van de ambtenaren en hun gezinsleden tegen ziektekosten in de eerste plaats is geregeld in artikel 72 van het Statuut . Lid 1 van dit artikel bepaalt :
" Volgens een door de Instellingen van de Gemeenschappen in onderlinge overeenstemming en na advies van het Comité voor het Statuut vastgestelde regeling zijn de kosten in geval van ziekte van de ambtenaar, zijn echtgenoot, wanneer deze niet onder toepassing van enig andere wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling prestaties van dezelfde aard of dezelfde hoogte kan verkrijgen, zijn kinderen en andere personen die ... te zijnen laste komen, tot ten hoogste 80 % gedekt ."
19 De Commissie betoogt, dat verzoekster zich niet op deze bepaling kan beroepen, omdat zij zich van dekking door het gemeenschappelijk stelsel had kunnen verzekeren door overeenkomstig artikel 40, lid 3, van het Statuut bijdragen te betalen .
20 Dit betoog van de Commissie kan niet worden aanvaard . Om te beginnen heeft de voorwaarde die artikel 72, lid 1, van het Statuut stelt met betrekking tot de dekking van de echtgenote door het gemeenschappelijk stelsel, tot doel, dubbele dekking tegen ziektekosten zoveel mogelijk te vermijden ( zie arrest van 8 maart 1988, zaak 339/85, Brunotti, Jurispr . 1988, blz . 1379 ). Ook al ziet deze bepaling blijkens de verwijzing naar dekking krachtens andere regels niet in de eerste plaats op de situatie van een echtgenoot die zelf ook ambtenaar van de Gemeenschappen is, de algemene formulering ervan belet, dat de echtgenoot van een ambtenaar van de Gemeenschappen, die zelf ook ambtenaar is, wordt uitgesloten wanneer hij niet rechtstreeks tegen de in artikel 72 genoemde risico' s is verzekerd .
21 Vervolgens moet worden beklemtoond, dat ofschoon artikel 72, lid 1, van het Statuut de dekking van de echtgenoot door het gemeenschappelijk stelsel uit hoofde van de aangesloten ambtenaar beoogt te beperken tot de gevallen waarin die echtgenoot elders geen vergelijkbare prestaties kan krijgen, men noch uit de formulering noch uit het doel ervan kan afleiden, dat de echtgenoot van de aangesloten ambtenaar verplicht is onder alle omstandigheden dekking krachtens andere wettelijke bepalingen te zoeken . Deze bepaling laat de dekking van de echtgenoot dus niet afhangen van diens absolute onmogelijkheid om krachtens andere bepalingen prestaties van dezelfde aard en dezelfde hoogte te verkrijgen .
22 Deze uitlegging vindt overigens bevestiging in artikel 3, lid 1, van de op basis van artikel 72 van het Statuut vastgestelde regeling, die de bijzondere regels bevat voor de verzekering tegen ziektekosten van de echtgenoot van de aangeslotene . Volgens genoemde bepaling "zijn uit hoofde van de aangeslotene verzekerd :
1 . De echtgenoot van de aangeslotene, voor zover hij niet zelf bij het onderhavige stelsel is aangesloten en op voorwaarde dat
- hij geen winstgevende bezigheid als beroep uitoefent,
- hij, indien hij wel een dergelijke bezigheid uitoefent, is verzekerd bij een openbare ziektekostenverzekering, en uit hoofde van die bezigheid geen jaarlijks inkomen geniet dat ... meer bedraagt dan het jaarlijks basissalaris van een ambtenaar met de rang B 4 ..."
23 Hieruit volgt, dat geen rekening moet worden gehouden met het feit, dat verzoekster de in artikel 72 van het Statuut voorziene dekking had kunnen blijven genieten wanneer zij de in artikel 40, lid 3, van het Statuut bedoelde bijdragen had betaald .
24 Volgens de Commissie evenwel sluit artikel 40, lid 3, van het Statuut de dekking van een ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard, in zijn hoedanigheid van uit hoofde van de aangesloten ambtenaar verzekerde, met name uit doordat volgens deze bepaling niet enkel zijn deelneming aan het stelsel van sociale zekerheid wordt geschorst, maar ook de dekking van de daaronder vallende risico' s . Deze laatste vermelding zou slechts zin hebben, indien deze bepaling de betekenis heeft die er in het gewraakte besluit aan is gegeven .
25 Dit betoog faalt . Uit de bewoordingen van artikel 40, lid 3, eerste alinea, van het Statuut kan niet worden afgeleid, dat de auteurs van deze bepaling in het geval van verlof om redenen van persoonlijke aard van een echtgenoot van een aangesloten ambtenaar hebben willen afwijken van de algemene regel van artikel 72 van het Statuut, die nader is uitgewerkt in artikel 3, lid 1, van de regeling, volgens welke de niet aangesloten echtgenoot verzekerd is uit hoofde van de aangesloten ambtenaar, mits hij geen winstgevende bezigheid als beroep uitoefent of, in het andere geval, zijn inkomen uit die bezigheid niet boven een bepaalde grens ligt .
26 Nu verzoekster geen winstgevende beroepsbezigheid uitoefende, was zij dus overeenkomstig artikel 3, lid 1, van de regeling verzekerd uit hoofde van haar echtgenoot, voor zover zij niet zelf bij het gemeenschappelijk stelsel was aangesloten .
27 In dit verband stelt de Commissie, dat men "schorsing" niet moet verwarren met "opzegging ". De ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard zou aangesloten blijven, ook al worden de gevolgen van zijn aansluiting op grond van artikel 40, lid 3, van het Statuut geschorst . Dit zou betekenen, dat artikel 3, lid 1, van de regeling niet op hem van toepassing is .
28 Deze uitlegging van de Commissie kan niet worden aanvaard . Blijkens de bewoordingen van artikel 4, lid 2, van de regeling, dat overigens is vastgesteld na het arrest van het Hof van 5 april 1973 ( zaak 51/72, Noé-Dannwerth, Jurispr . 1973, blz . 433 ), waarop de Commissie zich beroept, is de ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard slechts aangesloten wanneer hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Statuut, dat wil zeggen wanneer hij de in deze bepaling bedoelde bijdragen te zijnen laste neemt .
29 De Commissie betoogt verder nog, dat aanvaarding van de door verzoekers verdedigde stelling zou leiden tot discriminatie tussen ambtenaren met verlof om redenen van persoonlijke aard, al naar gelang zij ongehuwd, weduwnaar/weduwe of gescheiden dan wel gehuwd zijn . Eerstgenoemden zouden immers bijdragen moeten betalen om gedekt te zijn, terwijl gehuwden tijdens hun verlof om redenen van persoonlijke aard uit hoofde van hun echtgenoot zouden zijn gedekt .
30 Voor de vraag of het non-discriminatiebeginsel is geëerbiedigd, dient men niet een vergelijking te maken tussen ambtenaren wier gezinssituatie verschillend is, zoals de Commissie oppert, maar tussen echtgenoten van ambtenaren, al naar gelang zijzelf al dan niet ambtenaren van de Gemeenschappen zijn . Echtgenoten die gemeenschapsambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard zijn, mogen dus niet minder gunstig worden behandeld dan echtgenoten die geen ambtenaar zijn, en evenals voor deze laatsten dient voor hen het bepaalde in artikel 3, lid 1, van de regeling te gelden .
31 Uit het voorgaande volgt, dat de ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard tegen ziektekosten is verzekerd uit hoofde van de aansluiting van zijn echtgenoot bij het gemeenschappelijke stelsel, voor zover hij voldoet aan de in artikel 3, lid 1, van de regeling genoemde voorwaarden, zonder verplicht te zijn de in artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Statuut bedoelde bijdragen te zijnen laste te nemen .
32 Mitsdien moet het op de klacht van verzoekers genomen besluit van de Commissie van 17 november 1987 worden nietig verklaard .
Beslissing inzake de kostenKosten
33 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verklaart nietig het op de klacht van verzoekers genomen besluit van de Commissie van 17 november 1987 .
2 ) Verwijst de Commissie in de kosten van het geding .
Top