Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 21 MAART 1990. - MARIA RAVIDA TEGEN OFFICE NATIONAL DES PENSIONS. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: TRIBUNAL DU TRAVAIL DE NIVELLES - BELGIE. - SOCIALE ZEKERHEID - OUDERDOMSUITKERINGEN - AANPASSING EN HERBEREKENING VAN UITKERINGEN. - ZAAK C-85/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-01063
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Ouderdoms - en overlijdensverzekering - Uitkeringen - Aanpassing - Herberekening - Voorwaarden
( Verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad, artikel 51 )
SamenvattingArtikel 51 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer ingevolge de nationale anticumulatiebepalingen het door een Lid-Staat aan een werknemer betaalde pensioen op een zodanig bedrag is vastgesteld, dat het, indien gecumuleerd met een door een andere Lid-Staat betaalde uitkering van andere aard, een bepaald maximum niet overschrijdt, dat pensioen, wanneer de andere uitkering wegens de algemene ontwikkeling van de sociale en economische situatie later wordt gewijzigd, niet dient te worden herberekend ten einde overschrijding van dat maximum te voorkomen .
PartijenIn zaak C-85/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Arbeidsrechtbank te Nijvel, in het aldaar aanhangige geding tussen
M . Ravida
en
Rijksdienst voor pensioenen,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 51 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( zoals gecodificeerd bij verordening ( EEG ) nr . 2001/83 van de Raad van 2.6.1983, PB 1983, L 230, blz . 6 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde Kamer ),
samengesteld als volgt : M . Zuleeg, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida en F . Grévisse, rechters,
advocaat-generaal : F . G . Jacobs
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door :
- M . Ravida, vertegenwoordigd door D . Rossini, vakbondsafgevaardigde,
- de Rijksdienst voor pensioenen, vertegenwoordigd door R . Masyn, hoofdadministrateur,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J.-C . Séché als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van M . Ravida, de Rijksdienst voor pensioenen, vertegenwoordigd door R . Masyn en J . P . Lheureux, bestuurssecretaris, en de Commissie ter terechtzitting van 9 januari 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 februari 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij vonnis van 7 maart 1989, ten Hove ingekomen op 15 maart daaraanvolgende, heeft de Arbeidsrechtbank te Nijvel krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 51 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( zoals gecodificeerd bij verordening ( EEG ) nr . 2001/83 van de Raad van 2.6.1983, PB 1983, L 230, blz . 6 ).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen M . Ravida, verzoekster in het hoofdgeding, en de Rijksdienst voor pensioenen ( hierna : de "RVP "), het Belgische orgaan dat bevoegd is voor de betaling van ouderdomsuitkeringen .
3 Blijkens het dossier hebben zowel Ravida als haar echtgenoot in Italië en in België arbeid in loondienst verricht .
4 Uit hoofde van haar beroepsloopbaan in Italië ontving Ravida per 1 april 1978 een persoonlijk rustpensioen in die Lid-Staat . Verder ontving zij van dezelfde Lid-Staat een overlevingspensioen uit hoofde van de beroepsloopbaan van haar echtgenoot, nadat deze laatste in september 1978 was overleden .
5 Per 1 april 1980 kreeg Ravida in België recht op een rustpensioen en een overlevingspensioen uit hoofde van de werkzaamheden die zijzelf en haar echtgenoot in België hadden verricht .
6 Op die datum bedroeg de som van het rustpensioen en het overlevingspensioen die het Italiaanse bevoegde orgaan aan Ravida betaalde, 20 997 BFR . De Rijkskas voor rust - en overlevingspensioenen ( hierna : de "RROP "), thans vervangen door de RVP, had uit hoofde van het Belgische rustpensioen 87 962 BFR en uit hoofde van het Belgische overlevingspensioen 95 543 BFR moeten betalen . Ravida had dus in het totaal 204 502 BFR moeten ontvangen .
7 Artikel 52 van het Belgische Koninklijk Besluit van 21 december 1967 bevat evenwel een anticumulatiebepaling, volgens welke een overlevingspensioen slechts tot een bepaald maximum kan worden gecumuleerd met één of meer rustpensioenen of als zodanig geldende voordelen, toegekend krachtens een Belgische of een buitenlandse wettelijke regeling .
8 Voor Ravida bedroeg dat maximum 197 057 BFR . Het door het Belgische orgaan vastgestelde overlevingspensioen werd derhalve verminderd met 7 445 BFR, zodat het totaal van het Belgische rustpensioen en het Belgische overlevingspensioen werd teruggebracht tot 176 060 BFR en de som van de Belgische en Italiaanse pensioenen gelijk was aan het maximum van 197 057 BFR .
9 Uit het verwijzingsvonnis blijkt, dat de beschikkingen waarbij de pensioenrechten aldus waren vastgesteld, op 10 december 1982 aan Ravida ter kennis zijn gebracht en niet tijdig zijn bestreden .
10 Naderhand stelde de RROP vast, dat ingevolge de Italiaanse bepalingen betreffende de indexering van de pensioenen het aan Ravida betaalde Italiaanse rustpensioen zodanig was verhoogd, dat de som van de vier pensioenen het in de Belgische regeling bepaalde maximum overschreed . Dit orgaan besloot daarom het aan de betrokkene te betalen Belgische overlevingspensioen vanaf juli 1986 te verminderen om dit maximum niet te overschrijden .
11 Daarop wendde Ravida zich tot de Arbeidsrechtbank te Nijvel, stellende dat een dergelijke vermindering in strijd was met artikel 51, lid 1, van verordening nr . 1408/71 .
12 In deze omstandigheden besloot de Arbeidsrechtbank te Nijvel de behandeling van de zaak te schorsen in afwachting van het antwoord van het Hof op de navolgende prejudiciële vraag :
"Wanneer de wettelijke regeling van een Lid-Staat ( in casu artikel 52 van het Koninklijk Besluit van 21.12.1967 ) voorziet in een maximum voor de cumulatie van rust - en overlevingspensioenen en bij de vaststelling van dat maximum op de datum van ingang van het pensioen tevens rekening is gehouden met de ten laste van een andere Lid-Staat toegekende uitkering, mag het bevoegde orgaan van eerstgenoemde Lid-Staat dan rekening houden met de aanpassingen van de door de andere Lid-Staat toegekende uitkering en het bedrag van de aanvankelijk toegekende uitkering door impliciete toepassing van artikel 51, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 herberekenen en verminderen, indien het nationale maximum op een gegeven moment wordt overschreden ten gevolge van de wijziging van de door de andere Lid-Staat vastgestelde uitkering?"
13 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
14 Uit de processtukken van het hoofdgeding blijkt, dat de prejudiciële vraag aldus moet worden begrepen, dat zij ertoe strekt te vernemen of artikel 51 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer ingevolge de nationale anticumulatiebepalingen het door een Lid-Staat aan een werknemer betaalde pensioen op een zodanig bedrag is vastgesteld, dat het, indien gecumuleerd met een door een andere Lid-Staat betaalde uitkering van andere aard, een bepaald maximum niet overschrijdt, dat pensioen, wanneer de andere uitkering wegens de algemene ontwikkeling van de sociale en economische situatie later wordt gewijzigd, moet worden herberekend ten einde overschrijding van dat maximum te voorkomen .
15 Allereerst dient erop te worden gewezen, dat de RVP, op grond van de omstandigheid dat het aan een werknemer uit hoofde van de beroepsloopbaan van zijn echtgenoot betaalde overlevingspensioen niet van dezelfde aard is als het overlevingspensioen dat die werknemer uit hoofde van zijn eigen beroepsloopbaan ontvangt, in zijn opmerkingen voor het Hof heeft betoogd, dat een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, onder artikel 12, lid 2, eerste zin, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 valt .
16 Volgens de RVP hebben die bepalingen tot gevolg, dat het orgaan dat een krachtens nationale anticumulatiebepalingen aan een maximum gebonden overlevingspensioen is verschuldigd, rekening mag houden met de aanpassingen van een aan dezelfde werknemer betaalde uitkering van een andere aard, welke de reden voor die aanpassing ook zij, teneinde de voortdurende inachtneming van het in de nationale regeling vastgestelde maximum te verzekeren . De nationale rechter zou dan ook vergeefs naar artikel 51 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 verwijzen .
17 Een dergelijk betoog moet worden verworpen . De door de RVP ingeroepen bepalingen maken het weliswaar mogelijk in geval van samenloop van een pensioen met uitkeringen van een andere aard de in de nationale regelingen vervatte anti-cumulatiebepalingen aan de werknemer tegen te werpen, doch die bepalingen moeten worden aangewend voor de vaststelling van de wijze van berekening, en in voorkomend geval herberekening, van het pensioen, maar niet om uit te maken in welke gevallen het pensioen moet worden herberekend . Dit laatste wordt geregeld in artikel 51 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71, dat in het onderhavige geval moet worden uitgelegd .
18 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat voor de berekening van het bedrag van de ouderdomsuitkeringen die verschuldigd zijn aan een werknemer die aan de wettelijke regeling van twee of meer Lid-Staten onderworpen is geweest, het bevoegde orgaan van elk van die Lid-Staten het bedrag dat uitsluitend krachtens zijn wettelijke regeling met inbegrip van de anticumulatiebepalingen ervan verschuldigd is, moet vergelijken met het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 46 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 . Voor de vaststelling van elk van deze uitkeringen wordt de voor de werknemer gunstigste regeling toegepast .
19 Gelijk het Hof in zijn arrest van 2 februari 1982 ( zaak 7/81, Sinatra, Jurispr . 1982, blz . 137 ) overwoog, brengt elke latere wijziging van een van de uitkeringen in beginsel mee, dat voor elke uitkering een nieuwe vergelijking wordt gemaakt tussen de nationale regeling en de gemeenschapsregeling, ten einde te bepalen welke na de ingetreden wijzigingen de voor de werknemer gunstigste regeling is .
20 In datzelfde arrest preciseerde het Hof evenwel, dat om de administratieve belasting te beperken, die een nieuw onderzoek van de situatie van de werknemer bij elke wijziging van de ontvangen uitkeringen zou meebrengen, artikel 51, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 een herberekening van de uitkeringen overeenkomstig artikel 46, en dus een nieuwe vergelijking van de nationale regeling met de gemeenschapsregeling uitsluit, wanneer de aanpassing het gevolg is van gebeurtenissen die buiten de persoonlijke sfeer van de werknemer liggen, en voortvloeit uit de algemene ontwikkeling van de sociale en economische situatie .
21 Verder verklaarde het Hof in zijn arrest van 1 maart 1984 ( zaak 104/83, Cinciuolo, Jurispr . 1984, blz . 1285 ), dat artikel 51, lid 1, aldus uitgelegd, niet alleen van toepassing is bij wijzigingen van een uitkering waarvan het bedrag overeenkomstig artikel 46 is vastgesteld, maar ook bij wijzigingen van een uitkering die ingevolge de nationale anticumulatiebepalingen van invloed is geweest op de aanvankelijke berekening van de ouderdomsuitkeringen .
22 Slechts ingeval de wijziging is te wijten aan een verandering in de wijze van vaststelling of de regels voor de berekening van een uitkering, met name als gevolg van een wijziging in de persoonlijke situatie van de werknemer, dienen de ouderdomsuitkeringen volgens artikel 51, lid 2, te worden herberekend .
23 Derhalve kan de enkele omstandigheid dat de wegens de algemene ontwikkeling van de sociale en economische situatie gewijzigde uitkering niet van dezelfde aard is als de ouderdomsuitkeringen, niet worden aangegrepen om artikel 51, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 buiten toepassing te laten, en geen rechtvaardigingsgrond vormen voor een - zij het "impliciete" - toepassing van artikel 51, lid 2, zoals de nationale rechter in zijn verwijzingsvonnis suggereert .
24 Hieruit volgt, dat ook wanneer in een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, het door een Lid-Staat aan een werknemer te betalen overlevingspensioen krachtens de in de wettelijke regeling van die Lid-Staat vervatte anticumulatiebepalingen tot een bepaald maximum is beperkt om rekening te houden met een door een andere Lid-Staat aan deze werknemer betaald rustpensioen, artikel 51, lid 1, zich ertegen verzet, dat het overlevingspensioen wordt herberekend wegens de aanpassing van het rustpensioen wanneer die aanpassing een gevolg is van de algemene ontwikkeling van de sociale en economische toestand .
25 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat artikel 51 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer ingevolge de nationale anticumulatiebepalingen het door een Lid-Staat aan een werknemer betaalde pensioen op een zodanig bedrag is vastgesteld, dat het, indien gecumuleerd met een door een andere Lid-Staat betaalde uitkering van andere aard, een bepaald maximum niet overschrijdt, dat pensioen, wanneer de andere uitkering wegens de algemene ontwikkeling van de sociale en economische situatie later wordt gewijzigd, niet dient te worden herberekend ten einde overschrijding van dat maximum te voorkomen .
Beslissing inzake de kostenKosten
26 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Derde Kamer ),
uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank te Nijvel bij vonnis van 7 maart 1989 gestelde vraag, verklaart voor recht :
Artikel 51 van ( EEG ) verordening nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer ingevolge de nationale anticumulatiebepalingen het door een Lid-Staat aan een werknemer betaalde pensioen op een zodanig bedrag is vastgesteld, dat het, indien gecumuleerd met een door een andere Lid-Staat betaalde uitkering van andere aard, een bepaald maximum niet overschrijdt, dat pensioen, wanneer de andere uitkering wegens de algemene ontwikkeling van de sociale en economische situatie later wordt gewijzigd, niet dient te worden herberekend ten einde overschrijding van dat maximum te voorkomen .
Top