Avis juridique important
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 26 september 2002. - Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Franse Republiek. - Niet-nakoming - Richtlijn 98/5/EG - Permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven. - Zaak C-351/01.
Jurisprudentie 2002 bladzijde I-08101
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
1. Beroep wegens niet-nakoming - Onderzoek van gegrondheid door Hof - In aanmerking te nemen situatie - Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226 EG)
2. Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-nakoming - Rechtvaardiging op basis van interne rechtsorde - Ontoelaatbaarheid
(Art. 226 EG)
PartijenIn zaak C-351/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues en C. Bergeot-Nunes als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven (PB L 77, blz. 36), de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: F. Macken, kamerpresident, C. Gulmann (rapporteur) en J.-P. Puissochet, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 september 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 september 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld tot vaststelling dat de Franse Republiek, door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven (PB L 77, blz. 36; hierna: richtlijn"), de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Rechtskader en voorgeschiedenis van het geding
2 Overeenkomstig artikel 16 van de richtlijn moesten de lidstaten uiterlijk op 14 maart 2000 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen om aan deze richtlijn te voldoen, en de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
3 Aangezien zij van de Franse regering nog geen bericht had ontvangen omtrent de maatregelen tot omzetting van de richtlijn, heeft de Commissie op 8 augustus 2000, overeenkomstig de procedure van artikel 226 EG, de Franse regering schriftelijk aangemaand binnen twee maanden haar opmerkingen in te dienen.
4 De Franse regering heeft bij brief van 16 november 2000 geantwoord dat een voorontwerp van wet tot omzetting van de richtlijn in voorbereiding was, dat werd overlegd met de beroepsvertegenwoordigers van de advocatuur, en dat daarna een ontwerp aan het Parlement zou worden voorgelegd.
5 De Commissie richtte op 24 januari 2001 een met redenen omkleed advies tot de Franse Republiek, waarbij deze werd uitgenodigd om binnen een termijn van twee maanden de nodige maatregelen te nemen om aan haar verplichtingen inzake de omzetting van de richtlijn te voldoen.
6 Op 9 juli 2001 deed de Franse regering de Commissie een voorontwerp van wet toekomen houdende omzetting van de richtlijn in de Franse rechtsorde. Zij verduidelijkte dat deze tekst in de herfst aan het parlement zou worden voorgelegd.
7 Aangezien de Commissie geen informatie had ontvangen waaruit zij kon opmaken dat de nodige maatregelen tot omzetting van de richtlijn in de Franse wetgeving definitief waren vastgesteld, besloot zij op 17 september 2001 het onderhavige beroep in te stellen.
De niet-nakoming
8 De Franse regering erkent dat zij de richtlijn niet binnen de voorgeschreven termijn heeft omgezet. Zij wijst erop dat de procedure voor de vaststelling van de omzettingswet en haar uitvoeringsbesluiten nog loopt. Zij voegt hieraan toe dat bepaalde Franse balies de bepalingen van de richtlijn nu reeds toepassen.
9 In dit verband kan worden volstaan met eraan te herinneren, dat volgens vaste rechtspraak het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn (zie met name arrest van 15 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C-147/00, Jurispr. blz. I-2387, punt 26) en dat een lidstaat zich niet kan beroepen op bepalingen, praktijken of omstandigheden van zijn interne rechtsorde ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van de door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen en termijnen (zie met name arrest van 25 oktober 2001, Commissie/Italië, C-78/00, Jurispr. blz. I-8195, punt 38).
10 In deze omstandigheden moet dus worden vastgesteld, dat de Franse Republiek, door niet binnen de voorgeschreven termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan de richtlijn, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kostenKosten
11 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Daar de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij, overeenkomstig de vordering van de Commissie, in de kosten te worden verwezen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven, is de Franse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Top