Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 3 DECEMBER 1992. - THOMAS ANTHONY O'BRIEN TEGEN IERLAND, ATTORNEY GENERAL EN MINISTER FOR AGRICULTURE AND FOOD. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: SUPREME COURT - IERLAND. - EXTRA HEFFING OP MELK. - ZAAK C-86/90.
Jurisprudentie 1992 bladzijde I-06251
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Melk en zuivelprodukten ° Extra heffing op melk ° Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld ° Producenten die hun leveringen hebben opgeschort op grond van premieregeling voor niet in handel brengen of omschakeling ° Definitieve toekenning van specifieke referentiehoeveelheid ° Inaanmerkingneming van verkoop of levering afkomstig van produktie-eenheden die aan bedrijf zijn toegevoegd tussen verstrijken van periode van niet-levering of omschakeling en voorlopige toewijzing van specifieke referentiehoeveelheid ° Voorwaarde ° Exploitatie door betrokken producent van zelfde bedrijf als op tijdstip van toekenning van premie voor niet in handel brengen of omschakeling
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, art. 3 bis, lid 3, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89)
SamenvattingArtikel 3 bis, lid 3, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, moet, wat betreft de definitieve toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid aan een producent die zijn melkleveringen heeft opgeschort op grond van de premieregeling voor het niet in de handel brengen of omschakeling, aldus worden uitgelegd, dat ook rekening mag worden gehouden met de verkoop of levering van melk van produktie-eenheden die aan het betrokken bedrijf zijn toegevoegd tussen de datum waarop de periode van niet-levering of omschakeling verstreek, en de datum waarop de specifieke referentiehoeveelheid voorlopig werd toegewezen, mits de betrokken producent nog steeds geheel of gedeeltelijk hetzelfde bedrijf exploiteert als bij de goedkeuring van de aanvraag om toekenning van de premie.
PartijenIn zaak C-86/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Supreme Court of Ireland, in het aldaar aanhangig geding tussen
Th. A. O' Brien
en
Ierland, Attorney General en Minister for Agriculture and Food,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3 bis, lid 3, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989 (PB 1989, L 84, blz. 2),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Zuleeg, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en F. Grévisse, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: D. Triantafyllou, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Th. A. O' Brien, vertegenwoordigd door D. Wyatt, Barrister, en B. A. Carroll, Solicitor,
° de Ierse regering, vertegenwoordigd door L. J. Dockery, Chief State Solicitor, als gemachtigde,
° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door R. M. Caudwell van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Hetsch en C. Docksey, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Th. A. O' Brien, vertegenwoordigd door D. Wyatt en J. McBratney, Barristers; de Ierse regering, vertegenwoordigd door H. Geoghegan, Senior Counsel, en B. Lenihan, Junior Counsel; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door D. Anderson, Barrister, en de Commissie ter terechtzitting van 27 februari 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 april 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 2 maart 1990, ingekomen bij het Hof op 22 maart daaraanvolgend, heeft de Supreme Court of Ireland krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 3 bis, lid 3, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989 (PB 1989, L 84, blz. 2).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Th. A. O' Brien en Ierland, de Attorney General en de Minister for Agriculture and Food over de door deze gestelde voorwaarden voor de toekenning van een referentiehoeveelheid uit hoofde van de regeling inzake de extra heffing op melk.
3 O' Brien, een in Ierland gevestigd landbouwer, ging voor de periode van 28 oktober 1979 tot 27 oktober 1984 een verbintenis tot niet-levering aan uit hoofde van verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten en voor de omschakeling van het melkveebestand (PB 1977, L 131, blz. 1). Op 24 juni 1989 richtte O' Brien met zijn broer een gemeenschappelijke onderneming op, waarbij hij 40 koeien huurde en 60 ha land pachtte dat aan zijn broer toebehoorde en dat aan zijn bedrijf grensde. Op diezelfde datum ging hij een maatschap aan met zijn broer, waarbij de koeien en het land door hem werden ingebracht als zijn bijdrage in het kapitaal van hun maatschap.
4 Op dezelfde dag verzocht O' Brien de bevoegde Ierse autoriteiten om toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid uit hoofde van artikel 3 bis van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd. Op 28 augustus 1989 werd hem een voorlopige specifieke referentie-hoeveelheid van 39 803 gallon toegekend. De brief waarbij die hoeveelheid werd toegekend, bepaalde echter dat, wilde hij voldoen aan de voorwaarden voor definitieve toekenning van deze hoeveelheid, hij moest aantonen, dat melkleveringen op het vereiste niveau hadden plaatsgevonden vanaf land dat hij aan het einde van zijn periode van niet-levering exploiteerde.
5 Van mening dat deze voorwaarde in strijd was met de gemeenschapsbepalingen, stelde O' Brien beroep in ter verkrijging van een verklaring voor recht, dat hij recht had op een specifieke referentiehoeveelheid voor het geheel van produktie-eenheden die door hem in de Gemeenschap worden beheerd. In het kader van die procedure heeft de Supreme Court of Ireland, waarbij het geding in laatste instantie aanhangig was, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
"Is het ter voldoening aan de voorwaarden van artikel 3 bis, lid 3, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad, ingevoegd bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad, noodzakelijk dat de melk die rechtstreeks wordt verkocht of geleverd, uitsluitend is geproduceerd op dat gedeelte van het land aan de hand waarvan de premie voor niet-levering of omschakeling werd berekend en dat aan het einde van het tijdvak van niet-levering of omschakeling nog steeds door de betrokken producent werd geëxploiteerd?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de betrokken gemeenschapsbepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
7 Met de gestelde vraag wordt in wezen beoogd te vernemen, of artikel 3 bis, lid 3, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd, wat de definitieve toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid betreft, aldus moet worden uitgelegd, dat uitsluitend rekening mag worden gehouden met de verkoop of levering van melk van het bedrijf zoals dat bestond toen daarvoor de verbintenis tot niet-levering of omschakeling werd aangegaan, dan wel of ook rekening mag worden gehouden met de verkoop of levering van melk van produktie-eenheden die aan het betrokken bedrijf zijn toegevoegd tussen de datum waarop de periode van niet-levering of omschakeling verstreek, en de datum waarop de specifieke referentiehoeveelheid voorlopig werd toegewezen.
8 Om te beginnen zij opgemerkt, dat artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, bepaalt, dat aan producenten waarvan de periode van niet-levering of omschakeling krachtens de uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis ten einde loopt na 31 december 1983, of, naar gelang van de omstandigheden, na 30 september 1983, voorlopig een specifieke referentiehoeveelheid kan worden toegewezen onder de voorwaarden vastgesteld onder sub a, sub b en sub c. In artikel 3 bis, lid 1, sub a, wordt de toekenning van een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid afhankelijk gesteld van de voorwaarde, dat de producenten "hun melkveebedrijf niet in zijn geheel hebben overgedragen vóór het verstrijken van de periode van niet-levering of omschakeling"; in lid 1, sub b, wordt verder als voorwaarde gesteld, dat de producenten "ter ondersteuning van hun aanvraag (...) kunnen aantonen dat zij in staat zijn om de aangevraagde referentiehoeveelheid op hun bedrijf te produceren".
9 Artikel 3 bis, lid 3, luidt als volgt:
"Indien de producent binnen twee jaar te rekenen vanaf 29 maart 1989 ten genoegen van de bevoegde instantie kan bewijzen dat hij de rechtstreekse verkoop en/of de leveringen daadwerkelijk heeft hervat en indien deze rechtstreekse verkoop en/of deze leveringen tijdens de laatste twaalf maanden een niveau van 80 % of meer van de voorlopige referentiehoeveelheid hebben bereikt, wordt de specifieke referentiehoeveelheid hem definitief toegewezen (...) Bij de bepaling van het niveau van de rechtstreekse verkoop en/of daadwerkelijke leveringen wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van het produktieritme op het bedrijf van de producent, de seizoeninvloeden en elke buitengewone omstandigheid."
10 De uitvoeringsbepalingen betreffende de extra heffing zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 (PB 1988, L 139, blz. 12), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989 (PB 1989, L 110, blz. 27). Deze regeling is vastgesteld op de grondslag van de machtigingsbepaling van artikel 5 quater, lid 7, van basisverordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1968, L 148, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 (PB 1984, L 90, blz. 10).
11 Luidens artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 1546/88, zoals gewijzigd, wordt de aanvraag om toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid uit hoofde van artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd, "door de betrokken producent bij de door de Lid-Staat aangewezen bevoegde instantie ingediend overeenkomstig de door deze Lid-Staat vastgestelde voorschriften. Ook moet de producent kunnen aantonen dat hij nog steeds geheel of gedeeltelijk hetzelfde bedrijf exploiteert als bij de (...) goedkeuring van de aanvraag om toekenning van de premie".
12 Uit de bepalingen van artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd, juncto artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 1546/88, zoals gewijzigd, volgt dat de voorlopige toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid afhankelijk is gesteld van de voorwaarde, dat de betrokken producent nog steeds geheel of gedeeltelijk hetzelfde bedrijf exploiteert als bij de goedkeuring van de aanvraag om toekenning van de premie, dat wil zeggen het bedrijf waarvoor hij zijn verbintenis tot niet-levering of omschakeling is aangegaan. Een dergelijk producent kan derhalve enkel recht op een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid doen gelden, indien hij nog steeds, althans gedeeltelijk, het bedrijf exploiteert waarvoor hij zijn verbintenis uit hoofde van verordening nr. 1078/77 was aangegaan. Daarentegen verliest hij dit recht wanneer hij dit gehele bedrijf niet langer exploiteert.
13 Zoals wordt verklaard in de derde overweging van de considerans van verordening nr. 1033/89, wil deze regeling verzekeren, "dat de aanvraag slechts mag worden ingediend door een producent die ten minste een gedeelte van de produktie-inrichtingen exploiteert die hij bij de indiening van de aanvraag tot toekenning van de premie voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten of van de omschakelingspremie in exploitatie had".
14 In deze context moet de draagwijdte van artikel 3 bis, lid 3, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd, worden beoordeeld. Deze bepaling wil verhinderen, dat een specifieke referentiehoeveelheid definitief wordt toegewezen aan een producent die niet binnen de voorgeschreven termijn en op het voorgeschreven niveau de verkoop of levering van melk waarvoor hem voorlopig een specifieke referentiehoeveelheid was toegekend, daadwerkelijk heeft hervat.
15 Het gemeenschapsrecht bevat evenwel geen bepaling krachtens welke voor de definitieve toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid enkel de verkoop of levering van melk in aanmerking mag worden genomen, die afkomstig is van het bedrijf zoals dat bestond toen daarvoor de verbintenis tot niet-levering of omschakeling werd aangegaan. Een dergelijke beperking zou bovendien indruisen tegen het nuttig effect van de hierboven aangehaalde bepalingen, volgens welke het recht van de producenten op een specifieke referentiehoeveelheid niet verloren gaat in geval van gedeeltelijke overdracht van hun bedrijf.
16 Bijgevolg kan niet worden aanvaard, dat een producent die een deel van zijn bedrijf heeft overgedragen, de mogelijkheid wordt ontnomen om een specifieke referentiehoeveelheid te verwerven, omdat hij met de produktiecapaciteit van het resterende deel niet het vereiste niveau van verkoop of levering kan bereiken, hoewel hij dat niveau bereikt wanneer rekening wordt gehouden met de totale door hem behaalde produktie op het bedrijf zoals dat bestond op het tijdstip waarop de specifieke referentiehoeveelheid voorlopig werd toegewezen.
17 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat artikel 3 bis, lid 3, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd, wat de definitieve toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid betreft, aldus moet worden uitgelegd, dat ook rekening mag worden gehouden met de verkoop of levering van melk van produktie-eenheden die aan het betrokken bedrijf zijn toegevoegd tussen de datum waarop de periode van niet-levering of omschakeling verstreek, en de datum waarop de specifieke referentiehoeveelheid voorlopig werd toegewezen, mits de betrokken producent nog steeds geheel of gedeeltelijk hetzelfde bedrijf exploiteert als bij de goedkeuring van de aanvraag om toekenning van de premie.
Beslissing inzake de kostenKosten
18 De kosten door de Ierse en de Britse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door Supreme Court of Ireland bij beschikking van 2 maart 1990 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 3 bis, lid 3, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten, moet, wat de definitieve toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid betreft, aldus worden uitgelegd, dat ook rekening mag worden gehouden met de verkoop of levering van melk van produktie-eenheden die aan het betrokken bedrijf zijn toegevoegd tussen de datum waarop de periode van niet-levering of omschakeling verstreek, en de datum waarop de specifieke referentiehoeveelheid voorlopig werd toegewezen, mits de betrokken producent nog steeds geheel of gedeeltelijk hetzelfde bedrijf exploiteert als bij de goedkeuring van de aanvraag om toekenning van de premie.
Top