Avis juridique important
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 13 december 2001. - Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Grand-duché de Luxembourg. - Niet-nakoming - Richtlijn 98/76/EG - Niet-omzetting binnen gestelde termijn. - Zaak C-107/01.
Jurisprudentie 2001 bladzijde I-10357
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-betwiste niet-nakoming
(Art. 226 EG)
PartijenIn zaak C-107/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Groothertogdom Luxemburg, vertegenwoordigd door J. Faltz als gemachtigde,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/76/EG van de Raad van 1 oktober 1998 tot wijziging van richtlijn 96/26/EG inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoerondernemers (PB L 277, blz. 17), althans door die bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann (rapporteur), kamerpresident, L. Sevón en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 oktober 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 6 maart 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/76/EG van de Raad van 1 oktober 1998 tot wijziging van richtlijn 96/26/EG inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoerondernemers (PB L 277, blz. 17; hierna: richtlijn"), althans door haar die bepalingen niet mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Artikel 2, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn bepaalt:
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 oktober 1999 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis."
3 Overeenkomstig de procedure van artikel 226, eerste alinea, EG heeft de Commissie, na het Groothertogdom Luxemburg in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken, deze lidstaat bij brief van 1 augustus 2000 een met redenen omkleed advies toegezonden, met het verzoek binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving van dit advies de nodige maatregelen te nemen om aan zijn verplichtingen uit hoofde van de richtlijn te voldoen.
4 De Luxemburgse autoriteiten hebben bij brief van 24 augustus 2000 geantwoord, dat de nodige nationale maatregelen tot uitvoering van de richtlijn in behandeling waren.
5 Daar de Commissie geen andere informatie over de uitvoering van de richtlijn heeft ontvangen, heeft zij besloten het onderhavige beroep in te stellen.
6 Het Groothertogdom Luxemburg voert aan, dat het ontwerp van wet houdende - onder meer - uitvoering van de richtlijn, alsook twee ontwerpen van groothertogelijke verordening, op 21 juli 2000 door de regering zijn goedgekeurd. De Commissie heeft in augustus 2000 een kopie van die ontwerpen ontvangen.
7 Dit verandert echter niets aan het feit dat, zoals blijkt uit de door het Groothertogdom Luxemburg gegeven uitleg, de uitvoering niet binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn heeft plaatsgevonden. In die omstandigheden blijkt het beroep van de Commissie gegrond.
8 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om aan de richtlijn te voldoen, de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kostenKosten
9 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover zulks is gevorderd. Aangezien het Groothertogdom Luxemburg in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/76/EG van de Raad van 1 oktober 1998 tot wijziging van richtlijn 96/26/EG inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoerondernemers, is het Groothertogdom Luxemburg de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Groothertogdom Luxemburg wordt verwezen in de kosten.
Top