Avis juridique important
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 16 januari 2003. - Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk België. - Niet-nakoming - Niet-uitvoering van richtlijn 98/83/EG. - Zaak C-122/02.
Jurisprudentie 2003 bladzijde I-00833
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Beroep wegens niet-nakoming - Onderzoek van gegrondheid door Hof - In aanmerking te nemen situatie - Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226 EG)
PartijenIn zaak C-122/02,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Valero Jordana en J. Adda als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door A. Snoecx als gemachtigde,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om volledig te voldoen aan richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 330, blz. 32), of althans de Commissie hiervan niet volledig in kennis te stellen, de krachtens voornoemde richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, P. Jann en A. Rosas (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 oktober 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 5 april 2002, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld teneinde te doen vaststellen dat het Koninkrijk België, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om volledig te voldoen aan richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 330, blz. 32; hierna: richtlijn"), of althans haar hiervan niet volledig in kennis te stellen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Rechtskader
2 Artikel 17 van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om aan deze richtlijn binnen twee jaar na de inwerkingtreding ervan te voldoen, en dat zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
3 Volgens artikel 18 ervan treedt [de richtlijn] in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen". Aangezien de richtlijn is bekendgemaakt op 5 december 1998, is zij op 25 december 1998 in werking getreden en is de omzettingstermijn verstreken op 25 december 2000.
Precontentieuze procedure
4 Van oordeel dat de richtlijn niet binnen de voorgeschreven termijn was omgezet, heeft de Commissie de in artikel 226 EG bedoelde procedure ingeleid. Na het Koninkrijk België te hebben aangemaand zijn opmerkingen te maken, heeft de Commissie op 18 juli 2001 een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarin zij deze lidstaat uitnodigde binnen twee maanden na de betekening ervan aan dit advies te voldoen.
5 Bij brieven van 10 oktober 2001 en 21 februari 2002 heeft de Permanente Vertegenwoordiging van België bij de Europese Unie de Commissie in kennis gesteld van de volgende maatregelen waarmee de richtlijn werd omgezet of die bestemd waren om de richtlijn om te zetten:
- het koninklijk besluit van 14 januari 2002 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water dat in voedingsmiddeleninrichtingen verpakt wordt of dat voor de fabricage en/of het in de handel brengen van voedingsmiddelen wordt gebruikt;
- het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 24 januari 2002 betreffende de kwaliteit van leidingwater, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 21 februari 2002;
- een in behandeling zijnd voorontwerp van decreet van het Vlaamse Gewest betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water;
- een in behandeling zijnd voorontwerp van decreet van het Waalse Gewest betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water.
6 Van oordeel dat het Koninkrijk België niet de nodige maatregelen ter omzetting van de richtlijn had vastgesteld, heeft de Commissie het onderhavige verzoekschrift ingediend.
De niet-nakoming
7 De Commissie wijst erop dat de voor het Vlaamse en het Waalse Gewest overgelegde documenten slechts voorontwerpen zijn. Zij concludeert hieruit dat het Koninkrijk België nog niet de noodzakelijke uitvoeringsbepalingen heeft vastgesteld.
8 Het Koninkrijk België preciseert met betrekking tot de omzetting op het niveau van de Belgische federale regering, dat het koninklijk besluit van 14 januari 2002 is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 maart 2002.
9 Aangaande de omzetting op het niveau van het Vlaamse en het Waalse Gewest zet het Koninkrijk België uiteen in welke behandelingsfase de omzettingsmaatregelen verkeren:
- wat het Waalse Gewest betreft, heeft de Raad van State een advies uitgebracht over het ontwerp-omzettingsdecreet, welk ontwerp weldra aan de Waalse regering ter goedkeuring zal worden aangeboden;
- wat het Vlaamse Gewest betreft, bestaan de omzettingsmaatregelen in:
- een decreet betreffende voor menselijke consumptie bestemd water, dat op 8 mei 2002 door het Vlaamse parlement is goedgekeurd en op 24 mei 2002 door de Vlaamse regering uitgevaardigd; dit decreet is aan het Belgisch Staatsblad toegezonden teneinde zo spoedig mogelijk te worden bekendgemaakt;
- een ontwerp-besluit van de Vlaamse regering houdende regeling van de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water; deze maatregel is door de Vlaamse regering in beginsel goedgekeurd en zal door deze regering binnen zeer afzienbare termijn definitief worden goedgekeurd.
10 Het Koninkrijk België bestrijdt niet, dat niet alle nodige maatregelen ter omzetting van de richtlijn zijn getroffen en zegt toe, dat de Commissie en het Hof op de hoogte zullen worden gehouden over de voortgang van de werkzaamheden tot omzetting van de richtlijn.
11 Dienaangaande zij opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak het bestaan van een inbreuk moet worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn bevond, en dat het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening kan houden (zie met name arrest van 2 mei 1996, Commissie/België, C-133/94, Jurispr. blz. I-2323, punt 17).
12 In casu waren aan het einde van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn nog geen bepalingen ter omzetting van de richtlijn in de Belgische rechtsorde vastgesteld.
13 Aangezien de richtlijn niet binnen de gestelde termijn volledig is omgezet, moet het door de Commissie ingestelde beroep gegrond worden geacht.
14 Bijgevolg moet worden geconstateerd dat het Koninkrijk België, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om volledig aan de richtlijn te voldoen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kostenKosten
15 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om volledig te voldoen aan richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water, is het Koninkrijk België de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
Top