Avis juridique important
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 16 januari 2003. - Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland. - Niet-nakoming - Niet-uitvoering van richtlijn 98/83/EG. - Zaak C-63/02.
Jurisprudentie 2003 bladzijde I-00821
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Beroep wegens niet-nakoming - Onderzoek van gegrondheid door Hof - In aanmerking te nemen situatie - Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226 EG)
PartijenIn zaak C-63/02,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Shotter als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door P. Ormond als gemachtigde, bijgestaan door M. Demetriou, barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, door voor Noord-Ierland en Wales niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 330, blz. 32), of althans de Commissie hiervan niet in kennis te stellen, de krachtens artikel 17, leden 1 en 2, van voornoemde richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, P. Jann en A. Rosas (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 oktober 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 26 februari 2002, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld teneinde te doen vaststellen dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, door voor Noord-Ierland en Wales niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 330, blz. 32; hierna: richtlijn"), of althans de Commissie hiervan niet in kennis te stellen, de krachtens artikel 17, leden 1 en 2, van voornoemde richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Rechtskader
2 Artikel 17, lid 1, van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om aan deze richtlijn binnen twee jaar na de inwerkingtreding ervan te voldoen. Artikel 17, lid 2, bepaalt, dat de lidstaten de Commissie de tekst meedelen van de bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
3 Volgens artikel 18 treedt [de richtlijn] in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen". Aangezien de richtlijn is bekendgemaakt op 5 december 1998, is zij op 25 december 1998 in werking getreden en is de omzettingstermijn verstreken op 25 december 2000.
Precontentieuze procedure
4 Van oordeel dat de richtlijn niet binnen de voorgeschreven termijn volledig was omgezet, heeft de Commissie de in artikel 226 EG bedoelde procedure ingeleid. Na het Verenigd Koninkrijk te hebben aangemaand zijn opmerkingen te maken, heeft de Commissie op 18 juli 2001 een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarin zij vaststelde dat de richtlijn niet was omgezet met betrekking tot Gibraltar, Wales en Noord-Ierland en zij deze lidstaat uitnodigde binnen twee maanden na de betekening van het advies de nodige maatregelen te treffen om zich ernaar te voegen.
5 Bij brief van 26 september 2001 heeft de Permanente Vertegenwoordiging van het Verenigd Koninkrijk bij de Europese Unie de Commissie de wettelijke regeling overgelegd waarmee de richtlijn voor Gibraltar werd omgezet. Daarnaast zegde zij toe, de Commissie regelmatig op de hoogte te zullen houden over de voortgang met de volledige omzetting van de richtlijn met betrekking tot Wales en Noord-Ierland.
6 Van oordeel dat het Verenigd Koninkrijk niet de nodige maatregelen had vastgesteld om de richtlijn om te zetten voor Wales en Noord-Ierland, heeft de Commissie het onderhavige verzoekschrift ingediend.
De niet-nakoming
7 De Commissie merkt op dat zij niet ervan in kennis is gesteld, dat de nodige bepalingen zijn vastgesteld om met betrekking tot Wales en Noord-Ierland aan de richtlijn te voldoen. Aangezien zij niet over andere gegevens beschikte waaruit kon worden opgemaakt dat het Verenigd Koninkrijk die bepalingen had vastgesteld, gaat zij ervan uit dat dit niet is geschied en dat deze lidstaat derhalve heeft verzuimd de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen na te komen.
8 Het Verenigd Koninkrijk verklaart dat voor Wales op 7 december 2001 de Water Supply (Water Quality) Regulations 2001 zijn vastgesteld, welke op 1 januari 2002 in werking zijn getreden.
9 Wat Noord-Ierland betreft, heeft de uitvoering van de richtlijn vertraging ondergaan wegens de beperkte financiële middelen. Dit probleem is opgelost en de openbare inspraak betreffende de ontwerp-Regulations heeft tijdig plaatsgevonden. De Regulations zouden in september 2002 in werking treden.
10 Dienaangaande moet worden geconstateerd, dat het Verenigd Koninkrijk niet betwist dat aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn nog niet de nodige maatregelen waren getroffen om de richtlijn om te zetten met betrekking tot Noord-Ierland en Wales, doch dat het betoogt dat het omzettingsproces vordert volgens het daarvoor opgestelde, aan de Commissie overgelegde tijdschema.
11 Het is evenwel vaste rechtspraak dat het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en dat het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening kan houden (zie met name arrest van 15 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C-147/00, Jurispr. blz. I-2387, punt 26).
12 In casu staat vast dat aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn nog geen bepalingen ter omzetting van de richtlijn voor Noord-Ierland en Wales waren vastgesteld.
13 Het door de Commissie ingestelde beroep moet dan ook gegrond worden geacht.
14 Mitsdien moet worden geconstateerd dat het Verenigd Koninkrijk, door voor Noord-Ierland en Wales niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om aan de richtlijn te voldoen, de krachtens artikel 17, lid 1, van deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kostenKosten
15 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Verenigd Koninkrijk in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door voor Noord-Ierland en Wales niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water, is het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de krachtens artikel 17, lid 1, van voornoemde richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland wordt verwezen in de kosten.
Top