Avis juridique important
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 oktober 2002. - Isabel Parras Medina en Adelina Parras Medina tegen Consejería de Agricultura y Medio Ambiente de la Junta de Comunidades de Castilla-La Mancha. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Tribunal Superior de Justicia de Castilla-La Mancha - Spanje. - Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Wijnbouwsector - Verordening (EG) nr. 1294/96 - Opgaven van oogsten, productie en voorraden - Niet-inachtneming van opgavetermijnen door bedrijf - Overlijden van bestuurder van bedrijf - Overmacht. - Zaak C-208/01.
Jurisprudentie 2002 bladzijde I-08955
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Wijn - Opgaven van oogsten, productie en voorraden - Niet-inachtneming van opgavetermijn - Overmacht - Begrip - Bewijslast - Beoordeling door nationale rechter - Overlijden van enige bestuurder van familiebedrijf
(Verordening nr. 1294/96 van de Commissie, art. 12)
Samenvatting$$Artikel 12 van verordening nr. 1294/96 houdende toepassingsbepalingen van verordening nr. 822/87 met betrekking tot de opgaven van oogsten, productie en voorraden van wijnbouwproducten, moet aldus worden uitgelegd:
- het daarin gebezigde begrip overmacht" omvat niet alleen volstrekte onmogelijkheid doch ook abnormale en onvoorziene omstandigheden, die zich buiten toedoen van de ondernemer hebben voorgedaan en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden;
- de ondernemer moet bewijzen dat de voorwaarden voor overmacht zich hebben voorgedaan en de nationale rechter moet de juistheid van de gestelde feiten onderzoeken en beoordelen of de ondernemer, gelet op de omstandigheden, alle voorzorgen heeft genomen die van hem konden worden verwacht om de in de gemeenschapsregeling vastgestelde opgavetermijnen in acht te nemen;
- het plotse overlijden van de enige bestuurder van een familiebedrijf in de vorm van een gemeenschap van goederen (comunidad de bienes"), die met de leden van deze gemeenschap nauwe familiebanden had, kan in beginsel als een geval van overmacht worden beschouwd.
( cf. punt 23 en dictum )
PartijenIn zaak C-208/01,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Tribunal Superior de Justicia de Castilla-La Mancha (Spanje), in het aldaar aanhangige geding tussen
Isabel Parras Medina,
Adelina Parras Medina
en
Consejería de Agricultura y Medio Ambiente de la Junta de Comunidades de Castilla-La Mancha,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 12 van verordening (EG) nr. 1294/96 van de Commissie van 4 juli 1996 houdende toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad met betrekking tot de opgaven van oogsten, productie en voorraden van wijnbouwproducten (PB L 166, blz. 14),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, P. Jann (rapporteur) en A. Rosas, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: R. Grass,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- I. en A. Parras Medina, vertegenwoordigd door M. C. Diez Valero, procesgemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S. Pardo Quintillán als gemachtigde,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 mei 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 3 april 2001, ingekomen bij het Hof op 18 mei daaraanvolgend, heeft het Tribunal Superior de Justicia de Castilla-La Mancha krachtens artikel 234 EG twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 12 van verordening (EG) nr. 1294/96 van de Commissie van 4 juli 1996 houdende toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad met betrekking tot de opgaven van oogsten, productie en voorraden van wijnbouwproducten (PB L 166, blz. 14).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen enerzijds I. en A. Parras Medina en anderzijds de Consejería de Agricultura y Medio Ambiente van de Junta de Comunidades de Castilla-La Mancha (hierna: Consejería de Agricultura"), betreffende het besluit van deze laatste om de aan de wijnbouwonderneming Herederos de Damián Parras CB uit te betalen bedragen te verminderen wegens overschrijding van de termijn die in verordening nr. 1294/96 is gesteld voor indiening van de opgave van de voorraden.
Toepasselijke bepalingen
3 Artikel 3 van verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad van 16 maart 1987 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB L 84, blz. 1) bepaalt, dat de producenten van most en wijn jaarlijks de hoeveelheden producten van de laatste oogst opgeven. Bovendien geven de producenten van most en wijn evenals de handelaren, met uitzondering van de kleinhandelaren, jaarlijks de voorraden op die zij aan het einde van het wijnoogstjaar in bezit hebben.
4 Op grond van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1294/96 moeten de betrokken ondernemers, overeenkomstig verordening nr. 822/87, jaarlijks aan de bevoegde nationale instanties opgave [doen] van de hoeveelheden geconcentreerde druivenmost, gerectificeerde geconcentreerde druivenmost en wijn die zij op 31 augustus in voorraad hebben".
5 Artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1294/96 bepaalt, dat deze opgave voor de hoeveelheden die op 31 augustus in voorraad zijn, uiterlijk op 7 september [wordt] gedaan".
6 Artikel 12 van verordening nr. 1294/96 preciseert de rechtsgevolgen van niet-inachtneming van de termijn voor indiening van deze opgave:
Degenen die verplicht zijn opgaven van oogsten, productie, afzet, behandeling of voorraden in te dienen en die dit niet op de in artikel 11 bedoelde data hebben gedaan, komen, behoudens overmacht, voor het betrokken wijnoogstjaar en ook voor het daaropvolgende niet voor de in de artikelen 32, 38, 41, 45 en 46 van verordening (EEG) nr. 822/87 bedoelde maatregelen in aanmerking.
Bij overschrijding van de in de eerste alinea bedoelde termijnen met niet meer dan vijf werkdagen worden de uit te betalen bedragen evenwel met 15 % en bij overschrijding met niet meer dan tien werkdagen met 30 % verminderd."
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
7 In zijn beschikking heeft de verwijzende rechter gepreciseerd, dat hij er bij het stellen van zijn vragen van uitging dat de door verzoeksters in het hoofdgeding uiteengezette feiten juist waren. Deze feiten zijn de volgende.
8 De onderneming Herederos de Damián Parras CB is een wijnproducerende familieonderneming in de vorm van een gemeenschap van goederen (comunidad de bienes"), waarvan A. Moreno López, de echtgenoot van A. Parras Medina, bestuurder was.
9 Op 28 juli 1997 is Moreno López plotseling overleden.
10 De opgave van de voorraden, die overeenkomstig artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1294/96 uiterlijk op 7 september 1997 moest worden verricht, is op 17 september daaraanvolgend ingediend.
11 Bij besluit van 27 oktober 1997 heeft de Delegación Provincial de Ciudad Real op grond van artikel 12 van verordening nr. 1294/96 jegens Herederos de Damián Parras CB de bedragen waarop de onderneming voor het betrokken wijnoogstjaar aanspraak kon maken met 30 % verminderd.
12 Bij besluit van 17 december 1997 heeft de Consejería de Agricultura het door I. en A. Parras Medina ingestelde administratieve beroep afgewezen.
13 I. en A. Parras Medina hebben beroep ingesteld bij het Tribunal Superior de Justicia de Castilla-La Mancha, dat zich afvraagt hoe de toepasselijke gemeenschapsbepalingen moeten worden uitgelegd; het heeft daarom de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:
1) Dient het in artikel 12 van verordening (EG) nr. 1294/96 van 4 juli 1996 gebezigde begrip overmacht ruim te worden opgevat, in die zin dat daaronder ook vallen onvoorziene en zwaarwegende omstandigheden als beschreven in de onderhavige beschikking, waardoor er eventueel geen sprake meer is van een niet-inachtneming van de betrokken termijn?
2) Indien het voor het antwoord op de eerste vraag noodzakelijk wordt geacht: hebben de in voormeld artikel 12 genoemde consequenties het karakter van een sanctie of een straf, en zo ja, betekent dit des te meer dat het begrip overmacht ruim moet worden opgevat?"
De eerste vraag
14 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen welke kenmerken een situatie moet vertonen om als een geval van overmacht in de zin van artikel 12 van verordening nr. 1294/96 te worden beschouwd, waardoor voor de betrokken ondernemer niet de rechtsgevolgen gelden die ingevolge dit artikel worden verbonden aan de niet-inachtneming van de in deze verordening vastgestelde opgaveverplichtingen.
15 Onder verwijzing naar met name de arresten van 7 december 1993, Huygen e.a. (C-12/92, Jurispr. blz. I-6381, punt 30), en 29 september 1998, First City Trading e.a. (C-263/97, Jurispr. blz. I-5537, punt 41), herinneren I. en A. Parras Medina en de Commissie eraan, dat volgens vaste rechtspraak het begrip overmacht op de verschillende gebieden van het gemeenschapsrecht niet dezelfde inhoud heeft, zodat de betekenis ervan moet worden vastgesteld met inachtneming van het wettelijk kader waarin het effect dient te sorteren.
16 Volgens I. en A. Parras Medina moet het begrip overmacht, gelet op het wettelijk kader van het hoofdgeding, ruimer worden uitgelegd en worden gelijkgesteld met onvoorziene en zwaarwegende omstandigheden, zoals het plotse overlijden van een persoon, die uitsluiten dat bij de naleving van een louter formele verplichting sprake is van nalatigheid.
17 De Commissie betoogt dat het begrip overmacht moet worden uitgelegd in het licht van de goede werking van het betrokken stelsel. Rekening moet worden gehouden met een objectief element, de gebeurtenis, en een subjectief element, de handelwijze van de betrokken ondernemer. Op beide punten kan het plotse overlijden van de enige bestuurder van een familieonderneming een geval van overmacht vormen.
18 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het begrip overmacht op het gebied van de landbouwverordeningen is afgestemd op de bijzondere aard van de publiekrechtelijke rechtsbetrekkingen tussen de ondernemers en het nationale bestuur, en op de doelstellingen van die verordeningen (zie met name arresten van 11 juli 1968, Schwarzwaldmilch, 4/68, Jurispr. blz. 549, 562; 17 december 1970, Internationale Handelsgesellschaft, 11/70, Jurispr. blz. 1125, punt 23, en Köster, 25/70, Jurispr. blz. 1161, punt 38, evenals 13 oktober 1993, An Bord Bainne Co-operative en Compagnie Inter-Agra, C-124/92, Jurispr. blz. I-5061, punt 11).
19 Volgens vaste rechtspraak is onder overmacht" op het gebied van de landbouwverordeningen niet alleen volstrekte onmogelijkheid te verstaan, doch ook abnormale en onvoorziene omstandigheden die zich buiten toedoen van de ondernemer hebben voorgedaan en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden (zie met name arresten Schwarzwaldmilch, reeds aangehaald, blz. 563; Internationale Handelsgesellschaft, reeds aangehaald, punt 23; Köster, reeds aangehaald, punt 38; An Bord Bainne Co-operative en Compagnie Inter-Agra, reeds aangehaald, punt 11; Huygen e.a., reeds aangehaald, punt 31, en arrest van 9 augustus 1994, Boterlux, C-347/93, Jurispr. blz. I-3933, punt 34).
20 Aldus bezien kan het plotse overlijden van de enige bestuurder van een familiebedrijf in de vorm van een gemeenschap van goederen (comunidad de bienes"), die met de leden van deze gemeenschap nauwe familiebanden had, in beginsel worden beschouwd als een abnormale en onvoorziene omstandigheid, die zich buiten toedoen van de ondernemer heeft voorgedaan en waarvan de gevolgen door de leden van de gemeenschap niet hadden kunnen worden vermeden, gelet op hun persoonlijke ontreddering en de ingewikkelde rechtspositie waarin zij als gevolg van de noodzakelijke reorganisatie van het bedrijfsbeheer kwamen te verkeren.
21 Hoe dan ook is het de ondernemer die moet bewijzen dat de noodzakelijke voorwaarden voor het bestaan van een geval van overmacht zich hebben voorgedaan (zie in die zin arrest Schwarzwaldmilch, reeds aangehaald, blz. 563).
22 De verwijzende rechter moet dus de juistheid van de door I. en A. Parras Medina gestelde feiten onderzoeken en beoordelen of zij, gelet op de omstandigheden, alle voorzorgen hebben genomen die van hen konden worden verwacht om de termijn voor indiening van de in verordening nr. 1294/96 bedoelde opgave van voorraden in acht te nemen.
23 Op de eerste vraag moet dus worden geantwoord dat artikel 12 van verordening nr. 1294/96 aldus moet worden uitgelegd:
- het daarin gebezigde begrip overmacht" omvat niet alleen volstrekte onmogelijkheid doch ook abnormale en onvoorziene omstandigheden, die zich buiten toedoen van de ondernemer hebben voorgedaan en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden;
- de ondernemer moet bewijzen dat de voorwaarden voor overmacht zich hebben voorgedaan en de nationale rechter moet de juistheid van de gestelde feiten onderzoeken en beoordelen of de ondernemer, gelet op de omstandigheden, alle voorzorgen heeft genomen die van hem konden worden verwacht om de in de gemeenschapsregeling vastgestelde opgavetermijnen in acht te nemen;
- het plotse overlijden van de enige bestuurder van een familiebedrijf in de vorm van een gemeenschap van goederen (comunidad de bienes"), die met de leden van deze gemeenschap nauwe familiebanden had, kan in beginsel als een geval van overmacht worden beschouwd.
De tweede vraag
24 Deze vraag is alleen gesteld voor het geval dat het voor de vaststelling welke omstandigheden een geval van overmacht kunnen opleveren, nodig zou zijn uitspraak te doen over de juridische kwalificatie van de in artikel 12 van verordening nr. 1294/96 vastgestelde maatregel tot vermindering van de financiële bijstand.
25 Blijkens het voorgaande heeft deze juridische kwalificatie geen invloed op het al dan niet bestaan van een geval van overmacht.
26 De tweede vraag behoeft bijgevolg niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kostenKosten
27 De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunal Superior de Justicia de Castilla-La Mancha bij beschikking van 3 april 2001 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 12 van verordening (EG) nr. 1294/96 van de Commissie van 4 juli 1996 houdende toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad met betrekking tot de opgaven van oogsten, productie en voorraden van wijnbouwproducten, moet aldus worden uitgelegd:
- het daarin gebezigde begrip overmacht" omvat niet alleen volstrekte onmogelijkheid doch ook abnormale en onvoorziene omstandigheden, die zich buiten toedoen van de ondernemer hebben voorgedaan en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden;
- de ondernemer moet bewijzen dat de voorwaarden voor overmacht zich hebben voorgedaan en de nationale rechter moet de juistheid van de gestelde feiten onderzoeken en beoordelen of de ondernemer, gelet op de omstandigheden, alle voorzorgen heeft genomen die van hem konden worden verwacht om de in de gemeenschapsregeling vastgestelde opgavetermijnen in acht te nemen;
- het plotse overlijden van de enige bestuurder van een familiebedrijf in de vorm van een gemeenschap van goederen (comunidad de bienes"), die met de leden van deze gemeenschap nauwe familiebanden had, kan in beginsel als een geval van overmacht worden beschouwd.
Top