Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (EERSTE KAMER) VAN 2 MEI 1990. - STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN LANDBOUW EN VISSERIJ) TEGEN P. BAKKER HILLEGOM BV. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: HOGE RAAD - NEDERLAND. - VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN - HEFFINGEN VAN GELIJKE WERKING - VERGOEDINGEN VOOR FYTOSANITAIRE KEURINGEN BIJ UITVOER VAN PLANTEN. - ZAAK C-111/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-01735
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Vrij verkeer van goederen - Douanerechten - Heffingen van gelijke werking - Vergoedingen voor bij internationaal verdrag voorziene fytosanitaire keuringen bij uitvoer - Toelaatbaarheid afhankelijk van stelsel en wijze van heffing
( EEG-Verdrag, artikelen 12 en 16 )
SamenvattingVergoedingen geheven voor keuringen van voor export aangeboden planten, verricht ingevolge een internationaal verdrag dat ten doel heeft het vrije verkeer van planten te bevorderen, zijn heffingen van gelijke werking als douanerechten wanneer het bedrag ervan wordt bepaald naar de maatstaf van het gewicht van de planten of de factuurwaarde, ook indien de totale opbrengst van die keuringen niet hoger is dan het totale bedrag van alle aan die keuringen verbonden directe en indirecte kosten . Dit is slechts anders wanneer het bedrag van iedere vergoeding is gerelateerd aan de werkelijke kosten van de concrete keuring naar aanleiding waarvan die vergoeding wordt geheven .
In het kader van veldinspecties van de gehele produktie, vormen vergoedingen voor die inspecties die enkel worden geheven over de voor export bestemde planten, met uitsluiting van de voor de binnenlandse markt bestemde produkten, heffingen van gelijke werking als uitvoerrechten, zelfs indien die inspecties beantwoorden aan vereisten voortvloeiend uit internationale verdragen die enkel exportprodukten betreffen . Dit ware slechts anders indien zou vaststaan dat de voor de binnenlandse markt bestemde produktie geen enkel voordeel bij die inspecties heeft .
PartijenIn zaak C-111/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Hoge Raad der Nederlanden, in het aldaar aanhangig geding tussen
Staat der Nederlanden
en
P . Bakker Hillegom BV,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 12, 16 en 36 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste Kamer ),
samengesteld als volgt : Sir Gordon Slynn, kamerpresident, R . Joliet en G . C . Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal : F . G . Jacobs
griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- P . Bakker Hillegom BV, verweerster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door J . van der Plas, advocaat te 's-Gravenhage,
- de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door B . R . Bot, secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R . Barents, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en gehoord de mondelinge opmerkingen van verweerster in het hoofdgeding, de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J . W . de Zwaan als gemachtigde, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 11 januari 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 maart 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij arrest van 31 maart 1989, ingekomen ten Hove op 6 mei daaraanvolgend, heeft de Hoge Raad der Nederlanden krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 12, 16 en 36 EEG-Verdrag .
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen de Nederlandse Plantenziektenkundige Dienst en P . Bakker Hillegom BV ( hierna : Bakker ) over vergoedingen die in rekening waren gebracht wegens de kosten van inspecties van voor export bestemde planten .
3 Bij een beschikking van 23 juni 1967, vastgesteld krachtens artikel 6 a van de Nederlandse plantenziektenwet van 5 april 1951, is het tarief van de Plantenziektenkundige Dienst vastgesteld . Volgens die beschikking worden de vergoedingen voor fytosanitaire inspecties berekend aan de hand van het gewicht van de ten uitvoer aangeboden planten(delen ) of de netto factuurwaarde .
4 Volgens de ten tijde van de feiten van het hoofdgeding geldende Nederlandse regeling werden de kosten van veldinspecties, die naar hun aard worden verricht bij alle, al dan niet voor export bestemde gewassen, enkel aan de exporteurs in rekening gebracht en wel tot 75% van het totaalbedrag, op grond dat slechts 75% van de produktie bestemd is voor export . De overige 25% van de kosten werd noch aan de exporteurs in rekening gebracht, noch aan de handelaren die hun produkten op de binnenlandse markt verkopen, maar bleef ten laste van de Staat .
5 Tussen 1974 en 1977 verrichtte de Plantenziektenkundige Dienst bij Bakker een groot aantal keuringen van te exporteren planten en zij bracht hem daarvoor in totaal 317 400,09 HFL in rekening . Toen Bakker betaling weigerde, vorderde de Staat de kosten voor de burgerlijke rechter . De Rechtbank wees de vordering van de Staat toe, met uitsluiting van de kosten van inspecties van gewassen te velde . De Staat ging van dat vonnis in beroep bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, terwijl Bakker incidenteel beroep instelde . Het Gerechtshof bevestigde het vonnis van de Rechtbank, waarop beide partijen beroep in cassatie instelden bij de Hoge Raad .
6 De Hoge Raad heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof van Justitie te verzoeken om een uitspraak over de volgende prejudiciële vragen :
"1 ) Laat het gemeenschapsrecht, met name de artikelen 12, 16 en 36 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, toe dat vergoedingen, geheven voor keuringen van voor export aangeboden zendingen planten(delen ), berekend overeenkomstig paragraaf 1 van artikel 1 van het tarief Plantenziektenkundige Dienst, derhalve naar de maatstaf van gewicht of factuurwaarde, niet worden beschouwd als heffingen van gelijke werking als douanerechten, wanneer de totale opbrengst van die exportkeuringen niet hoger is dan het totale bedrag van alle aan die keuringen verbonden directe en indirecte kosten,
of kunnen zodanige vergoedingen alleen dan niet als heffingen van gelijke werking als douanerechten worden beschouwd wanneer het bedrag van iedere vergoeding is gerelateerd aan de kosten van de concrete keuring naar aanleiding waarvan die vergoeding wordt geheven?
2 ) Indien juist is dat :
a ) veldinspecties plaatsvinden omdat bepaalde ziekten, waarvan in de verklaringen vermeld moet worden dat de voor export bestemde planten daarvan vrij zijn, alleen zijn te constateren als de gewassen nog in het veld staan, en
b ) ten tijde van de veldinspecties nog niet bekend is voor welke markt de te velde staande gewassen bestemd zijn, zodat de veldinspecties ten behoeve van de export onvermijdelijk ook ten aanzien van voor de Nederlandse markt bestemde gewassen plaats vinden,
is dan de omstandigheid dat 75% van de kosten van die veldinspecties aan de export wordt toegerekend ( op de grond dat 75% van de bij de veldinspecties betrokken bollen wordt geëxporteerd ) en dat de overige 25% van die kosten niet in rekening wordt gebracht aan handelaren die de bollen op de Nederlandse markt verkopen, grond om te oordelen dat het in rekening brengen van de kosten van die veldinspecties aan de exporteurs niet verenigbaar is met het gemeenschapsrecht?"
7 Voor een nadere uiteenzetting van de relevante bepalingen, de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
8 Vooraf zij opgemerkt, dat het in het verwijzingsarrest genoemde artikel 36 EEG-Verdrag niet van toepassing kan zijn in een situatie als waarop het hoofdgeding betrekking heeft . Volgens vaste rechtspraak moet artikel 36 immers eng worden uitgelegd en kan het niet aldus worden begrepen, dat het maatregelen van andere aard zou toestaan dan in de artikelen 30 tot en met 34 bedoeld ( zie met name het arrest van 25 januari 1977, zaak 46/76, Bauhuis, Jurispr . 1977, blz . 5, r.o . 12 ).
De eerste vraag
9 Allereerst zij eraan herinnerd, dat zoals het Hof al menigmaal heeft vastgesteld, de rechtvaardiging van het verbod van douanerechten en heffingen van gelijke werking is gelegen in het feit dat geldelijke lasten, hoe gering ook, die wegens grensoverschrijding worden geheven, een belemmering vormen voor het goederenverkeer, nog versterkt door de eruit voortvloeiende administratieve formaliteiten . Derhalve vormt elke eenzijdig opgelegde geldelijke last, ongeacht benaming en structuur, die wegens grensoverschrijding op goederen wordt gelegd en geen douanerecht is in eigenlijke zin, een heffing van gelijke werking in de zin van de artikelen 9, 12, 13 en 16 EEG-Verdrag .
10 Volgens 's Hofs rechtspraak kan zulk een last evenwel niet aldus worden gekwalificeerd indien hij deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen waarmee nationale en ingevoerde of uitgevoerde produkten stelselmatig worden belast ( arrest van 31 mei 1979, zaak 132/78, Denkavit, Jurispr . 1979, blz . 1923 ), indien hij de tegenprestatie vormt voor een aan de marktdeelnemer werkelijk verleende dienst en evenredig is aan de kosten daarvan ( arrest van 9 november 1983, zaak 158/82, Commissie/Denemarken, Jurispr . 1983, blz . 3573 ), of ook, onder bepaalde voorwaarden, indien hij betrekking heeft op keuringen die worden verricht om te voldoen aan door het gemeenschapsrecht opgelegde verplichtingen ( arrest van 25 januari 1977, zaak 46/76, Bauhuis, reeds aangehaald ).
11 Volgens het verwijzingsarrest houden de in het hoofdgeding omstreden vergoedingen verband met fytosanitaire keuringen bij uitvoer, voorzien in een internationaal verdrag dat ten doel heeft, de vrije invoer van planten in het land van bestemming te bevorderen door een stelsel van in het land van verzending verrichte, wederzijds erkende en op gelijke grondslagen ingerichte keuringen . In zijn arrest van 12 juli 1977 ( zaak 89/76, Commissie/Nederland, Jurispr . 1977, blz . 1355 ) erkende het Hof, dat die vergoedingen verenigbaar zijn met de regels van het Verdrag, "mits hun bedrag de werkelijke kosten der verrichtingen naar aanleiding waarvan zij worden geheven, niet overschrijdt" ( r.o . 16 ). Met zijn eerste vraag beoogt de Hoge Raad de draagwijdte van deze voorwaarde te doen preciseren .
12 Dienaangaande zij opgemerkt, dat die voorwaarde enkel kan worden geacht te zijn vervuld, wanneer er een rechtstreeks verband bestaat tussen het bedrag van de vergoeding en de concrete keuring waarvoor de vergoeding wordt gevraagd . Zonder een dergelijk verband zou immers niet met zekerheid kunnen worden vastgesteld, of het bedrag van de vergoeding hoger is dan de werkelijke kosten van de betrokken verrichting .
13 Zoals de Commissie terecht heeft uiteengezet, bestaat zulk een verband, wanneer het bedrag van de vergoeding wordt berekend aan de hand van de tijdsduur van de keuring, het aantal daarvoor ingezette personen, de materiaalkosten, de vaste kosten of eventuele andere soortgelijke factoren, hetgeen niet uitsluit dat deze kostenfactoren worden uitgedrukt in forfaitaire bedragen, bij voorbeeld een vast uurtarief .
14 Er bestaat daarentegen geen rechtstreeks verband tussen de concrete keuring en het bedrag van de vergoeding wanneer deze wordt berekend aan de hand van het gewicht of de factuurwaarde van de geëxporteerde produkten . Bij een dergelijk stelsel zijn de vergoedingen dus te beschouwen als met de artikelen 12 en 16 EEG-Verdrag onverenigbare heffingen van gelijke werking .
15 Deze gevolgtrekking is niet in tegenspraak met 's Hofs arrest van 31 januari 1984 ( zaak 1/83, IFG, Jurispr . 1984, blz . 349 ) waarop de Nederlandse regering zich heeft beroepen . Weliswaar heeft het Hof in dat arrest erkend, dat de Lid-Staten niet enkel de kosten van specifieke keuringsverrichtingen aan de betrokken goederen aan de importeur kunnen doorberekenen, maar ook de administratieve kosten van de keuringsinstelling ( r.o . 17 ), doch in die zaak ging het om heffingen ter zake van sanitaire controles van uit derde landen ingevoerde goederen, en zoals het Hof in hetzelfde arrest opmerkte, vindt de sanitaire controle van uit derde landen ingevoerde goederen plaats in een context die zich feitelijk en rechtens onderscheidt van die waarin het gaat om de controle van goederen uit de Gemeenschap ( r.o . 10 ).
16 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat de artikelen 12 en 16 EEG-Verdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat vergoedingen geheven voor keuringen van voor export aangeboden planten, verricht ingevolge een internationaal verdrag dat ten doel heeft het vrije verkeer van planten te bevorderen, heffingen van gelijke werking als douanerechten zijn wanneer het bedrag ervan wordt bepaald naar de maatstaf van het gewicht van de planten of de factuurwaarde, ook indien de totale opbrengst van die keuringen niet hoger is dan het totale bedrag van alle aan die keuringen verbonden directe en indirecte kosten . Dit is slechts anders wanneer het bedrag van iedere vergoeding is gerelateerd aan de werkelijke kosten van de concrete keuring naar aanleiding waarvan die vergoeding wordt geheven .
De tweede vraag
17 De tweede vraag is enkel bedoeld om te vernemen, of het gemeenschapsrecht in de weg staat aan het wegens veldinspecties heffen van vergoedingen uitsluitend over de voor export bestemde planten, met uitsluiting van de voor de binnenlandse markt bestemde produkten .
18 De Nederlandse regering merkt op, dat de veldinspecties enkel plaatsvinden omdat zij in het kader van internationale verdragen zijn voorgeschreven voor te exporteren produkten . Aangezien de handelaren die hun produkten op de binnenlandse markt afzetten, van die inspecties geen profijt hebben, is het billijk dat de kosten ervan hun niet in rekening worden gebracht .
19 Dit betoog kan slechts worden aanvaard indien zou vaststaan, dat enkel de exporteurs van de betrokken inspecties profijt hebben . Indien daarentegen de voor de binnenlandse markt bestemde produktie enig voordeel, hoe gering ook, bij die inspecties heeft, verleent het feit dat de vergoedingen enkel over de voor export bestemde produkten worden geheven, daaraan het karakter van bij de artikelen 12 en 16 EEG-Verdrag verboden heffingen van gelijke werking als uitvoerrechten . Het staat aan de nationale rechter, de ten deze relevante feiten vast te stellen .
20 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat de artikelen 12 en 16 EEG-Verdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat vergoedingen voor veldinspecties, die enkel worden geheven over de voor export bestemde planten, met uitsluiting van de voor de binnenlandse markt bestemde produkten, heffingen van gelijke werking als uitvoerrechten vormen, zelfs indien die inspecties beantwoorden aan vereisten voortvloeiend uit internationale verdragen die enkel exportprodukten betreffen . Dit ware slechts anders indien zou vaststaan dat de voor de binnenlandse markt bestemde produktie geen enkel voordeel bij die inspecties heeft .
Beslissing inzake de kostenKosten
21 De kosten door de Nederlandse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste Kamer ),
uitspraak doende op de door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 31 maart 1989 gestelde vragen,
verklaart voor recht :
1 ) De artikelen 12 en 16 EEG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd, dat vergoedingen geheven voor keuringen van voor export aangeboden planten, verricht ingevolge een internationaal verdrag dat ten doel heeft het vrije verkeer van planten te bevorderen, heffingen met gelijke werking als douanerechten zijn wanneer het bedrag ervan wordt bepaald naar de maatstaf van het gewicht van de planten of de factuurwaarde, ook indien de totale opbrengst van die keuringen niet hoger is dan het totale bedrag van alle aan die keuringen verbonden directe en indirecte kosten . Dit is slechts anders wanneer het bedrag van iedere vergoeding is gerelateerd aan de werkelijke kosten van de concrete keuring naar aanleiding waarvan die vergoeding wordt geheven .
2 ) De artikelen 12 en 16 EEG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd, dat vergoedingen voor veldinspecties, die enkel worden geheven over de voor export bestemde planten, met uitsluiting van de voor de binnenlandse markt bestemde produkten, heffingen van gelijke werking als uitvoerrechten vormen, zelfs indien die inspecties beantwoorden aan vereisten voortvloeiend uit internationale verdragen die enkel exportprodukten betreffen . Dit ware slechts anders indien zou vaststaan dat de voor de binnenlandse markt bestemde produktie geen enkel voordeel bij die inspecties heeft .
Top