Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (EERSTE KAMER) VAN 4 JULI 1990. - VLEESWARENBEDRIJF ROERMOND BV EN SLEEGERS VLEESWARENFABRIEK BV EN KUEHNE EN HEITZ BV TEGEN PRODUKTSCHAP VOOR VEE EN VLEES. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN - NEDERLAND. - GEMEENSCHAPPELIJK DOUANETARIEF - RESTITUTIES BIJ UITVOER VAN VARKENSVLEES - VOORSTUK OF SCHOUDER - KARBONADESTRENG. - GEVOEGDE ZAKEN 354/88, 355/88 EN 356/88.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-02753
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Varkensvlees - Restituties bij uitvoer - Produkten die voor restitutie in aanmerking komen - Delen van bepaalde deelstukken, die met deze deelstukken op één lijn kunnen worden geplaatst - Voorwaarde - Eerbiediging van natuurlijke verhouding tussen spierweefsel en been
( Verordeningen van de Commissie nr . 3602/82, artikelen 2, lid 2, en 3, en nr . 263/83, bijlage )
SamenvattingHet vereiste van artikel 2, lid 2, eerste alinea, en artikel 3, waarbij de aanvullende aantekening 2 op hoofdstuk 2 van het gemeenschappelijk douanetarief werd ingevoegd, van verordening nr . 3602/82, inhoudende dat delen van bepaalde deelstukken van varkensvlees spierweefsels en been "in de natuurlijke verhoudingen van de hele deelstukken" moeten bevatten om onder dezelfde tariefpost te kunnen vallen en voor restituties bij uitvoer krachtens verordening nr . 263/83 in aanmerking te kunnen komen, moet aldus worden uitgelegd dat na het afsnijden het natuurlijk evenwicht tussen spierweefsel en been in de afgesneden delen niet mag zijn gewijzigd .
PartijenIn de gevoegde zaken C-354, C-355 en C-356/88,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven te 's-Gravenhage, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Vleeswarenbedrijf Roermond BV ( zaak C-354/88 ),
Sleegers Vleeswarenfabriek BV ( zaak C-355/88 ) en
Kuehne en Heitz BV ( zaak C-356/88 )
en
Produktschap voor Vee en Vlees,
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid en de uitlegging van artikel 2, lid 2, eerste alinea, van verordening ( EEG ) nr . 3602/82 van de Commissie van 21 december 1982 houdende vaststelling van de coëfficiënten voor de berekening van de heffingen die van toepassing zijn op de produkten in de sector varkensvlees, andere dan geslachte varkens, tot wijziging van de bijlage van verordening ( EEG ) nr . 950/68 van de Raad betreffende het gemeenschappelijk douanetarief en tot intrekking van verordening ( EEG ) nr . 747/79 ( PB 1982, L 376, blz . 23 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste Kamer ),
samengesteld als volgt : Sir Gordon Slynn, kamerpresident, R . Joliet en G . C . Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal : F . G . Jacobs
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- Sleegers Vleeswarenfabriek BV, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door P . G . J . Wertenbroek, advocaat te Eindhoven,
- Kuehne en Heitz BV, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door A . J . Braakman en P . Glazener, advocaten te Rotterdam,
- het Produktschap voor Vee en Vlees, verweerder in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door zijn adjunct-secretaris Ch . M . den Hoed,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R . C . Fisherc als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 6 maart 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 maart 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij uitspraken van 16 september 1988, ingekomen ten Hove op 12 december daaraanvolgend, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven te 's-Gravenhage krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de geldigheid en de uitlegging van artikel 2, lid 2, eerste alinea, van verordening ( EEG ) nr . 3602/82 van de Commissie van 21 december 1982 houdende vaststelling van de coëfficiënten voor de berekening van de heffingen die van toepassing zijn op de produkten in de sector varkensvlees, andere dan geslachte varkens, tot wijziging van de bijlage van verordening ( EEG ) nr . 950/68 van de Raad betreffende het gemeenschappelijk douanetarief en tot intrekking van verordening ( EEG ) nr . 747/79 ( PB 1982, L 376, blz . 23 ).
2 Deze vragen zijn gerezen in drie gedingen die drie vleesexporteurs hebben aangespannen tegen het Produktschap voor Vee en Vlees ter verkrijging van betaling van uitvoerrestituties en - in bepaalde gevallen - van monetair compenserende bedragen, waarop zij recht menen te hebben in verband met de uitvoer van een aantal partijen varkensvlees naar derde landen .
3 Volgens artikel 15, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 2759/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees ( PB 1975, L 282, blz . 1 ) kan, in de mate nodig om de uitvoer van de onder deze marktordening vallende produkten "op basis van de noteringen of de prijzen van deze produkten op de wereldmarkt mogelijk te maken, het verschil tussen deze noteringen of prijzen en de prijzen van de Gemeenschap overbrugd worden door een restitutie bij de uitvoer ".
4 Volgens artikel 17, lid 1, van die verordening zijn de algemene bepalingen voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief ( GDT ) en de bijzondere regels voor de toepassing ervan van toepassing voor de classificatie van de produkten die onder die verordening vallen; de tariefnomenclatuur die voortvloeit uit de toepassing van de verordening wordt opgenomen in het GDT .
5 Bij artikel 2 van verordening nr . 3602/82 van de Commissie zijn wijzigingen aangebracht in de omschrijving van een aantal produkten van deze sector . Volgens artikel 2, lid 2, eerste alinea, van deze verordening vallen de delen afkomstig van, onder meer, de deelstukken "voorstuk", "schouder" en "karbonadestreng" alleen onder dezelfde posten als de hele deelstukken, "als zij het spierweefsel en het been bevatten in de natuurlijke verhoudingen van de hele deelstukken ".
6 Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van verordening nr . 2759/75 moesten een aantal wijzigingen worden aangebracht in de nomenclatuur en in de bijzondere regels voor de toepassing van het GDT . Deze wijzigingen zijn voorzien in artikel 3 van verordening nr . 3602/82, waarbij een aanvullende aantekening 2 op hoofdstuk 2 van het GDT is ingevoegd en de tekst van artikel 2 is overgenomen .
7 De aanpassing van de lijst van produkten waarvoor restituties bij uitvoer worden verleend, heeft plaatsgevonden bij verordening ( EEG ) nr . 263/83 van de Commissie van 28 januari 1983 ( PB 1983, L 30, blz . 72 ), in werking getreden op 1 februari 1983 . Volgens de bijlage van deze verordening wordt onder meer een restitutie verleend voor produkten van de posten 02.01 A III a 3 ( voorstuk of schouder, en delen daarvan ) en 02.01 A III a 4 ( karbonadestreng en delen daarvan ), maar niet voor produkten van post 02.01 A III a 6 bb ( overig vlees van varkens ).
8 Terwijl voordien de delen van voorstukken, schouders en karbonadestrengen steeds onder dezelfde post vielen als de desbetreffende hele deelstukken, brengen bovengenoemde wijzigingen mee, dat zij slechts onder dezelfde post als de hele deelstukken kunnen worden ingedeeld, "als zij het spierweefsel en het been bevatten in de natuurlijke verhoudingen van de hele deelstukken ". Wanneer aan deze voorwaarde niet is voldaan, vallen zij onder post 02.01 A III a 6 bb en komen dus niet in aanmerking voor restitutie .
9 Verzoeksters in de drie hoofdgedingen hebben tussen begin februari 1983 en eind maart 1986 een aantal partijen varkensvlees uitgevoerd naar derde landen en deze met het oog op de uitbetaling van uitvoerrestituties aangegeven onder de posten 02.01 A III a 3 ( voorstukken en schouders, alsmede delen daarvan ) en 02.01 A III a 4 ( karbonadestrengen en delen daarvan ).
10 De douaneautoriteiten meenden echter, dat die partijen onder post 02.01 A III 6 bb moesten worden ingedeeld en wezen een aantal aanvragen om uitbetaling van restituties en, in bepaalde gevallen, van monetair compenserende bedragen af, terwijl zij reeds vooruitbetaalde bedragen terugvorderden . Verzoeksters zijn tegen die besluiten in beroep gekomen bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, dat een deskundigenonderzoek heeft gelast naar, met name, de "natuurlijke verhoudingen" spierweefsel/been in de varkensdeelstukken schouder of voorstuk en karbonadestreng en naar de objectieve bepaalbaarheid van de daadwerkelijke verhoudingen spierweefsel/been bij de ribstukken waaruit de betrokken zendingen bestonden .
11 De deskundigen hebben geantwoord, dat de natuurlijke verhoudingen spierweefsel/been als gevolg van de vele oorzaken van variatie, zoals verschillen in uitsnijgewoonten, ras, leeftijd, geslacht en in de wijze van fokken en mesten van het varken, niet in een algemeen geldende waarde kunnen worden aangegeven en dat evenmin is aan te geven, welke tolerantie daarbij in acht moet worden genomen .
12 Onder die omstandigheden heeft de nationale rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld :
" 1 ) Is artikel 2, lid 2, eerste alinea, van verordening ( EEG ) nr . 3602/82 geldig?
2 ) Zo ja, aan de hand van welke criteria dienen de natuurlijke verhoudingen van spierweefsel en been in de hele deelstukken, bedoeld in de in vraag 1 vermelde bepaling, te worden vastgesteld?"
13 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de relevante gemeenschapsregeling, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
14 Vooraf moet worden opgemerkt, dat de nationale rechter in de verwijzingsuitspraken weliswaar alleen artikel 2, lid 2, eerste alinea, van verordening nr . 3602/82 noemt, doch dat de gestelde vragen ook betrekking hebben op artikel 3 van die verordening, waarbij de aanvullende aantekening 2, gelijkluidend aan de tekst van genoemd artikel 2, in hoofdstuk 2 van het GDT is ingevoegd .
15 Uit de verwijzingsuitspraken blijkt, dat de geldigheid van de artikelen 2, lid 2, eerste alinea, en 3 van de verordening afhangt van de uitlegging van genoemde artikelen, zodat eerst de tweede vraag moet worden beantwoord .
De tweede vraag
16 Uit de stukken blijkt, dat deze vraag er in wezen toe strekt te vernemen, hoe het vereiste in de artikelen 2, lid 2, eerste alinea, en 3 van verordening nr . 3602/82, dat de delen van deelstukken de verhouding spierweefsel/been moeten bevatten in de natuurlijke verhoudingen van de hele deelstukken, moet worden uitgelegd .
17 Volgens de Commissie moet worden uitgegaan van de natuurlijke verhoudingen in hele deelstukken, vergelijkbaar met die waarvan de delen zijn afgesneden, afkomstig van een normaal slachtvarken en in de verschillende mogelijke samenstellingen van voorstukken, schouder en karbonadestreng, zoals deze zijn omschreven in de gemeenschapsregeling . De nationale autoriteiten zouden de grenswaarden ( naar boven of naar beneden ) van de natuurlijke verhoudingen zo met voldoende nauwkeurigheid kunnen vaststellen .
18 Deze uitlegging kan niet worden aanvaard . Enerzijds zou zij meebrengen, dat de restitutie niet slechts zou worden geweigerd voor delen van deelstukken met een groot aandeel been in verhouding tot het vlees, doch ook voor die met een groot aandeel vlees in verhouding tot het been . Anderzijds zou daardoor grote onzekerheid ontstaan voor de exporteurs, aangezien zij er bij de onderhandelingen over overeenkomsten met kopers uit derde landen niet zeker van zouden kunnen zijn, of zij nu wel of niet in aanmerking komen voor uitvoerrestituties, terwijl deze restitutie juist ten doel heeft de export naar derde landen te bevorderen door de verschillen tussen de prijzen van deze produkten in de Gemeenschap en op de wereldmarkt te compenseren .
19 Verzoeksters in de hoofdgedingen betogen, dat de afgesneden delen beslissend zijn en niet de natuurlijke verhoudingen in de hele deelstukken . De afgesneden delen kunnen volgens hen onder dezelfde post worden ingedeeld als de hele deelstukken, wanneer zij spierweefsel en been bevatten in dezelfde verhouding als nog niet versneden deelstukken, hetgeen betekent dat het natuurlijk evenwicht tussen de verhouding spierweefsel/been van de afgesneden delen niet mag zijn gewijzigd . Zo zouden schouderstukken niet mogen worden uitgebeend nadat zij van de schouder zijn afgesneden, en bij het schouderkrabbetje zou, nadat het van de schouder is afgesneden, het spierweefsel tussen de ribben niet mogen worden verwijderd .
20 Deze uitlegging kan een werkbaar en uniform criterium verschaffen dat niet willekeurig is .
21 In de eerste plaats wordt in deze uitlegging voorkomen, dat verschillen in uitsnijgewoonten, ras, leeftijd, geslacht en in de wijze van fokken en mesten van het varken enige invloed kunnen hebben op de toekenning van uitvoerrestituties .
22 In de tweede plaats biedt deze uitlegging de exporteurs de mogelijkheid om, wanneer zij de stukken volgens de op de markt gebruikelijke wijze afsnijden zonder daarbij weefsel van het been te verwijderen, met zekerheid te weten, of zij recht hebben op toekenning van een uitvoerrestitutie of niet; hierdoor wordt onzekerheid bij de onderhandelingen met kopers uit derde landen vermeden en kan het in artikel 15 van voornoemde verordening nr . 2759/75 aangegeven doel van de uitvoerrestituties worden bereikt .
23 Op de tweede vraag moet derhalve worden geantwoord, dat het vereiste in de artikelen 2, lid 2, eerste alinea, en 3 van verordening nr . 3602/82, dat delen van deelstukken het spierweefsel en het been moeten bevatten "in de natuurlijke verhoudingen van de hele deelstukken" om te kunnen worden ingedeeld onder dezelfde post, aldus moet worden uitgelegd, dat na het afsnijden het natuurlijk evenwicht tussen het spierweefsel en het been in de afgesneden delen niet mag worden gewijzigd .
De eerste vraag
24 Uit de verwijzingsuitspraken volgt, dat de nationale rechter de geldigheid van de betrokken bepalingen slechts aan de orde stelt, omdat het criterium van de natuurlijke verhouding hem niet in de gehele Gemeenschap uniform toepasbaar lijkt . Aangezien het antwoord op de tweede vraag dit gevaar uitsluit, behoeft niet op de eerste vraag te worden ingegaan .
Beslissing inzake de kostenKosten
25 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechter over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste Kamer ),
uitspraak doende op de bij uitspraken van 16 september 1988 door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven te 's-Gravenhage gestelde vragen, verklaart voor recht :
Het vereiste in de artikelen 2, lid 2, eerste alinea, en artikel 3, waarbij de aanvullende aantekening 2 op hoofdstuk 2 van het GDT werd ingevoegd, van verordening ( EEG ) nr . 3602/82 van de Commissie van 21 december 1982 houdende vaststelling van de coëfficiënten voor de berekening van de heffingen die van toepassing zijn op de produkten in de sector varkensvlees, andere dan geslachte varkens, tot wijziging van de bijlage van verordening ( EEG ) nr . 950/68 van de Raad betreffende het gemeenschappelijk douanetarief en tot intrekking van verordening ( EEG ) nr . 747/79, inhoudende dat delen van deelstukken het spierweefsel en het been moeten bevatten "in de natuurlijke verhoudingen van de hele deelstukken" om te kunnen worden ingedeeld onder dezelfde tariefpost, moet aldus worden uitgelegd, dat na het afsnijden het natuurlijk evenwicht tussen het spierweefsel en het been in de afgesneden delen niet mag worden gewijzigd .
Top