RAPPORT TER TERECHTZITTING
in zaak C-322/88 ( *1 )
I — De feiten en het procesverloop
1. Wettelijk kader van het geschil
De aanbeveling van de Commissie van 23 juli 1962, betreffende de vaststelling van een Europese lijst van beroepsziekten (PB 1962, blz. 2188), gaf de Lid-Staten in overweging:
„a)
in hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de beroepsziekten de hierbij gevoegde Europese lijst op te nemen als lijst van beroepsziekten die op basis van hun desbetreffende wetgeving voor schadeloosstelling in aanmerking komen, en te dien einde hun nationale lijst of hun tabellen van voor schadeloosstelling in aanmerking komende beroepsziekten dienovereenkomstig aan te vullen;
...
c)
voorts ¡n hun desbetreffende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen te voorzien in aanspraak op schadeloosstelling op grond van de wetgeving betreffende de beroepsziekten, wanneer door de betrokken werknemer voldoende is aangetoond dat hij in de uitoefening van zijn beroep een ziekte heeft opgedaan die niet op de nationale lijst voorkomt”.
Bovendien gaf de Commissie in haar aanbeveling 66/462 van 20 juli 1966, met betrekking tot de voorwaarden voor schadeloosstelling van door beroepsziekten getroffenen (PB 1966, blz. 2696), de Lid-Staten onder meer in overweging:
„5.
in hun wetgevingen een bepaling op te nemen, waardoor de werknemers die vanwege hun arbeid door ziekten zijn getroffen, doch die zich niet kunnen beroepen op het wettelijk vermoeden van oorzakelijk verband, hetzij omdat de desbetreffende ziekte niet op de nationale lijst vermeld is, hetzij omdat niet of slechts gedeeltelijk is voldaan aan de voorwaarden welke in de wettelijke regeling worden gesteld, schadeloos kunnen worden gesteld krachtens de regeling betreffende beroepsziekten. Deze bepaling zal slechts betrekking mogen hebben op ziekten waarvan het risico verbonden is aan de uitoefening van het beroep en waaraan bepaalde werknemers meer zijn blootgesteld dan de gehele bevolking.
In ieder afzonderlijk geval zal het bewijs, dat het beroep de oorzaak is van de ziekte door de betrokkene geleverd moeten worden of vastgesteld door zijn verzekeringsorgaan, dat in ieder geval op eigen initiatief alle nodige stappen moet ondernemen om na te gaan of de oorzaak van de ziekte in verband staat met het beroep.
In zulke gevallen betekent de schadeloosstelling niet dat de ziekte in het algemeen als beroepsziekte wordt erkend, maar de Lid-Staten moeten zodra een bepaald aantal gevallen van eenzelfde ziekte in hetzelfde beroep op grond van deze bepaling schadeloos zijn gesteld de nodige stappen ondernemen ten einde deze ziekte in de nationale lijst te laten opnemen, en de Commissie daarvan op de hoogte stellen.”
2. Voorgeschiedenis van het geschil
S. Grimaldi werd op 15 december 1915 in Italië geboren. Hij woonde en werkte in een familiaal landbouwbedrijf op Sicilië tot 1937, toen hij zijn militaire dienst begon. Tot 1945 was hij onderworpen aan een militair of gelijkgesteld statuut. Uit dien hoofde werkte hij onder meer als metselaar aan de bouw van een vesting te Tripoli (Libië). Terug op Sicilië, werkte hij als ongeschoold arbeider bij de spoorwegen van 1945 tot 1953, met een korte onderbreking wegens een verblijf in Frankrijk.
Op 25 januari 1953 kwam Grimaldi aan in België, waar hij tot 1959 als ondergronds mijnwerker werkzaam was. Van 1959 tot 1961 was hij arbeider in een slopersbedrijf. Van 1961 tot 1964 werkte hij als arbeider aan het onderhoud van tennisvelden en tuinen. Van 1964 tot 1972 was hij zelfstandig werkzaam als eigenaar van een schoonmaakbedrijf voor kantoren en bedrijfsruimten. Nadat hij zijn zaak had overgedaan, werkte hij als loontrekkende van 1973 tot 1980, toen hij werd gepensioneerd.
Op 17 mei 1983 verzocht Grimaldi het Fonds voor beroepsziekten, een openbare instelling onder toezicht van de minister van Sociale Voorzorg, te erkennen dat hij uit hoofde van een beroepsziekte leed aan een been- en gewrichtsziekte of angioneurotisehe ziekte veroorzaakt door mechanische vibraties ten gevolge van het gebruik van een pneumatische hamer bij het werk in de mijn en het slopersbedrijf van 1953 tot 1961. Toen het Fonds voor beroepsziekten bij beslissing van 20 oktober 1984 dit verzoek van de hand wees, op grond dat de oorsprong van de aangevoerde ziekte niet beroepsmatig was, wendde Grimaldi zich tot de Arbeidsrechtbank te Brussel.
Zich baserend op de bevinding van een door deze rechter aangestelde deskundige, dat hij leed aan de ziekte van Dupuytren, verzocht verzoeker in het hoofdgeding om erkenning van deze aandoening als beroepsziekte, op grond dat zij kon worden gelijkgesteld met een „ontsteking door overmatige inspanning ... van het weefsel van peesscheden”, vermeld in punt F.6. b) van de aan voornoemde aanbeveling van 23 juli 1962 gehechte Europese lijst van beroepsziekten.
Subsidiair nodigde verzoeker de nationale rechter uit, het Hof van Justitie twee prejudiciële vragen te stellen over de werking van bedoelde Europese lijst in de Lid-Staten van de Gemeenschap en over de mogelijkheid, de ziekte van Dupuytren gelijk te stellen met een in bedoelde lijst vermelde ontsteking door overmatige inspanning van het weefsel van peesscheden.
3. De prejudiciële vraag
Van oordeel, dat het geschil een vraag van uitlegging van een communautaire handeling deed rijzen, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel bij vonnis van 28 oktober 1988 het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag verzocht, zich bij wege van prejudiciële beslissing uit te spreken over de vraag,
„of op basis van de uitlegging van artikel 189, vijfde alinea, EEG-Verdrag aan de hand van de geest van de eerste alinea van genoemd artikel en aan de hand van's Hofs teleologische rechtspraak, rechtstreekse werking in de interne rechtsorde van een Lid-Staat kan worden toegekend aan een tekst als de ‚Europese lijst’ van beroepsziekten, die een bijlage is bij een aanbeveling van de Commissie die in de betrokken Lid-Staat na meer dan 25 jaar formeel nog steeds niet in nationaal recht is omgezet, wanneer die tekst duidelijk, onvoorwaardelijk, voldoende nauwkeurig en ondubbelzinnig lijkt en aan de Lid-Staat geen discretionaire bevoegdheid laat ten aanzien van het te bereiken resultaat”.
In zijn verwijzingsvonnis herinnert de nationale rechter aan's Hofs vaste rechtspraak, waarin wordt erkend dat bepaalde richtlijnen rechtstreekse werking hebben op grond van de bewoordingen, aard en structuur van hun bepalingen. Het is met name duidelijk dat, wanneer verordeningen rechtstreeks toepasselijk zijn en mitsdien naar hun aard rechtstreekse werking kunnen hebben, daaruit niet volgt dat andere in artikel 189 EEG-Verdrag genoemde categorieën handelingen nimmer analoge werking kunnen hebben.
Wat de beroepsziekten betreft, zet de nationale rechter uiteen, dat het in België ingevoerde „lijstenstelsel”, erin bestaande dat een exhaustieve lijst wordt vastgesteld van ziekten die geacht worden verband te houden met de uitoefening van een beroep, aanleiding geeft tot discriminatie. Sommige zieken zijn er namelijk van uitgesloten, doordat hun beroepsziekte niet erkend is. Voor opneming van een ziekte in de lijst, moeten haar symptomen en oorzaken echter voldoende bekend zijn. Daardoor worden aandoeningen die door nieuwe industriële processen zijn veroorzaakt, slechts na verloop van tijd als beroepsziekte erkend. Anderzijds wordt om financiële redenen bewust verzuimd, bepaalde, nochtans goed bekende beroepsziekten aan de lijst toe te voegen. De nationale rechter vermeldt in dit verband een wetsvoorstel dat ertoe strekt, in het Belgische recht een zogenoemd „gemengd” stelsel in te voeren. Dit komt neer op de vaststelling van een lijst van erkende beroepsziekten, met daarnaast de mogelijkheid voor de zieke om zelf het causaal verband tussen de uitoefening van een beroep en een niet op de lijst voorkomende ziekte aan te tonen. Een dergelijk stelsel beantwoordt aan voornoemde aanbeveling van de Commissie van 20 juli 1966.
Met betrekking tot de vraag, of de ziekte van Dupuytren met de in punt F.6. b) van de aan de aanbeveling van 23 juli 1962 gehechte lijst vermelde aandoeningen kan worden gelijkgesteld, was de Arbeidsrechtbank te Brussel van oordeel, dat zij zich door haar in wezen medisch karakter zowel aan de bevoegdheid van het Hof als aan die van de Arbeidsrechtbank onttrekt, en dat zij eventueel zal kunnen worden gesteld in het kader van een aanvullend deskundigenonderzoek.
4. Procesverloop
Het verwijzingsvonnis is op 4 november 1988 ter griffie van het Hof ingeschreven. Alleen de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J.-C. Seché, heeft krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG schriftelijke opmerkingen ingediend.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
Bij beschikking van 17 mei 1989 is de zaak krachtens artikel 95, paragrafen 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering naar de Tweede kamer verwezen.
II — Bij het Hof ingediende opmerkingen
De Commissie van de Europese Gemeenschappen brengt vooral in herinnering, dat het de betrokkene naar Belgisch recht niet is toegestaan, een causaal verband tussen zijn ziekte en het gevaar voor beroepsziekte te bewijzen. In de aanbevelingen van de Commissie van 23 juli 1962 en 20 juli 1966 worden de Lid-Staten echter juist uitgenodigd, in hun wetgeving een bepaling op te nemen, waardoor de werknemers die vanwege hun arbeid door ziekte zijn getroffen, doch die zich niet kunnen beroepen op het wettelijk vermoeden van oorzakelijk verband, schadeloos kunnen worden gesteld krachtens de regeling betreffende beroepsziekten.
Wat meer direct de vraag van de nationale rechter betreft, acht de Commissie het onmogelijk dat een aanbeveling rechtstreekse werking heeft. Zij baseert zich te dien aanzien op de bepaling van artikel 189, vijfde alinea, EEG-Verdrag: „Aanbevelingen... zijn niet verbindend.”
Wanneer het Hof echter heeft erkend dat richtlijnen rechtstreekse werking kunnen hebben, dan is het wegens hun verbindend karakter. Aanbevelingen hebben echter geen bindende werking, zodat de redenering van het Hof hierop niet van toepassing is.
G. F. Mancini
rechterrapporteur
( *1 ) Procestaal: Frans.
Top