Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (TWEEDE KAMER) VAN 24 JANUARI 1991. - ALSTHOM ATLANTIQUE SA TEGEN COMPAGNIE DE CONSTRUCTION MECANIQUE SULZER SA. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: TRIBUNAL DE COMMERCE DE PARIS - FRANKRIJK. - ARTIKELEN 2, 3, SUB F, 34 EN 85, LID 1, EEG-VERDRAG - AANSPRAKELIJKHEID VOOR GEBREKKIGE PRODUKTEN. - ZAAK C-339/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-00107
Zweedse bijz. uitgave bladzijde I-00001
Finse bijz. uitgave bladzijde I-00001
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Mededinging - Gemeenschapsregels - Nationaal stelsel inzake aansprakelijkheid van verkoper voor produkten met gebreken, dat strenger is dan dat van andere Lid-Staten - Verenigbaarheid
( EEG-Verdrag, art . 2, 3, sub f, en 85, lid 1 )
2 . Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve uitvoerbeperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Nationaal stelsel inzake aansprakelijkheid van verkoper voor produkten met gebreken, dat strenger is dan dat van andere Lid-Staten - Toelaatbaarheid
( EEG-Verdrag, art . 34 )
SamenvattingDe artikelen 2 en 3, sub f, junctis de artikelen 34 en 85, lid 1, EEG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd, dat zij niet in de weg staan aan de toepassing van de rechtspraak van een Lid-Staat, die bedrijfsmatige verkopers verbiedt het bewijs te leveren dat zij op de dag van levering van hun produkt niet bekend waren met het gebrek dat dit produkt vertoonde, en hun daarmee belet, met toepassing van de nationale wettelijke bepalingen hun aansprakelijkheid te beperken wanneer zij geen kennis hadden van het gebrek, terwijl hun concurrenten uit andere Lid-Staten dat krachtens de bepalingen van hun nationale recht wél kunnen doen .
In de eerste plaats immers kunnen particulieren zich niet voor een nationale rechterlijke instantie op de bepalingen van artikel 2 beroepen . Voorts is deze rechtspraak, die is ontwikkeld om redenen die verband houden met de bescherming van de koper, niet van dien aard dat zij met artikel 85 strijdige afspraken begunstigt of vergemakkelijkt . Ten slotte heeft deze rechtspraak, die zonder onderscheid van toepassing is op alle door het nationale recht beheerste handelsbetrekkingen, geen met artikel 34 strijdige specifieke beperking van het uitgaand goederenverkeer tot doel of tot gevolg, waardoor de nationale produktie of de binnenlandse markt zou worden begunstigd, waarbij overigens dient te worden opgemerkt, dat bij een internationale verkoopovereenkomst in de regel vrij kan worden bepaald, welk recht daarop van toepassing is .
PartijenIn zaak C-339/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het tribunal de commerce de Paris, in het aldaar aanhangig geding tussen
Alsthom Atlantique SA
en
Compagnie de construction mécanique Sulzer SA,
in vrijwaring geroepen partij : Union des assurances de Paris,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 2, 3, sub f, 34 en 85 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Tweede kamer ),
samengesteld als volgt : T . F . O' Higgins, kamerpresident, G . F . Mancini en F . A . Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal : W . Van Gerven,
griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door :
- Compagnie de construction mécanique Sulzer SA, vertegenwoordigd door M . Normand, advocaat te Parijs,
- Union des assurances de Paris, vertegenwoordigd door A . Tinayre, advocaat te Parijs,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J . Currall, lid van haar juridische dienst, bijgestaan door H . Lehman, Frans ambtenaar ter beschikking gesteld van de juridische dienst van de Commissie, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Compagnie de construction mécanique Sulzer, vertegenwoordigd door M . Normand en A . Holleaux, advocaten te Parijs, Union des assurances de Paris en de Commissie ter terechtzitting van 2 oktober 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 november 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij vonnis van 10 mei 1989, ingekomen ter griffie van het Hof op 3 november daaraanvolgend, heeft het tribunal de commerce de Paris krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 2, 3, sub f, 34 en 85, lid 1, EEG-Verdrag .
2 Die vraag is gerezen in een geding tussen de vennootschap Alsthom Atlantique SA ( hierna : "Alsthom ") en de vennootschap Compagnie de construction mécanique Sulzer SA ( hierna : "Sulzer "), in tegenwoordigheid van de door Sulzer in vrijwaring geroepen Union des assurances de Paris, in verband met de slechte werking van door Sulzer aan Alsthom geleverde scheepsmotoren die zijn geïnstalleerd in twee cruiseschepen van de Nederlandse maatschappij Holland & America Tours ( hierna : "HAT ").
3 Een van de kernvragen in de discussie voor de nationale rechter betreft artikel 1643 van de Franse Code civil, dat luidt als volgt :
"(( De verkoper )) moet voor de verborgen gebreken instaan, ook al is hij daarvan zelf onkundig geweest, tenzij hij in dat geval heeft bedongen dat hij niet tot vrijwaring is gehouden ."
4 In haar rechtspraak heeft de Franse Cour de cassation dit artikel aldus uitgelegd, dat ten aanzien van de fabrikant en de bedrijfsmatige verkoper een onweerlegbaar vermoeden bestaat dat zij de gebreken van de verkochte zaak kenden . Dit vermoeden gaat enkel niet op in de contractuele betrekkingen tussen ondernemingen met dezelfde specialisatie .
5 Voor de verwijzende rechter, bij wie Alsthom een vordering heeft ingesteld tot vergoeding van de door haar gemaakte kosten voor het herstel van de verborgen gebreken van de door Sulzer verkochte motoren, betoogde Sulzer, dat een rechtspraak als die van de Franse Cour de cassation, die in geen enkele andere Lid-Staat bestaat, concurrentievervalsend werkt en het vrije goederenverkeer belemmert .
6 Van oordeel dat het geding vragen doet rijzen over de uitlegging van de artikelen 2, 3, sub f, 34 en 85, lid 1, EEG-Verdrag, heeft het tribunal de commerce de Paris het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag voorgelegd :
"Moeten de artikelen 2 en 3, sub f, junctis de artikelen 85, lid 1, en 34 EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen de toepassing van de rechtspraak van een Lid-Staat, volgens welke het bedrijfsmatige verkopers verboden is het bewijs te leveren dat zij op de dag van levering van hun produkt niet bekend waren met het gebrek dat dit produkt vertoonde, zodat zij zich niet kunnen beroepen op artikel 1643 van de Franse Code civil, dat hun toestaat hun aansprakelijkheid te beperken wanneer zij geen kennis hadden van het gebrek, op dezelfde wijze als hun concurrenten uit andere Lid-Staten dat krachtens de bepalingen van hun nationale recht kunnen doen?"
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
8 Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd, dat artikel 2 van het Verdrag de taak van de Europese Economische Gemeenschap omschrijft . Er bestaat een nauwe relatie tussen de in die bepaling genoemde doelstellingen en het bestaan en de werking van de Gemeenschap en de verwezenlijking ervan dient het resultaat te zijn van de verwezenlijking van twee andere essentiële doelstellingen van het Verdrag, namelijk de totstandbrenging van de gemeenschappelijke markt en het geleidelijk nader tot elkaar brengen van het economisch beleid van de Lid-Staten ( zie in deze zin het arrest van 29 september 1987, zaak 126/86, Giménez Zaera, Jurispr . 1987, blz . 3697, r.o . 10 ).
9 Deze doelstellingen, die ten grondslag lagen aan de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en met name ook de doelstelling van bevordering van de harmonische ontwikkeling van de economische activiteit binnen de gehele Gemeenschap, kunnen geen juridische verplichtingen voor de Lid-Staten noch rechten voor particulieren doen ontstaan . Particulieren kunnen zich derhalve voor een nationale rechterlijke instantie niet op de bepalingen van artikel 2 van het Verdrag beroepen .
10 De in artikel 3, sub f, van het Verdrag beoogde invoering van een regime waardoor wordt gewaarborgd dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt niet wordt vervalst, is een doelstelling die in diverse andere bepalingen betreffende de mededingingsregels is uitgewerkt ( zie in die zin met name de arresten van 13 februari 1979, zaak 85/76, Hoffmann-La Roche, Jurispr . 1979, blz . 461, en 9 november 1983, zaak 322/81, Michelin, Jurispr . 1983, blz . 3461, r.o . 29 ), onder meer in artikel 85 van het Verdrag, dat alle overeenkomsten tussen ondernemingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen verbiedt die de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst .
11 Volgens vaste rechtspraak van het Hof ( zie met name het arrest van 1 oktober 1987, zaak 311/85, Vereniging van Vlaamse Reisbureaus, Jurispr . 1987, blz . 3801, r.o . 10 ) hebben de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag betrekking op gedragingen van ondernemingen en niet op wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen van de Lid-Staten . Dit neemt niet weg, dat het Verdrag voor de Lid-Staten de verplichting inhoudt, geen maatregelen te nemen of te handhaven welke die bepalingen hun nuttig effect kunnen ontnemen . Dit laatste zou onder meer het geval zijn, wanneer een nationale rechtspraak met artikel 85 van het Verdrag strijdige afspraken begunstigde of de werking ervan versterkte .
12 Wat de onderhavige zaak betreft, moet worden vastgesteld, dat het door de verwijzende rechter bedoelde onweerlegbaar vermoeden dat de leverancier met de gebreken van de verkochte zaak bekend is, door de rechtspraak is ontwikkeld om redenen die verband houden met de bescherming van de koper, en dat het niet van dien aard is, dat het met artikel 85 strijdige afspraken begunstigt of vergemakkelijkt .
13 Ingevolge artikel 34 van het Verdrag zijn kwantitatieve uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen Lid-Staten verboden .
14 Volgens vaste rechtspraak van het Hof ( zie laatstelijk het arrest van 27 maart 1990, zaak C-9/89, Spanje/Raad, Jurispr . 1990, blz . I-1383, r.o . 21 ) heeft artikel 34 EEG-Verdrag enkel betrekking op nationale maatregelen die een specifieke beperking van het uitgaand goederenverkeer tot doel of tot gevolg hebben en aldus tot een verschillende behandeling van de binnenlandse handel en de uitvoerhandel van een Lid-Staat leiden, waardoor aan de nationale produktie of de binnenlandse markt een bijzonder voordeel wordt verzekerd ten koste van de produktie of de handel van andere Lid-Staten .
15 Vastgesteld moet worden, dat de in deze zaak bedoelde rechtspraak van de Franse Cour de cassation zonder onderscheid van toepassing is op alle door het Franse recht beheerste handelsbetrekkingen en geen specifieke beperking van het uitgaand goederenverkeer tot doel of tot gevolg heeft, waardoor de nationale produktie of de binnenlandse markt zou worden begunstigd . Bovendien kunnen de partijen bij een internationale verkoopovereenkomst in de regel vrij bepalen welk recht op hun contractuele betrekkingen van toepassing is, en aldus voorkomen dat zij onder het Franse recht vallen .
16 Gelet op het voorgaande moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat de artikelen 2 en 3, sub f, junctis de artikelen 34 en 85, lid 1, EEG-Verdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat zij niet in de weg staan aan de toepassing van de rechtspraak van een Lid-Staat, die bedrijfsmatige verkopers verbiedt het bewijs te leveren dat zij op de dag van levering van hun produkt niet bekend waren met het gebrek dat dit produkt vertoonde, en hun daarmee belet, met toepassing van de nationale wettelijke bepalingen hun aansprakelijkheid te beperken wanneer zij geen kennis hadden van het gebrek, op dezelfde wijze als hun concurrenten uit andere Lid-Staten dat kunnen doen .
Beslissing inzake de kostenKosten
17 De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Tweede kamer ),
uitspraak doende op de door het tribunal de commerce de Paris bij vonnis van 10 mei 1989 gestelde vraag, verklaart voor recht :
De artikelen 2 en 3, sub f, junctis de artikelen 34 en 85, lid 1, EEG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd, dat zij niet in de weg staan aan de toepassing van de rechtspraak van een Lid-Staat, die bedrijfsmatige verkopers verbiedt het bewijs te leveren dat zij op de dag van levering van hun produkt niet bekend waren met het gebrek dat dit produkt vertoonde, en hun daarmee belet, met toepassing van de nationale wettelijke bepalingen hun aansprakelijkheid te beperken wanneer zij geen kennis hadden van het gebrek, op dezelfde wijze als hun concurrenten uit andere Lid-Staten dat kunnen doen .
Top