RAPPORT TER TERECHTZITTING
in zaak C-114/88 ( *1 )
I — De toepasselijke bepalingen
Artikel 73 met als opschrift „Werknemers”, dat behoort tot afdeling 2 „Werknemers en werklozen wier gezinsleden op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat wonen” van hoofdstuk 7 „Gezins- en kinderbijslagen voor werknemers en werklozen” van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, biz. 1), luidt als volgt:
„1)
De werknemer op wie de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat dan Frankrijk van toepassing is, heeft voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonen, recht op de gezinsbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste staat voorziet, alsof die gezinsleden op het grondgebied van deze staat woonden.
2)
De werknemer op wie de Franse wettelijke regeling van toepassing is, heeft voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan Frankrijk wonen, recht op de kinderbijslagen waarin voorzien is door de wettelijke regeling van de staat op het grondgebied waarvan deze gezinsleden wonen; de werknemer moet voldoen aan de voorwaarden inzake het verrichten van arbeid waarvan de Franse wettelijke regeling het recht op bijslagen afhankelijk stelt.
3)
...”
Artikel 75, met als opschrift „Verlenen van bijslagen en vergoedingen”, lid 2, sub a en c, bepaalt:
„a)
In de in artikel 73, lid 2, en artikel 74, lid 2, bedoelde gevallen worden de kinderbijslagen door het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling verleend;
b)
...
c)
het bevoegde orgaan vergoedt het volle bedrag van de overeenkomstig het bepaalde sub a en b verleende bijslagen...”
II — De feiten en de procedure
Verzoeker in het hoofdgeding, P. Delbar, van Belgische nationaliteit, is sedert 1976 ingeschreven bij de balie van Lille en betaalt dan ook bijdragen aan de Caisse d'allocations familiales (hierna: CAF) van Roubaix-Tourcoing. Hij heeft zijn kantoor te Tourcoing, doch zijn gezin woont in België. Tot april 1984 verrichtte zijn echtgenote arbeid in loondienst in België en uit dien hoofde ontving zij van de Caisse de compensation kinderbijslag voor haar kinderen. Sedert 15 april 1984 ontvangt zij die kinderbijslag niet meer, omdat zij haar baan heeft opgegeven. Daarop verzocht Delbar de CAF van Roubaix-Tourcoing om betaling van de kinderbijslag voor zijn kinderen, die nog steeds in België wonen. De CAF weigerde Delbar de kinderbijslag te betalen en voerde daartoe met name aan, dat volgens de artikelen L 512.1 en volgende van de code de la sécurité sociale de gezinsbijslagen slechts worden betaald wanneer de kinderen in Frankrijk wonen.
Bij verzoekschrift van 27 november 1985 kwam Delbar bij het tribunal des affaires de sécurité sociale de Lille op tegen het besluit van de commission de recours gracieux van de CAF van Roubaix-Tourcoing van 26 september 1985 houdende afwijzing van zijn verzoek om vanaf april 1984 kinderbijslag uit hoofde van het Franse stelsel te betalen.
Bij vonnis van 18 februari 1988 heeft het tribunal des affaires de sécurité sociale de Lille het Hof krachtens artikel 177 van het Verdrag de navolgende vragen voorgelegd:
„1)
Zijn volgens de uitlegging die aan artikel 51, sub b, van het Verdrag moet worden gegeven, de autoriteiten van de Lid-Staat waar de werknemer zijn werkzaamheden verricht en in voorkomend geval bijdragen betaalt, dan wel de autoriteiten van de Lid-Staat van de woonplaats van de gezinsleden en/of de kinderen waarvoor recht op gezinsbijslagen bestaat, belast met de betaling van de gezinsbijslagen ?
2)
Wanneer nu een onderdaan van een Lid-Staat zijn beroepsadres heeft in de Lid-Staat waar hij bijdragen betaalt, en zijn privé-adres (waar ook zijn kinderen wonen) in een andere Lid-Staat, moeten dan de autoriteiten van de eerste dan wel die van de tweede Lid-Staat de kinderbijslag betalen ?
3)
Kunnen particulieren, bij gebreke van een voor de beoefenaars van vrije beroepen geldende Europese richtlijn betreffende de kinderbijslag, zich rechtstreeks beroepen op de uit artikel 51 van het Verdrag voortvloeiende rechten ?”
Het verwijzingsvonnis is op 11 april 1988 ter griffie van het Hof ingeschreven.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door verzoeker in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door M. Veroone, advocaat te Lille; de in het hoofdgeding geroepen partij, de Union pour le recouvrement des cotisations de sécurité sociale et d'allocations familiales (Urssaf) van Roubaix-Tourcoing, vertegenwoordigd door mejuffrouw Ferla; de Franse regering, vertegenwoordigd door E. Belliard als gemachtigde; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Gouloussis, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Bij beschikking van 7 februari 1989 heeft het Hof de zaak naar de Tweede kamer verwezen.
III — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
Delbar, verzoeker in het hoofdgeding, stelt, dat hij op grond van de rechtstreekse werking van de artikelen 48 en 51, sub b, van het Verdrag voor zijn in België wonende kinderen recht heeft op de Franse kinderbijslag, ook al heeft de Raad de daartoe nodige verordeningen nog niet vastgesteld. De bijslag moet worden uitgekeerd door de staat waar de bijdragen zijn betaald, ongeacht in welke staat de gezinsleden wonen. Deze conclusie vindt steun in het arrest van 15 januari 1986 (zaak 41/84, Pinna, Jurispr. 1986, blz. 1).
De Franse regering merkt allereerst op, dat het Hof nooit heeft geoordeeld dat artikel 51 rechtstreeks toepasselijk is in de rechtsorde van de Lid-Staten. De bewoordingen van dit artikel wijzen veeleer op het tegendeel, namelijk dat het artikel een resultaatsverplichting oplegt. Particulieren kunnen zich niet rechtstreeks op artikel 51 beroepen, zolang de bevoegde gemeenschapsinstellingen niet volgens de in dat artikel genoemde procedures en in de aldaar voorgeschreven vormen de nodige uitvoeringsbepalingen hebben vastgesteld. Al is de personele werkingssfeer van de verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72 (PB 1972, L 74, blz. 1) bij respectievelijk verordening nr. 1390/81 (PB 1981, L 143, blz. 1) en verordening nr. 3795/81 (PB 1981, L 378, blz. 1) uitgebreid tot zelfstandigen, toch zijn de bepalingen van hoofdstuk 7 van verordening nr. 1408/71 niet dienovereenkomstig gewijzigd. Op het ogenblik van de feiten van het geding bepaalden de relevante verordeningen dus niet hoe dit hoofdstuk van verordening nr. 1408/71 in de praktijk moest worden toegepast op zelfstandigen. Het was derhalve zowel voor het Franse als voor het Belgische bevoegde orgaan technisch onmogelijk, bepalingen toe te passen waarvoor geen uitvoeringsregeling was vastgesteld. De oplossing hangt dus volledig af van de door de Raad ter aanvulling van hoofdstuk 7 van verordening nr. 1408/71 vast te stellen bepalingen.
De Commissie beklemtoont, dat in artikel 51 slechts sprake is van werknemers en dat de Raad derhalve juridisch niet verplicht is de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71, met name ter zake van de kinderbijslag, uit te breiden tot zelfstandigen. Een in een Lid-Staat gevestigde zelfstandige wiens kinderen in een andere Lid-Staat wonen, kan zich derhalve bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht niet op het in artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1408/71 neergelegde beginsel van de opheffing van de bepalingen inzake de woonplaats beroepen om gezinsbijslag te verkrijgen.
Artikel 51 voldoet in ieder geval niet aan de in een vaste rechtspraak van het Hof geformuleerde criteria voor rechtstreekse toepasselijkheid. Bijgevolg kunnen de onderdanen van de Lid-Staten zich voor de nationale rechterlijke instanties niet beroepen op artikel 51 EEG-Verdrag, dat betrekking heeft op de werknemers.
De in het geding geroepen partij, Urssaf, zegt dat haar taak bestaat in het innen van de premies voor de sociale voorzieningen en van de kinderbijslag, en dat zij niet is belast met de uitkering. Zij verklaart, zich te verlaten op de wijsheid van het Hof.
T. F. O'Higgins
rechter-rapporteur
( *1 ) Procestaal: Frans.
Top