Avis juridique important
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 7 maart 2002. - Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Helleense Republiek. - Niet-nakoming - Niet-omzetting van richtlijn 96/61/EG. - Zaak C-64/01.
Jurisprudentie 2002 bladzijde I-02523
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
In zaak C-64/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. B. Wainwright en P. Panayotopoulos als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door N. Dafniou als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB L 257, blz. 26), subsidiair door deze maatregelen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: N. Colneric, kamerpresident, R. Schintgen (rapporteur) en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 januari 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij op 13 februari 2001 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB L 257, blz. 26), subsidiair door deze maatregelen niet aan haar mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Op grond van artikel 21, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 96/61 dienden de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen om uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn, dat wil zeggen op 30 oktober 1999, aan de bepalingen ervan te voldoen en dienden zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis te stellen.
3 Van oordeel, dat richtlijn 96/61 niet binnen de gestelde termijn in Grieks recht was omgezet, heeft de Commissie de niet-nakomingsprocedure ingeleid. Na de Helleense Republiek te hebben aangemaand haar opmerkingen te maken, heeft de Commissie op 25 juli 2000 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij deze lidstaat verzocht, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen te nemen om aan dit advies te voldoen.
4 Daar zij geen enkele mededeling ontving dat de omzetting van richtlijn 96/61 was voltooid, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
5 De Commissie herinnert aan de verplichtingen die krachtens de artikelen 10 EG en 249, derde alinea, EG op de lidstaten rusten en stelt dat de Helleense Republiek alle maatregelen had moeten nemen die nodig waren om binnen de gestelde termijn aan richtlijn 96/61 te voldoen.
6 De Helleense Republiek stelt dat de omzetting van richtlijn 96/61 in nationaal recht, die in twee etappes plaatsvindt, in volle gang is en vóór eind 2001 moet zijn afgerond.
7 Volgens vaste rechtspraak moet het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn (zie met name arrest van 15 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C-147/00, Jurispr. blz. I-2387, punt 26).
8 In casu staat vast, dat de Helleense Republiek niet de nodige maatregelen heeft genomen om binnen de daartoe gestelde termijn aan het met redenen omkleed advies te voldoen.
9 Het beroep van de Commissie is daarom gegrond.
10 Derhalve moet worden vastgesteld dat de Helleense Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 96/61, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kostenKosten
11 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dat is gevorderd. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
rechtdoende:
1) Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, is de Helleense Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.
Top