Avis juridique important
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 7 maart 2002. - Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland. - Niet-nakoming- Niet-omzetting van richtlijn 96/61/EG. - Zaak C-39/01.
Jurisprudentie 2002 bladzijde I-02513
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
In zaak C-39/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. B. Wainwright als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door R. Magrill als gemachtigde, bijgestaan door R. Anderson, barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB L 257, blz. 26), of althans door deze maatregelen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: N. Colneric, kamerpresident, R. Schintgen (rapporteur) en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 januari 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij op 29 januari 2001 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB L 257, blz. 26), of althans door deze maatregelen niet aan haar mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Op grond van artikel 21, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 96/61 dienden de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen om uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn, dat wil zeggen op 30 oktober 1999, aan de bepalingen ervan te voldoen en dienden zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis te stellen.
3 Daar zij geen enkele mededeling had ontvangen over de bepalingen die het Verenigd Koninkrijk had vastgesteld om aan richtlijn 92/50 te voldoen, heeft de Commissie die lidstaat op 18 februari 2000 aangemaand, binnen een termijn van twee maanden zijn opmerkingen te maken. Het Verenigd Koninkrijk heeft toegegeven dat de omzetting van de richtlijn weliswaar vertraging heeft opgelopen, maar in juli 2000 voltooid zou moeten zijn. Na het verstrijken van deze termijn heeft de Commissie op 3 augustus 2000 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij het Verenigd Koninkrijk verzocht, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen te nemen om aan de verplichtingen van de richtlijn te voldoen.
4 Daar het Verenigd Koninkrijk bij brief van 7 december 2000 heeft geantwoord, dat richtlijn 96/61 in Engeland, Wales en Schotland grotendeels was omgezet, maar dat deze omzetting, wat Noord-Ierland, Gibraltar en de offshore-installaties van het Verenigd Koninkrijk betrof, nog niet was afgerond, heeft de Commissie besloten het onderhavige beroep in te stellen.
5 De Commissie herinnert aan de verplichtingen die krachtens de artikelen 10 EG en 249, derde alinea, EG op de lidstaten rusten en stelt dat het Verenigd Koninkrijk alle maatregelen had moeten nemen die nodig waren om binnen de gestelde termijn aan richtlijn 96/61 te voldoen.
6 Het Verenigd Koninkrijk betwist niet dat het richtlijn 96/61 niet binnen de gestelde termijn heeft omgezet en stelt dat de volledige omzetting van de richtlijn in volle gang is.
7 Aangezien de omzetting van richtlijn 96/61 niet binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn heeft plaatsgevonden, is het beroep van de Commissie gegrond.
8 Derhalve moet worden vastgesteld dat het Verenigd Koninkrijk, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 96/61, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kostenKosten
9 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Verenigd Koninkrijk in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
rechtdoende:
1) Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, is het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland wordt verwezen in de kosten.
Top