Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 11 JUNI 1991. - VERENIGD KONINKRIJK, FRANSE REPUBLIEK EN BONDSREPUBLIEK DUITSLAND TEGEN RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - TWEEDE FASE VAN HET PROGRAMMA BETREFFENDE SAMENWERKING TUSSEN UNIVERSITEIT EN ONDERNEMING INZAKE OPLEIDING OP HET GEBIED VAN DE TECHNOLOGIE (COMETT II) (1990-1994) - BEROEP TOT NIETIGVERKLARING - RECHTSGRONDSLAG - BEROEPSOPLEIDING - ONDERZOEK. - GEVOEGDE ZAKEN C-51/89, C-90/89 EN C-94/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-02757
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. EEG-Verdrag - Artikel 235 - Draagwijdte
2. Sociale politiek - Gemeenschappelijk beleid betreffende beroepsopleiding - Vaststelling door Raad van rechtshandelingen die voorzien in communautaire acties en de Lid-Staten tot samenwerking verplichten - Rechtsgrondslag - Artikel 128 EEG-Verdrag
(EEG-Verdrag, art. 128)
3. Handelingen van de instellingen - Totstandkomingsprocedure - Regelgevende en budgettaire handelingen - Verschillende procedurele vereisten
4. Sociale politiek - Gemeenschappelijk beleid betreffende beroepsopleiding - Aanneming door Raad van tweede fase van programma betreffende samenwerking tussen universiteit en onderneming inzake opleiding op gebied van technologie (Comett II) - Inaanmerkingneming door programma van vereisten betreffende samenhang en aanvulling met communautaire acties op gebied van wetenschappelijk onderzoek - Geen invloed op gebruik van artikel 128 EEG-Verdrag als enige rechtsgrondslag
(EEG-Verdrag, art. 128; besluit 89/27 van de Raad)
5. Sociale politiek - Gemeenschappelijk beleid betreffende beroepsopleiding - Beroepsopleiding - Begrip - Permanente opleiding - Daaronder begrepen
(EEG-Verdrag, art. 128)
Samenvatting1. Uit de bewoordingen van artikel 235 EEG-Verdrag zelf blijkt, dat op dit artikel slechts een beroep kan worden gedaan als rechtsgrondslag voor een handeling, wanneer geen andere verdragsbepaling de gemeenschapsinstellingen de voor de vaststelling van die handeling vereiste bevoegdheid verleent.
2. Artikel 128 moet aldus worden uitgelegd, dat daarbij aan de Raad de bevoegdheid wordt verleend, rechtshandelingen vast te stellen die voorzien in communautaire acties op het gebied van de beroepsopleiding en die de Lid-Staten te dien einde tot samenwerking verplichten.
3. In het stelsel van het Verdrag zijn de voorwaarden voor de uitoefening van de regelgevende bevoegdheid en die voor de uitoefening van de begrotingsbevoegdheid, niet identiek. Bijgevolg kunnen de vereisten van de procedure, die voor het ter beschikking stellen van de voor de uitvoering van een regelgevende handeling benodigde kredieten is voorzien, generlei invloed hebben op de procedurele vereisten die gelden voor de vaststelling daarvan.
4. Het programma betreffende samenwerking tussen universiteit en onderneming inzake opleiding op het gebied van de technologie (tweede fase - "Comett II") is gericht op intracommunautaire samenwerking tussen universiteit en onderneming inzake initiële en permanente opleiding op het gebied van de geavanceerde technologie, de ontwikkeling van hooggekwalificeerde menselijke hulpbronnen en aldus op het concurrentievermogen van de Europese industrie. Hieruit blijkt dat het betrokken programma een doel heeft dat de beroepsopleiding betreft en met betrekking tot zijn rechtsgrondslag alleen onder artikel 128 EEG-Verdrag valt. Aan die conclusie kan niet worden afgedaan door de omstandigheid dat die beroepsopleiding wordt beschouwd als een factor die zowel de benutting van de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek als de technologische ontwikkeling in de Gemeenschap kan vergemakkelijken, ook al werd daardoor de Commissie verplicht erop toe te zien, dat dat programma wordt afgestemd op de andere onderzoek- en ontwikkelingsactiviteiten van de Gemeenschap, noch door de omstandigheid dat de activiteiten die door ter bevordering van de transnationale uitwisseling toegekende beurzen worden gedekt en die uitdrukkelijk zijn bedoeld als opleidingsactiviteiten, een - zelfs zeer nauwe - band kunnen hebben met wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling.
5. Artikel 128 is volgens zijn bewoordingen gericht op het gemeenschappelijk beleid met betrekking tot de beroepsopleiding en maakt daarbij geen onderscheid tussen de initiële en permanente opleiding. Onder die omstandigheden kan laatstgenoemd aspect van de opleiding niet van de beroepsopleiding worden uitgesloten zonder dit begrip willekeurig in te perken.
PartijenIn de gevoegde zaken,
C-51/89
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door J. Collins, Treasury Solicitor, als gemachtigde, en R. Plender, barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Britse ambassade, Boulevard Roosevelt 14,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. A. Dashwood, directeur bij de juridische dienst, en M. Arpio, administrateur bij dezelfde dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J. Kaeser, directeur van de directie Juridische aangelegenheden van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
ondersteund door
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door J. Conde de Saro, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Europese Gemeenschappen, en R. Silva de Lapuerta, abogado del Estado voor het Hof van Justitie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Spaanse ambassade, Boulevard Emmanuel Servais 4-6,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Garzón Clariana, juridisch hoofdadviseur, en J. Currall, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Berardis, lid van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
interveniënten,
C-90/89,
Franse Republiek, vertegenwoordigd door E. Belliard, adjunct-directeur bij de directie Juridische aangelegenheden van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en M. Giacomini, plaatsvervangend gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard Prince Henri 9,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. A. Dashwood, directeur bij de juridische dienst, en M. Arpio, administrateur bij dezelfde dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J. Kaeser, directeur van de directie Juridische aangelegenheden van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
ondersteund door
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door J. Conde de Saro, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Europese Gemeenschappen, en R. Silva de Lapuerta, abogado del Estado voor het Hof van Justitie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Spaanse ambassade, Boulevard Emmanuel Servais 4-6,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Garzón Clariana, juridisch hoofdadviseur, en J. Currall, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Berardis, lid van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
interveniënten,
en C-94/89,
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door M. Seidel, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde, bijgestaan door R. Vieregge, advocaat te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter ambassade van de Bondsrepubliek Duitsland, Avenue Emile Reuter 20-22,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. A. Dashwood, directeur bij de juridische dienst, en B. Laloux, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J. Kaeser, directeur van de directie Juridische aangelegenheden van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
ondersteund door
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door J. Conde de Saro, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Europese Gemeenschappen, en R. Silva de Lapuerta, abogado del Estado voor het Hof van Justitie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Spaanse ambassade, Boulevard Emmanuel Servais 4-6,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Garzón Clariana, juridisch hoofdadviseur, en J. Currall, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Berardis, lid van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
interveniënten,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van besluit 89/27/EEG van de Raad van 16 december 1988 tot aanneming van de tweede fase van het programma betreffende samenwerking tussen universiteit en onderneming inzake opleiding op het gebied van de technologie (Comett II, 1990-1994) (PB 1989, L 13, blz. 28),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. C. Rodríguez Iglesias en M. Díez de Velasco, kamerpresidenten, Sir Gordon Slynn, C. N. Kakouris, R. Joliet, F. Grévisse, M. Zuleeg en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: D. Louterman, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van partijen ter terechtzitting van 8 januari 1991, waarbij de Franse Republiek werd vertegenwoordigd door P. Pouzoulet, onderdirecteur bij de directie Juridische aangelegenheden van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en C. Chavance, hoofdattaché van de centrale administratie, als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 februari 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op respectievelijk 23 februari, 17 maart en 21 maart 1989 hebben het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Franse Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland krachtens artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van besluit 89/27/EEG van de Raad van 16 december 1988 tot aanneming van de tweede fase van het programma betreffende samenwerking tussen universiteit en onderneming inzake opleiding op het gebied van de technologie (Comett II, 1990-1994) (PB 1989, L 13, blz. 28; hierna: "bestreden besluit").
2 De Raad heeft het bestreden besluit vastgesteld op basis van zowel artikel 128 EEG-Verdrag als besluit 63/266/EEG van 2 april 1963 houdende vaststelling van de algemene beginselen voor de toepassing van een gemeenschappelijk beleid met betrekking tot de beroepsopleiding (PB 1963, 63, blz. 1338).
3 Verzoekers voeren voor hun beroep aan dat de rechtsgrondslag van het bestreden besluit ontoereikend is, omdat het niet alleen op artikel 128, maar ook op artikel 235 EEG-Verdrag had moeten worden gebaseerd.
4 Het Koninkrijk Spanje en de Commissie interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de Raad.
5 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geschil, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
6 Ter inleiding zij eraan herinnerd dat, zoals het Hof reeds vaststelde, uit de bewoordingen van artikel 235 EEG-Verdrag zelf blijkt, dat op dit artikel slechts een beroep kan worden gedaan als rechtsgrondslag van een handeling, wanneer geen andere verdragsbepaling de gemeenschapsinstellingen de voor de vaststelling van die handeling vereiste bevoegdheid verleent (arrest van 26 maart 1987, zaak 45/86, Commissie/Raad, Jurispr. 1987, blz. 1493).
7 Bijgevolg moeten de verschillende middelen worden onderzocht, die verzoekers hebben aangevoerd voor hun stelling dat de Raad niet bevoegd was om het bestreden besluit alleen op grond van artikel 128 EEG-Verdrag vast te stellen.
De middelen ontleend aan het operatieve karakter van het Comett II-programma en de budgettaire gevolgen ervan
8 Verzoekers betogen in hoofdzaak dat bij het bestreden besluit een operatief programma ten uitvoer wordt gelegd met een aantal acties die duidelijk verder gaan dan de vaststelling van algemene beginselen, als bedoeld in artikel 128. Zij voegen eraan toe, dat een handeling met zo vèrstrekkende budgettaire gevolgen als die van het Comett II-programma, niet op grond van die bepaling alleen kan worden vastgesteld.
9 De in casu door verzoekers aangevoerde argumenten zijn identiek aan die welke het Hof heeft verworpen in het arrest van 30 mei 1989 (zaak 242/87, Commissie/Raad, Jurispr. 1989, blz. 1425), dat hangende onderhavig geding is gewezen.
10 In dat arrest heeft het Hof artikel 128 aldus uitgelegd, dat daarbij aan de Raad de bevoegdheid wordt verleend, rechtshandelingen vast te stellen die voorzien in communautaire acties op het gebied van de beroepsopleiding en die de Lid-Staten te dien einde tot samenwerking verplichten.
11 Ook zijn blijkens dit arrest in het stelsel van het Verdrag de voorwaarden voor de uitoefening van de regelgevende bevoegdheid en die voor de uitoefening van de begrotingsbevoegdheid niet identiek; bijgevolg kunnen de vereisten van de begrotingsprocedure, die voor het ter beschikking stellen van de voor de uitvoering van het litigieuze programma benodigde kredieten is voorzien, generlei invloed hebben op de procedurele vereisten die gelden voor de vaststelling van het bestreden besluit en die in een geheel zelfstandige regeling zijn neergelegd.
12 Hieruit volgt dat de middelen van verzoekers, ontleend aan het operatieve karakter van het Comett II-programma alsmede aan de budgettaire gevolgen ervan, moeten worden verworpen.
Het gebied van de beroepsopleiding
13 Verzoekers stellen dat het bij het bestreden besluit ingevoerde programma het kader van de beroepsopleiding, als bedoeld in artikel 128 EEG-Verdrag, te buiten gaat, voor zover een deel van de daarin nagestreefde doelstellingen en van de daarin voorziene acties eveneens betrekking heeft op het terrein van het wetenschappelijk onderzoek en de technologische ontwikkeling. Zij zijn van mening dat hetgeen het Hof heeft overwogen in het arrest van 30 mei 1989 (Commissie/Raad, reeds aangehaald), volgens hetwelk het Erasmus-programma elementen bevat die op het terrein van het onderzoek liggen, eveneens geldt voor het Comett II-programma.
14 Luidens artikel 1, lid 1, van het bestreden besluit betreft het Comett II-programma de intracommunautaire samenwerking tussen universiteit en onderneming inzake initiële en permanente opleiding op het gebied van de geavanceerde technologie.
15 Volgens artikel 3, eerste alinea, wordt met dat programma "beoogd de opleiding op het gebied van met name de geavanceerde technologieën, de ontwikkeling van hooggekwalificeerde menselijke hulpbronnen en aldus het concurrentievermogen van de Europese industrie te versterken. Het programma wordt toegespitst op de veranderende behoeften van de ondernemingen en het personeel (...). Via de opleidingsacties waaraan steun wordt verleend, draagt het programma ertoe bij dat de door het communautaire onderzoek- en ontwikkelingsbeleid ontwikkelde resultaten, methoden en instrumenten van de technologie worden benut en geëxploiteerd. Het programma bevordert de innovatie en overdracht van technologie, alsmede de evenwichtige economische en sociale ontwikkeling van de Gemeenschap".
16 "In dit verband" wordt in de tweede alinea van hetzelfde artikel een aantal doelstellingen genoemd, die in hun geheel op de opleiding op het gebied van de technologieën gericht zijn.
17 Uit de bewoordingen van deze bepalingen blijkt reeds, dat het betrokken programma een doel heeft dat de beroepsopleiding betreft.
18 Aan die vaststelling wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat die beroepsopleiding wordt beschouwd als een factor die zowel de benutting van de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek als de technologische ontwikkeling in de Gemeenschap kan vergemakkelijken.
19 Zoals verzoekers hebben gesteld, wordt in artikel 5, lid 10, van het bestreden besluit bepaald, dat "de Commissie (...) erop toe(ziet) dat Comett II wordt afgestemd op de andere reeds geplande onderzoek- en ontwikkelingsactiviteiten van de Gemeenschap (...)".
20 Die bepaling kan evenwel geen reden zijn het betrokken programma als onderzoek- en ontwikkelingsprogramma te kwalificeren. Zij geeft weer dat het Comett II-programma een samenhang moet vertonen met de andere in het kader van de communautaire beleidsmaatregelen ontwikkelde acties, die niet op het gebied van de beroepsopleiding liggen.
21 In die bepaling komt eveneens tot uiting dat de in het betrokken programma bedoelde beroepsopleiding een aanvullend karakter heeft ten opzichte van het wetenschappelijk onderzoek. Blijkens de vijfde overweging van het bestreden besluit dient namelijk de technologische en industriële samenwerking op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, ingevoerd door middel van verschillende specifieke programma' s, "ondersteund (...) te worden door een parallelle inspanning op het gebied van de beroepsopleiding".
22 De in de tweede alinea van punt 2 van de bijlage bij het bestreden besluit geformuleerde bepaling, volgens welke bij de selectie van projecten uit hoofde van het Comett II-programma rekening moet worden gehouden met de ontwikkeling van het kaderprogramma betreffende technologisch onderzoek en ontwikkeling, met het oog op bevordering van de opleidingsacties die uit het communautaire onderzoek voortvloeien, zulks met vermijding van doublures, beantwoordt aan dezelfde vereisten betreffende samenhang en aanvulling.
23 Ten slotte hebben de in punt 4 van de bijlage genoemde bijzondere maatregelen volgens de tekst zelf ervan betrekking op activiteiten op het gebied van de opleiding en niet op dat van het onderzoek.
24 Verzoekers stellen evenwel, dat de toekenning van beurzen, die in dezelfde bijlage onder punt B is voorzien, ook betrekking heeft op activiteiten op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek.
25 Dit argument kan niet slagen.
26 De maatregelen, die vallen onder punt B, "Transnationale uitwisseling", bestaan in de toekenning van beurzen, ter bevordering van die uitwisseling, aan studenten die een opleidingsperiode van drie tot twaalf maanden in een onderneming in een andere Lid-Staat volbrengen (onder i), aan pas afgestudeerden die een opleidingsperiode van zes maanden tot twee jaar in een bij de uitvoering van een ontwikkelingsproject betrokken onderneming in een andere Lid-Staat volbrengen (onder ii), en ten slotte aan de personeelsleden van universiteiten en ondernemingen die ter beschikking worden gesteld van een onderneming of een universiteit in een andere Lid-Staat om deze onderneming of universiteit, met het oog op de verruiming van de opleidingsactiviteiten en werkmethoden, van hun bekwaamheden te laten profiteren.
27 De omstandigheid dat de door beurzen gedekte activiteiten, die uitdrukkelijk zijn bedoeld als opleidingsactiviteiten, een - zelfs zeer nauwe - band kunnen hebben met wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling, kan op zich geen voldoende reden zijn om het Comett II-programma als onderzoekprogramma te kwalificeren.
28 De redenering van het Hof in voormeld arrest van 30 mei 1989 met betrekking tot het Erasmus-programma kan evenwel niet op het onderhavige geval worden getransponeerd.
29 De conclusie dat het Erasmus-programma eveneens binnen het kader van het wetenschappelijk onderzoek viel, was namelijk enerzijds gebaseerd op de vaststelling dat wetenschappelijk onderzoek een van de kenmerkende taken van de universiteiten is (r.o. 34), en anderzijds op het feit dat zowel de doelstellingen van het programma als ten minste een deel van de voorziene acties in het algemeen gericht waren op de samenwerking tussen universiteiten en de activiteiten van het universiteitspersoneel zonder daarbij het wetenschappelijk onderzoek uit te sluiten. Het Comett II-programma heeft daarentegen alleen betrekking op de samenwerking tussen universiteiten en ondernemingen op het gebied van de opleiding.
30 Ook is nog betoogd dat het bestreden besluit het gebied van de beroepsopleiding, als bedoeld in artikel 128, te buiten gaat, op grond dat in dat besluit maatregelen worden voorzien op het gebied van de permanente opleiding, dat wil zeggen de beroepsbijscholing, die niet onder dat begrip vallen.
31 Dit argument moet eveneens worden verworpen. Immers, artikel 128 is volgens zijn bewoordingen gericht op het gemeenschappelijk beleid met betrekking tot de beroepsopleiding en maakt daarbij geen onderscheid tussen de initiële en permanente opleiding. Onder die omstandigheden kan laatstgenoemd aspect van de opleiding niet van de beroepsopleiding worden uitgesloten zonder dit begrip willekeurig in te perken.
32 Bovendien is de permanente opleiding in besluit 63/266 opgenomen onder de algemene beginselen op het gebied van de beroepsopleiding (zie zesde overweging; het eerste beginsel, derde alinea; het tweede beginsel, onder f en g, en het negende beginsel, tweede alinea).
33 Bijgevolg kan worden gesteld, dat het Comett II-programma het kader van de beroepsopleiding niet te buiten gaat. Mitsdien moet het ter zake aangevoerde middel worden verworpen.
34 Gelet op voorgaande overwegingen moeten de beroepen in hun geheel worden verworpen.
Beslissing inzake de kostenKosten
35 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Franse Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij hoofdelijk in de kosten te worden verwezen, daaronder begrepen die van de interveniënten.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Verwerpt de beroepen.
2) Verwijst het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Franse Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland hoofdelijk in de kosten, daaronder begrepen die van interveniënten.
Top