Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 16 DECEMBER 1992. - ROCHDALE BOROUGH COUNCIL TEGEN STEWART JOHN ANDERS. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: HIGH COURT OF JUSTICE, QUEEN'S BENCH DIVISION - VERENIGD KONINKRIJK. - UITLEGGING VAN DE ARTIKELEN 30 EN 36 EEG-VERDRAG - VERBOD VAN HANDEL OP ZONDAG. - ZAAK C-306/88.
Jurisprudentie 1992 bladzijde I-06457
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Vrij verkeer van goederen ° Kwantitatieve beperkingen ° Maatregelen van gelijke werking ° Regeling die openstelling van winkels op zondag verbiedt ° Toelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 30)
SamenvattingArtikel 30 van het Verdrag moet aldus worden uitgelegd dat het daarin omvatte verbod niet van toepassing is op een nationale regeling die detailhandelaren verbiedt hun winkels op zondag open te stellen.
PartijenIn zaak C-306/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de High Court of Justice, Queen' s Bench Division, in het aldaar aanhangig geding tussen
Rochdale Borough Council
en
S. J. Anders,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, C. N. Kakouris, G. C. Rodriguez Iglesias en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, R. Joliet, M. Diez de Velasco, P. J. G. Kapteyn en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: D. Triantafyllou, administrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Rochdale Borough Council, vertegenwoordigd door M. Beloff, Q. C., en S. Sauvain, Barrister;
° S. J. Anders, vertegenwoordigd door D. Vaughan, Q. C., en W. Elland, Barrister;
° het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. J. Hay van het Treasury Solicitor' s Department, bijgestaan door N. Paines, Barrister, als gemachtigden;
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. White, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde;
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Rochdale Borough Council, S.J. Anders, het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. L. Hudson van het Treasury Solicitor' s Department, bijgestaan door Sir Nicholas Lyell, Q. C., Attorney General, als gemachtigden, en de Commissie, vertegenwoordigd door A. Ridout, nationaal ambtenaar, gedetacheerd bij de juridische dienst van de Commissie, als gemachtigde, ter terechtzitting van 2 juni 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 juli 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 28 juni 1988, ingekomen bij het Hof op 19 oktober daaraanvolgend, heeft de High Court of Justice, Queen' s Bench Division, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een aantal prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag.
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de Rochdale Borough Council en Anders ter zake van het feit dat laatstgenoemde, in strijd met de Sections 47 en 59 van de Shops Act 1950, zijn winkel op zondag openstelt voor andere handelstransacties dan ingevolge de vijfde bijlage bij die wet zijn toegestaan.
3 In de vijfde bijlage bij de Shops Act worden de artikelen opgesomd die, in afwijking van de hoofdregel, op zondag in winkels mogen worden verkocht. Dat zijn onder meer alcoholhoudende dranken, bepaalde levensmiddelen, tabak, kranten en andere goederen vooor dagelijks gebruik.
4 Voor de nationale rechter stelde Anders, dat de bepalingen van de Shops Act een maatregel van gelijke werking vormen als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag, die niet op grond van artikel 36 kan worden gerechtvaardigd, daar het verbod van detailhandel op zondag het intracommunautaire handelsverkeer meer beperkt dan voor de bescherming van de in artikel 36 EEG-Verdrag genoemde beginselen noodzakelijk is.
5 In verband met dit betoog heeft de High Court of Justice, Queen' s Bench Division, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende vragen ter prejudiciële beslissing voorgelegd:
"1) Wanneer het in een Lid-Staat verboden is, dat winkels op zondag geopend zijn voor het publiek anders dan voor de verkoop van bepaalde gespecificeerde artikelen waarvan de verkoop is toegestaan, en wanneer dit verbod leidt tot een daling, in absolute cijfers, van de verkoop van goederen in die winkels, daaronder begrepen de in andere Lid-Staten vervaardigde goederen, en het zodoende tot een vermindering leidt van het volume van de invoer van goederen uit andere Lid-Staten, vormt dit verbod dan een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag?
2) Zo ja: valt een dergelijke maatregel onder een van de in artikel 36 vervatte afwijkingen van artikel 30 of onder enige andere door het gemeenschapsrecht erkende afwijking?
3) Wordt het antwoord op de eerste of de tweede vraag mede bepaald door factoren die de betrokken maatregel maken tot een middel tot willekeurige discriminatie, een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten, een onevenredige dan wel om andere redenen ongerechtvaardigde maatregel?
4) Indien het in de eerste vraag bedoelde verbod zich niet verdraagt met artikel 30 EEG-Verdrag en niet kan worden gerechtvaardigd op grond van artikel 36 EEG-Verdrag, kan de eerbiediging ervan dan in het geheel niet worden afgedwongen van een ondernemer in de Lid-Staat, of enkel in zoverre niet als het transacties verbiedt met in andere Lid-Staten geproduceerde of vandaar ingevoerde goederen?"
6 Nadat deze verwijzingsbeschikking was gegeven, verklaarde het Hof in zijn arrest van 23 november 1989 (zaak C-145/88, Torfaen Borough Council, Jurispr. 1989, blz. 3851) voor recht, dat artikel 30 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het daarin vervatte verbod niet geldt voor een nationale regeling die detailhandelaren verbiedt hun winkels op zondag te openen, wanneer de eventuele invloed op de intracommunautaire handel niet meer beperkend is dan in het kader van een dergelijke regeling is beoogd.
7 Vervolgens verklaarde het Hof in zijn arresten van 28 februari 1991 (zaak C-312/89, Conforama, en zaak C-332/89, Marchandise, Jurispr. 1991, blz. I-997, resp. blz. I-1027) voor recht, dat artikel 30 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het daarin neergelegde verbod niet van toepassing is op een nationale regeling die de tewerkstelling van werknemers op zondag verbiedt.
8 Na van deze drie arresten in kennis te zijn gesteld, deelde de verwijzende rechter het Hof per brief van 13 juni 1991 mee, dat, gelet op in het bijzonder het arrest Torfaen Borough Council, de eerste drie vragen hun belang hadden verloren, maar dat een beslissing over de vierde vraag nog steeds noodzakelijk was.
9 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de toepasselijke bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
10 In zijn op heden gewezen arrest in zaak C-169/91 (Council of the City of Stoke-on-Trent), dat betrekking heeft op een regeling die in wezen gelijk is aan die waarom het in deze zaak gaat, heeft het Hof voor recht verklaard, dat artikel 30 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het daarin vervatte verbod niet van toepassing is op een nationale regeling die detailhandelaren verbiedt hun winkels op zondag open te stellen.
11 De vierde vraag hoeft bijgevolg evenmin te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kostenKosten
12 De kosten door het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de High Court of Justice, Queen' s Bench Division, bij beschikking van 28 juni 1988 gestelde vragen, verklaart:
De gestelde vragen behoeven niet te worden beantwoord.
Top