Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 2 AUGUSTUS 1993. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN ITALIAANSE REPUBLIEK. - RICHTLIJN 75/439/EEG INZAKE VERWIJDERING VAN AFGEWERKTE OLIE - NIET-NAKOMING - NIET-UITVOERING VAN ARREST VAN HET HOF. - ZAAK C-366/89.
Jurisprudentie 1993 bladzijde I-04201
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Handelingen van de instellingen ° Richtlijnen ° Uitvoering door Lid-Staten ° Ontoereikendheid van met doelstellingen van richtlijn conforme praktijk ° Noodzaak van precieze, duidelijke omzetting
(EEG-Verdrag, art. 189, derde alinea)
SamenvattingWat de omzetting van een richtlijn in het interne recht van een Lid-Staat betreft, ontslaat het bestaan van een praktijk die in overeenstemming is met de beschermingsoogmerken van een richtlijn, een Lid-Staat niet van de verplichting om die richtlijn in intern recht om te zetten door middel van bepalingen die een voldoende bepaalde, duidelijke en doorzichtige situatie scheppen, zodat de particulieren hun rechten en verplichtingen kunnen kennen. Teneinde de volle toepassing van richtlijnen te verzekeren, niet slechts in feite maar ook rechtens, moeten de Lid-Staten ter zake een nauwkeurig wettelijk kader scheppen. Een bepaling van een richtlijn die nationale overheden tot een bepaalde gedraging verplicht, kan niet worden geacht op juiste wijze te zijn omgezet, wanneer de betrokken Lid-Staat geen enkele bijzondere maatregel voor haar tenuitvoerlegging heeft getroffen en enkel verklaart, dat die gedraging al in het algemeen voortvloeide uit de regels van behoorlijk bestuur die zijn administratie gehouden is toe te passen.
PartijenIn zaak C-366/89,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. Campogrande, als gemachtigde, vervolgens door L. Gussetti en V. Di Bucci, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door P. G. Ferri, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade, Rue Marie-Adélaïde 5,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen, in de eerste plaats, dat de Italiaanse Republiek, door ondanks het arrest van het Hof van 17 december 1981 (gevoegde zaken 30/81-34/81, Commissie/Italië, Jurispr. 1981, blz. 3379) nog steeds niet alle nodige maatregelen te treffen om zich volledig te voegen naar richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (PB 1975, L 194, blz. 23), en met name de artikelen 4, 6, 12 en 15 daarvan, niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen, en, in de tweede plaats, dat zij, door de uitvoer van afgewerkte olie naar andere Lid-Staten in het kader van haar inzamelingssysteem van die olie te verbieden, niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 34 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresident, waarnemend voor de president, M. Zuleeg en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, R. Joliet, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 15 december 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 februari 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij op 4 december 1989 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen, in de eerste plaats, dat de Italiaanse Republiek, door ondanks het arrest van het Hof van 17 december 1981 (gevoegde zaken 30/81-34/81, Commissie/Italië, Jurispr. 1981, blz. 3379) niet alle nodige maatregelen te treffen om zich volledig te voegen naar richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (PB 1975, L 194, blz. 23; hierna: "richtlijn"), en met name de artikelen 4, 6, 12 en 15 daarvan, niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen, en, in de tweede plaats, dat zij, door de uitvoer van afgewerkte olie naar andere Lid-Staten in het kader van haar inzamelingssysteem van die olie te verbieden, niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 34 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen.
2 De richtlijn beoogt met name de bescherming van het milieu tegen de nadelige uitwerkingen van lozing, storting of behandeling van afgewerkte olie.
3 Ter verwezenlijking van dat oogmerk bepaalt artikel 3 van de richtlijn, dat de verwijdering van afgewerkte olie door hergebruik moet worden bereikt, dat wil zeggen door regeneratie en/of door verbranding voor andere doeleinden dan vernietiging.
4 Artikel 4 van de richtlijn bepaalt:
"De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om te zorgen voor een verbod van:
1. lozing van afgewerkte olie in oppervlaktewateren in het binnenland, grondwater, territoriale zeewateren en draineringssystemen;
2. storting en/of lozing van afgewerkte olie met een schadelijke uitwerking op de bodem, alsmede ongecontroleerde lozing van residuen afkomstig van de behandeling van afgewerkte olie;
3. behandeling van afgewerkte olie die meer luchtverontreiniging veroorzaakt dan volgens de geldende bepalingen geoorloofd is."
5 Artikel 6, lid 1, van de richtlijn bepaalt, dat
"ieder bedrijf dat afgewerkte olie verwijdert, een vergunning [moet] verkrijgen".
6 Artikel 6, lid 2, van de richtlijn luidt:
"Deze vergunning wordt verleend door de bevoegde instantie, zonodig na onderzoek van de installaties; zij legt de voorwaarden op die door de stand van de techniek worden vereist."
7 Artikel 12 van de richtlijn bepaalt:
"De in artikel 6 bedoelde bedrijven worden op gezette tijden door de Lid-Staat gecontroleerd, in het bijzonder wat de inachtneming van de vergunningsvoorwaarden betreft."
8 Ten slotte verplicht artikel 15 van de richtlijn iedere Lid-Staat "de Commissie op gezette tijden op de hoogte te stellen van zijn technische kennis alsmede van de ervaring en resultaten voortvloeiende uit de toepassing van de bepalingen die krachtens de onderhavige richtlijn zijn vastgesteld".
9 In zijn voornoemd arrest Commissie/Italië heeft het Hof vastgesteld, dat de Italiaanse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn alle noodzakelijke maatregelen te treffen om zich volledig naar de richtlijn te voegen, niet had voldaan aan de verplichtingen die krachtens het Verdrag op haar rusten.
10 Na dat arrest heeft de Italiaanse Republiek decreet nr. 691 van 23 augustus 1982 (GURI nr. 270 van 30 september 1982; hierna: "decreet nr. 691") vastgesteld en ter kennis van de Commissie gebracht.
11 Van oordeel, dat door dat decreet het arrest van het Hof niet ten uitvoer werd gelegd, heeft de Commissie de procedure van artikel 169 van het Verdrag tegen de Italiaanse Republiek ingeleid.
12 Na de instelling van het beroep heeft de Italiaanse Republiek door middel van presidentieel decreet nr. 95 van 27 januari 1992 (GURI nr. 38 van 15 februari 1992, blz. 5), de nodige maatregelen genomen om artikel 4 van de richtlijn ten uitvoer te leggen en een schending van artikel 34 EEG-Verdrag te voorkomen. Als gevolg daarvan heeft de Commissie ter terechtzitting haar grieven ten aanzien van die bepalingen ingetrokken en slechts de grieven die betrekking hebben op de artikelen 6, 12 en 15 van de richtlijn, gehandhaafd.
13 Voor een nadere uiteenzetting van de betrokken nationale bepalingen, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
Artikel 6 van de richtlijn
14 De Commissie verwijt de Italiaanse Republiek artikel 6 van de richtlijn niet te zijn nagekomen. Zowel in het geval van de vergunning bedoeld in artikel 3, lid 3, van decreet nr. 691, voor bedrijven die afgewerkte olie verwijderen door niet-industriële verbranding, als in het geval van de vergunning bedoeld in de artikelen 4 tot en met 6 van decreet nr. 1741 van 2 november 1933 inzake de regeling van de invoer, de verwerking, de opslag en de verdeling van aardolieprodukten en brandstoffen (GURI nr. 301 van 30 december 1933, blz. 5995; hierna: "decreet nr. 1741"), voor bedrijven die afgewerkte olie verwijderen door regeneratie, is de bevoegde instantie immers niet verplicht om, alvorens de vergunning te verlenen, een onderzoek in te stellen naar de installaties, noch om de door de stand van de techniek vereiste voorwaarden op te leggen, zoals artikel 6, lid 2, van de richtlijn verlangt.
15 De Italiaanse Republiek voert daartegen aan, dat die verplichtingen niet meer inhouden dan de toepassing van de regels van behoorlijk bestuur, waartoe de overheid in het algemeen en ook zonder uitdrukkelijke wettelijke bepaling is gehouden, voor zover zij redelijkerwijs noodzakelijk zijn om te voldoen aan de doelstellingen van de vergunning.
16 Dienaangaande zij er in de eerste plaats aan herinnerd, dat volgens de considerans van de richtlijn de bescherming van het milieu moet worden verzekerd door een doeltreffend en coherent systeem, dat voorziet in een vergunningprocedure voor bedrijven die afgewerkte olie verwijderen, en in geëigende controleprocedures.
17 In de tweede plaats moet erop worden gewezen, dat het bestaan van praktijken die in overeenstemming zijn met de beschermingsoogmerken van een richtlijn, een Lid-Staat niet ontslaat van de verplichting om die richtlijn in zijn interne rechtsorde om te zetten door middel van bepalingen die een voldoende bepaalde, duidelijke en doorzichtige situatie scheppen, zodat de particulieren hun rechten en verplichtingen kunnen kennen. Teneinde de volledige uitvoering van richtlijnen te verzekeren, niet slechts in feite maar ook rechtens, moeten de Lid-Staten ter zake duidelijke wettelijke bepalingen uitvaardigen (zie met name arrest van 15 maart 1990, zaak C-339/87, Commissie/Nederland, Jurispr. 1990, blz. I-851).
18 Een bepaling van een richtlijn die nationale overheden tot een bepaalde gedraging verplicht, kan niet worden geacht op juiste wijze te zijn omgezet, wanneer de betrokken Lid-Staat geen enkele bijzondere maatregel voor haar tenuitvoerlegging heeft getroffen en enkel verklaart, dat die gedraging al in het algemeen voortvloeide uit de regels van behoorlijk bestuur die zijn administratie gehouden is toe te passen.
19 Onder die omstandigheden moet worden vastgesteld, dat artikel 6 van de richtlijn niet op de juiste wijze in Italiaans recht is omgezet.
Artikel 12 van de richtlijn
20 De Commissie verwijt de Italiaanse Republiek geen passende maatregelen te hebben genomen om te verzekeren dat de in artikel 12 van de richtlijn bedoelde periodieke controle van de bedrijven belast met de verwijdering van afgewerkte olie, wordt verricht.
21 Uit het feit dat de decreten nrs. 691 en 1741 geen enkele verplichting aan de bevoegde instantie opleggen met betrekking tot de vergunningsvoorwaarden van artikel 6, lid 2, van de richtlijn, volgt naar het oordeel van de Commissie, dat het Italiaanse systeem dienaangaande geen verplichtingen aan die bedrijven vermag op te leggen en dat de overheid niet in staat is de periodieke controle van die bedrijven door te voeren, in het bijzonder ten aanzien van de inachtneming van die voorwaarden.
22 De Italiaanse regering meent, dat deze grief moet worden afgewezen wegens haar algemeen karakter en omdat de juistheid ervan op geen enkele wijze is aangetoond.
23 Dit argument kan niet worden aanvaard.
24 Immers, artikel 12 van de richtlijn beoogt de controle van bedrijven die een vergunning overeenkomstig artikel 6 hebben verkregen. Maar aangezien, zoals hierboven is geconstateerd, de vergunning om afgewerkte olie door middel van regeneratie en niet-industriële verbranding te verwijderen, door de Italiaanse wetgeving niet is onderworpen aan de voorwaarden van artikel 6, kunnen de betrokken bedrijven niet op grond van artikel 12 worden gecontroleerd.
25 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de Italiaanse Republiek niet heeft voldaan aan de uit artikel 12 van de richtlijn voortvloeiende verplichtingen.
Artikel 15 van de richtlijn
26 De Commissie verwijt de Italiaanse Republiek, haar niet op gezette tijden op de hoogte te hebben gebracht van haar technische kennis alsmede van de ervaring en de resultaten voortvloeiende uit de toepassing van de bepalingen die krachtens de onderhavige richtlijn zijn vastgesteld, ofschoon het in artikel 4 van decreet nr. 691 bedoelde consortium dat het monopolie voor de inzameling van afgewerkte olie heeft, sedert 1983 bestaat en sedert 1985 zijn activiteiten uitoefent.
27 De Italiaanse Republiek betwist niet, dat artikel 15 van de richtlijn niet in Italiaans recht is omgezet. Zij wijst er nochtans op, dat zij niet in het bezit is van definitieve inlichtingen die er zich toe lenen aan de Commissie te worden medegedeeld.
28 Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat het beroep van de Commissie eveneens gegrond is voor zover het artikel 15 van de richtlijn betreft.
29 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld, dat de Italiaanse Republiek, door ondanks het arrest van het Hof van 17 december 1981 nog steeds niet alle nodige maatregelen te treffen om zich volledig naar richtlijn 75/439/EEG, en met name de artikelen 6, 12 en 15 daarvan, te voegen, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die krachtens artikel 171 van het Verdrag op haar rusten.
Beslissing inzake de kostenKosten
30 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien de Italiaanse Republiek op de wezenlijke punten in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden veroordeeld.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1) Door ondanks het arrest van het Hof van 17 december 1981 (gevoegde zaken 30/81-34/81, Commissie/Italië) nog steeds niet alle nodige maatregelen te treffen om zich volledig te voegen naar richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie, en met name de artikelen 6, 12 en 15 daarvan, is de Italiaanse Republiek de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Italiaanse Republiek wordt in de kosten verwezen.
Top