Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 2 DECEMBER 1992. - SOCIETE GENERALE D'ENTREPRISES ELECTRO-MECANIQUES SA EN ROLAND ETROY TEGEN EUROPESE INVESTERINGSBANK. - OPENBARE AANBESTEDING IN ACS-STAAT - MEDIFINANCIERING DOOR EIB - NIET-CONTRACTUELE AANSPRAKELIJKHEID JEGENS NIET GEKOZEN INSCHRIJVER - BEVOEGDHEID VAN HOF. - ZAAK C-370/89.
Jurisprudentie 1992 bladzijde I-06211
Zweedse bijz. uitgave bladzijde 00059
Finse bijz. uitgave bladzijde I-00207
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
++++
Beroep tot schadevergoeding ° Niet-contractuele aansprakelijkheid ° Beroep tegen Europese Investeringsbank inzake gunning en uitvoering van overheidsopdrachten in kader van Europees Ontwikkelingsfonds ° Bevoegdheid van Hof
(EEG-Verdrag, art. 178 en 215, tweede alinea)
SamenvattingDe Europese Investeringsbank is een bij het Verdrag opgericht gemeenschapsorgaan, dat moet bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Gemeenschap.
Daaruit volgt, dat het eventuele handelen of nalaten van de Bank bij de uitvoering van een financieringsovereenkomst die zij als gemachtigde van de Gemeenschap heeft gesloten in het kader van de financiering van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken uit de middelen van het Europees Ontwikkelingsfonds, overeenkomstig de in artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag bedoelde algemene beginselen aan de Gemeenschap kan worden toegerekend.
Het zou namelijk ingaan tegen de bedoeling van de auteurs van het Verdrag, dat de Gemeenschap, wanneer zij optreedt via een bij het Verdrag ingesteld gemeenschapsorgaan dat gemachtigd is om in haar naam en voor haar rekening te handelen, kan ontsnappen aan de gevolgen van artikel 178 juncto artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag, volgens welke alleen het Hof bevoegd is kennis te nemen van geschillen over de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap in haar geheel jegens derden.
Bijgevolg is het Hof krachtens artikel 178 EEG-Verdrag bevoegd te beslissen op een beroep tot schadevergoeding tegen de Europese Investeringsbank wanneer deze bij de gunning en de uitvoering van overheidsopdrachten in het kader van het Europees Ontwikkelingsfonds is opgetreden als gemachtigde van de Gemeenschap.
PartijenIn zaak C-370/89,
1) Société générale d' entreprises électro-mécaniques (SGEEM), gevestigd te Champs-sur-Marne (Frankrijk),
2) R. Etroy, wonende te Champs-sur-Marne (Frankrijk),
vertegenwoordigd door A. Vandencasteele, advocaat te Brussel, en S. Cohen, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoekers,
tegen
Europese Investeringsbank, vertegenwoordigd door X. Herlin, directeur Juridische zaken, als gemachtigde, bijgestaan door R. O. Dalcq, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg in haar voorlopige zetel,
verweerster,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur H. P. Hartvig als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
interveniënte,
betreffende een krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag ingesteld beroep tot vergoeding van de schade die verzoekers stellen te hebben geleden door het onrechtmatig gedrag van de EIB in het kader van een openbare aanbesteding in Mali,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, C. N. Kakouris, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Zuleeg en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, R. Joliet, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse en M. Diez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal: C. Gulmann
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 24 maart 1992, waarop de Europese Investeringsbank was vertegenwoordigd door R. O. Dalcq en Lagner, advocaten te Brussel,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 juni 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 12 december 1989, hebben Société générale d' entreprises électro-mécaniques, naamloze vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Champs-sur-Marne (hierna: "verzoekster"), en haar algemeen directeur, R. Etroy, het Hof krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht, de Europese Investeringsbank (hierna: de "Bank") als vertegenwoordiger van de Europese Economische Gemeenschap te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden doordat de Bank de gunning van een openbare aanbesteding van werken aan verzoekster heeft belet.
2 De Republiek Mali verzocht de Bank een deel van een project voor de bouw van een hoogspanningsleiding te financieren in de vorm van een voorwaardelijke lening verstrekt als bijdrage in de vorming van risicodragend kapitaal als bedoeld in artikel 199 van de derde ACS-EEG-overeenkomst, ondertekend te Lomé op 8 december 1984 (PB 1986, L 86, blz. 3; hierna: de "overeenkomst").
3 Het risicodragend kapitaal, dat wordt gefinancierd uit de middelen van het zesde Europees Ontwikkelingsfonds (hierna: het "Fonds"), ingesteld bij artikel 1, lid 1, van het intern akkoord van 19 februari 1985 betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap (PB 1986, L 86, blz. 210; hierna: het "akkoord"), wordt volgens artikel 10, lid 2, van het akkoord door de Bank beheerd voor rekening van de Gemeenschap.
4 Artikel 52, lid 1, tweede alinea, van het Financieel reglement van de Raad van 11 november 1986 van toepassing op het Fonds (PB 1986, L 325, blz. 42) bepaalt, dat de overeenkomsten betreffende het verrichten van transacties met risicodragend kapitaal worden gesloten door de Bank, als gemachtigde van de Gemeenschap; volgens lid 2 beheert de Bank de betrokken verrichtingen als gemachtigde en voor rekening van de Gemeenschap.
5 Van oordeel, dat de door Mali aangevraagde lening binnen haar door het EEG-Verdrag omschreven opdracht viel en in overeenstemming was met de doelstellingen van de overeenkomst, besloot de Bank in te gaan op het verzoek om financiering.
6 De tussen Mali en de Bank gesloten overeenkomst tot financiering van het project preciseerde, dat de Bank voor rekening van de Gemeenschap handelde, en verwees uitdrukkelijk naar artikel 10, lid 2, van het akkoord.
7 Verzoekster schreef in op de door Mali georganiseerde openbare aanbesteding en haar offerte bleek de laagste te zijn. De Malinese autoriteiten overwogen aanvankelijk haar de opdracht te gunnen.
8 De Bank was evenwel van mening, dat verzoeksters offerte kennelijke zwakheden vertoonde, die de verwezenlijking van het project in gevaar konden brengen, en deelde de Malinese autoriteiten derhalve mee, dat zij het project niet kon financieren als het contract aan verzoekster werd gegund.
9 Uiteindelijk besloten de Malinese autoriteiten het contract aan een andere inschrijver te gunnen. Daarop hebben verzoekers het onderhavige beroep ingesteld, dat erop is gericht vergoeding te verkrijgen van de schade die zij stellen te hebben geleden doordat de Bank zich onrechtmatig heeft gemengd in de onderhandelingen over en het sluiten van de overeenkomst en in strijd met het beginsel van goed bestuur heeft nagelaten de handelingen van haar personeel te controleren.
10 De Zesde kamer, waaraan de zaak aanvankelijk was toegewezen, besloot de zaak krachtens artikel 95, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering naar het voltallige Hof te verwijzen om vooraf een beslissing te verkrijgen over de bevoegdheid van het Hof om op het onderhavige beroep te beslissen.
11 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
12 Het Hof stelt in de eerste plaats vast, dat de litigieuze handeling van de Bank is verricht ter uitvoering van een financieringsovereenkomst die deze voor rekening van de Gemeenschap had gesloten in de uitoefening van bevoegdheden die genoemde gemeenschapsbepalingen haar ter zake van de toekenning en het beheer van door het Fonds gefinancierd risicodragend kapitaal verlenen.
13 In de tweede plaats is de Bank een bij het Verdrag opgericht gemeenschapsorgaan (arrest van 15 juni 1976, zaak 110/75, Mills, Jurispr. 1976, blz. 955, r.o. 14). Zij is opgericht om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Gemeenschap en past derhalve krachtens het Verdrag in het communautaire kader (arrest van 3 maart 1988, zaak 85/86, Commissie/EIB, Jurispr. 1988, blz. 1281, r.o. 29).
14 Daaruit volgt, dat het eventuele handelen of nalaten van de Bank jegens verzoekers bij de uitvoering van bedoelde financieringsovereenkomst overeenkomstig de in artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag bedoelde algemene beginselen welke de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben, aan de Gemeenschap kan worden toegerekend.
15 Het zou namelijk ingaan tegen de bedoeling van de auteurs van het Verdrag, dat de Gemeenschap, wanneer zij optreedt via een bij het Verdrag ingesteld gemeenschapsorgaan dat gemachtigd is om in haar naam en voor haar rekening te handelen, kan ontsnappen aan de gevolgen van artikel 178 juncto artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag, volgens welke alleen het Hof bevoegd is kennis te nemen van geschillen over de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap in haar geheel jegens derden.
16 Daarom mag het woord "Instellingen" in artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag niet aldus worden opgevat, dat het alleen ziet op de in artikel 4, lid 1, EEG-Verdrag genoemde instellingen, doch moet het, gelet op het in het Verdrag neergelegde stelsel van niet-contractuele aansprakelijkheid, aldus worden begrepen, dat het ook gemeenschapsorganen als de Bank omvat.
17 Aan de bevoegdheid van het Hof om van het onderhavige geschil kennis te nemen, wordt niet afgedaan door artikel 180 EEG-Verdrag, waarvan de specifieke bepalingen geen exhaustieve opsomming geven van de gevallen waarin het Hof bevoegd is kennis te nemen van geschillen waarbij de Bank partij is (arrest Mills, reeds aangehaald, r.o. 16 en 17).
18 Artikel 29 van het Protocol betreffende de Statuten van de Bank, volgens hetwelk geschillen tussen de Bank en derden door de bevoegde nationale rechter worden beslecht, staat de bevoegdheid van het Hof evenmin in de weg, daar dat artikel een uitdrukkelijk voorbehoud maakt voor de bevoegdheid van het Hof van Justitie.
19 Bijgevolg is het Hof krachtens artikel 178 EEG-Verdrag bevoegd op het onderhavige beroep tot schadevergoeding te beslissen.
20 Nu het Hof de voorafgaande vraag inzake zijn bevoegdheid heeft beantwoord, moet de zaak voor een uitspraak ten gronde naar de Zesde kamer worden verwezen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
alvorens uitspraak te doen over de gegrondheid van het beroep, beslist:
1) Het Hof is bevoegd op het beroep te beslissen.
2) De zaak wordt naar de Zesde kamer verwezen.
3) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Top