Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 24 MAART 1992. - SYNDESMOS MELON TIS ELEFTHERAS EVANGELIKIS EKKLISSIAS EN ANDEREN TEGEN GRIEKSE STAAT EN ANDEREN. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: POLYMELES PROTODIKEIO ATHINON - GRIEKENLAND. - VENNOOTSCHAPSRECHT - RECHTSTREEKSE WERKING - VOORRANG. - ZAAK C-381/89.
Jurisprudentie 1992 bladzijde I-02111
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vennootschappen - Richtlijn 77/91 - Wijziging van kapitaal van naamloze vennootschap - Rechtstreekse werking van artikelen 25, lid 1, en 29, lid 1, van richtlijn - Nationale wettelijke regeling die bepaalt dat bij handeling van bestuur kan worden besloten tot verhoging van kapitaal van vennootschap in financiële moeilijkheden - Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 77/91 van de Raad, art. 25, lid 1, en 29, lid 1)
SamenvattingDe artikelen 25, lid 1, en 29, lid 1, van de Tweede richtlijn (77/91/EEG) strekkende tot het cooerdineren van de waarborgen welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken, kunnen door een particulier voor de nationale rechter worden ingeroepen tegenover de nationale autoriteiten.
Deze artikelen moeten aldus worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan de toepassing van een nationale regeling die, ten einde de sanering en de continuïteit te waarborgen van ondernemingen die van bijzonder belang voor de nationale economie zijn en die door hun schuldenlast in een uitzonderlijke situatie verkeren, bepaalt dat een verhoging van het maatschappelijk kapitaal kan plaatsvinden bij bestuurshandeling en zonder besluit van de algemene vergadering, en dat de nieuwe aandelen bij bestuurshandeling kunnen worden toegewezen zonder eerst aan de aandeelhouders te worden aangeboden naar evenredigheid van het deel van het kapitaal dat hun aandelen vertegenwoordigen.
PartijenIn zaak C-381/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Polymeles Protodikeio Athinas, in het aldaar aanhanging geding tussen
Syndesmos Melon tis Eleftheras Evangelikis Ekklisias,
VASKO AE,
Konstantinos Sotiropoulos,
Sotirios Panagiotou Sotiropoulos,
Theocharis Anastasiou Sotiropoulos,
Sotirios Anastasiou Sotiropoulos,
Anastasios Sotiriou Sotiropoulos,
en
Griekse Staat,
Organismos Anasygkrotiseos Epicheiriseon AE,
Elliniki Parketoviomichania Afoi Sotiropouloi AE,
Ethniki Trapeza tis Ellados AE,
Geniki Trapeza tis Ellados AE,
Emporiki Trapeza tis Ellados AE,
Elliniki Trapeza Viomichanikis Anaptyxeos AE,
Ethniki Trapeza Ependyseon Viomichanikis Anaptyxeos AE,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 25 en 29 van de Tweede richtlijn (77/91/EEG) van de Raad van 13 december 1976 strekkende tot het cooerdineren van de waarborgen welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB 1977, L 26, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, R. Joliet en P. J. G. Kapteyn, kamerpresidenten, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, G. C. Rodríguez Iglesias en M. Díez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- verzoeksters in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door G. I. Anastasopoulos, advocaat te Athene;
- de Griekse regering, vertegenwoordigd door P. Mylonopoulos, advocaat, juridisch medewerker tweede rang bij de dienst communautaire geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, C. Stavropoulos, advocaat, juridisch medewerker bij dezelfde dienst, en N. Frangakis, advocaat, als gemachtigden;
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Caeiro, juridisch adviseur, en M. Patakia, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden;
- Organismos Anasygkrotiseos Epicheiriseon AE, vertegenwoordigd door L. Georgakopoulos, advocaat;
- Ethniki Trapeza tis Ellados AE, vertegenwoordigd door K. Voridis, advocaat te Athene;
- Geniki Trapeza tis Ellados AE, vertegenwoordigd door L. Deligianni, advocaat te Athene;
- Elliniki Trapeza Viomichanikis Anaptyxeos AE, vertegenwoordigd door S. Stratigis, advocaat te Athene;
- Ethniki Trapeza Ependyseon Viomichanikis Anaptyxeos, vertegenwoordigd door P. Papanikolaou, advocaat te Athene;
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoeksters in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door I. Anastasopoulou en G. I. Anastasopoulos, advocaten te Athene; Organismos Anasygkrotiseos Epicheiriseon AE, vertegenwoordigd door L. Georgakopoulos, hoogleraar handelsrecht, en A. Tsouderos, advocaat te Athene, Elliniki Parketoviomichania Afoi Sotiropouloi AE, vertegenwoordigd door S. Felios en V. Karagiannis, advocaten te Athene; Ethniki Trapeza tis Ellados AE, Emporiki Trapeza tis Ellados AE en Ethniki Trapeza Ependyseon Viomichanikis Anaptyxeos AE, alle vertegenwoordigd door I. Spyridakis, hoogleraar privaatrecht; de Griekse regering, vertegenwoordigd door N. Mavrikas, adjunct-juridisch-adviseur bij de landsadvocaat, en de Commissie, vertegenwoordigd door D. Goulousis, juridisch adviseur, als gemachtigde, ter terechtzitting van 20 november 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 januari 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij vonnis van 2 oktober 1989, ingekomen bij het Hof op 21 december daaraanvolgend, heeft de Polymeles Protodikeio Athinas krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 25 en 29 van de Tweede richtlijn (77/91/EEG) van de Raad van 13 december 1976 strekkende tot het cooerdineren van de waarborgen welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB 1977, L 26, blz. 1; hierna: "Tweede richtlijn").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen een aantal aandeelhouders van de vennootschap Elliniki Parketoviomichania Afoi Sotiropouloi AE (hierna: "EPAS") en de Griekse Staat, Organismos Anasygkrotiseos Epicheiriseon AE (Organisatie voor bedrijfsreorganisatie; hierna: "OAE"), EPAS en verscheidene banken. In dit geding gaat het om de verhogingen van het maatschappelijk kapitaal van EPAS, die tot stand zijn gekomen in het kader van de in de Griekse wet nr. 1386 van 5 augustus 1983 (Grieks Staatsblad A, nr. 107, van 8.8.1983, blz. 14) voorziene regeling waaronder EPAS was geplaatst bij beschikking van de minister van Economische zaken van 26 november 1984 (ministeriële beschikking nr. 1406, Grieks Staatsblad B, nr. 839, van 27.11.1984, blz. 7697).
3 De OAE is een tot de publieke sector behorende organisatie en is opgericht bij wet nr. 1386/1983. De OAE heeft de vorm van een naamloze vennootschap en handelt onder toezicht van de staat ten behoeve van het algemeen belang. Volgens artikel 2, lid 2, van de wet is het doel van de OAE, bij te dragen aan de economische en sociale ontwikkeling van het land door de financiële sanering van ondernemingen, introductie en toepassing van buitenlandse know-how, ontwikkeling van Griekse know-how, alsmede door oprichting en exploitatie van overheids- of semi-overheidsbedrijven.
4 Artikel 2, lid 3, van wet nr. 1386/1983 geeft een opsomming van de bevoegdheden die de OAE ter verwezenlijking van deze doelstellingen bezit. Zo kan de OAE het bestuur en het dagelijks beheer overnemen van ondernemingen die worden gesaneerd of die zijn genationaliseerd, deelnemen in het kapitaal van ondernemingen, leningen verstrekken en bepaalde leningen uitschrijven of opnemen, obligaties verwerven, alsmede aandelen overdragen aan, met name, werknemers of de hen vertegenwoordigende organisaties, aan lagere overheden of andere publiekrechtelijke rechtspersonen, aan liefdadigheidsinstellingen, maatschappelijke groeperingen of particulieren.
5 Ingevolge artikel 5, lid 1, van wet nr. 1386/1983 kan de minister van Economische zaken ondernemingen die in ernstige financiële moeilijkheden verkeren, onder de regeling van de wet brengen.
6 Volgens artikel 7 van wet nr. 1386/1983 kan de bevoegde minister het bestuur van een onder de regeling van deze wet gebrachte onderneming overdragen aan de OAE, de schulden van de onderneming regelen ten einde haar levensvatbaarheid te waarborgen, of overgaan tot liquidatie van de onderneming.
7 Artikel 8 van wet nr. 1386/1983 regelt de overdracht van het bestuur van de onderneming aan de OAE. Artikel 8, lid 1, zoals gewijzigd bij wet nr. 1472/1984 (Grieks Staatsblad A, nr. 112, van 6.8.1984, blz. 1273), bepaalt de wijze van overdracht en regelt de relatie tussen de door de OAE met het bestuur belaste personen en de ondernemingsorganen. Zo is bepaald, dat met de publikatie van de ministeriële beschikking waarbij de onderneming onder de regeling van de wet wordt gebracht, een einde komt aan de bevoegdheden van de bestuursorganen van de onderneming en dat de algemene vergadering blijft bestaan, maar dat zij de door de OAE benoemde bestuursleden niet kan afzetten.
8 Op grond van artikel 8, lid 8, van wet nr. 1386/1983 kan de OAE, in afwijking van de voor naamloze vennootschappen geldende bepalingen, tijdens zijn tijdelijk bestuur besluiten om het maatschappelijk kapitaal van de betrokken vennootschap te verhogen. Deze verhoging moet worden goedgekeurd door de bevoegde minister. De oude aandeelhouders behouden hun voorkeurrecht, dat zij binnen een bij de ministeriële goedkeuringsbeschikking gestelde termijn kunnen uitoefenen.
9 Artikel 10 van wet nr. 1386/1983 heeft eveneens betrekking op verhoging van het maatschappelijk kapitaal. Anders dan de in artikel 8, lid 8, bedoelde maatregelen, staan die van artikel 10 los van het tijdelijk bestuur van de OAE. De in artikel 10 voorziene verhoging is een definitieve saneringsmaatregel.
10 Op grond van dat artikel kan de bevoegde minister in de gevallen, bedoeld in de artikelen 7 en 8, lid 5, van de wet, besluiten om het maatschappelijk kapitaal te verhogen of de schulden van de onderneming aan de staat of aan andere overheidsorganisaties en -ondernemingen om te zetten in kapitaal. Artikel 10 geeft de oude aandeelhouders geen voorkeurrecht op de nieuwe aandelen.
11 Nadat EPAS bij ministeriële beschikking nr. 1406 van 26 november 1984 op haar verzoek onder de regeling van wet nr. 1386/1983 was gebracht, werd het bestuur van deze vennootschap overgenomen door de OAE, die op 26 maart 1986 besloot haar kapitaal te verhogen met een bedrag van 650 000 000 DR. Dit besluit werd overeenkomstig artikel 8, lid 8, van wet nr. 1386/1983 door de staatssecretaris van Industrie, Energie en Technologie goedgekeurd bij beschikking nr. 98 van 28 maart 1986 (Grieks Staatsblad B, nr. 143, van 3.4.1986, blz. 1615).
12 Volgens deze beschikking hadden de oude aandeelhouders een onbeperkt voorkeurrecht, dat zij binnen een maand na publikatie van de beschikking in het Grieks Staatsblad dienden uit te oefenen door middel van een schriftelijke verklaring. Omdat geen enkele aandeelhouder van deze mogelijkheid gebruik had gemaakt, kocht de OAE de nieuwe aandelen op, waardoor hij 68,64 % van het aandelenkapitaal van 947 000 000 DR bezat.
13 Tegen het eind van 1986 werd na onderhandelingen tussen de schuldeisers, de OAE, en de andere aandeelhouders van EPAS besloten de vennootschap in stand te houden en het tijdelijk bestuur alsmede de opschorting van de betaling van haar schulden te beëindigen. Het akkoord, dat door de staatssecretaris van Industrie, Energie en Technologie bij beschikking nr. 15 van 9 januari 1987 (Grieks Staatsblad B, nr. 25, van 16.1.1987, blz. 210) werd goedgekeurd, voorzag in een verlaging van het kapitaal van de vennootschap van 947 000 000 DR tot het verplichte minimum van 5 000 000 DR, gevolgd door een kapitaalverhoging tot 6 062 660 000 DR.
14 Deze verhoging was door de bevoegde minister besloten overeenkomstig artikel 10, lid 1, van wet nr. 1386/1983 en vond plaats door omzetting in aandelen van een deel van de schulden van EPAS aan de Griekse Staat, de banken, de openbare elektriciteitsmaatschappij en enkele sociale- verzekeringsinstellingen, alsmede door de inbreng van nieuw kapitaal door de OAE. Het nieuwe aandelenkapitaal werd verdeeld tussen de banken en de OAE, die derhalve de meerderheid van de aandelen houden.
15 Verzoeksters in het hoofdgeding, die nog maar een geringe deelneming hebben in EPAS, zijn voor de Polymeles Protodikeio Athinas opgekomen tegen bovengenoemde kapitaalverhogingen en tegen de verdeling van de aandelen tussen de banken en de OAE. Zij zijn met name van mening, dat deze verhogingen in strijd zijn met de Tweede richtlijn.
16 Onder deze omstandigheden heeft de Polymeles Protodikeio de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Is de Tweede richtlijn inzake het vennootschapsrecht (richtlijn 77/91/EEG van 13 december 1976), en met name de bepalingen daarvan met betrekking tot de instandhouding en wijziging van het kapitaal van de naamloze vennootschap (artikelen 25 tot en met 29), sinds 1 januari 1981 rechtstreeks toepasselijk binnen de Griekse rechtsorde, in die zin dat de Griekse rechterlijke instanties deze bepalingen moeten toepassen in de door hen te berechten geschillen?
2) Hebben voormelde bepalingen voorrang boven de daarmee strijdige bepalingen van wet nr. 1386/1983, welke bepalingen afwijken van de andere bepalingen van het nationale Griekse recht die de betrokken vennootschapsrechtelijke materie regelen, in zoverre dat deze wet, waarbij de 'Organismos Anasygkrotiseos Epicheiriseon' (verweerder sub 2) is opgericht, een in het algemeen belang en onder toezicht van de staat werkzame instelling, op 8 augustus 1983 in werking is getreden en als belangrijkste doel heeft de economische sanering van ondernemingen?"
17 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de toepasselijke regeling alsmede de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
18 Om te beginnen moet worden opgemerkt, dat sommige voor het Hof aangevoerde argumenten van de partijen in het hoofdgeding betrekking hebben op problemen die geen deel uitmaken van de prejudiciële vragen. Dit geldt met name voor het vraagstuk, of justitiabelen die zich voor de nationale rechter beroepen op rechten die zijn gebaseerd op een gemeenschapsrechtelijke bepaling, zijn gebonden aan een algemeen rechtsbeginsel, inhoudende dat zij, wil hun verzoek geen oneigenlijk gebruik of misbruik van recht vormen, een gerechtvaardigd belang dienen te hebben bij het inroepen van een bepaling, en of de Gemeenschap bevoegd is tot regelgeving op het vlak van het faillissementsrecht en op dat van andere collectieve procedures gericht op voldoening van de schuldeisers.
19 Overeenkomstig de in artikel 177 geregelde bevoegdheidsverdeling in het kader van de prejudiciële procedure, staat het uitsluitend aan de nationale rechter om de relevantie van die argumenten te beoordelen en om zich in voorkomend geval nogmaals tot het Hof te wenden, indien hij meent aanvullende gegevens over de uitlegging van het gemeenschapsrecht nodig te hebben om vonnis te kunnen wijzen (zie in het bijzonder het arrest van 3 oktober 1985, zaak 311/84, CBEM, Jurispr. 1985, blz. 3261, r.o. 10). Het Hof kan bovenbedoelde argumenten derhalve niet onderzoeken.
20 Met zijn prejudiciële vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de bepalingen van de Tweede richtlijn zich verzetten tegen kapitaalverhogingen bij een vennootschap die plaatsvinden onder vigeur van een wet die de economische sanering van ondernemingen ten doel heeft, zonder dat de algemene vergadering deze verhogingen heeft toegestaan en zonder dat de oude aandeelhouders een voorkeurrecht is gegeven.
21 In dit verband vraagt de verwijzende rechter in de eerste plaats, of de artikelen 25, lid 1, en 29, lid 1, van deze richtlijn rechtstreekse werking hebben. Vervolgens stelt hij de vraag, of deze bepalingen voorrang hebben boven een wet inzake de reorganisatie en sanering van ondernemingen, zoals wet nr. 1386/1983.
22 Blijkens het verwijzingsvonnis heeft deze tweede vraag geen betrekking op het beginsel van voorrang van het gemeenschapsrecht als zodanig. De verwijzende rechter merkt immers op, dat het primaire en afgeleide gemeenschapsrecht een bestanddeel vormen van het Griekse nationale recht en voorrang hebben boven elke daarmee strijdige wettelijke bepaling. Met deze vraag wil de verwijzende rechter veeleer weten, of de bepalingen van de richtlijn van toepassing zijn in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om de economische sanering van een onderneming door een in het algemeen belang handelende organisatie als de OAE.
23 Deze laatste vraag dient dus als eerste te worden beantwoord. Mocht namelijk blijken dat de richtlijn niet van toepassing is op een bijzondere procedure tot sanering van ondernemingen zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, dan is het in de eerste prejudiciële vraag aangesneden probleem, te weten de rechtstreekse werking van de artikelen 25, lid 1, en 29, lid 1, niet meer relevant.
De werkingssfeer van de Tweede richtlijn
24 Verweersters in het hoofdgeding hebben voor het Hof betoogd, dat de Tweede richtlijn niet van toepassing is op overheidsmaatregelen zoals de in wet nr. 1386/1983 voorziene maatregelen tot sanering of liquidatie van ondernemingen.
25 In de eerste plaats dienen de argumenten van de OAE te worden onderzocht. De OAE is van mening, dat de richtlijn niet van toepassing is in een geval als het onderhavige, aangezien zij betrekking heeft op een ander rechtsgebied dan wet nr. 1386/1983. De Tweede richtlijn valt onder het vennootschapsrecht, terwijl een nationale regeling als voorzien in wet nr. 1386/1983 behoort tot het recht inzake de sanering en wederopbouw van ondernemingen en verwantschap vertoont met de collectieve procedures tot voldoening van schuldeisers, zoals het faillissement. Een dergelijke regeling beoogt niet het normale functioneren van een vennootschap en de betrekkingen tussen de aandeelhouders te regelen, maar is gericht op voldoening van de schuldeisers door middel van collectieve executiemaatregelen.
26 In dat verband moet eraan worden herinnerd, dat het Hof deze argumenten in het arrest van 30 mei 1991 (gevoegde zaken C-19/90 en C-20/90, Karella en Karellas, Jurispr. 1991, blz. I-2691) uitdrukkelijk heeft afgewezen.
27 In rechtsoverweging 30 van dit arrest heeft het Hof immers overwogen, dat de Tweede richtlijn de eerbiediging van de rechten van deelnemers en derden beoogt te verzekeren, met name bij de oprichting van een vennootschap en bij de verhoging of vermindering van haar kapitaal. Wil deze waarborg effectief zijn, dan moet zij de deelnemers worden geboden, zolang de vennootschap met haar eigen structuren blijft bestaan. Ofschoon de richtlijn zich niet tegen maatregelen van gedwongen executie verzet en inzonderheid niet tegen een liquidatieregeling waardoor de vennootschap, in het belang van de bescherming van de rechten van de schuldeisers, onder bewind wordt geplaatst, blijft zij toch van toepassing zolang de aandeelhouders en de normale organen van de vennootschap niet van hun rechten zijn ontheven. Dit is stellig het geval bij een eenvoudige saneringsmaatregel waarbij overheidsorganisaties of privaatrechtelijke vennootschappen ingrijpen, wanneer het recht van de aandeelhouders op het kapitaal en hun zeggenschapsrecht binnen de vennootschap in het geding is.
28 Zolang de vennootschap met haar eigen structuren blijft bestaan, is de Tweede richtlijn dus van toepassing, zelfs indien deze vennootschap is onderworpen aan een reorganisatiemaatregel als is voorzien in wet nr. 1386/1983.
29 Bovendien moet worden opgemerkt, dat ook al kan het tijdelijk bestuur van de OAE leiden tot de in artikel 9 van wet nr. 1386/1983 voorziene bijzondere liquidatieprocedure, de liquidatie van vennootschappen door middel van maatregelen van gedwongen executie niet behoort tot de doelstellingen van de OAE, vermeld in artikel 2, lid 2, van deze wet. Integendeel, in artikel 2, lid 2, sub a, is uitdrukkelijk bepaald, dat de OAE tot doel heeft bij te dragen aan de economische en sociale ontwikkeling van het land door middel van de financiële sanering van ondernemingen overeenkomstig de bepalingen van de wet.
30 Vervolgens dienen de argumenten van de andere verweersters in het hoofdgeding te worden beoordeeld. Volgens hen heeft de Tweede richtlijn geen betrekking op de in wet nr. 1386/1983 bedoelde uitzonderlijke situaties. Deze wet vormt niet het eigenlijke rechtskader voor kapitaalverhogingen bij een naamloze vennootschap, maar voorziet in bijzondere maatregelen om ondernemingen te laten voortbestaan die door hun grote schuldenlast niet langer normaal kunnen functioneren en die van bijzonder belang zijn voor de nationale economie. Deze bijzondere maatregelen zijn noodzakelijk om maatschappelijke problemen als gevolg van collectieve ontslagen te vermijden.
31 Ook een dergelijk betoog is door het Hof verworpen in zijn arrest van 30 mei 1991, (reeds aangehaald, zie in het bijzonder de r.o. 25 tot 28).
32 Volgens dat arrest beoogt de Tweede richtlijn overeenkomstig artikel 54, lid 3, sub g, EEG-Verdrag, de waarborgen te cooerdineren welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, laatste alinea, EEG-Verdrag, om die waarborgen gelijkwaardig te maken en de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden. De Tweede richtlijn heeft dus tot doel, aandeelhouders in alle Lid-Staten een minimum beschermingsniveau te verzekeren.
33 Deze doelstelling zou ernstig in gevaar komen, indien de Lid-Staten van de bepalingen van de richtlijn zouden kunnen afwijken door regelingen in stand te houden, zelfs wanneer zij als bijzonder of uitzonderlijk worden gekwalificeerd, op grond waarvan bij bestuurshandeling en zonder enig besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders, tot een verhoging van het maatschappelijk kapitaal kan worden besloten, en de aandeelhouders geen voorkeurrecht op de nieuwe aandelen wordt gegarandeerd.
34 Deze vaststelling betekent evenwel niet, dat het gemeenschapsrecht de Lid-Staten in alle omstandigheden belet van deze bepalingen af te wijken. De communautaire wetgever heeft immers uitdrukkelijk voorzien in beperkte afwijkingen of in procedures die tot dergelijke afwijkingen kunnen leiden, ten einde bepaalde vitale belangen van de Lid-Staten te beschermen die in uitzonderlijke situaties zouden kunnen worden getroffen. Dit zijn bij voorbeeld de artikelen 19, leden 2 en 3, 40, lid 2, 41, lid 2, en 43, lid 2, van de Tweede richtlijn.
35 In het EEG-Verdrag noch in de Tweede richtlijn zelf is echter een bepaling opgenomen, op grond waarvan de Lid-Staten in crisissituaties kunnen afwijken van de artikelen 25, lid 1, en 29, lid 1. Integendeel, artikel 17, lid 1, bepaalt uitdrukkelijk, dat indien een belangrijk deel van het geplaatste kapitaal verloren is gegaan, de algemene vergadering binnen een in de wetgevingen van de Lid-Staten vastgestelde termijn wordt bijeengeroepen, ten einde na te gaan of het noodzakelijk is de vennootschap te ontbinden of andere maatregelen te nemen. Deze bepaling bevestigt dus de in artikel 25, lid 1, voorziene beslissingsbevoegdheid van de algemene vergadering, ook wanneer de betrokken vennootschap in ernstige financiële moeilijkheden verkeert, en zij staat niet toe dat er op enigerlei wijze wordt afgeweken van het in artikel 29, lid 1, vastgelegde voorkeurrecht van de aandeelhouders.
36 De bepalingen van de Tweede richtlijn en met name de artikelen 25, lid 1, en 29, lid 1, ervan zijn derhalve van toepassing op maatregelen tot sanering van ondernemingen, zoals voorzien in wet nr. 1386/1983.
37 Aan de verwijzende rechter moet dus worden geantwoord, dat de artikelen 25, lid 1, en 29, lid 1, van de Tweede richtlijn aldus moeten worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan de toepassing van een regeling die, ten einde de sanering en de continuïteit te waarborgen van ondernemingen die van bijzonder belang voor de nationale economie van een Lid-Staat zijn en die door hun schuldenlast in een uitzonderlijke situatie verkeren, bepaalt dat een verhoging van het maatschappelijk kapitaal kan plaatsvinden bij bestuurshandeling en zonder besluit van de algemene vergadering, en dat de nieuwe aandelen bij bestuurshandeling kunnen worden toegewezen zonder eerst aan de aandeelhouders te worden aangeboden naar evenredigheid van het deel van het kapitaal dat hun aandelen vertegenwoordigen.
De rechtstreekse werking van de artikelen 25, lid 1, en 29, lid 1, van de Tweede richtlijn
38 Zoals het Hof heeft beslist in het arrest van 30 mei 1991 (reeds aangehaald), kan artikel 25, lid 1, van de richtlijn door een particulier voor een nationale rechter worden ingeroepen tegenover de overheid.
39 Wat artikel 29, lid 1, van de richtlijn betreft moet worden vastgesteld, dat deze bepaling in duidelijke en nauwkeurige bewoordingen is gesteld en dat daarin op onvoorwaardelijke wijze is vastgelegd, dat bij elke verhoging van het geplaatste kapitaal tegen inbreng in geld, de aandelen eerst moeten worden aangeboden aan de aandeelhouders naar evenredigheid van het deel van het kapitaal dat hun aandelen vertegenwoordigen.
40 Aan het onvoorwaardelijke karakter van deze bepaling wordt niet afgedaan door het bepaalde in artikel 29, lid 4, van de Tweede richtlijn. Op grond van dit lid kan de algemene vergadering in bepaalde, nauwkeurig omschreven omstandigheden besluiten, het voorkeurrecht van de aandeelhouders op te heffen of te beperken. Deze specifieke afwijking laat de Lid-Staten geen ruimte om andere uitzonderingen op dit recht in te voeren dan die welke uitdrukkelijk is voorzien.
41 Hetzelfde geldt voor artikel 29, lid 5, van de Tweede richtlijn, op grond waarvan de wetgeving van een Lid-Staat kan bepalen dat in de statuten, de oprichtingsakte of bij besluit van de algemene vergadering, aan het orgaan van de vennootschap dat bevoegd is om te besluiten tot verhoging van het geplaatste kapitaal binnen de grenzen van het maatschappelijk kapitaal, de bevoegdheid kan worden gedelegeerd om dit voorkeurrecht te beperken of op te heffen.
42 Dit geldt eveneens voor artikel 41, lid 1, van de Tweede richtlijn, dat de Lid-Staten toestaat om af te wijken van artikel 29, voor zover dat noodzakelijk is om de deelneming van werknemers of van andere bij de nationale wet bepaalde categorieën personen in het kapitaal van ondernemingen te bevorderen. Deze afwijking is eveneens strikt beperkt tot het voorziene geval.
43 Aan de verwijzende rechter moet dus worden geantwoord, dat zowel artikel 25, lid 1, als artikel 29, lid 1, van de Tweede richtlijn door een particulier voor de nationale rechter kan worden ingeroepen tegenover de nationale autoriteiten.
Beslissing inzake de kostenKosten
44 De kosten door de Griekse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechter over de kosten heeft te beslissen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Polymeles Protodikeio Athinas bij vonnis van 2 oktober 1989 gestelde vragen, verklaart voor recht:
De artikelen 25, lid 1, en 29, lid 1, van de Tweede richtlijn (77/91/EEG) van de Raad van 13 december 1976 strekkende tot het cooerdineren van de waarborgen welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken, moeten aldus worden uitgelegd, dat
1) zij in de weg staan aan de toepassing van een regeling die, ten einde de sanering en de continuïteit te waarborgen van ondernemingen die van bijzonder belang voor de nationale economie van een Lid-Staat zijn en die door hun schuldenlast in een uitzonderlijke situatie verkeren, bepaalt dat een verhoging van het maatschappelijk kapitaal kan plaatsvinden bij bestuurshandeling en zonder besluit van de algemene vergadering, en dat de nieuwe aandelen bij bestuurshandeling kunnen worden toegewezen zonder eerst aan de aandeelhouders te worden aangeboden naar evenredigheid van het deel van het kapitaal dat hun aandelen vertegenwoordigen;
2) zij door een particulier voor de nationale rechter kunnen worden ingeroepen tegenover de nationale autoriteiten.
Top