Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 25 JULI 1991. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN KONINKRIJK SPANJE. - CONTROLEMAATREGELEN - VANGSTEN UIT DE GROEPSBESTANDEN WAARVOOR EEN TAC OF QUOTUM GELDT BUITEN DE VISSERIJZONE VAN DE GEMEENSCHAP. - ZAAK C-258/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-03977
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Visserij - Instandhouding van rijkdommen van de zee - Bevoegdheid van Gemeenschap - Maatregelen van vangstcontrole in verband met instandhoudingsbeleid - Toepasselijkheid op vangsten buiten visserijzone van Gemeenschap - Controleverplichtingen van Lid-Staten
(Verordeningen van de Raad nrs. 2057/82 en 2241/87)
SamenvattingIn het kader van haar autonome bevoegdheid tot vaststelling van maatregelen tot instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee is de Gemeenschap bevoegd regels te stellen ten aanzien van vangsten buiten de communautaire visserijzone. Beperking van de mogelijkheden van visvangst buiten de communautaire zone is immers onontbeerlijk voor de doeleinden zelf van het gemeenschappelijk visserijbeleid, omdat wanneer alleen maatregelen worden genomen met betrekking tot de visbestanden die zich in de communautaire wateren bevinden, deze weinig doeltreffend zouden zijn en de doeleinden van instandhouding van de betrokken soorten zouden frustreren, aangezien voor die bestanden dan geen enkel quotum meer zou gelden zodra zij zich buiten de 200-mijlszone begeven. De Gemeenschap mocht dus van de Lid-Staten verlangen, dat deze op de buiten de visserijzone van de Gemeenschap gevangen hoeveelheden uit een bestand of een groep bestanden waarvoor een maximale toegestane vangst of een quotum geldt, de controlemaatregelen toepassen die zijn voorgeschreven bij de verordeningen nr. 2057/82 en nr. 2241/87.
PartijenIn zaak C-258/89,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseurs R. C. Fischer en F. Santaolalla, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
ondersteund door
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door J. E. Collins van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter ambassade van het Verenigd Koninkrijk, Boulevard Roosevelt 14,
interveniënt,
tegen
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door J. Conde de Saro, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Gemeenschappen en R. Silva de Lapuerta, Abogado del Estado voor het Hof van Justitie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij de Spaanse ambassade, Boulevard Emmanuel Servais 4-6,
verweerder,
betreffende een verzoek tot vaststelling dat het Koninkrijk Spanje de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door op de buiten de visserijzone van de Gemeenschap gevangen hoeveelheden uit een bestand of een groep bestanden waarvoor een maximale toegestane vangst (TAC) of een quotum geldt, niet de controlemaatregelen toe te passen die zijn voorgeschreven bij verordening (EEG) nr. 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten (PB 1982, L 200, blz. 1), inzonderheid bij de artikelen 1, 6 tot en met 9 en 10 daarvan, alsmede bij verordening (EEG) nr. 2241/87 van de Raad van 23 juli 1987 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de visserijactiviteiten (PB 1987, L 207, blz. 1), inzonderheid bij de artikelen 1, 5 tot en met 9 en 11 daarvan,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini, G. C. Rodríguez Iglesias en M. Díez de Velasco, kamerpresidenten, Sir Gordon Slynn, C. N. Kakouris, R. Joliet, F. A. Schockweiler en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 9 januari 1991, waarbij de regering van het Verenigd Koninkrijk was vertegenwoordigd door C. Bellamy, QC, en C. Vajda, barrister, als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 mei 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 14 augustus 1989, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat het Koninkrijk Spanje de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door op de buiten de visserijzone van de Gemeenschap gevangen hoeveelheden uit een bestand of een groep bestanden waarvoor een maximale toegestane vangst (TAC) of een quotum geldt, niet de controlemaatregelen toe te passen die zijn voorgeschreven bij verordening (EEG) nr. 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten (PB 1982, L 220, blz. 1), inzonderheid bij de artikelen 1, 6 tot en met 9 en 10 daarvan, alsmede bij verordening (EEG) nr. 2241/87 van de Raad van 23 juli 1987 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de visserijactiviteiten (PB 1987, L 207, blz. 1), inzonderheid bij de artikelen 1, 5 tot en met 9 en 11 daarvan.
2 Artikel 1 van beide genoemde verordeningen verplicht de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat, strafrechtelijke of administratiefrechtelijke stappen te ondernemen tegen iedere overtreding van de geldende regeling met betrekking tot de instandhoudings- en controlemaatregelen. Artikel 5 van verordening nr. 2241/87 legt de kapitein van een vissersvaartuig dat de vlag voert van een Lid-Staat en waarmee wordt gevist op een bestand of groep bestanden waarvoor een totaal toegestane vangst (TAC) of quotum geldt, de verplichting op, een logboek bij te houden waarin de gevangen en aan boord gehouden hoeveelheden van iedere soort, de datum en plaats van de vangst, onder verwijzing naar de kleinste zone waarvoor een TAC of quotum is vastgesteld en wordt beheerd, en het gebruikte type vistuig worden vermeld. De Lid-Staten dienen de juistheid van deze aantekeningen te controleren.
3 De artikelen 6, 7 en 8 van beide verordeningen leggen de kapitein van een vissersvaartuig de verplichting op, aan de staat van de losplaats alsmede aan de staat waarvan zijn vaartuig de vlag voert, opgave te verstrekken van de aan land gebrachte, overgeladen respectievelijk aan boord gehouden hoeveelheden uit ieder bestand of groep bestanden waarvoor een TAC of quotum geldt; de Lid-Staten verplichten zij, de nodige maatregelen te nemen ter controle van de juistheid van de ontvangen opgaven. Artikel 9 van beide verordeningen verplicht de Lid-Staten, de aanvoer van alle vangsten uit een aan een TAC of quotum onderworpen bestand of groep bestanden door vissersvaartuigen die de vlag voeren van een Lid-Staat of in een Lid-Staat zijn geregistreerd, te registreren en de Commissie mededeling te doen van de aldus verkregen gegevens. Artikel 11 van verordening nr. 2241/87 verplicht de Lid-Staten, voor vissersvaartuigen die hun vlag voeren, een voorlopig verbod uit te vaardigen op de vangst van vis uit een bepaald bestand of groep bestanden waarvoor een quotum geldt, en wel zo tijdig, dat kan worden gegarandeerd dat het betrokken quotum niet wordt overschreden.
4 In 1986 en 1987 stelden inspecteurs van de Commissie vast, dat de Spaanse overheid gedurende die twee jaar niet de vangsten had geregistreerd van soorten waarvoor TAC' s of quota golden, en die in de ICES-secties VI, VII en VIII buiten de 200-mijls visserijzone van de Gemeenschap waren gevangen. De Spaanse autoriteiten hebben tegen deze lossingen geen strafrechtelijke of administratiefrechtelijke stappen ondernomen.
5 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
6 Het Koninkrijk Spanje bestrijdt dat het zijn verplichtingen zou hebben verzuimd en voert drie argumenten aan om aan te tonen dat de Commissie uitgaat van een onjuiste uitlegging van de genoemde verordeningen.
7 In de eerste plaats zou de Gemeenschap niet bevoegd zijn om autonoom maatregelen vast te stellen ter controle van de vangsten in de wateren die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van de Lid-Staten vallen. De verordeningen zouden derhalve niet aldus kunnen worden uitgelegd dat de communautaire quota ook gelden voor de buiten de communautaire visserijzone gelegen gedeelten van de ICES-gebieden.
8 Dienaangaande betoogt het Koninkrijk Spanje in hoofdzaak, dat de enige maatregelen die de Gemeenschap kan nemen ten aanzien van vangsten in wateren die niet onder de soevereiniteit of de jurisdictie van de Lid-Staten vallen, zijn: het sluiten van internationale overeenkomsten en het vaststellen van maatregelen ter uitvoering van zulke overeenkomsten.
9 Dat argument kan niet worden aanvaard. Gelijk het Hof immers voor recht verklaarde in het arrest van 16 februari 1978 (zaak 61/77, Commissie/Ierland, Jurispr. 1978, blz. 417), is de Gemeenschap bevoegd maatregelen tot instandhouding vast te stellen, en zulks zowel autonoom als bij wege van verdragen met derde landen of in het kader van internationale organisaties. In onderhavige zaak kan worden volstaan met de vaststelling dat de litigieuze verordening in het kader van die autonome bevoegdheid is vastgesteld.
10 Het eerste door het Koninkrijk Spanje aangevoerde argument moet dus worden verworpen.
11 Vervolgens betoogt het Koninkrijk Spanje dat een uitlegging die tot een eenzijdige beperking van de visserijmogelijkheden op volle zee door de Gemeenschap leidt, de vissers in de Gemeenschap schaadt zonder doeltreffend te zijn, aangezien derde landen van hun kant hun vissersvloot alle ruimte zullen blijven geven.
12 Dienaangaande behoeft slechts te worden opgemerkt, dat wanneer alleen maatregelen worden genomen met betrekking tot de visbestanden die zich in de communautaire wateren bevinden, deze weinig doeltreffend zouden zijn en de doeleinden van instandhouding van de betrokken soorten zouden frustreren, aangezien voor die bestanden dan geen enkel quotum meer zou gelden zodra zij zich buiten de 200-mijlszone begeven. Bovendien zouden binnen de communautaire zone gevangen hoeveelheden gemakkelijk als in volle zee gevangen kunnen worden aangegeven.
13 Hieruit volgt, dat beperking van de mogelijkheden van visvangst buiten de communautaire zone hoe dan ook onontbeerlijk is voor de doeleinden zelf van het gemeenschappelijk visserijbeleid.
14 Ten slotte staat volgens het Koninkrijk Spanje de Akte van toetreding van Spanje en Portugal tot de Europese Gemeenschappen (PB 1985, L 302, hierna: Toetredingsakte) in de weg aan een bevoegdheid van de Gemeenschap om regelen te stellen betreffende de mogelijkheden van visvangst buiten de communautaire wateren. De bij artikel 161 van de Toetredingsakte aan Spanje toegekende quota zouden niet buiten de communautaire wateren kunnen gelden voor zover artikel 156 bepaalt, dat voor de toegang tot de wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van de Lid-Staten vallen en die tot de ICES-gebieden behoren, de bepalingen van de afdeling gelden waarvan de artikelen 156 en 161 deel uitmaken. Daaruit volgt, nog steeds volgens Spanje, dat dezelfde bepalingen niet kunnen gelden voor gebieden die niet tot de jurisdictie van de Lid-Staten behoren, ook al behoren zij wel tot de ICES-gebieden.
15 Volgens Spanje kunnen de hem krachtens artikel 161 van de Akte toegekende quota niet worden geacht te gelden buiten de communautaire wateren, aangezien artikel 161 deel uitmaakt van een afdeling waarin volgens artikel 156 van de Akte voor Spaanse schepen de toegang tot de wateren is geregeld "die vallen onder de soevereiniteit of de jurisdictie van de (...) Lid-Staten".
16 Met betrekking tot dit argument zij vastgesteld, dat volgens artikel 156 van de Toetredingsakte voor de toegang van Spanje tot de wateren die onder de jurisdictie van de Lid-Staten van de Gemeenschap van de Tien vallen, de regeling geldt die is omschreven in het Vierde deel, Titel II, Hoofdstuk 4, Afdeling II, van de Akte. Binnen deze afdeling stellen de artikelen 157 tot en met 160 regelen betreffende de toegang tot die wateren, terwijl artikel 161 aan Spanje quota toekent in de gebieden VIII en IX, die zich geheel buiten de wateren van de Staten van de Gemeenschap van de Tien bevinden. Waar de verdeling van de visbestanden is geregeld voor zones buiten de wateren van de Staten van de Gemeenschap van de Tien, kan op het toepassingsgebied van de regeling inzake de toegang tot de wateren geen beroep worden gedaan ten aanzien van de verdeling van de bestanden.
17 Hieruit volgt, dat ook het derde door het Koninkrijk Spanje aangevoerde argument moet worden verworpen.
18 Waar alle argumenten van het Koninkrijk Spanje zijn verworpen, moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk Spanje de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door op de buiten de visserijzone van de Gemeenschap gevangen hoeveelheden uit een bestand of een groep bestanden waarvoor een maximale toegestane vangst (TAC) of een quotum geldt, niet de controlemaatregelen toe te passen die zijn voorgeschreven bij verordening nr. 2057/82, inzonderheid bij de artikelen 1, 6 tot en met 9 en 10 daarvan, alsmede bij verordening nr. 2241/87, inzonderheid bij de artikelen 1, 5 tot en met 9 en 11 daarvan.
Beslissing inzake de kostenKosten
19 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien het Koninkrijk Spanje in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1) Het Koninkrijk Spanje is de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen, door op de buiten de visserijzone van de Gemeenschap gevangen hoeveelheden uit een bestand of een groep bestanden waarvoor een maximale toegestane vangst (TAC) of een quotum geldt, niet de controlemaatregelen toe te passen die zijn voorgeschreven bij verordening (EEG) nr. 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten, inzonderheid bij de artikelen 1, 6 tot en met 9 en 10 daarvan, alsmede bij verordening (EEG) nr. 2241/87 van de Raad van 23 juli 1987 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de visserijactiviteiten, inzonderheid bij de artikelen 1, 5 tot en met 9 en 11 daarvan.
2) Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Top