Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 28 NOVEMBER 1991. - BUREAU EUROPEEN DES UNIONS DE CONSOMMATEURS TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - ANTI-DUMPINGPROCEDURE - RECHT OM NIET-CONFIDENTIEEL DOSSIER VAN DE COMMISSIE TE RAADPLEGEN. - ZAAK C-170/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-05709
Zweedse bijz. uitgave bladzijde I-00495
Finse bijz. uitgave bladzijde I-00525
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Beroep tot nietigverklaring - Voor beroep vatbare handelingen - Weigering van Commissie om organisatie voor behartiging van belangen van consumenten toegang te geven tot niet-vertrouwelijke stukken van anti-dumpingprocedure
(EEG-Verdrag, art. 173)
2. Gemeenschapsrecht - Beginselen - Recht van verweer - Eerbiediging in administratieve procedures - Anti-dumping - Verplichting van Commissie om organisatie voor behartiging van belangen van consumenten toegang te geven tot niet-vertrouwelijke stukken van procedure - Afwezigheid
(Verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 7, lid 4, sub a)
3. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Anti-dumpingprocedure - Toegang tot niet-vertrouwelijke stukken van procedure - Begunstigden - Analoge toepassing van voorschriften die van toepassing zijn op interventie in gerechtelijke procedure tot nietigverklaring van anti -dumpingverordeningen - Uitgesloten - Verschillend voorwerp en doel van bedoelde procedures
(EEG-Verdrag, art. 164; verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 7, lid 4, sub a)
4. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Anti-dumpingprocedure - Recht van toegang tot niet-vertrouwelijke stukken van procedure - Recht bij basis-anti-dumpingverordening uitsluitend toegekend aan personen die door beweerde dumping op meest directe wijze worden geraakt - Toelaatbare beperking -Toegang van personen die zijn uitgesloten, maar wettig belang aantonen - Beoordelingsbevoegdheid van Commissie
(Verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 7, lid 4, sub a)
Samenvatting1. Het beroep tot nietigverklaring dat is gericht tegen een brief van de Commissie houdende weigering om een organisatie voor de behartiging van de belangen van consumenten toegang te geven tot de niet-vertrouwelijke stukken van een anti-dumpingprocedure, is ontvankelijk. Aangezien in deze brief die organisatie toegang tot het niet-vertrouwelijke dossier wordt ontzegd, vormt deze niet enkel een mededeling die haar informeert omtrent haar rechtspositie wat de bepalingen van de anti-dumpingprocedures betreft, maar een beschikking die haar belangen aantast.
2. Een organisatie waarvan het statutaire doel de behartiging van de belangen van consumenten is, kan in het kader van een anti-dumping- of anti-subsidiëringsprocedure niet, waar een uitdrukkelijke bepaling ontbreekt, met een beroep op het grondbeginsel van de eerbiediging van het recht van verweer, aanspraak maken op toegang tot tijdens de administratieve procedure ingediende niet-vertrouwelijke stukken.
De anti-dumping- en anti-subsidiëringsprocedure en de eventuele aan het einde daarvan getroffen beschermende maatregelen zijn immers gericht tegen de invoer van bepaalde produkten ten aanzien waarvan wordt beweerd dat er sprake is van dumping door buitenlandse producenten of exporteurs en, in voorkomend geval, door importeurs of van subsidiëring door derde landen.
Deze procedure en de eventueel aan het einde daarvan getroffen maatregelen zijn niet gericht tegen handelwijzen die kunnen worden toegeschreven aan consumenten of organisaties voor de behartiging van de belangen van consumenten. Bijgevolg kan de procedure krachtens basis-anti-dumpingverordening nr. 2423/88 niet leiden tot een voor hen bezwarende handeling, omdat er geen beschuldiging tegen hen wordt ingebracht.
De Commissie is noch uit hoofde van de eerbiediging van het recht van verweer, noch uit hoofde van artikel 7, lid 4, sub a, van de basis-anti-dumpingverordening verplicht, organisaties voor de behartiging van de belangen van consumenten toegang te verlenen tot de niet-vertrouwelijke stukken van de procedure.
3. De administratieve anti-dumpingprocedure en de gerechtelijke procedure tot nietigverklaring van verordeningen houdende beschermende maatregelen, hebben een verschillend voorwerp. Bovendien hebben de voorschriften betreffende deze procedures een verschillend doel. De anti-dumpingprocedure dient enerzijds te waarborgen dat bij invoer in de Gemeenschap geen dumping wordt toegepast waardoor schade wordt berokkend aan de bedrijfstak in de Gemeenschap, en anderzijds de instellingen in staat te stellen binnen een redelijke termijn de nodige maatregelen te treffen, indien het belang van de Gemeenschap zulks vereist. De procedure voor het Hof heeft daarentegen tot doel "de eerbiediging van het recht" te verzekeren, zoals is bepaald in artikel 164 EEG-Verdrag.
De omstandigheid dat een consumentenorganisatie in voorkomend geval door het Hof kan worden gemachtigd te interveniëren in een gerechtelijke procedure en als interveniënt toegang kan hebben tot door partijen in het geding geproduceerde niet-vertrouwelijke stukken, betekent derhalve niet dat een dergelijk recht ook moet worden toegekend in het kader van een administratieve anti-dumpingprocedure.
4. De Raad heeft blijkens de tekst van artikel 7, lid 4, sub a, van basis-anti-dumpingverordening nr. 2423/88 besloten het recht van toegang tot het niet-vertrouwelijke dossier van de procedure toe te kennen aan degenen die door de beweerde dumping op de meest directe wijze worden geraakt, te weten de klager en de importeurs en exporteurs waarvan bekend is dat zij betrokken zijn. Een dergelijk recht is niet toegekend aan consumenten tegen wie geen beschuldiging is ingebracht. Er kan niet worden geconcludeerd dat de Raad met die keuze het recht van verweer of het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden.
Niets in de tekst van bovengenoemde bepaling belet de Commissie evenwel om personen die aantonen dat zij een wettig belang hebben, in staat te stellen kennis te nemen van het niet-vertrouwelijke dossier.
PartijenIn zaak C-170/89,
Bureau Européen des Unions de Consommateurs (Europees Bureau van Consumentenverenigingen), vertegenwoordigd door P. Bentley, Barrister van Lincoln' s Inn te Londen, en J. Rivas de Andrés, advocaat te Sarragossa, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Stanbrook & Hooper, Rue Thomas Edison 3,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. White, lid van de juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door R. Wagner, een in het kader van een uitwisselingsprogramma bij de Commissie gedetacheerde Duitse rechter, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, vertegenwoordiger van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg
verweerster,
ondersteund door
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur Y. Crétien als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij X. Herlin, Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
interveniënt,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie dat is vervat in een verzoeker op 15 maart 1989 toegezonden brief en waarbij zij weigert om verzoeker inzage te geven van het niet-vertrouwelijke dossier van de Commissie in het kader van een anti-dumpingprocedure, en, voor zover nodig, tot buitentoepassingverklaring van artikel 7, lid 4, sub a, van verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1988, L 209, blz. 1), voor zover het daarin zou zijn verboden verzoeker die inzage te verschaffen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, Sir Gordon Slynn, R. Joliet en F. A. Schockweiler, kamerpresidenten, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida en G. C. Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: J.-G. Giraud
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord partijen in hun pleidooien ter terechtzitting van 29 januari 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 maart 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 16 mei 1989, heeft het Bureau Européen des Unions de Consommateurs (Europees Bureau van Consumentenverenigingen; hierna: het "BEUC"), gevestigd te Brussel, krachtens de artikelen 173 en 174 EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van het in de brief van 15 maart 1989 vervatte besluit van de Commissie houdende weigering om verzoeker in het kader van de anti-dumpingprocedure betreffende bepaalde importen van complete audiocassettes en audiocassettebanden van oorsprong uit Japan, de Republiek Zuid-Korea en Hongkong, inzage te geven van het niet-vertrouwelijke dossier van de Commissie en de door partijen in die procedure verstrekte gegevens, en, voor zover nodig, om buitentoepassingverklaring krachtens artikel 184 EEG-Verdrag van artikel 7, lid 4, sub a, van verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1988, L 209, blz. 1), voor zover het verzoeker daarin zou zijn verboden kennis te nemen van dit dossier en deze gegevens.
2 Bij bericht van 14 januari 1989 (PB 1989, C 11, blz. 9) kondigde de Commissie aan, naar aanleiding van een door de Europese Raad van de bonden van de chemische nijverheid namens de gehele betrokken bedrijfstak in de Gemeenschap ingediende klacht, een anti-dumpingprocedure betreffende bepaalde importen van complete audiocassettes en audiocassettebanden van oorsprong uit Japan, de Republiek Zuid-Korea en Hongkong, in te leiden.
3 Blijkens het in het Publikatieblad bekend gemaakte bericht moesten verzoeken om te worden gehoord binnen een termijn van 30 dagen na de publikatie van het bericht schriftelijk worden ingediend bij de diensten van de Commissie. Deze termijn liep af op 14 februari 1989.
4 Bij brief van 13 maart 1989 verzocht het BEUC, een internationale vereniging naar Belgisch recht met rechtspersoonlijkheid, waarbij een aantal nationale organisaties zijn aangesloten waarvan het statutaire doel de behartiging van de belangen van consumenten is, om in het kader van deze procedure door de Commissie te worden gehoord en schriftelijke opmerkingen te mogen indienen. Ten einde de indiening van deze opmerkingen te vergemakkelijken, verzocht het om toestemming om het dossier van de Commissie te mogen inzien en om de door partijen tijdens de procedure verstrekte niet-vertrouwelijke gegevens te mogen ontvangen.
5 Bij per fax verzonden brief van 15 maart 1989 deelde de Commissie mee, dat overeenkomstig artikel 7, lid 4, sub a, van verordening nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 (hierna: "basis-anti-dumpingverordening") het recht om het niet-vertrouwelijke dossier te raadplegen was voorbehouden aan "(d)e klager en de importeurs en exporteurs waarvan bekend is dat zij betrokken zijn, alsmede de vertegenwoordigers van het uitvoerende land", en dat zij derhalve het verzoek van het BEUC om kennis te nemen van het niet-vertrouwelijke dossier en de door de partijen in de procedure verstrekte gegevens, niet kon inwilligen. In dezelfde brief liet de Commissie weten, dat zij niettemin bereid was de schriftelijke opmerkingen van het BEUC in aanmerking te nemen en het te horen.
6 Het beroep van het BEUC is gericht tegen deze brief. Blijkens de stukken heeft de Commissie verzoeker echter een afschrift van de niet-vertrouwelijke versie van de klacht overgelegd.
7 Bij beschikking van 4 oktober 1989 heeft het Hof de Raad toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De ontvankelijkheid
9 Volgens de Commissie is het beroep van het BEUC niet-ontvankelijk. Haar per fax verzonden brief van 15 maart 1989 zou geen voor een beroep in de zin van artikel 173 EEG-Verdrag vatbare beschikking zijn, voor zover deze brief verzoeker enkel informeert omtrent zijn rechtspositie, zoals deze voortvloeit uit artikel 7, lid 4, sub a, van de basis-anti-dumpingverordening, en deze rechtspositie in geen enkel opzicht wijzigt. Deze brief zou geen rechtsgevolg teweegbrengen en slechts zijn aan te merken als een advies, dat krachtens artikel 173 EEG-Verdrag uitdrukkelijk is uitgesloten van de handelingen die zijn onderworpen aan toetsing door het Hof.
10 Het BEUC is evenwel van mening dat de Commissie over een discretionaire bevoegdheid beschikt wat betreft de toegang tot het niet-vertrouwelijke dossier. Haar weigering om die bevoegdheid ten gunste van het BEUC aan te wenden, zou derhalve een beschikking vormen en niet slechts een verduidelijking van de rechtspositie. De tekst van artikel 7, lid 4, sub a, verzet er zich niet tegen, dat organisaties als het BEUC kennis kunnen nemen van het niet-vertrouwelijke dossier.
11 Aangezien in de brief het BEUC toegang tot het niet-vertrouwelijke dossier wordt ontzegd, vormt deze niet enkel een mededeling, maar integendeel een beschikking die de belangen van het BEUC aantast. De brief van de Commissie moet derhalve als een voor een beroep uit hoofde van artikel 173 EEG-Verdrag vatbare bezwarende handeling worden gekwalificeerd.
12 Mitsdien is het beroep ontvankelijk.
Ten gronde
13 Vooraf zij opgemerkt, dat artikel 7, lid 4, sub a, van de basis-anti-dumpingverordening de klager en de importeurs en exporteurs waarvan bekend is dat zij betrokken zijn, alsmede de vertegenwoordigers van het uitvoerende land, uitdrukkelijk het recht toekent om kennis te nemen van aan de Commissie verstrekte niet-vertrouwelijke gegevens, doch enkel voor zover deze gegevens voor de behartiging van hun belangen van betekenis zijn en door de Commissie bij het onderzoek worden gebruikt.
14 Tot staving van zijn beroep heeft het BEUC twee middelen aangevoerd: schending van het recht van verweer en schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en van de coherente toepassing van de communautaire procedurele voorschriften.
Het middel schending van het recht van verweer
15 Het BEUC betoogt in wezen dat de Commissie, door op de grondslag van artikel 7, lid 4, sub a, van de basis-anti-dumpingverordening het BEUC geen toegang te geven tot de in het kader van de administratieve anti-dumpingprocedure aan de Commissie overgelegde niet-vertrouwelijke stukken, het recht van verweer heeft geschonden.
16 Volgens het BEUC vereist dit beginsel dat het bevoegd gezag, alvorens dit maatregelen of beslissingen neemt welke de belangen van iemand rechtstreeks kunnen raken, de betrokkene hoort en vooraf informeert over de feiten en overwegingen op basis waarvan het gezagsorgaan denkt te handelen.
17 In het kader van de anti-dumpingprocedure zou het recht van toegang tot het niet-vertrouwelijke dossier, dat een eerbiediging van de rechten van de verdediging zou meebrengen, niet zijn beperkt tot mededeling van de feiten die aan het einde van de procedure definitief tegen de betrokken persoon in aanmerking zijn genomen. Dit recht zou zich uitstrekken tot alle documenten, van welke aard dan ook, die tijdens de procedure in het niet-vertrouwelijke dossier zijn gevoegd, omdat de betrokken persoon enkel en alleen door toegang tot die documenten kan vernemen wat hem wordt verweten en op doeltreffende wijze kan deelnemen aan de verschillende fases van de anti-dumpingprocedure.
18 Volgens het BEUC sluit het feit dat in artikel 7, lid 4, sub a, van de basis-anti-dumpingverordening het recht van toegang wordt beperkt tot de uitdrukkelijk vermelde categorieën, geenszins uit dat het BEUC die toegang wordt verleend, waar de eerbiediging van het recht van verweer een grondbeginsel van gemeenschapsrecht is, dat zelfs bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling ter zake moet worden gewaarborgd.
19 Dit argument kan niet worden aanvaard. Zoals de Commissie en de Raad hebben opgemerkt, kan een organisatie als het BEUC in het kader van een anti-dumping- of anti-subsidiëringsprocedure niet, waar een uitdrukkelijke bepaling ontbreekt, met een beroep op het grondbeginsel van de eerbiediging van het recht van verweer aanspraak maken op toegang tot tijdens de administratieve procedure ingediende niet-vertrouwelijke stukken.
20 De anti-dumping- en anti-subsidiëringsprocedure en de eventuele aan het einde daarvan getroffen beschermende maatregelen zijn immers gericht tegen de invoer van bepaalde produkten ten aanzien waarvan wordt beweerd dat er sprake is van dumping door buitenlandse producenten of exporteurs en, in voorkomend geval, door importeurs of van subsidiëring door derde landen.
21 Deze procedure en de eventueel aan het einde daarvan getroffen maatregelen zijn niet gericht tegen handelwijzen die kunnen worden toegeschreven aan consumenten of organisaties als het BEUC. Bijgevolg kan de procedure krachtens verordening nr. 2423/88 niet leiden tot een voor hen bezwarende handeling, omdat er geen beschuldiging tegen hen wordt ingebracht.
22 Het BEUC verwijt derhalve de Commissie, ten onrechte dat zij het recht van verweer heeft geschonden door het BEUC geen toegang te verlenen tot de niet-vertrouwelijke stukken van de procedure. De Commissie was noch uit hoofde van de eerbiediging van het recht van verweer, noch uit hoofde van artikel 7, lid 4, sub a, van de basis-anti-dumpingverordening daartoe verplicht.
23 Het middel betreffende de schending van het recht van verweer moet mitsdien worden verworpen.
Het middel schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en van de coherente toepassing van de communautaire procedurele voorschriften
24 Tot staving van dit middel stelt verzoeker, dat het vanuit het standpunt van het beginsel van behoorlijk bestuur en van de coherente toepassing van de communautaire procedurele voorschriften, onlogisch is dat in artikel 7, lid 4, sub a, van de basis-anti-dumpingverordening het recht van toegang van particulieren wordt beperkt tot de exporteurs, importeurs en klagers en dit recht niet wordt toegekend aan consumentenverenigingen. Met betrekking tot de coherente toepassing van de communautaire procedurele voorschriften betoogt verzoeker dat in geval van een door een exporteur ingesteld beroep tot nietigverklaring, het Hof een organisatie als het BEUC meer dan waarschijnlijk zou toestaan te interveniëren in de procedure en dat de organisatie door die interventie krachtens artikel 93, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering het recht zou hebben kennis te nemen van alle tijdens de procedure voor het Hof geproduceerde niet-vertrouwelijke stukken.
25 Vooraf zij opgemerkt, dat de administratieve anti-dumpingprocedure en de gerechtelijke procedure tot nietigverklaring van verordeningen houdende beschermende maatregelen, een verschillend voorwerp hebben. Bovendien hebben de voorschriften betreffende deze procedures een verschillend doel. De anti-dumpingprocedure dient enerzijds te waarborgen dat bij invoer in de Gemeenschap geen dumping wordt toegepast waardoor schade wordt berokkend aan de bedrijfstak in de Gemeenschap, en anderzijds de instellingen in staat te stellen binnen een redelijke termijn de nodige maatregelen te treffen, indien het belang van de Gemeenschap zulks vereist. De procedure voor het Hof heeft daarentegen tot doel "de eerbiediging van het recht" te verzekeren, zoals is bepaald in artikel 164 EEG-Verdrag.
26 De omstandigheid dat een consumentenorganisatie in voorkomend geval door het Hof kan worden gemachtigd te interveniëren in een gerechtelijke procedure en als interveniënt toegang kan hebben tot door partijen in het geding geproduceerde niet-vertrouwelijke stukken, betekent derhalve niet dat een dergelijk recht ook moet worden toegekend in het kader van een administratieve anti-dumpingprocedure.
27 Mitsdien moet het middel betreffende de schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en van de coherente toepassing van de communautaire procedurele voorschriften worden verworpen.
28 Met betrekking tot de vraag of artikel 7, lid 4, sub a, van de basis-anti-dumpingverordening buiten toepassing moet worden verklaard, zij opgemerkt, dat de Raad blijkens de tekst van dit artikel heeft besloten, het recht van toegang tot het niet-vertrouwelijke dossier toe te kennen aan degenen die door de beweerde dumping op de meest directe wijze worden geraakt, te weten de klager en de importeurs en exporteurs waarvan bekend is dat zij betrokken zijn. Een dergelijk recht is niet toegekend aan consumenten tegen wie geen beschuldiging is ingebracht. Er kan niet worden geconcludeerd dat de Raad met die keuze het recht van verweer of het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Aan die conclusie wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat het BEUC bij de gemeenschapsinstellingen bepaalde belangen van de consumenten behartigt op gebieden die in geen enkel verband staan met de anti-dumpingregeling, of door het feit dat de gemeenschapsinstellingen bij het treffen van beschermende maatregelen rekening moeten houden met de belangen van de Gemeenschap, waaronder die van de consumenten, en dat het BEUC als organisatie de belangen van consumenten beter kan behartigen dan de individuele consument.
29 Niets in de tekst van artikel 7, lid 4, sub a, van de basis-anti-dumpingverordening belet de Commissie evenwel om personen die aantonen dat zij een wettig belang hebben, in staat te stellen kennis te nemen van het niet-vertrouwelijke dossier.
30 De gemeenschapswetgever dient af te wegen of in de basis-anti-dumpingverordening een vereniging die de belangen van consumenten behartigt, het recht moet worden toegekend het niet-vertrouwelijke dossier in te zien.
31 Gelet op het voorgaande moet het beroep van het BEUC ongegrond worden verklaard.
Beslissing inzake de kostenKosten
32 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen. Ingevolge artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering zal de Raad, die in het geding heeft geïntervenieerd, zijn eigen kosten dragen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Verklaart het beroep ongegrond.
2) Verwijst verzoeker in de kosten, met uitzondering van de door de interveniënt gemaakte kosten.
3) Verstaat dat de Raad zijn eigen kosten zal dragen.
Top