RAPPORT TER TERECHTZITTING
in zaak C-165/88 ( *1 )
I — De feiten
A —
ORO Amsterdam Beheer BV en Concerto BV exploiteren een detailhandel in nieuwe en gebruikte grammofoonplaten, muziekcassettes en compactdiscs. In december 1986 verkochten zij nieuwe en gebruikte goederen voor een bedrag van 256698 HFL, exclusief belasting. Daarvan is 250915 HFL belast met 20% omzetbelasting.
In ditzelfde tijdvak kochten zij voor een totaal bedrag van 37509 HFL aan gebruikte goederen om deze weder te verkopen. In hun BTW-aangifte voor december 1986 pasten zij op het bedrag van 250915 HFL het tarief van 20% toe, wat een bruto belastingbedrag van 50183 HFL opleverde, waarop zij de reeds eerder door hen betaalde omzetbelasting in mindering brachten. Voor het Gerechtshof te Amsterdam betwistte de fiscale eenheid ORO Amsterdam Beheer BV en Concerto BV het aldus betaalde BTW-bedrag (37608 HFL) evenwel, en verzocht zij om terugbetaling van 6251 HFL, op grond dat op de bij de verkoop verschuldigde BTW in mindering moest worden gebracht de BTW die nog begrepen was in de prijs van de met het oog op de wederverkoop aangekochte goederen. Uit dien hoofde moest een bedrag, gelijk aan 20/120e van het totale bedrag van de door haar gedane aankopen van gebruikte goederen, in mindering worden gebracht.
B —
Het Gerechtshof te Amsterdam heeft vastgesteld dat geen enkele bepaling van de nationale belastingwet de mogelijkheid biedt om de BTW die nog op ingekochte gebruikte goederen drukt, geheel of gedeeltelijk af te trekken. Tevens merkt het op, dat in de Zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 (77/388, PB 1977, L 145, blz. 1) evenmin zulk een aftrekmogelijkheid is voorzien, maar dat de Commissie op grond van artikel 32 van die richtlijn voorstellen heeft ingediend met het oog op de vaststelling van een bijzondere regeling inzake de omzetbelasting voor gebruikte goederen, welke voorstellen tot dusverre nog niet zijn aanvaard. Aangezien evenwel het uitblijven van een specifieke regeling voor gebruikte goederen tot een vervalsing van de mededinging kan leiden, en gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie, meer in het bijzonder de arresten van 10 juli 1985, Commissie/Nederland (zaak 16/84, Jurispr. 1985, blz. 2355) en Commissie/Ierland (zaak 17/84, Jurispr. 1985, blz. 2375), achtte het Gerechtshof het noodzakelijk het Hof van Justitie om een prejudiciële uitspraak te verzoeken over de volgende twee vragen :
„1)
Is het in overeenstemming met het recht van de Europese Gemeenschappen en met name de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en van de Zesde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (77/388/EEG) — dat een Lid-Staat in december 1986 onverkort omzetbelasting heft ter zake van de levering van gebruikte goederen zonder daarbij op enigerlei wijze rekening te houden met de omstandigheid dat die goederen zijn betrokken van particulieren, nu de Raad van de Europese Gemeenschappen in zijn evengenoemde Zesde richtlijn zich heeft verbonden en heeft aangekondigd vóór 31 december 1977 de communautaire belastingregeling voor de handel in gebruikte goederen vast te stellen maar daaraan tot op heden nog geen gevolg heeft gegeven ?
2)
Ingeval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, op welke wijze dient dan bij de bepaling van de ter zake van de levering van gebruikte goederen verschuldigde omzetbelasting rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de goederen van particulieren zijn betrokken ?”
De beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam is op 13 juni 1988 ten Hove ingekomen.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. F. Buhl, juridisch adviseur van de Commissie, en B. J. Drijber, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden; door de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door E. F. Jacobs als gemachtigde, en door de fiscale eenheid ORO Amsterdam Beheer BV en Concerto BV, vertegenwoordigd door G. Molenaar als gemachtigde.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Samenvatting van de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
A —
Verzoekster is, evenals de Commissie van de Europese Gemeenschappen, van mening dat het in strijd is met de bepalingen van de Zesde richtlijn van 17 mei 1977 geen rekening te houden met de reeds over tweedehands gekochte goederen geheven BTW.
1)
Verzoekster in het hoofdgeding betoogt dat het in strijd is met de Zesde richtlijn, gebruikte goederen dubbel met BTW te belasten. Haars inziens volgt deze conclusie zowel uit de twee arresten van het Hof van 10 juli 1985, Commissie/Nederland en Commissie/Ierland (reeds aangehaald), als uit het arrest van 21 mei 1985, Gaston Schul Douane-Expediteur BV (zaak 47/84, Jurispr. 1985, blz. 1491).
Haar voorstel om 20/120e van de koopprijs van de gebruikte goederen in mindering te brengen, leidt niet tot een te hoge aftrek. De toepassing van de door de Commissie in haar voorstellen van richtlijn voorziene regeling zou een hogere aftrek tot gevolg hebben gehad.
2)
De Commissie van de Europese Gemeenschappen wijst er om te beginnen op, dat de Nederlandse wetgeving inzake omzetbelasting slechts in twee uitzonderingsgevallen een bijzondere regeling voor gebruikte goederen kent: in geval van levering van een roerend goed tegen inruil van een goed van dezelfde soort zijn bepaalde afwijkingen voorzien, en voor kunstvoorwerpen, antiquiteiten en soortgelijke goederen geldt een verlaagd tarief.
In zijn twee arresten van 5 mei 1982 (zaak 15/81, Schul, Jurispr. 1982, blz. 1409) en van 21 mei 1985 (zaak 47/84, Schul, reeds aangehaald), heeft het Hof van Justitie verklaard dat onder het verbod van artikel 95 EEG-Verdrag valt de heffing van BTW bij invoer van een goed uit een andere Lid-Staat dat door een particulier is geleverd, terwijl deze belasting niet wordt geheven ter zake van de levering door een particulier van gelijksoortige goederen binnen de Lid-Staat van invoer voor zover geen rekening wordt gehouden met het restant van de in de Lid-Staat van uitvoer betaalde BTW. De vraag is dus, of dezelfde beginselen ook moeten gelden voor de handel binnen een Lid-Staat.
In de Eerste en in de Tweede richtlijn inzake BTW (Eerste richtlijn van de Raad van 11 april 1967, 67/227, PB 1967, L 71, blz. 1301; Tweede richtlijn van de Raad van 11 april 1967, 67/228, PB 1967, L 71, blz 1303), waarin de grote lijnen van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde worden geschetst, was niets geregeld betreffende gebruikte goederen. Daarentegen was in artikel 26 van het voorstel van de Commissie voor een Zesde richtlijn (PB 1973, C 80, blz 1) een bijzondere regeling voor de BTW over gebruikte goederen neergelegd. De Raad heeft deze regeling evenwel nooit goedgekeurd. Op 11 januari 1978 werd een voorstel voor een Zevende richtlijn ingediend (PB 1978, C 26, biz. 2, en PB 1979, C 136, blz. 8). Dit voorstel, dat een bijzondere regeling voor gebruikte goederen behelsde, werd in november 1987 ingetrokken; naar verluidt is thans een nieuw voorstel voor een richtlijn in voorbereiding en is de uitwerking daarvan „reeds ver gevorderd”.
Volgens de Commissie is hier sprake van nalatigheid van de Raad en moet dus worden uitgemaakt wat bij een dergelijk stilzitten van de wetgever de verplichtingen van de Lid-Staten zijn.
In de eerste plaats blijkt uit 's Hofs rechtspraak, dat bij een dergelijk in gebreke blijven er geen bezwaar tegen kan worden gemaakt dat een Lid-Staat nationale maatregelen handhaaft of vaststelt, die ertoe strekken de doelstellingen van de communautaire regeling te verwezenlijken.
In de tweede plaats is het fundamentele kenmerk van het stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde blijkens voormeld arrest van 10 juli 1985, Commissie/Nederland, dat elke vorm van dubbele belasting wordt uitgesloten. Zoals het Hof in bovenbedoeld arrest heeft verklaard, is dit de enige manier om distorsies tussen het normale handelscircuit en de andere circuits te voorkomen.
Daaruit volgt, dat elke regeling met het tegengestelde effect — die dus wel tot een dubbele belasting leidt — als onverenigbaar met de doelstellingen van de BTW-regeling moet worden beschouwd. De thans in Nederland bestaande situatie leidt wel degelijk tot een dubbele belastingheffing voor gebruikte goederen. Bijgevolg moeten de consequenties worden getrokken uit 's Hofs rechtspraak en moeten de nationale maatregelen ertoe strekken dat de communautaire doelstellingen in samenwerking met de Commissie worden verwezenlijkt, zoals het Hof in zijn arrest van 3 oktober 1985 (zaak 249/84, Profant, Jurispr. 1985, blz. 3237) heeft verklaard. Weliswaar behelst artikel 32 van de richtlijn van 17 mei 1977 een „standstill”-bepaling, doch in het licht van de evolutie van het gemeenschapsrecht zijn de Lid-Staten gehouden, maatregelen te nemen om de gevolgen van het stilzitten van de Raad te verhelpen. Mitsdien geeft de Commissie in overweging op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden, dat „het onverenigbaar is met de fundamentele beginselen van de richtlijnen van de Raad tot instelling van het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, dat op leveringen van gebruikte goederen binnen een Lid-Staat een omzetbelastingstelsel wordt toegepast dat kan leiden tot een dubbele belastingheffing ter zake van deze goederen”.
De Commissie vraagt zich wel af, welke methode dient te worden toegepast om zulk een dubbele belasting te voorkomen. Zij kan deze methode niet op eigen houtje vaststellen, aangezien ter zake de Raad bevoegd is. De Lid-Staten dienen door middel van nationale maatregelen ervoor te zorgen dat hun belastingregeling niet tot een dubbele belastingheffing leidt, met dien verstande dat de vastgestelde regels niet een belemmering van de harmonisatie van de wetgevingen op communautair vlak mogen vormen.
B —
De Nederlandse regering is van mening dat de Nederlandse wettelijke regeling in haar huidige stand verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Na eerst de algemene regels van het BTW-stelsel in herinnering te hebben gebracht, merkt de Nederlandse regering op dat zich inderdaad een probleem voordoet wanneer een goed dat van een particulier is gekocht opnieuw in het handelscircuit terecht komt. In dat geval ontstaat cumulatie van belasting, en wordt een verschillend fiscaal regime toegepast naar gelang van het verkoopkanaal. De Nederlandse wetgeving bevat geen algemene regeling voor gebruikte goederen. Wel wordt tot op zekere hoogte rekening gehouden met de specifieke problemen welke bedoelde goederen veroorzaken, aangezien er enerzijds bijzondere regels zijn voor het geval waarin een roerend goed wordt verkocht tegen inruil van een goed van dezelfde soort, en er daarnaast ook vrijstellingen zijn voor de levering van goederen welke uitsluitend voor vrijgestelde prestaties worden gebezigd en een verlaagd tarief geldt voor kunstvoorwerpen, antiquiteiten en soortgelijke goederen.
De „standstill”-bepaling van artikel 32 van de Zesde richtlijn houdt voor de Lid-Staten evenwel een verbod in om de specifieke regelingen met betrekking tot gebruikte goederen te wijzigen of uit te breiden. Deze bepaling strekt ertoe te voorkomen dat de nationale wetgevingen nog verder gaan uiteenlopen. Dit laat onverlet dat de nationale belastingregels wel moeten voldoen aan de overige bepalingen van het Verdrag, en met name aan artikel 95 betreffende de binnenlandse belastingen (zie de arresten van het Hof van 10 juli 1985, Commissie/Nederland en Commissie/Ierland, reeds aangehaald). De onderhavige casus is evenwel verschillend, aangezien het hier niet om de invoer van gebruikte goederen gaat en in artikel 32 van de Zesde richtlijn ook niet kan worden gelezen dat een Lid-Staat na het verstrijken van de in dat artikel genoemde uiterste datum, gerechtigd of verplicht zou zijn een eigen regeling betreffende de belastingheffing over gebruikte goederen tot stand te brengen.
Ten aanzien van de tweede vraag, is de Nederlandse regering van mening dat, wanneer het Hof van oordeel mocht zijn dat de Lid-Staten verplicht zijn cumulatie van belasting voor gebruikte goederen te verhinderen, het zogenoemde „taxe-sur-taxe systeem”, waarmee meer recht wordt gedaan aan de algemeen geldende BTW-systematiek, de voorkeur verdient. Anderzijds zou een eventuele gebruikte-goederenregeling, welke dan ook, de Lid-Staten de mogelijkheid moeten bieden, aanvullende bepalingen vast te stellen ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude.
III — Antwoorden op vragen van het Hof
Het Hof heeft de Commissie verzocht, aan te geven welke BTW-regeling in de verschillende Lid-Staten geldt voor gebruikte goederen, in de eerste plaats wanneer zij met het oog op de wederverkoop zijn aangekocht binnen een Lid-Staat, en in de tweede plaats wanneer zij, eveneens met het oog op wederverkoop, uit een andere Lid-Staat zijn ingevoerd, en daarbij te onderscheiden tussen het geval waarin de verkoper belastingplichtig is en het geval waarin hij zulks niet is. In antwoord op deze vraag heeft de Commissie het Hof een gedetailleerde nota doen toekomen, waarin de stand van het recht in de verschillende Lid-Staten wordt uiteengezet.
F. Grévisse
rechter-rapporteur
( *1 ) Procestaai: Nederlands.
Top