Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 9 JUNI 1992. - SIMBA SPA EN ANDEREN TEGEN AMMINISTRAZIONE DELLE FINANZE DELLO STATO ITALIANO. - VERZOEKEN OM EEN PREJUCICIELE BESLISSING: PRETURA DI SAVONA, PRETURA DI LA SPEZIA EN PRETURA DI SALERNO - ITALIE. - NATIONALE BELASTING OP BANANEN - BELASTING UITSLUITEND GEHEVEN OVER RECHTSTREEKS UIT DERDE LANDEN INGEVOERDE PRODUKTEN - EVENTUELE ONVERENIGBAARHEID MET HET GEMEENSCHAPSRECHT. - GEVOEGDE ZAKEN C-228/90 TOT C-234/90, C-339/90 EN C-353/90.
Jurisprudentie 1992 bladzijde I-03713
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Fiscale bepalingen ° Binnenlandse belastingen ° Heffing als Italiaanse nationale verbruiksbelasting op verse bananen ° Kwalificatie als binnenlandse belasting ° Na arrest van Hof heffing beperkt tot rechtstreeks uit derde landen ingevoerde produkten ° Consequenties ° Kwalificatie ongewijzigd, doch buiten werkingssfeer van artikel 95 EEG-Verdrag
(EEG-Verdrag, art. 9, 12 en 95)
2. Gemeenschappelijke handelspolitiek ° Heffing, door Lid-Staat, van protectionistische nationale belasting op rechtstreeks uit derde landen ingevoerde produkten ° Toelaatbaarheid in licht van verdragsbepalingen, maar noodzaak van onderzoek in licht van internationale akkoorden tussen Gemeenschap en derde landen
(EEG-Verdrag, art. 113)
3. Gemeenschapsrecht ° Rechtstreekse werking ° Conflict tussen bepalingen in door Gemeenschap gesloten akkoorden waarbij aan particulieren rechten worden toegekend, en nationale wet ° Verplichtingen en bevoegdheden van kennisnemende nationale rechter ° Buiten toepassing laten van nationale wet
Samenvatting1. Een heffing als de nationale verbruiksbelasting op verse bananen, die bij wet nr. 986/64, zoals gewijzigd bij wet nr. 873/82, in het Italiaanse rechtsstelsel is ingevoerd, moet worden geacht deel uit te maken van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag en de verenigbaarheid ervan met het gemeenschapsrecht dient aan dat artikel en niet aan de artikelen 9 en 12 van het Verdrag te worden getoetst, aangezien
° zij een onderdeel vormt van een reeks van verbruiksbelastingen die door gemeenschappelijke fiscale bepalingen worden geregeld en bepaalde groepen produkten treffen volgens een objectief, onafhankelijk van de oorsprong van het betrokken produkt toegepast criterium, namelijk het behoren tot een bepaalde categorie goederen;
° enkele van die belastingen levensmiddelen treffen en de omstandigheid dat deze produkten in eigen land dan wel in het buitenland zijn geproduceerd, niet van invloed lijkt te zijn voor het tarief, de grondslag en de wijze van inning;
° de opbrengst van die belastingen geen specifieke bestemming heeft en een belastingontvangst is als alle andere en evenals deze op algemene wijze bijdraagt aan de financiering van de overheidsuitgaven in alle sectoren.
Dat zij het rechtskarakter van een nationale belasting heeft, wordt niet beïnvloed door de omstandigheid dat zij na een arrest van het Hof waarbij de toepassing van de belasting op uit andere Lid-Staten ingevoerde verse bananen onverenigbaar met artikel 95 werd verklaard, enkel werd geheven op rechtstreeks uit derde landen ingevoerde bananen. Dit is immers de consequentie van het arrest van het Hof en kan niet worden beschouwd als een criterium voor het begrip heffing van gelijke werking als een invoerrecht. De heffing kan evenmin los worden gezien van het stelsel van binnenlandse belastingen waarvan zij deel uitmaakt.
Daar artikel 95 slechts van toepassing is op uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten, valt een heffing als de betrokken belasting niet onder die bepaling, voor zover deze van toepassing is op de invoer van rechtstreeks uit derde landen afkomstige verse bananen.
2. Voor zover een heffing als de nationale verbruiksbelasting op verse bananen, die bij wet nr. 986/64, zoals gewijzigd bij wet nr. 873/82, in het Italiaanse rechtsstelsel is ingevoerd, van toepassing is op de invoer van rechtstreeks uit derde landen afkomstige verse bananen en ofschoon vaststaat dat zij de binnenlandse produktie van tafelfruit beschermt, is zij niet onverenigbaar met de geest en het stelsel van het gemeenschapsrecht, zoals deze voortvloeien uit de verdragsbepalingen betreffende de invoering van de gemeenschappelijke handelspolitiek, onverminderd evenwel de toepassing van bepalingen van eventuele internationale akkoorden tussen de Gemeenschap en de derde landen waaruit de bananen afkomstig zijn.
Het staat aan de nationale rechterlijke instanties om, in voorkomend geval, na het Hof prejudiciële vragen te hebben voorgelegd over de uitlegging van de bepalingen van internationale akkoorden, vast te stellen, of die bepalingen daadwerkelijk de toepassing van de betrokken heffing verbieden.
3. Voor zover een nationale wet tot invoering van een heffing als de verbruiksbelasting op verse bananen, die bij wet nr. 986/64, zoals gewijzigd bij wet nr. 873/82, in het Italiaanse rechtsstelsel is ingevoerd, wordt geacht in te druisen tegen bepalingen in door de Gemeenschap gesloten akkoorden, waarbij aan particulieren rechten worden toegekend, moet deze wet door nationale rechterlijke instanties buiten toepassing worden gelaten, met dien verstande dat in een dergelijk geval de betrokken particulieren niet verplicht zijn, deze heffing te betalen.
PartijenIn de gevoegde zaken C-228/90 tot en met C-234/90, C-339/90 en C-353/90,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Pretore di Savona, de Pretore di La Spezia en de Vice-Pretore di Salerno, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Simba SpA (C-228/90 en C-234/90),
Comafrica SpA (C-229/90, C-232/90 en C-339/90),
Camar Srl (C-230/90),
Co-Frutta SpA (C-231/90),
Chiquita Italia SpA (C-233/90 en C-353/90)
en
Ministero delle finanze (Dogane di Savona e della Spezia),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 9, 95, 113 en 115 EEG-Verdrag en van verordening (EEG) nr. 950/68 van de Raad van 28 juni 1968 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1968, L 172, blz. 1), in verband met de verbruiksbelasting die in Italië wordt geheven over rechtstreeks uit derde landen ingevoerde verse bananen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, waarnemend voor de president, F. Grévisse en P. J. G. Kapteyn, kamerpresidenten, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, J. C. Moitinho de Almeida, M. Diez de Velasco, M. Zuleeg en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Simba SpA, vertegenwoordigd door G. Finocchio, advocaat te Savona, bijgestaan door B. Telchini, advocaat te Bolzano,
° Comafrica SpA, vertegenwoordigd door G. Pericu en M. A. Quaglia, advocaten te Genua, en door G. Finocchio, advocaat te Savona, alsmede door M. Giannini, advocaat te La Spezia,
° Camar Srl. vertegenwoordigd door M. Porzio, advocaat te Napels en G. Finocchio, advocaat te Savona,
° Co-Frutta SpA, vertegenwoordigd door W. Viscardini Dona, advocaat te Padua,
° Chiquita Italia SpA, vertegenwoordigd door G. Greco en L. R. Bianchi, advocaten te Milaan, G. Finocchio, advocaat te Savona, en G. en F. De Dominicis, advocaten te Salerno,
° de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door L. Ferrari Bravo, hoofd van de afdeling Diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door S. Laporta, avvocato dello Stato,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Traversa, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Simba SpA, Comafrica SpA, Co-Frutta SpA en Chiquita Italia SpA, de Italiaanse regering en de Commissie ter terechtzitting van 7 november 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 december 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij negen beschikkingen van 28 juni, 6 en 11 juli, 5 en 12 november 1990, ingekomen ten Hove op 27 juli, 13 en 28 november 1990, hebben de Pretore di Savona, de Pretore di La Spezia en de Vice-Pretore di Salerno krachtens artikel 177 EEG-Verdrag prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 9, 95, 113 en 115 EEG-Verdrag en van verordening (EEG) nr. 950/68 van de Raad van 28 juni 1968 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1968, L 172, blz. 1), ter beoordeling van de verenigbaarheid met die bepalingen van een nationale verbruiksbelasting ("imposta erariale di consumo") op verse bananen, voor zover die belasting van toepassing is op de invoer van rechtstreeks uit derde landen afkomstige verse bananen.
2 Deze vragen zijn gerezen in gedingen tussen een aantal importeurs en het Italiaanse Ministerie van Financiën. Deze importeurs zijn van mening, dat het gemeenschapsrecht zich verzet tegen de heffing van bedoelde belasting over in te voeren partijen verse bananen die rechtstreeks afkomstig zijn uit derde landen die behoren tot de dollarzone of partij zijn bij de op 8 december 1984 te Lomé ondertekende derde ACS-EEG-Overeenkomst (PB 1986, L 86, blz. 3).
3 Op verzoek van de importeurs hebben de verwijzende rechters de administratie bij wijze van voorlopige maatregel gelast, dat zij toestaat dat de partijen bananen zonder betaling van die belasting worden ingevoerd. Nadien hebben de nationale rechterlijke instanties geoordeeld, dat de gedingen vragen deden rijzen omtrent de uitlegging van het gemeenschapsrecht en hebben zij derhalve de behandeling geschorst totdat het Hof van Justitie zich heeft uitgesproken over de volgende prejudiciële vragen.
In de zaken C-228/90 tot en met C-234/90
"1) Is de bij wet nr. 986/1964 (zoals gewijzigd bij wet nr. 873/1982) in de Italiaanse rechtsorde ingevoerde verbruiksbelasting op verse bananen onverenigbaar met de geest en het systeem van de communautaire rechtsorde, zoals deze voortvloeien uit artikel 9 EEG-Verdrag dat de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief in de betrekkingen met derde landen voorschrijft, en artikel 113 EEG-Verdrag dat bepaalt dat de Lid-Staten een gemeenschappelijke handelspolitiek toepassen, nu die belasting ° die ingevolge de arresten van het Hof in de zaken 184/85 en 193/85 niet langer van toepassing is op produkten die zich in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden ° enkel nog van toepassing is op produkten die rechtstreeks uit derde landen afkomstig zijn, wat zou neerkomen op een beschermende maatregel die niet overeenkomstig de voorwaarden van artikel 115 EEG-Verdrag is vastgesteld?
2) Zo ja, dient de wet waarbij de heffing is ingevoerd, door degene die hem uitlegt, buiten toepassing te worden gelaten en is de particulier dientengevolge ontslagen van de verplichting om dat bedrag te betalen?
3) Subsidiair, is uitsluitend wet nr. 873/1982 onverenigbaar met voormelde bepalingen van het EEG-Verdrag en met verordening (EEG) nr. 950/68 van de Raad (in werking getreden op 1 juli 1968), nu de Italiaanse Staat in weerwil van het uit het arrest van 13 december 1973 (gevoegde zaken 37/73 en 38/73) van het Hof van Justitie voortvloeiende verbod om wijziging te brengen in het beschermingspeil, neergelegd in het gemeenschappelijk douanetarief, de betrokken heffing van 70 LIT tot het huidige tarief van 525 LIT heeft opgetrokken?"
In zaak C-339/90
"1) Is de bij wet nr. 986/1964 (zoals gewijzigd bij wet nr. 873/1982) in de Italiaanse rechtsorde ingevoerde verbruiksbelasting op verse bananen in strijd met artikel 95 EEG-Verdrag, ook al geldt zij alleen voor rechtstreeks uit derde landen ingevoerde bananen, of is zij in ieder geval onverenigbaar met de geest en het systeem van de communautaire rechtsorde, zoals deze voortvloeien uit artikel 9 EEG-Verdrag dat de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief in de betrekkingen met derde landen voorschrijft, en uit artikel 113 EEG-Verdrag dat bepaalt dat de Lid-Staten een gemeenschappelijke handelspolitiek toepassen, nu die belasting ° die ingevolge de arresten van het Hof van Justitie van 7 mei 1987 in de zaken 184/85 en 193/85 niet langer van toepassing is op produkten die zich in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden ° enkel nog van toepassing is op produkten die rechtstreeks uit derde landen afkomstig zijn, wat zou neerkomen op een beschermende maatregel die niet overeenkomstig de voorwaarden van artikel 115 EEG-Verdrag is vastgesteld?
2) Subsidiair, is uitsluitend wet nr. 873/1982 onverenigbaar met voormelde bepalingen van het EEG-Verdrag en met verordening (EEG) nr. 950/68 van de Raad (in werking getreden op 1 juli 1968), nu de Italiaanse Staat in weerwil van het uit het arrest van 13 december 1973 (gevoegde zaken 37/73 en 38/73) van het Hof van Justitie voortvloeiende verbod om wijziging te brengen in het beschermingspeil, neergelegd in het gemeenschappelijk douanetarief, de betrokken heffing van 70 LIT tot het huidige tarief van 525 LIT heeft opgetrokken?"
In zaak C-353/90
"1) Is de bij wet nr. 986/64 (zoals gewijzigd bij wet nr. 873/82) in de Italiaanse rechtsorde ingevoerde verbruiksbelasting op verse bananen onverenigbaar met de geest en het systeem van de communautaire rechtsorde, zoals deze voortvloeien uit artikel 9 EEG-Verdrag dat de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief in de betrekkingen met derde landen voorschrijft, en uit artikel 113 EEG-Verdrag dat bepaalt dat de Lid-Staten een gemeenschappelijke handelspolitiek toepassen, nu die belasting ° gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 7 mei 1987 in de zaken 184/85 en 193/85 ° enkel nog van toepassing is op produkten die rechtstreeks uit derde landen afkomstig zijn, wat zou neerkomen op een beschermende maatregel die niet overeenkomstig de voorwaarden van artikel 115 EEG-Verdrag is vastgesteld?
2) Zo ja, dient de wet waarbij de heffing is ingevoerd, door degene die hem uitlegt, buiten toepassing te worden gelaten en is de particulier dientengevolge ontslagen van de verplichting om dat bedrag te betalen?
3) Subsidiair, is uitsluitend wet nr. 873/1982 onverenigbaar met voormelde bepalingen van het EEG-Verdrag en met verordening (EEG) nr. 950/68 van de Raad (in werking getreden op 1 juli 1968), nu de Italiaanse Staat in weerwil van het uit het arrest van 13 december 1973 (gevoegde zaken 37/73 en 38/73) van het Hof van Justitie voortvloeiende verbod om wijziging te brengen in het beschermingspeil, neergelegd in het gemeenschappelijk douanetarief, de betrokken heffing van 70 LIT tot het huidige tarief van 525 LIT heeft opgetrokken?"
4 Bij beschikking van 20 september 1990 heeft het Hof de zaken C-228/90 tot en met C-234/90 gevoegd voor de schriftelijke en mondelinge behandeling alsmede het arrest.
5 Bij beschikking van 16 september 1991 heeft het Hof de gevoegde zaken C-228/90 tot en met C-234/90 voor de mondelinge behandeling en het arrest gevoegd met de zaken C-339/90 en C-353/90.
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
Rechtskarakter van een heffing als de nationale verbruiksbelasting
7 In het arrest van 7 mei 1987 (zaak 193/85, Co-Frutta, Jurispr. 1987, blz. 2085, r.o. 13) heeft het Hof reeds voor recht verklaard, dat een heffing als de nationale verbruiksbelasting moet worden geacht deel uit te maken van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag en dat de verenigbaarheid ervan met het gemeenschapsrecht aan dat artikel en niet aan de artikelen 9 en 12 van het Verdrag dient te worden getoetst.
8 In het bijzonder merkte het Hof op dat belastingen, zoals de negentien in Italië geldende verbruiksbelastingen, worden geregeld door gemeenschappelijke fiscale bepalingen en bepaalde groepen produkten treffen volgens een objectief, onafhankelijk van de oorsprong van het betrokken produkt toegepast criterium, namelijk het behoren tot een bepaalde categorie goederen. Enkele van die belastingen, gelijk de verbruiksbelasting op bananen, treffen levensmiddelen. De omstandigheid dat deze produkten in eigen land dan wel in het buitenland zijn geproduceerd, lijkt niet van invloed te zijn voor het tarief, de grondslag en de wijze van inning. Ten slotte preciseerde het Hof dat de opbrengst van die belastingen geen specifieke bestemming heeft; zij is een belastingontvangst als alle andere en draagt evenals deze op algemene wijze bij aan de financiering van de overheidsuitgaven in alle sectoren (arrest van 7 mei 1987, reeds aangehaald, r.o. 12).
9 Evenzo heeft het Hof in het eveneens op 7 mei 1987 gewezen arrest (zaak 184/85, Commissie/Italië, Jurispr. 1987, blz. 2013, r.o. 15) verklaard, dat de Italiaanse Republiek, door een verbruiksbelasting op verse bananen in te stellen en te handhaven, die van toepassing is op bananen van oorsprong uit andere Lid-Staten, de krachtens artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
10 Tijdens de onderhavige procedure is gesteld, dat een heffing als de nationale verbruiksbelasting niet meer als een binnenlandse belasting is aan te merken, maar als een heffing van gelijke werking als een invoerrecht, op grond dat deze sinds voormelde arresten van 7 mei 1987 geen deel meer kan uitmaken van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen, voor zover zij alleen nog maar rechtstreeks uit derde landen ingevoerde bananen treft, en dat zij derhalve niet meer wordt toegepast volgens objectieve, onder meer niet van het land van invoer afhankelijke criteria.
11 Dit argument kan niet worden aanvaard. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer arrest van 10 oktober 1978, zaak 148/77, Hansen, Jurispr. 1978, blz. 1787) kan namelijk een en dezelfde belastingheffing in beginsel niet tegelijkertijd als een binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag en als een heffing van gelijke werking als een invoerrecht in de zin van artikel 9 EEG-Verdrag worden beschouwd.
12 In casu is de omstandigheid dat een heffing als de nationale verbruiksbelasting later enkel werd geheven op rechtstreeks uit derde landen ingevoerde bananen de consequentie van voormelde arresten van 7 mei 1987 en kan zij niet worden beschouwd als een criterium voor het begrip heffing van gelijke werking als een invoerrecht. Een dergelijke heffing kan evenmin los worden gezien van het stelsel van binnenlandse belastingen waarvan zij deel uitmaakt.
De in zaak C-339/90 gestelde vraag over de uitlegging van artikel 95 EEG-Verdrag
13 Aangezien een heffing als de binnenlandse verbruiksbelasting moet worden beschouwd als een onder artikel 95 vallende binnenlandse belasting, moet in de eerste plaats de vraag worden beantwoord, of een dergelijke heffing in strijd is met die bepaling voor zover zij van toepassing is op de invoer van rechtstreeks uit derde landen afkomstige verse bananen.
14 Volgens de rechtspraak van het Hof (zie voornoemd arrest van 10 oktober 1978) is artikel 95 slechts van toepassing op uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten, zodat die bepaling niet van toepassing is op rechtstreeks uit derde landen ingevoerde produkten.
15 Derhalve moet worden geantwoord, dat een heffing als de nationale verbruiksbelasting die bij wet nr. 986/1964, zoals gewijzigd bij wet nr. 873/1982, in het Italiaanse rechtsstelsel is ingevoerd, niet valt onder artikel 95 EEG-Verdrag, voor zover een dergelijke heffing van toepassing is op de invoer van rechtstreeks uit derde landen afkomstige verse bananen.
De vragen over de uitlegging van artikel 113 EEG-Verdrag
16 Met deze vragen wordt beoogd vast te stellen, of een heffing als de verbruiksbelasting onverenigbaar is met de geest en het stelsel van het gemeenschapsrecht zoals deze voortvloeien uit artikel 113 EEG-Verdrag dat bepaalt dat de Lid-Staten een gemeenschappelijke handelspolitiek toepassen, in het bijzonder gelet op het protectionistische karakter van de betrokken heffing.
17 De verdragsbepalingen inzake de gemeenschappelijke handelspolitiek, en inzonderheid artikel 113, blijken op zichzelf een Lid-Staat niet te verbieden, over rechtstreeks uit derde landen ingevoerde produkten een heffing als de binnenlandse verbruiksbelasting te innen.
18 Zoals het Hof al heeft vastgesteld (zie arrest van 10 oktober 1978, reeds aangehaald), bevat het Verdrag zelf voor het handelsverkeer met derde landen geen enkele regeling betreffende binnenlandse belastingen, die overeenkomt met die van artikel 95.
19 Ofschoon het Verdrag als zodanig geen bepalingen bevat, die eventuele discriminaties bij de toepassing van binnenlandse belastingen op rechtstreeks uit derde landen ingevoerde produkten verbieden, moet in de onderhavige zaken toch rekening worden gehouden met de internationale akkoorden tussen de Gemeenschap en de derde landen van oorsprong van de partijen bananen, die eventueel bepalingen kunnen bevatten die van invloed kunnen zijn op de beslissing in de hoofdgedingen (zie voormeld arrest van 10 oktober 1978).
20 Zo hebben in artikel 139, lid 2, van de derde ACS-EEG-Overeenkomst, in het hoofdstuk betreffende de algemene handelsregeling de Gemeenschap en haar Lid-Staten zich ertoe verbonden, geen vrijwaringsmaatregelen te treffen ten aanzien van uit ACS-Staten ingevoerde produkten.
21 In voormelde arresten van 7 mei 1987 heeft het Hof evenwel uitdrukkelijk erop gewezen dat een heffing als de binnenlandse verbruiksbelasting van dien aard is dat zij de binnenlandse produktie van tafelfruit van de betrokken Lid-Staat beschermt.
22 Het staat aan de verwijzende rechters om, in voorkomend geval, na het Hof prejudiciële vragen te hebben voorgelegd over de uitlegging van de bepalingen van internationale akkoorden, vast te stellen of die bepalingen daadwerkelijk verbieden dat een Lid-Staat een heffing als een verbruiksbelasting toepast op rechtstreeks uit de betrokken derde landen ingevoerde partijen verse bananen.
23 Derhalve moet worden geantwoord dat, voor zover een heffing als de nationale verbruiksbelasting die bij wet nr. 986/1964, zoals gewijzigd bij wet nr. 873/1982, in het Italiaanse rechtsstelsel is ingevoerd, van toepassing is op de invoer van rechtstreeks uit derde landen afkomstige verse bananen, zij niet onverenigbaar is met de geest en het stelsel van het gemeenschapsrecht, zoals deze voortvloeien uit de verdragsbepalingen betreffende de invoering van de gemeenschappelijke handelspolitiek, onverminderd evenwel de toepassing van bepalingen van eventuele internationale akkoorden tussen de Gemeenschap en de derde landen waaruit de in de hoofdgedingen bedoelde bananen afkomstig zijn.
De vragen over de uitlegging van artikel 9 EEG-Verdrag en van verordening nr. 950/68
24 Met deze vragen dient te worden vastgesteld, of artikel 9 EEG-Verdrag, dat de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief met betrekking tot derde landen voorschrijft, en verordening nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief zich ertegen verzetten dat een heffing als de binnenlandse verbruiksbelasting wordt toegepast op rechtstreeks uit derde landen ingevoerde bananen, in het bijzonder gelet op de achtereenvolgende verhogingen van de betrokken heffing sedert de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief.
25 Aangezien een en dezelfde belastingheffing in beginsel niet tegelijkertijd als een binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag en als een heffing van gelijke werking als een invoerrecht in de zin van artikel 9 EEG-Verdrag kan worden aangemerkt, zijn laatstgenoemde bepaling en verordening nr. 950/68, zoals laatstelijk gewijzigd, niet van toepassing op een heffing als de binnenlandse verbruiksbelasting en behoeven derhalve de vragen over de uitlegging ervan niet te worden beantwoord.
De vragen betreffende de eventuele niet-toepasselijkheid van de nationale wettelijke regeling
26 Met deze vragen wordt beoogd vast te stellen of, voor zover een nationale wet waarbij de toepassing van een heffing als de binnenlandse verbruiksbelasting wordt voorgeschreven, indruist tegen het gemeenschapsrecht, deze wet door nationale rechterlijke instanties buiten toepassing moet worden gelaten, zodat de betrokken particulieren niet verplicht zijn de betrokken heffing te betalen.
27 Volgens vaste rechtspraak van het Hof (arrest van 9 maart 1978, zaak 106/77, Simmenthal, Jurispr. 1978, blz. 629, r.o. 21) is elke nationale rechter verplicht, het gemeenschapsrecht integraal toe te passen en de door dit recht aan particulieren toegekende rechten te beschermen, door zonodig elke eventueel strijdige bepaling van de nationale wet buiten toepassing te laten.
28 Hieruit volgt noodzakelijkerwijze dat, wanneer de verwijzende rechters een nationale wet tot invoering van een heffing als de binnenlandse verbruiksbelasting onverenigbaar zouden achten met bepalingen in door de Gemeenschap gesloten akkoorden, waarbij aan particulieren rechten worden toegekend, de betrokken particulieren niet verplicht zijn, deze heffing te betalen.
29 Mitsdien moet worden geantwoord dat voor zover een nationale wet tot invoering van een heffing als de verbruiksbelasting wordt geacht in te druisen tegen bepalingen in door de Gemeenschap gesloten akkoorden, waarbij aan particulieren rechten worden toegekend, deze wet door nationale rechterlijke instanties buiten toepassing moet worden gelaten, met dien verstande dat in een dergelijk geval de betrokken particulieren niet verplicht zijn, deze heffing te betalen.
Beslissing inzake de kostenKosten
30 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instanties over de kosten hebben te beslissen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Pretore di Savona, de Pretore di La Spezia en de Vice-Pretore di Salerno bij beschikkingen van 28 juni, 6 en 11 juli, 5 en 12 november 1990 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Een heffing als de nationale verbruiksbelasting die bij wet nr. 986/1964, zoals gewijzigd bij wet nr. 873/1982, in het Italiaanse rechtsstelsel is ingevoerd, valt niet onder artikel 95 EEG-Verdrag, voorzover een dergelijke heffing van toepassing is op de invoer van rechtstreeks uit derde landen afkomstige verse bananen.
2) Voor zover een heffing als de nationale verbruiksbelasting van toepassing is op de invoer van rechtstreeks uit derde landen afkomstige verse bananen, is zij niet onverenigbaar met de geest en het stelsel van het gemeenschapsrecht, zoals deze voortvloeien uit de verdragsbepalingen betreffende de invoering van de gemeenschappelijke handelspolitiek, onverminderd evenwel de toepassing van bepalingen van eventuele internationale akkoorden tussen de Gemeenschap en de derde landen waaruit de in de hoofdgedingen bedoelde bananen afkomstig zijn.
3) Voor zover een nationale wet tot invoering van een heffing als de verbruiksbelasting wordt geacht in te druisen tegen bepalingen in door de Gemeenschap gesloten akkoorden, waarbij aan particulieren rechten worden toegekend, moet deze wet door nationale rechterlijke instanties buiten toepassing worden gelaten, met dien verstande dat in een dergelijk geval de betrokken particulieren niet verplicht zijn, deze heffing te betalen.
Top